Ondergang


auteur: J. Presser


bron: J. Presser, Ondergang. De vervolging en verdelging van het Nederlandse jodendom 1940-1945, 2 delen. Staatsuitgeverij, Den Haag 1985  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Nederlandse instanties

De Duitse vijand had in Nederland zijn bondgenoten, geestverwanten, handlangers - men zou hierin nog een heel stuk in verder kunnen nuanceren, maar dat is niet nodig, al heeft het zin, al dadelijk uit te spreken, dat men hier met een wit-zwart schema niet ver komt. Niet altoos valt het gemakkelijk, deze nuanceringen duidelijk te onderscheiden tegen de zo egale achtergrond van de ontelbare doden zonder graven, maar de historicus kan zich niet aan die plicht onttrekken. Als enige illustratie diene de aantekening omtrent de NSB-er, in Westerbork opgesloten als Jodenvriend en voorbestemd om, met zijn partijspeldje en een ster op, de reis naar de gaskamer te maken.

In de loop van dit verhaal hebben wij herhaaldelijk gewaagd van de hulp, door Nederlandse instanties en individuele personen aan de vijand verstrekt; wij herinneren aan de politie, aan de pers, waarvan uiteraard de uitgesproken nationaal-socialistische het meeste reliëf verdient; enkele organen, zoals de weekbladen Storm en De Misthoorn, bereikten hierbij wel een heel laag peil, daarin dapper nagestreefd door o.m. het radio-cabaret ‘Paulus de Ruyter’, dat de zondagmiddagen van de luisteraars enige wijding verleende met zijn deels antisemietische uitzendingen; wij herinneren tenslotte aan de zeer vele voorbeelden van medewerking met, alweer, alle nuances tussen volens en nolens volens in; bij de behandeling van het Joodse-Raad-probleem hebben wij er een aantal genoemd.

[p. 174]

Twee notities, een beknopte en een uitvoerige, mogen hier een plaats vinden.

De eerste heeft betrekking op het in deze bladzijden herhaaldelijk vermelde college van secretarissen-generaal, dat, naar bekend, door het vertrek van de regering in mei 1940 van de ene op de andere dag van ‘wasvrouwencollege’, met onbeduidende zaken belast, een zeer voorname plaats moest innemen in wat in Nederland nog aan burgerlijk bestuur restte of door de Duitsers werd toegestaan. Het ligt niet op onze weg, in te gaan op deze ongemeen moeilijke, zo niet hachelijke materie en zeker niet op de vraag, hoe men hun positie in de bezettingstijd moet beoordelen alsook de door hen verrichte of nagelaten handelingen. Toen het gezag van de wettige overheid in feite in handen van de bezetter was overgegaan, ware deze gehouden geweest tot herstel en verzekering van de openbare orde en het openbare leven, daarbij de in het land geldende wetten eerbiedigend, behoudens volstrekte verhindering. Binnen deze grenzen zouden de secretarissen-generaal deze bezetter eenvoudigweg te dienen hebben gehad, dat is ook de niet-jurist nog wel duidelijk. Ongetwijfeld was de door de Duitsers als discriminatie aangevangen en als deportatie beëindigde Jodenvervolging een inbreuk op die wetten en dan een inbreuk, die men bepaald niet met een ‘Not kennt kein Gebot’ kon verontschuldigen. Nu zou men zich misschien - het is nog steeds de leek, die spreekt - een situatie kunnen indenken, waarin secretarissen-generaal, met volledig inzicht in aard en omvang van die inbreuk, niettemin hun ambt waren blijven vervullen in de eerlijke overtuiging, dat zij daarmee land en volk de beste dienst bewezen en dat hun handelen niet in strijd kwam met wat men hun ‘primaire rechtsplicht’ genoemd heeft. Hebben secretarissen-generaal deze eerlijke overtuiging gekoesterd? Van de niet-NSB-ers onder hen, die in hun functie verbleven, mag men dit wel aannemen. Zij hebben het kwaad, door de bezetter gedaan, natuurlijk wel gezien, maar als het mindere beschouwd tegenover het grotere, dat huns inziens zou geschieden, indien zij met gebruikmaking van de hun door de Rijkscommissaris gedane belofte aan deze ontheffing uit hun functie hadden gevraagd. Hoe hij het ook wendt of keert, deze historicus ontkomt niet aan de gevolgtrekking, dat zij de Joden-deportatie als dat mindere kwaad hebben beschouwd, waarbij hij enerzijds in aanmerking wil nemen, dat zij niets geweten, misschien, misschien, ook niets vermoed hebben van de gaskamers, anderzijds toch geen zekerheid heeft of zij zelfs met die wetenschap een

[p. 175]

andere weg hadden betreden. Wat althans bijvoorbeeld in het verslag van de Enquêtecommissie naar voren komt, is bepaald niet van dien aard om aan een andere veronderstelling heel veel voedsel te verschaffen, evenmin als de notulen van de door hen als college gehouden vergaderingen. Natuurlijk was in 1942 de hele Jodenkwestie formeel aan hun inmenging onttrokken, maar dat wil nog niet zeggen, dat zij zich daarbij hadden moeten neerleggen en ook niet, dat zij er helemaal niets meer mee te maken hadden; het verplichtte hen zeker niet tot toelating van wat zij als ontoelaatbaar hadden kunnen - en ook wel moeten - beschouwen.

De langere notitie zij gewijd aan de Nederlandse politie, hier uiteraard al eveneens beschouwd met betrekking tot haar activiteit terzake van het door ons behandelde onderwerp. Wij doen het best, hiervoor terug te gaan naar de tijd, waarin de vervolgingen zich zozeer verscherpten, dat de Jood voortdurend te maken had met deze politie, of beter gezegd polities, vooral met allerlei speciale, min of meer voor deze taken opgeleide medewerkers van de bezetter, tot en met de ‘bloedhonden’, waar het illegale Parool1 op doelde, de eigenlijke jagers, ophalers, plunderaars, afpersers en moordenaars. Niemand minder dan een zeer bevoegde als Lages heeft indertijd van een aantal hunner de lof gezongen als van lieden die zich ‘ausserordentlich gut, zum Teil weit über den Durchschnitt’ hebben gedragen.

Wij gewaagden hiervoor reeds van weerstanden, die de gebeurtenissen in het Oosten des lands in de herfst van 1941 bij de marechaussee hadden opgeroepen; het bleek echter niet mogelijk, in het bijzonder van Rauter gedaan te krijgen om afstand te doen van de medewerking van de Nederlandse politie bij de maatregelen tegen Joden. Zo verzocht hij begin november 1941 de secretaris-generaal van Justitie, de Nederlandse politie-instanties voor te schrijven, hoe zij op te treden hadden bij eventuele huiszoekingen bij hen, vooral met het oog op inbeslagneming van contant geld en waardepapieren, welke immers bij Lippmann, Rosenthal & Co. behoorden te zijn ingeleverd. Op 25 november moest de Amsterdamse politie honderd man in burger beschikbaar stellen voor toezicht op het sluiten van Joodse winkels; hierbij zouden geen arrestaties plaatsvinden, heette het - de historicus zou daar achteraf het woordje ‘nog’ aan willen toevoegen. In 1942 werden Nederlandse politie-ambtenaren bij de hierboven ge-

[p. 176]

noemde Zentralstelle gedetacheerd; dat jaar gaven diverse circulaires allerlei voorschriften en richtlijnen; wij herinneren alleen aan de inschakeling van de politie in Amsterdam en elders bij de grote razzia van 2 oktober van dat jaar. Curiositeitshalve maken wij even melding van het rondschrijven, op 14 januari tot de burgemeesters gericht door de ‘Gevolmachtigde voor de Reorganisatie van de Nederlandse Politie’, die o.m. waarschuwt tegen het uitvoeren (door de politie) van ‘door Joden gecomponeerde of bewerkte muziek’.

Op 15 mei 1941 was in Amsterdam op last van generaal-majoor Schumann, Befehlshaber der Ordnungspolizei te 's-Gravenhage, opgericht het ‘Politie Bataljon Amsterdam’, het PBA, gedeeltelijk gekazerneerd in een Katholiek scholencomplex, Cornelis Troostplein 23. Kort erna, in juli 1941, werd te Schalkhaar het ‘Politie Opleidings Bataljon’ (POB) opgericht, dat onder direct Duits toezicht stond. De eerste maanden werd het PBA nauwelijks ingeschakeld bij tegen de Joden gerichte maatregelen; het leverde op 25 november 1941, als hiervoor meegedeeld, alleen honderd man in burgerkleding om met andere, in burger geklede agenten bepaalde Joodse winkels te sluiten, aan het arresteren van Joden werkte het nog niet mee; toen echter in het voorjaar van 1942 leiding en personeel (behoudens een kleine kern) vernieuwd werden, voor een niet onbelangrijk deel in nationaal-socialistische zin, veranderde de situatie en zo werd van september 1942 af het PBA steeds meer ingeschakeld bij het verlenen van assistentie bij het ophalen van Joden; het kwam toen rechtstreeks onder de Sicherheitspolizei en arresteerde deze Joden aan de hand van oproepen. Hiertoe dienden patrouilles van drie manschappen, onder leiding van een PBA-lid, dat tevens SS-man en/of NSB-er was; deze patrouilles stonden weer onder controle van verschillende commandanten, van sectie, compagnie of bataljon. Na 3 oktober moest het PBA inderdaad zelf Joden ophalen; de manschappen kregen van hun officieren de opdracht, alle in een woning aanwezige Joden mee te nemen, ook die waarvoor ze geen oproeping hadden; die officieren hielden ook zonder oproeping wel lukraak Joden in hun woningen aan: men mag veronderstellen uit dienstijver of voor hun plezier.

Dit is wel de plaats, eraan te herinneren, dat de politie in de oorlogsjaren zeker ten aanzien van het Joodse probleem heel vaak in conflictsituaties terecht kwam, dat zij in het bijzonder aan grote spanningen blootgesteld werd bij de uitvoering van maatregelen van een bezetter, die haar tot een willoos werktuig wilde maken voor eigen belangen

[p. *83]



illustratie

Verzoekschrift aan generaal Christiansen van J.A. van der Hal die bij de strijd aan de Grebbeberg o.m. een been verloren heeft. De generaal schrijft boven de brief: ‘Jud is Jud, ob mit oder ohne Beine, und wenn wir den Juden nicht besiegen u. ausschalten, dann schaltet er uns aus.’


[p. *84]



illustratie

Kwitantie van leden van een opsporingsploeg (Kolonne Keyer in dit geval) die per ingeleverde Joodse onderduiker f 7,50 ontvangen


[p. 177]

en die haar onder bedreiging met scherpe represailles belastte met opdrachten, welke haar bij voortduring voor gewetensconflicten stelden.

Men verplaatse zich in de moeilijkheden van een ‘doodgewone’ brave agent, na de oorlog berecht. Op ambtelijk bevel van zijn hoofdcommissaris overgeplaatst naar het hieronder te noemen Bureau Joodse Zaken, wil hij eigenlijk niet. Hij gaat om raad bij deze of gene ‘goede’ chef, maar wordt afgescheept met een ‘Zie maar, hoe je het klaart’. Hij ziet de trambestuurders avond in, avond uit Joden wegvoeren, weet, dat de treinmachinisten hen de stad uit brengen. Onderduiken? Van iedere politieman bestond een speciale signalementskaart en vond men hem, dan kwam hij voor een Duitse militaire rechtbank wegens het onrechtmatig bezit van wapens, met een goede kans op de doodstraf. Weigerde hij, dan wees men een ander aan, zoals men hem aangewezen had; hij kon zich in elk geval inbeelden, hardheid te kunnen vermijden en enigszins, al was het maar weinig, te kunnen saboteren. Tenslotte had men het gevoel, kon men zich althans wijs maken, dat men, bij dit bureau Joodse Zaken werkend, de Joden niet aan de Duitsers overleverde...

Wij vermelden nu van dezelfde Gevolmachtigde van 30 oktober 1942 met als onderwerp (aldus daarin aangegeven): ‘Gevolggeving aan opdrachten van Duitse instanties tot arrestatie, transport en voorgeleiding van Joden, gijzelaars en andere personen’; deze Gevolmachtigde wil daaromtrent ‘alle twijfel opheffen’: Rijks- zowel als Gemeentepolitie hebben deze opdrachten uit te voeren; alle voorafgaande beperkingen vervallen. Punt. Wanneer een zestal Rooms-Katholieke agenten van politie op 24 februari 1943 de Utrechtse hoofdcommissaris meedelen, dat zij op grond van een in de kerk op 21 februari voorgelezen herderlijk schrijven zouden weigeren, indien daartoe bevolen, Joden te arresteren, dreigt deze hoofdcommissaris met ontslag zonder pensioen, gage of wachtgeld, terwijl zij, die hem van hun voorgenomen weigering geen mededeling doen en zich toch daartoe verstouten, ‘als saboteurs zullen worden beschouwd met alle ernstige gevolgen daaraan verbonden’. Hier voegen wij aan toe, dat de zes voornoemd door de Duitsers meteen werden gezocht; men arresteerde, toen zij ondergedoken bleken, hun vrouwen en kinderen. Een naar schatting 180 verklaarden zich met hen solidair, maar deze mannen werden onder zo sterke druk gezet vanwege de Duitsers, dat slechts 23 stand hielden en tot het eind van de oorlog ondergedoken

[p. 178]

bleven (de hier bedoelde hoofdcommissaris, een zekere Kerlen, is enkele weken na dit voorval op straat doodgeschoten). Misschien is het ook interessant, de tekst op te nemen van een andere circulaire, op 2 augustus 1943 rondgezonden door de Wnd. Gewestelijk Politie-President te Rotterdam, kolonel J.J. Boelstra:

‘Het is mij gebleken dat in enkele gemeenten bij het arresteren van met name genoemde personen (Joden of Jodenbegunstigers) niet genoeg initiatief werd getoond om ook niet genoemde Joden, welke in de te doorzoeken huizen werden aangetroffen, te arresteren. Men ging dan eerst instructies halen en vond bij terugkeer de verdachten verdwenen. Om herhaling van een dergelijk zeer onjuist optreden van de politie te voorkomen, vestig ik uitdrukkelijk de aandacht op de verplichting om voortvluchtige of illegaal levende Joden of joden-begunstigers, te allen tijde, waar deze zich ook bevinden, te arresteren. Een arrestatiebevel of nadere instructies zijn daarvoor niet nodig.’

Commentaar hierop is o.i. wel overbodig. Nu weer de andere kant. Geven wij het woord aan Majoor ds. van der Hauw1: ‘In maart 1943 behoorde ik tot een groep marechaussee in de omgeving van het dorp Grootegast. Deze groep bestond uit veldwachters en marechaussees. Op 12 maart kwam er een telefoontje van de Sicherheitsdienst uit Groningen, waarin ons verzocht werd om een Joodse familie in de omgeving van het dorp te arresteren en over te brengen naar Westerbork; wij hebben toen als personeel van deze brigade allemaal gemeend het bevel niet te mogen opvolgen. Wij kwamen 's middags bij elkaar om de zaak nog eens te bespreken en wij bleven toen bij ons besluit. Maar toen wij daar samen waren zijn wij door Duitse en Nederlandse politiemannen gearresteerd en overgebracht naar Groningen. Daar werd ons medegedeeld dat ons besluit dienstweigering was waarop de doodstraf was gesteld. Maar wij bleven allen bij ons besluit. Men zei toen: U krijgt nog een nacht bedenktijd, maar de volgende morgen hebben wij allemaal de kracht ontvangen om bij dit besluit te blijven en we zijn toen overgebracht naar het concentratiekamp Vught. Daar hebben wij mishandeling en eenzame opsluiting moeten delen met de zovele gevangenen die daar zaten. De oudere collega's van mij werden overgebracht naar Duitse concentratiekampen, waaronder ook de veldwachter Boonstra. Ik kan mij van de veldwachter Boonstra nog herinneren dat toen wij in de auto moesten stappen te

[p. 179]

Groningen, dat een van de Duitse politiemannen ons telde, hij zei, er zijn toch elf, ja, es stimmt, waarop Boonstra zei, het is fout, het zijn er twaalf. U hebt God vergeten: hij gaat met ons mee. Altijd.’

Niet weinig politiemannen hebben bij dit verzet hun leven ten offer gebracht aan wat zij hun gewetensplicht achtten; nadrukkelijke vermelding daarvan lijkt de historicus eenvoudige plicht. Anderen poogden, zoals men reeds zag, met kleine middelen te saboteren: zij zagen niet, hoorden niet, vonden niet. Hun risico's onderschatte men evenmin; ook te hunnen koste meldden zich de, niet eens altijd anonieme, verklikkers bij hun chef; de Amsterdamse Jodenjager Dahmen von Buchholz rapporteerde op 19 mei 1942 uitvoerig hoe hij een tweetal agenten ‘erop betrapt’ had, dat zij een praatje maakten met een Jood - op het Amsterdamse Damrak!

Toen was, op 15 oktober 1942, het PBA al versterkt met manschappen uit Schalkhaar; dit ging verder, temeer, omdat het de Duitsers en hun geestverwanten steeds minder moet hebben voldaan. Begin 1943 werd het ophalen van Joden helemaal opgedragen aan de z.g. Vrijwillige Hulppolitie; deze, ingesteld bij verordening nr. 57 van 21 mei 1942 (en gewijzigd bij verordening nr. 67 van 19 juni 1942), bestond uit personen, die (art. 2 van de eerste verordening) ‘de nieuwe Europese orde voorstonden en bereid waren, deze naar beste vermogen te dienen’; alleen al in Amsterdam solliciteerden 1047 personen naar een plaats hierbij; later gingen al deze agenten over naar de Landwacht en dienden op deze wijze de ‘nieuwe Europese orde’ verder. In een later hierover opgesteld rapport heet het, dat de verstandhouding tussen deze Vrijwillige Hulppolitie en het PBA vijandig was: ‘Alleen in geval van dienstaangelegenheden werd het hoogst nodige gesproken’.

Het is hier de plaats, melding te maken van enkele politionele of zo men wil semi-politionele instanties, waar de Joden mede te maken kregen. Wij noemen o.m. de beruchte Kolonne Henneicke, gespecialiseerd in het ophalen van deze slachtoffers; de historicus bladert in het mapje overgebleven afrekeningen van deze lieden, waarvan een aantal met naam en adres hier staat opgenoemd; hij leest hun ‘dienstvoorschriften’, o.m. op 30 juni 1943: ‘Beleefd doch dringend verzoek het dienstboek niet te bekladden, in te tekenen of het nodeloos te verontreinigen’, en neemt kennis van het bloedgeld: zeven gulden vijftig per ingeleverde Jood, ook, blijkens de ingevulde geboortedata, per Joods kind. Eveneens zij aan de vergetelheid ontrukt de veelzijdige

[p. 180]

activiteit van het 11de Bureau, Joodse Zaken, op 1 juni 1942 ingesteld en ‘in het bijzonder belast met alle zaken welke voortvloeien uit de Verordeningen de Joden betreffende’, zoals de dagorder van de Amsterdamse hoofdcommissaris Tulp het formuleerde; dit stond onder de leiding van de meergenoemde Dahmen von Buchholz. Op 10 februari 1943 kwam een deel van het personeel na een reorganisatie bij de SD; men detacheerde Dahmen von Buchholz bij de hoofdcommissaris. Met ingang van 8 mei werd het bureau opgeheven en het overige personeel bij de SD gedetacheerd. Op 8 juli 1943 gaf Rauter aan alle Nederlandse politie-autoriteiten last, scherp toezicht te houden op de toen nog in Nederland ‘legaal’ verblijvende Joden, omdat ‘geconstateerd is, dat bij bijna alle gevallen van sabotage en terreur Joden direct of indirect betrokken waren, ja, zelfs de geestelijke vaders bleken te zijn’. Iedere politie-ambtenaar moet te dezer zake zijn plicht doen om ‘het Nederlandse volk voor repressieve maatregelen te vrijwaren’(!).

Hierboven gewaagden wij even van de ‘bloedhonden’, de slechte elementen onder de Nederlandse politie. Konden zij nu zo maar hun gang gaan? Op een keer kregen dertig politiemannen, onder wie vijftien NSB-ers, hun ontslag, omdat zij zich aan Joods eigendom vergrepen hadden: zij mochten dat niet doen. Wij plegen wel geen tekstvervalsing, indien wij daarbij de klemtoon op dat ‘zij’ leggen. Wij beschikken nog over het afschrift van een overzicht, dat op 3 maart 1943 de voorzitters van de Joodse Raad tot Lages op diens navraag hebben gericht en betrekking hebbend op enkele krasse gevallen van afpersing. Ieder Duits of gebrekkig Duits sprekend individu hoefde maar, al dan niet in uniform, in een Joodse woning te dreigen met meenemen; tenslotte waren er tientallen overtredingen, waar hij deze mensen van beschuldigen kon: hoe kon men zijn onschuld bewijzen? En: als dat al lukte, kwam men dan vrij? De schrijver van dit boek herinnert zich nog heel goed, hoe op een zondagavond begin maart 1943 om een uur of negen een tweetal agenten van de Vrijwillige Hulppolitie na een zeer nadrukkelijke bel met zwaar gestamp van laarzen bij hem binnenstapten, die het tot hun zichtbare teleurstelling erg slecht troffen, omdat er toevallig een paar niet-Joodse vrienden op bezoek waren; het was duidelijk, dat zij iets nieuws moesten bedenken en dat kwam, na enig verraderlijk horten en elkaar tegenspreken, hierop neer, dat zij wisten dat deze schrijver en zijn vrouw op een lijst voor ophalen stonden en dat zij, als wij er wat geld voor over

[p. 181]

hadden, daar iets aan konden doen. Hier leek ons toen maar één houding tegenover mogelijk: die van een opgewekt, maar ongeneeslijk gebrek aan begrip voor wat zij precies verlangden en aangezien de niet-Joodse vrienden maar niet weggingen, verdwenen de heren na een uurtje, waarschijnlijk om het elders nog eens te beproeven. De schrijver heeft ook inzage gehad van het zakboekje, helaas danig beschadigd, waarin zulk een jongeman heel openhartig dag in dag uit optekende, wat hij de moeite waard vond. Ziehier enkele notities, letterlijk overgenomen met weglating van de namen en de data:

(Datum) ‘Vanavond acht uur Joden vangen. Ik had de Weesperstraat samen met G. en De V. 24 Joden gearresteerd.’

(Datum) ‘Vanavond Jodenjacht, zeer succesvolle avond. Ik denk, dat ik in deze paar weken zeker al een paar honderd Joden gevangen heb. Vanmorgen 3.30 thuis.’

(Datum) ‘Vanmiddag dieven gearresteerd, die Jodenwoningen plunderden.’

(Datum) ‘Vanavond weer op Jodenjacht. B. kwam nog even en kon met volle tas terugkeren.’

(Datum) ‘...op Jodenaktion. Slecht buiig weer. Prima wachtmeester J.R. Bijzonder prettige avond.’

(Datum) ‘Vanavond Jodenaktion in Noord. Geweldige massa kinderen achter ons aan. Samen met V.V. op stap. Vanavond zijn drie Joden doodgeschoten, een door wachtmeester W.’

Van een jongeman, die dit argeloosweg zo heeft kunnen opschrijven, is aan te nemen, dat hij niet te kort is geschoten in dienstijver. Zulk een jongen kan best aanwezig zijn geweest bij het geval, toen enige huizen van de woning van schrijver heel laat op een avond de politie kwam om ‘de Jood A’ te halen, een man van 93 jaar, ‘voor de werkverruiming in Duitsland’. Een niet-Joodse dame, die zich als buurvrouw ‘hiermee bemoeide’, incasseerde een paar fikse oorvegen, aangevuld door hierbij passende scheldwoorden. Mishandelingen bij ophalen kwamen, als gezegd, veel voor; vooral hulpelozen en invaliden, liefst vrouwen, stonden daaraan bloot; ook hier gaven de voorzitters in een ‘Persönlich! Streng vertraulich’ schrijven aan Lages enkele tekenende voorbeelden van. Blinden waren natuurlijk helemaal een buitenkansje voor lieden, van wie één bij het invullen van een loonbelastingformulier als beroep invulde ‘hulpagent (Jodenmepper)’. Deze man gaf als toelichting hierop, dat hij dag in dag uit Joden ophaalde. Men mag aannemen dat het bij dit ophalen wel tot meppen

[p. 182]

zal zijn gekomen. Het is allemaal wel ongelooflijk triest, wat ons uit het materiaal tegemoet komt. Wanneer drie Nederlandse rechercheurs zes Joden weghalen, smeekt een niet-Joodse vrouw een veertienjarig meisje niet mee te nemen. Antwoord: ‘Neen, wij ruimen dat tuig allemaal op’ (deze getuige voegt daaraan toe: ‘diezelfde boef, die deze woorden sprak, loopt nu weer rond alsof er nooit iets gebeurd is’). De vlijt en toewijding van deze mensen waren soms onbegrensd en men mag erkennen, dat hun superieuren hen daarvoor vaak mild beloonden - of karig zo men wil; drie rijksdaalders de man, vermeldden wij al. Soms stelden deze noeste werkers zich alvast bij voorbaat schadeloos; het was onder hen de treffende gewoonte, wanneer men hun vroeg, waar bepaalde, in het oog lopende goederen vandaan waren, te antwoorden: ‘Die zijn van meneer Uierkruier’ (sic). Daarmee bedoelden ze: van een Jood.

Hoe de Duitsers het vonden? D.w.z. de Grünen, die bij dit soort werk werden ‘ingezet’? Wij weten het niet; het heet dat sommigen met grote weerzin meededen, ja, zelfs, dat een drietal hunner bij hun officieren bezwaar maakten. Aan de andere kant ontmoeten wij weer die regent van een Haags ziekenhuis, n.b. een oud-minister, die bij het weghalen van Joodse patiënten daar volgens het illegale Parool van 10 mei 1943 de zusters opdracht gaf, ‘de Duitsers vriendelijk te ontvangen en hun een kopje koffie aan te bieden’. Een gastvrij man. Met hart voor zijn medemensen.

Er is het getuigenis van een Duitse vrouw en wel van Henriëtte von Schirach, de echtgenote van de leider van de Hitler-Jugend, Baldur von Schirach, die, in het voorjaar van 1943 in Amsterdam vertoevend, op een nacht wakker wordt van het schreeuwen en weeklagen bij het wegvoeren van Joodse vrouwen en zich onmiddellijk naar Hitler begeeft, die haar natuurlijk op de bekende manier afblaft: Sentimentalitäten! Humanitätsduselei!

Hebben wij de Duitsers iets in het credit geboekt, anderzijds iets, maar nu in het debet, van de Joden. Het was heel erg, maar niet zelden assisteerden z.g. OD-ers, Joodse jongelieden, de ophalers bij het weghalen van hun lotgenoten, wat in hoge mate afschuw wekte. Gezonden vanwege Joodse instanties, om het lot van weggehaalde zieken, ouden van dagen en invaliden te verzachten, misdroegen zij zich soms in een mate, die tot ernstige klachten van de zijde van niet-Joden aanstoot gaf: ‘zij stonden met groenen op straat pret te maken, presenteerden sigaretten: kortom, een uiterst vriendschappelijke verhou-

[p. 183]

ding’. En aldus een volstrekt geloofwaardig Joods getuigenis, afgelegd door een van de hoogste figuren in de hiërarchie: ‘Bij het weghalen van mensen op de Muiderschans heb ik zelf gezien, dat de wijze, waarop de oudjes en soortgelijken naar de wagen werden begeleid allesbehalve van grote tact, toewijding en gevoel van saamhorigheid getuigde. Terwille van de eerlijkheid wil ik echter ook mededelen, dat ik vernam, hoe uiterst waardevolle medewerking door de OD bij het ontruimen van een der weeshuizen werd verleend. Wat eerlijk is is eerlijk.’

En Berkley voert ook te hunnen gunste aan, dat zij ‘alleen’ trachtten, ‘zo behoedzaam mogelijk het transport van de zieken te bewerkstelligen’.

Moeten wij op deze plaats nog eens terugkomen op de NSB? Wat te zeggen van haar leider, van Mussert? Al vóór 1940 door daartoe bevoegde beoordelaars als ‘te onbenullig’ beoordeeld om bij een eventuele Duitse inval als staatsgevaarlijk te worden opgepakt; na 1945 luidt het oordeel omtrent zijn betekenis nauwelijks anders; daar komen dan nog de ‘mateloze hoogmoed’ en de ‘grote morele stompheid’ bij, die de advocaat-fiscaal hem verwijt. Dat alles is dan nog heilig bij wat de Duitse machthebbers van hem vonden; wilde Bene zich nog tevredenstellen met ‘der kleine Mann ohne Schwung’, voor een Himmler was hij ‘geestelijk even ver als zijn minste recruut’ met ‘seinen törichten dietschen Gedanken’. Veel kwaad deed het hem in Duitse ogen, dat hij ‘het Nederlandse Jodenprobleem niet aan kon’ (evenmin als welke andere Nederlander ook, erkent Bene), dat hij zelfs als ‘Jodenknecht’ gold. Er is een merkwaardige brief overgebleven van de ook in literaire kringen niet onbekende Alfred Haighton, gericht tot Seyss-Inquart op 22 juli 1940. Hierin biedt deze edel-fascist, die reeds in het voorjaar van 1923 een halve namiddag door Adolf Hitler in München beweert ontvangen te zijn, zich aan als medewerker in Duitse dienst en vermeldt daarin, dat hij in Mussert als ‘eher judenfreundlich als judenfeindlich’ geen fiducie had gehad (veel meer in Arnold Meijer, de leider van ‘Zwart Front’, om diens ‘ehrliche und saubere Judengegnerschaft’).

Het is niet op één formule te brengen, hoe de Joden over Mussert dachten; de schrijver herinnert zich als een toen bestaande opvatting, dat het bij alle misère nog maar goed was, dat een politicus van dit kinderachtige formaat aan het hoofd van de NSB stond. Men had van hem, alles wel beschouwd, betrekkelijk weinig last en kon nog wel eens om hem lachen. Had de goede man hen niet vóór de oorlog al allemaal willen redden met zijn even simpele als aantrekkelijke plan,

[p. 184]

hen naar Guyana te sturen? Mèt de Joden elders zouden dezen allen daar een ‘nationaal tehuis’ vinden, al had Rost van Tonningen omtrent dit gebied, vijftien maal zo groot als Nederland, toegegeven dat het ‘klimatisch schlecht und wenig erschlossen’ was; een enkele kameraad meende zelfs, dat de Joden in dat nationale tehuis vrij spoedig allemaal zouden verrekken - hetgeen hem ook wel de bedoeling leek.

Moeten wij over de kameraden en kameraadskes uitweiden? Over wat zij deden en zeiden? Over de grote Nederlandse propagandaleider Max Blokzijl, verdediger van de Germaanse lotsverbondenheid, van het zuivere bloed, omtrent wie zijn partijgenoot, de fanatieke sibbekundige Ten Cate, uitpuzzelde, dat een zijner grootmoeders de omineuze naam van Hanna Heimans droeg en ‘voljoods’ was, zodat deze Max voornoemd zich had moeten melden en in elk geval niet hoorde ‘an sehr exponierter Stelle’? Het is te begrijpen, dat deze en gene Duitse instantie aandrong op ‘Zurückhaltung’ in deze wel zéér pijnlijke aangelegenheid en dat men het dossier ‘wie eine Geheimsache unter Verschluss gehalten (hat)’. Er waren, wij wezen daar al eerder op, meer hooggeplaatste kameraden met een zodanige Achillespees, als men dat woord bezigen mag ten aanzien van wat zo onmiskenbaar ongrieks was. Wat te denken van de leider van de afdeling Scholing van de NSB, die niet alleen een Joodse grootmoeder, maar ook een negerin als overgrootmoeder had; in een stuk heet hij, toch ook ‘an sehr exponierter Stelle’, ‘Vierteljude und Halbneger’. ‘Het is een mooie verzameling die men sedert 10 mei 1940 op de leidende NSB-plaatsen gekregen heeft’, aldus schrijft, na opsomming van een aantal ‘rassisch’ onzuivere kameraden, Rost van Tonningen, ‘deze weerzinwekkende persoonlijkheid’ volgens de toch niet erg fanatieke secretaris-generaal Hirschfeld1, Rost van Tonningen, zelf notabene voor vijftig percent van bepaald ‘niet-Arisch’, zij het ook Godlof niet Joods, bloed...

Alweer: als deze dingen niet zo diep treurig waren, zou men er bij het doorbladeren van het materiaal vaak om kunnen lachen. Dat geldt misschien ook van de velen, die men toen als meelopers beschouwde, vaak voor de historicus heel ondoorzichtige gevallen. Wat moet hij echter denken van de Amsterdamse burgemeester E.J. Voûte? Er is weinig twijfel aan, dat deze man, persoonlijk bekend met de leiders van de Joodse Raad, de hiervóór behandelde Duitse ghettoplannen heeft tegengewerkt, dat hij hen meer dan eens heeft gewaarschuwd,

[p. 185]

wanneer er gevaar dreigde, kortom, de Joden hielp - en tegelijkertijd ook het omgekeerde deed.

Hier - en in zoveel van dergelijke gevallen - kan de historicus al nauwelijks meer lachen en dit lachen vergaat hem helemaal, wanneer hij het buitengewoon triestige verschijnsel moet signaleren van het verraad door Joden, in dienst van de Duitsers tegen de Joden werkend. Een aantal, gelukkig betrekkelijk gering, is na de oorlog nog berecht, met zelfs een enkel doodvonnis, voltrokken aan een vrouw, die bekende tientallen Joden aan de vijand te hebben verraden en haar rechters er niet van overtuigen kon, dat zij dat geheel en al tegen haar wil had gedaan, ofschoon zij wel onder druk van de vervolger tot dat ‘werk’, betaald werk, was gekomen. Het verhaal is in een paar op dat punt nog doorzichtige gevallen wel altoos hetzelfde: de Jood of Jodin, opgepakt en met wegvoering bedreigd, stelt zich, op een vraag van die kant, ter beschikking en... duikt niet onder. Dat laatste moet er natuurlijk bij, al is het waarom-niet of waardoor-niet doorgaans moeilijk vast te stellen. De na-oorlogse rechter heeft in een enkel geval het Jood-zijn van de verrader als verzwarende omstandigheid willen beschouwen; ook hier kan men zich allerlei meningen over indenken. Het is een eigenaardige gewaarwording, van deze personen naam, toenaam, adres en geboortedatum tegen te komen in het Duitse materiaal, soms met een taakomschrijving als ‘vertrouwensman’ in een Joodse sabotagegroep of iets van dien aard; van één zo'n figuur, geprezen om zijn groot succes, verwacht men nog héél veel; zijn vrouw is werkzaam bij de Joodse Raad... Van althans één buitengewoon gevaarlijk individu verluidt het, dat de illegaliteit hem onschadelijk heeft moeten maken. Er is het dagboek bewaard gebleven van een Jood, die, in Amsterdam ondergedoken, voortdurend in contact staat met deze verrader, die hij als een toegewijde vriend beschouwt en met wie hij vertrouwelijke gesprekken voert, ook over derden. De onderduiker mist zijn vrouw en kind zo verschrikkelijk, dat de ‘vriend’ zich bereid verklaart, voor een hereniging van het gezin te zorgen, hetgeen na enige tijd gelukt. De onderduiker geeft uiting aan zijn vreugde in het dagboek, dat midden in een zin plotseling ophoudt op het ogenblik dat de Duitsers dit drietal Joden komen weghalen, naar men welhaast aannemen moet, ingelicht door de aanbrenger. Van de hierboven genoemde Joodse verraadster is met vrij grote mate van waarschijnlijkheid verondersteld, dat zij haar eigen naaste familie aan de beulen had overgeleverd. Tegen betaling.