terug  begin  verderprepost

34

Hamburg 20 Septr. '88169
Colonnaden 33

Waarde Heer,

Ik heb reeds lang het plan gehad U eens te schrijven. Maar ik heb het voortdurend zoo druk, dat ik er niet eerder toe ben gekomen.

Met heel, heel veel genoegen heb ik Een Liefde gelezen. -

Het is ongetwijfeld de beste hollandsche roman, en eene krachtige mooie uiting. Alles is zoo juist scherp gezien, zoo volmaakt zuiver weêrgegeven, dat ik eigenlijk niet weet welk gedeelte ik het meest bewonder. -

Eerst had ik gedacht, na alles wat ik over Een Liefde had vernomen, dat het geen realistisch werk zou zijn, maar nu ik het boek heb gelezen, vind ik dat het 't wel is, zelfs in de beschrijvingen in het 2de deel. Maar enfin, wat doet dat er toe, realisme, naturalisme zijn slechts woorden, want het talent is alles. -

[p. 78]

Waaraan zijt U thans bezig? Aan Bergen en Menschen170 waarover U mij voor langen tijd hebt geschreven. -

Gaarne verneem ik dit eens, want U weet, dat ik heel veel belang in uw werk stel. -

Uw artikelen over Huet en Goncourt171 hebben mij heel veel artistiek genot bezorgd. Uw stuk over La Terre172 bevalt mij uit het oogpunt der taal uitstekend, doch met uw oordeel kan ik mij niet geheel vereenigen. Ik stel bijv. L'Assommoir veel hooger. -

[p. 79]

Hebt U Menschen om ons173 van Netscher gelezen? Ik vind het een vrij kalm boek, met enkele knappe novellen o.a. Een Incident.174 Het is echter voor mij geen werk dat mij verwonderd heeft. -

In de vorige maand was Huysmans hier en heeft bij mij gewoond.175 Tegen den 20sten zijn wij naar Berlijn gereisd176 om de museums te zien, en van daar over Weimar, Gotha, Cassel naar Keulen. - Hamburg is hem uitstekend bevallen, beter dan Berlijn. -

Ik werk op het oogenblik druk aan een bundel schetsen (realistische stukjes, middeleeuwsche droomen etc.) welke ik over een jaar bij Mouton hoop uittegeven. Vroeger zal ik er wel niet mede gereed komen, want mijn bezigheden, ofschoon niet onaangenaam, laten mij zoo weinig tijd. Dikwijls ben ik eerst 's avonds om negen uur vrij, - en dan komt het nog wel voor, dat ik te vermoeid ben om iets uittevoeren. -

Kent U Nell Horn177 van I.H. Rosny. - Als U dit boek nog niet gelezen hebt, kan ik het U ten zeerste aanbevelen. - Het is een zeer merkwaardig

[p. 80]

debuut. - Zijne latere werken178 zijn echter veel minder. Zooals U weet behoort Rosny tot de vijf van het domme protest tegen Zola.179

Na vriendschappelijke groeten, verblijf ik steeds

t.t.
Arij Prins.

169Vanaf deze datum werden alle brieven tot en met Prins' brief van 28 maart 1889, geadresseerd aan Van Deyssels adres te Mont-lez-Houffalize, in de Belgische provincie Luxembourg.
170Lees: Menschen en Bergen.
171Lidewyde en De Goncourt, verschenen in De Nieuwe Gids, Derde jaargang II, afl. 4 (april 1888), blz. 30-60; idem aflev. 5 (juni 1888), blz. 205-228. Voor de eerste maal herdrukt in L. van Deyssel, Verzamelde Opstellen, A'dam, 1894, blz. 151-185 en blz. 206-233. Op 3 april 1895 zou Edmond de Goncourt aantekenen: ‘Visite de Zilcken, l'aquafortiste hollandais, venu à Paris pour faire une pointe sèche de mon facies. Un long garçon, maigre, sec, oseux, avec l'accentuation d'une forte pomme d'Adam dans un cou d'échassier.
Il me parle d'un article fait sur moi par un littérateur de ses amis, article intraduisible en français, parce que la langue hollandaise est beaucoup plus riche que la langue française et ayant cinq ou six expressions pour rendre une chose qui n'en a qu'une chez nous, - et cet article, à son dire, serait un débordement d'épithètes, ressemblant à une éruption volcanique’. (Edmond et Jules de Goncourt, Journal/Mémoires de la vie littéraire. Tome IV, Paris, 1956, blz. 767).
172Verschenen, onder de titel Zolaas laatste werk: ‘La terre’, in De Nieuwe Gids, Derde jaargang I, aflev. 3 (febr. 1888), blz. 434-456; voor de eerste maal herdrukt in Verzamelde Opstellen, A'dam, 1894, blz. 117-142. Een gedeelte van Van Deyssels bespreking werd door Jacques van Santen Kolff (zie noot 130) vertaald en aan Zola toegezonden. Op 5 maart 1888 reageerde Zola: ‘Combien je vous remercie de la traduction si intéressante que vous m'envoyez! M. Alberdingk Thijm m'a écrit dernièrement, en m'envoyant son étude, tirée à part, en une plaquette. Je l'en ai remercié. Mais, dans mon ignorance du hollandais, je ne me doutais guère des éloges hyperboliques que contenait cet article. Vous vous doutez bien que je ne les accepte pas tous. J'en suis pourtant profondément touché, car je sens cette exaltation sincère. Vous ne pouvez me causer une plus grande joie qu'en traduisant ces pages si débordantes de sympathie. Merci, merci encore.’ (Ontleend aan Emile Zola's Letters to J. van Santen Kolff, edited by Robert Judson Niess, Washington University Studies, New Series, Language and Literature, No. 10, St. Louis, 1940, blz. 20-21.) Voor Zola's brief aan Van Deyssel, d.d. 2 maart 1888, zie: Harry G.M. Prick, Lodewijk van Deyssel. Dertien close-ups, A'dam, 1964, blz. 13. Intussen moest Willem Kloos op 3 maart 1888 aan Van Deyssel berichten: ‘Wij hebben overigens door je stuk drie abonné's verloren, maar omdat er steeds bijkomen (gisteren b.v. twee) hebben wij er waarschijnlijk meer dan drie voor in de plaats gekregen. Een dier verdwaasden, boekhandelaar en directeur van een leesgezelschap te Breda, schreef aan Versluys de volgende briefkaart: S.v.p. onmiddellijk bedanken voor de N.G. Tijdschriften, die ik niet rond kan zenden, heb ik niet veel aan. No. 3 van 1 Febr. ligt daar om in de snippermand te verdwijnen. Zulke kost als over Zola's La Terre is niet te genieten. - In onderdeelen zullen wij niet komen, maar ik kwets niet gaarne mijne lezers. Ik las het voor aan eenige zeer vrijzinnige heeren in de sociëteit, die niet aan de goddelijkheid van Jezus gelooven, maar men riep bah!’
173Menschen om ons verscheen in 1888 bij W.A. Morel te 's-Gravenhage. Deze bundel novellen werd beoordeeld door Albert Verwey in De Nieuwe Gids, Vierde jrg. I, aflev. 2 (december 1888), blz. 251-253, die het boek wenste ‘aan te bevelen aan allen, die het harde, nuchtere en burgerlijke om zijn karakter-stevigheid verkiezen boven de karakter-looze gemakkelijkheid, gevoeligheid en losheid, die het proza van andere jonge schrijvers van onzen tijd schandvlekt.’
174Het oordeel van Prins stemt geheel overeen met dat van Willem Kloos, in De Nieuwe Gids, Vierde jaargang II, aflev. 4 (april 1889), blz. 158: ‘Netscher heeft den sensationeelen stijl zijner geacheveerde studie's van interieurs vergeten voor een verdere, maar minder artistieke aspiratie, het droogjes soms losjesweg geschrevene zetten van figuren en familie's in een maatschappelijk milieu, ten koste van zijn leesbaarheid.’ Kloos vreesde maar al te zeer, dat de kunstenaar bij Netscher ‘een beetje aan het doodgaan’ was. ‘Maar ook hij is nog jong en het zal wel terecht-komen, als hij maar in zich blijft kweken den staal-hardscherpen schrijver van Een Incident.’
175Op 21 oktober 1888 tekende Edmond de Goncourt aan in zijn dagboek: ‘Huysmans vient aujourd'hui. Il a passé dix-huit jours à Hambourg en pleine prostitution. Et là, une prostitution comme il n'y en a nulle part en Europe. Une prostitution pour matelots, supérieure aux bordels du Quartier Latin; une prostitution pour banquiers, recrutée parmi des Hongroises de quinze ou seize ans, et où l'on couche dans des chambres fleuries d'orchidées. Et c'est amusant de l'entendre décrire cette ville à la mer lilas, au ciel gris, une ville affairée toute la journée et se transformant le soir en une kermesse qui dure toute l'année et où l'or gagné tout le jour se répand et se déverse la nuit dans les riddecks opulents.’ (Journal, Mémoires de la vie littéraire. Tome III, Paris, 1956, blz. 843)
176Over deze reis heeft Huysmans verslag uitgebracht in Sleeping-Car, verschenen in de Revue Indépendante van maart 1889, en nadien herdrukt in De tout (1901). Zie in dat boek ook A Hambourg.
177Nell Horn de l'Armée du Salut. Roman de moeurs londonniennes (1886), par J.H. Rosny. Achter deze schuilnaam verborgen zich de gebroeders Joseph Henri Boex (1856-1940) en Séraphin-Justin Boex (1859-1948).
178Ten tijde van deze mededeling waren dat: Le Bilatéral (1887), Les Xipéhuz (1887) en Marc Fane (1888).
179Dit slaat op Le manifeste de la terre, verschenen in de Figaro van 18 augustus 1887, en weldra bekend als Le Manifeste des Cinq in verband met het vijftal ondertekenaars die Zola ervan beschuldigden verraad gepleegd te hebben ten aanzien van het naturalisme en zijn eigen artistieke opvattingen. Ook meenden zij in La Terre onversneden obsceniteiten te onderkennen. Rosny behoorde met Paul Bonnetain (1858-1899), Lucien Descaves (1861-1949), Paul Margueritte (1860-1918) en Gustave Guiches (1860-1935) tot de vijf Fransen die van Van Deyssel, in diens bespreking van La Terre (zie noot 172) te horen kregen: ‘Het voegt kleinen volgelingen niet groote voorgangers te hoonen’, waarna een samenvatting volgde van hun bedenkingen tegen Zola, besloten door Van Deyssels repliek daarop.
prepostterug  begin  verder