|
|
|
| |
Z.
| |
zoeten,
heeft niets te maken met ons zoet. Het is een werkwoord
gevormd van het klanknabootsende zut! Dit is niet de
bekende Fransche uitroep, maar het geluid bij zekere manier van beslissing
wie ‘em’ is of wie bij het spelen beginnen mag, enz. Hierbij geldt de regel,
dat van beide partijen de duim den olifant voorstelt, de wijsvinger den
mensch en de pink de mier. De olifant wint | | | | het van den mensch,
de mensch van de mier, maar de mier van den olifant, omdat ze in zijn neus
kan kruipen. De jongens tusschen wie de beslissing vallen moet, staan met de
hand verborgen achter het hoofd tegenover elkaar en onder het maken van het
bovengenoemde geluid laten zij gelijktijdig hun symbolischen vinger zien.
Dit staat dus gelijk met het Hollandsche aftellen, opgooien of strootje
trekken. Eigenaardig is het zeker, dat de Japansche kinderen iets dergelijks
doen bij het pandspel. Dit heet Kîtsune ken. Ik laat hier
de beschrijving uit Brownell's The Heart of Japan, Ch. X
volgen: ‘Kitsune ken is a forfeit game for two or for any
number of players. The players use signs for kitsune
(fox), teppo (gun), and otoko (man). The
idea of the game is that the man is mightier than the gun, the gun more
deadly than the fox, and the fox more cunning than the man. Hands on the
thighs or hips is the sign for otoko; one hand at the side
and the other higher, and in front of the body, as though aiming a gun, is
for teppo; while both hands up, one at each side of the
head like a fox's ears, is kitsune. The players sit facing
each other, clap hands, or chant a line of a song; at the end of this each
makes a sign .... Exactly the same in principle is the forfeit game with one
hand, where a closed fist represents a stone, an open palm a handkerchief,
and the first and second fingers extended apart with the other two fingers
and the thumb closed, represent scissors. Stone beats scissors, handkerchief
beats stone, and scissors beat handkerchief.’
| |
zonnehout,
verbastering van Jav. sônô-hout - zie sono
kling.
| |
zuurzak,
ofschoon van aanzien een zuiver Nederlandsch woord, is dat in geenen deele.
Het is een verhollandsching van een door Prof. Veth vruchteloos nagespoord
woord soorsak, dat, naar hij vermoedt, uit Hindostan
afkomstig moest zijn. Ook Yule en Burnell weten met hun soursop geen weg, maar vermoeden, dat het uit West-Indië komt. Het
tweede lid der samenstelling, waarmee we bezig zijn, sak,
moet een verbastering zijn van een woord dat in het Malayalam luidt tsjakka, in het Tamil s'akkei, en dat de
naam is van de broodvrucht. Hieruit is voortgekomen het Engelsche jack en het Portugeesche jaca, waaraan
Schouten zijn jaca ontleend heeft, dat in de volgende
passage van zijn Reistogt II, p. 143 voorkomt: ‘Soorsak, de vrucht Jaca bij de Indianen,
en soorsak bij de Nederlanders genoemd... in dezelve
zijn... harde pitten, die gebraden zijnde omtrent eenen smaak hebben als de
kastaniën.’
Voor de verklaring van suur, soor, sour gaat Prof. Kern uit
van een bericht van Thunberg in Hobson-Jobson, die,
sprekende over den broodvruchtboom, zegt: ‘De soort welke een kleinere
vrucht, zonder zaad, oplevert, vond ik te Colombo, Gale en verscheiden
andere plaatsen. De naam, waaronder die hier eigenlijk bekend staat, is de
Maldivische Sour Sack, en ze is hier minder gewoon dan de
andere (grootere) soort.’
Daar de Zuid-Indische Drawidische naam van de broodvrucht in 't algemeen
teruggevonden wordt, min of meer verbasterd, in jaca,
| | | |
jack, sak, mag men veronderstellen dat in suur een Drawidisch woord schuilt voor ‘klein’ of iets dergelijks.
Het woord dat aan deze voorwaarde voldoet is volgens Prof. Kern het Tamil
s'iru, klein, gering, minderwaardig. Men moet hierbij
in 't oog houden, dat de i in dit woord als onze u of de Hoogduitsche ü klinkt, en dat de
u in den uitgang zóó kort wordt uitgesproken, dat ze
voor een ongeoefend oor nauwelijks hoorbaar is, nagenoeg overeenkomende met
de Fransche e muet. Op deze wijze geeft suur dus in Hollandsche spelling vrij nauwkeurig het Tamil s'iru weer.
Tot steun van deze verklaring vermeldt Prof. Kern er bij, dat dit s'iru in een zeer groot aantal plantnamen het eerste
bestanddeel vormt. Oorspronkelijk heeft ‘zuurzak’ dus beteekend de ‘kleine
nangka’, zooals duidelijk blijkt uit de boven geciteerde plaats uit
Schouten. Ook Rumphius en Valentijn pasten dien naam toe op de nangka of Artocarpus integrifolia, waarin zij
nog gevolgd zijn tot aan 't eind der 18e eeuw bijv. door
Stavorinus (1793), die in zijn Reize zegt: ‘De Suursak-boom heeft een soortgelijke vrucht als de Durioens, maar zulk een walgelijken reuk niet’. Wanneer de
naam overgegaan is op de nangka blanda of wel Anona muricata Dun, die wij met suiker eten of welker gezeefd
vruchtsap met wijn of brandy door ons genoten wordt, is niet met zekerheid
te zeggen.
|
|
|