|
|
|
| |
| | | |
99
Baarn, 19 Oktober 1895.450
Amice,
Je stuk451 heb ik dezen ochtend in goede orde ontvangen. Het is nu op de drukkerij en je zult spoedig proef ontvangen.
Het stuk van Erens in den Nieuwen Gids452 heb ik tot nu toe niet gelezen. Ik krijg den N.G. maar nu en dan bij toeval in handen, en heb deze laatste aflevering nog niet gezien.
Ik vind het niet aardig, dat menschen, die ons idee om een nieuw tijdschrift op tie richten in der tijd zeer goed keurden om dat men toen in den N.G. niet schrijven kon, nu weer publiceeren in den N.G., die daarna, na die door hen zelf noodig gemaakte nieuwe tijdschrift-oprichting, geforceerd veranderd is. -
Ja, ik was zeer blij weêr eens iets van je te hooren, na in zóo'n langen tijd zonder eenig bericht geweest te zijn. Ik hoop dat je ongesteldheid al gebeterd is. Ik ken er al de narigheid van. Ik maak uit je schrijven op, dat je huishouden overigens bloeyend is.
Je uitnoodiging om in het aanstaande voorjaar weêr eens te komen logeeren heeft mij heel veel pleizier gedaan. Ik wil héel gráâg. Eerst hoop ik den geheelen winter goed aan 't werk te blijven. Ik ben de laatste maand namelijk beter bezig dan in tijden het geval is geweest. Ik zoû nu wel den heelen winter niet naar Amsterdam of zoo willen gaan, om hier dagelijks rustig te werken. -
Of ik echter ooit nog ander werk dan beschouwingen etc. zal maken, weet ik niet zeker. Ik ben wel eens meer tot filosofiesch en ethiesch werk453 ge-
| | | | disponeerd dan tot kunst. Maar toch ben ik ook aan dit laatste454 weêr begonnen, maar ik reken verscheidene jaren voor een boek. - Adieu. Spoedig weêr eens wat. Doe mijn groeten aan je vrouw, bedank haar ook voor de uitnoodiging. En wees zelf hartelijk van mij gegroet,
Karel Alberdingk Thijm.
|
450Hieraan gingen vooraf drie briefkaarten van Prins: 17 april, 6 en 16 oktober 1895, waaruit enkel blijkt dat hij het, door verblijf van zijn compagnon in Afrika, erg volhandig met zaken had.
451In Rusland, verschenen in het Tweemaandelijksch Tijdschrift, Jrg. II, aflev. 2 (november 1895), blz. 312-316.
452Prins had gevraagd of Van Deyssel had kennisgenomen van het door Erens aan de schilderes Thérèse Schwartze (1852-1918) opgedragen opstel, Gedachten naar aanleiding van ‘En Route’, (gedateerd Schaesberg, 2 Sept. 1895), verschenen in De Nieuwe Gids, Nieuwe Reeks I, aflev. 9 (oktober 1895), blz. 513-520. Het is intussen bevreemdend dat het tot 3 november 1897 zal duren voordat Prins, althans in zijn brieven, reageert op Van Deyssels bijdragen aan het Tweemaandelijksch Tijdschrift. Zonder meer onbegrijpelijk is Prins' niet-reageren op Van Deyssels bespreking van Huysmans' En Route, in het Tweemaandelijksch Tijdschrift, Jrg. I, aflev. 6 (juli 1895), blz. 492-496; voor de eerste maal herdrukt in de Tweede bundel Verzamelde Opstellen, A'dam, 1897, blz. 315-319.
453Zinspeling op Tot een levensleer (geschreven 2-4 oktober 1895), verschenen in het Tweemaandelijksch Tijdschrift, jrg. 2 (1895), dl. I, blz. 340-350; voor de eerste maal herdrukt in de Tweede bundel Verzamelde Opstellen, A'dam, 1897, blz. 323-334.
454Sinds 12 oktober 1895 hield Van Deyssel zich bezig met de voorbereiding van een drama over Napoleon. Een kwartier vóor het schrijven van zijn brief van 19 oktober aan Prins, had Van Deyssel genoteerd: ‘Prachtige stille herfstdagen. Heden-middag een wandeling van 1 3/4 u. met vrouw en Jo, in de bosschenherfst. Twee rustpozen. - Ik zie voort-durend de luchten en alles mooi. Mijn gelukkige periode duurt steeds voort. Kleine interrupties herstellen zich terstond weêr. Zoo word ik gedragen tot het vriezen en sneeuwen, daardoor tot de lente, en door die tot de zomer. All right. - Vandaag een (doorgehaald: Maeterlincklucht) mooi landschap. Alle boomen (doorgehaald: doodstil) onbewegelijk stil en daarboven een doffe, lage lucht van geschubde wolken, eerst mooye bleek-grijze en bleekblauwe wolken, met dof het blauw er hier en daar boven-tusschen, boven de rosse lanen, daarna grauw en grijs, met doffe lichtplekken er tusschen, droomend. (...) Iets goeds van het werken aan een drama is, dat het de verschillende elementen van lyriek, enz., die chaotiesch in U rondzwerven, dwingt zich in een bepaalden vorm te uiten. - Heden heb ik met genoegen gedacht aan het Drama dat ik maken wil. Dit is een mooi objektief werk, dat U in alle opzichten lijkt.’
|
|