|
|
|
| |
22
Voorburg, 24/2'85
Geachte Heer,
Bijgaand zend ik U de proeven van schilderkritiek113 van mijn vriend. -
Zijn taal en stijl is nog niet zuiver, dit zal echter langzamerhand wel verbeteren. Wat echter het voornaamste is, namelijk zijn oordeel, dit is m.i. zeer goed. - Mochten zijn stukken dan ook in de Amst. worden geplaatst, dan zullen zij naar mijn meening wel de aandacht trekken.
Dank voor uw inlichting over het plaatsen van novellen in het Weekblad. -
Ik weet uit welken hoek de wind waait. -
Mijn vriend Netscher heeft mij den inhoud van uw brief114 over zijn schets medegedeeld.
Het stuk gaat nu naar de Spectator. Mijn artikel over R. Caze's L'élève Gendrevin heb ik aan den Heer Kollewijn opgezonden. - Deze studie heeft mij
| | | | nog al moeite gekost, omdat het niet mogelijk was, de inhoudsopgave in eenige regels te persen.
Mijn artikel over Autour d'un clocher laat de Hr. Louis Desprez in het fransch vertalen. - Ik had hem mijn stuk gezonden, met een kort overzicht in het fransch, waarop hij mij een heel aardigen brief heeft geschreven. - Wil ik U daarvan eens een afschrift zenden?
Ik ga voor Nederland een groote studie over Gogol, Dostoievsky, Tolstoi en Boborykine115 schrijven. - Dit werk biedt echter vele bezwaren aan, voornamelijk omdat ik hunne werken niet in het oorspronkelijk kan lezen. -
Tegen het najaar hoop ik met mijn bundel novellen gereed te zijn. - Ik moet er nog 2 à 3 voor schrijven. -
No 4 van mijn artikelen over de jonge Naturalisten zal gewijd zijn aan Les Charniers116 van Lemonnier. -
U schrijft zeker een kritiek over Germinal117 voor de Amsterdammer?
| | | | Netscher, die het werk in feuilletonvorm heeft gelezen maakt er een voor Nederland.118 -
Na Groeten verblijf ik
In haast
UEddwdr.
Arij Prins
|
113Niet bewaard gebleven.
114Van Deyssel had op 16 februari 1885 Netscher uitvoerig geschreven over diens schets Een Logeetje. ‘Ik wil met genoegen’, zo schreef hij tenslotte, ‘Uw schets aan den heer Justus v. Maurik Jr., redakteur der feuilleton-rubriek van Dag- en Weekblad De Amsterdammer zenden, met veel aanbeveling. Maar ik meen U te kunnen voorspellen, dat Uw werk daar niet opgenomen zal worden.’ Inderdaad retourneerde Van Maurik op 15 maart 1885 Netschers schets als zijnde ‘niet geschikt.’
115Het voornemen om over Pjotr Boborykine (1836-1921), auteur van een verbijsterende vruchtbaarheid, te schrijven, liet Prins varen nadat Huysmans hem op 20 september 1885 had geschreven (de naam van de Rus consequent verkeerd spellend): ‘Vous me parlez de Borborykine. Il a pondu des milliers de livres; c'est un très bas Claretie Russe. Un jour il m'a remis un roman traduit de lui par sa femme, pour Charpentier. Hennique et moi le lûmes et demeurâmes stupéfiés du vide imbécile de ce livre. Un homme qui connaît bien la littérature russe et qui fait sur elle un livre chez Charpentier, Courrière, en parle comme d'un vague Dumas russe, écrivant à la ligne n'importe quoi. C'est évidemment vrai. Borborykine se dit très de l'avant à Paris, se gorge de notes sur les uns et les autres, se dit naturaliste optimiste, et, d'après les renseignements précis auxquels je puis joindre l'opinion de Tourgueneff que je consultai, un jour à son sujet, c'est un simple pisseur de copie, sans idée et sans style.’
C. Courrière was de auteur van een Histoire de la Littérature russe, Paris 1875.
116Deze oorlogsroman werd door A. Cooplandt besproken in het weekblad De Amsterdammer van 3 mei 1885. Merkwaardig is Prins' motivering van de bespreking van juist dit boek van Lemonnier: ‘De zwarte stippen aan den aziatischen horizont zijn langzamerhand tot groote donkere wolken aangegroeid, die zich dreigend voortbewegen. Engeland wapent zich, Rusland wapent zich, en indien een russische soldaat bij ongeluk een afghaanschen boer doodslaat, kan de oorlog uitbarsten. Onder deze omstandigheden is het geloof ik niet ondienstig de aandacht te vestigen op “Les Charniers”, een der eerste werken van C. Lemonnier, dat ons leert wat een krijg is.’
117Op 25 november 1884 was de Gil Blas begonnen met de publicatie van Zola's Germinal. In maart 1885 verscheen deze roman in de boekhandel. Met zijn vraag probeerde Prins ongetwijfeld Van Deyssel alsnog uit zijn tent te lokken, immers op 11 februari 1885 had Netscher reeds aan Prins bericht: ‘Gisteren avond ontving ik een vrij langen brief van v. Deyssel (niet bewaard gebleven - H.P.), waarin hij meldde niet het voornemen te koesteren ooit de Germ. te behandelen. Ik zal beproeven hem nog van dit plan te doen afwijken. Met betrekking tot de Germinal schreef hij mij: “Een werk als Germinal geeft de koorts. Men kan daarna: òf niet begrijpen òf beminnen.” Ik stem niet met deze uitspraak in; ik vind het (een) los daarheên geworpen gezegde.’ (Conform G.H. 's-Gravesande, De geschiedenis van de Nieuwe Gids. Brieven en documenten. Arnhem, 1956, blz. 53). Op 8 april '85 schreef Van Deyssel nog, in dit verband, aan Netscher: ‘U heeft zeker de beschouwing over Germinal van den Heer Huet reeds gelezen. Mij dunkt schilderachtiger machteloosheid werd gedurende de laatste jaren in geen nederlandsche literaire kritiek ten toon gespreid. Het is als iemant, die een reusachtige sneeuwberg wil beklimmen om den omtrek met zijn blik te beheerschen, maar die telkens bedolven wordt onder sneeuwklompen en stukken rots, zoo dat hij slechts hier en daar een smal doorzicht in de verte heeft, maar nooit de ware hoogte kan bereiken.’ (Brief aanwezig in L.M.) Huets beschouwing, verschenen in het Algemeen Dagblad van Nederlandsch-Indië, werd herdrukt in Litterarische Fantasien en Kritieken, XXIII.
118Hiervan is niets gekomen.
|
|