Wanneer wij achtereenvolgens met eenige aandacht de stelsels der vier socialisten, over wie dit deel handelt, hebben nagegaan, dan zijn wij wellicht in staat het programma van wenschen te overzien, dat het socialisme, bij monde van deze vier baanbrekende mannen, aan het Europa stelde der eerste dertig jaren van onze eeuw: - het Europa, waar de ideeën der groote Fransche revolutie aan 't gisten gingen en waar te-gelijkertijd feitelijk geheel nieuwe productie-verhoudingen zich vestigden.
Willen wij dit programma met een enkele zinsnede kenschetsen, dan zouden wij zeggen, dat onze vier socialisten op hun beurt hebben willen formuleeren een verklaring der rechten van den mensch. Dit keer zijn zij echter veel verder gegaan dan vroeger is aangedurfd. Terwijl toch de Vereenigde Staten van Noord-Amerika en Frankrijk, bij den aanvang van hun glorie-rijke revolutiën, zich dadelijk beijverd hebben een samen-stel van zulke ‘grondrechten’ vast te stellen, konden of wilden deze zich vrij-makende volken niets anders opteekenen en voorschrijven dan politieke rechten. Al deze artikelen - lees bijv. de zeventien Fransche artikelen, die den 26 Augustus 1789 door de Constituante werden aangenomen, of de vijf-en-dertig artikelen, die 24 Juni 1793 door de Conventie werden vastgesteld - hebben eigenlijk grootendeels betrekking tot den staats-burger. De meer algemeene stellingen, waarmede beide ‘declaraties’ aanvangen, worden slechts als etiket beschouwd, doch doen verder geen zwaren dienst1). Doch naast zulk een
politiek programma, was er plaats voor een samen-stel van uitsluitend sociale eischen. Ook voor den mensch in de maatschappij, geheel afgescheiden nog van het staatkundig belang, was een verklaring van grondrechten te ontwerpen1). En dit is het, dat, naar ons inzien, door de vier genoemde socialisten is gedaan: elk op eigen trant stuksgewijze een stelsel vormend, dat min of meer als utopie voor de menschheid uit zou zweven. Uit de geschriften dezer vier mannen is die reeks van eischen af te leiden, die tegen het jaar 1830, hier en dáár, zij het dan ook sporadisch, maar toch reeds soms vrij stellig, bij uitbrekende volks-beroeringen werden vernomen. Die eischen omschrijven voor den mensch de voorwaarden van een ‘menschwaardig bestaan’. Zij vormen te-zamen een soort van nieuwe twaalf geboden, die door alle misdeelden in Europa eerst zacht en dof worden gepreveld, later luider zullen worden uitgesproken. In het ééntonig betuigen dierzelfde eischen beginnen al de ellendigen, waar zij ook zijn, zich homogeen te gevoelen. Het gezamenlijk getuigen wordt een school, een voorbereiding tot aanéénsluiting.
Die artikelen zouden in de volgende orde kunnen worden geplaatst:
Verklaring der rechten van den mensch: |
|
| Art. 1. | Alle menschen hebben een recht om te kunnen leven. |
| Art. 2. | Zij mogen vorderen een schadeloos-stelling voor de door enkelen in bezit genomen natuur-goederen. |
| Art. 3. | Zij hebben een recht op arbeid. |
| Art. 4. | Zij eischen waardeering van dien arbeid, als levens-uiting van den mensch. |
| Art. 5. | De tijd van hun verplichten dagelijkschen arbeid moet tot een vast aantal uren worden ingekrompen. |
| Art. 6. | Zij moeten kunnen rekenen op bescherming van hun vrouwen en kinderen, wanneer deze aan den arbeid worden gesteld. |
| Art. 7. | Zij hebben aanspraak op behoorlijke woning. |
| Art. 8. | Zij hebben een recht op de volledige opbrengst van hun arbeid. |
| Art. 9. | Zij hebben een recht op goed, kosteloos onderwijs. |
| Art. 10. | Zij vorderen overeenstemming der Staats- en rechts-begrippen met bouw en samen stel der maatschappij. |
| Art. 11. | Zij moeten verwerkelijken een godsdienst der broederschap. |
| Art. 12. | Hun moet worden toegekend en verzekerd het goed recht der gemeenschap in al hare vormen en uitingen. |
Wij zullen trachten de strekking dezer hypothetische rechten te verduidelijken.
1. - Het eerste dier artikelen hield den eisch in, dat een ieder, die op aarde zich bevond, minstens het recht had zijn onderhoud dáár te vinden. Het noodige kwam hem toe, voordat minder dringende behoeften van anderen moesten worden bevredigd. In de dagen van het ‘ancien régime’ kon de Fransche edelman tot den armen stakkert, die hem een aalmoes vroeg met de woorden: ‘ik moet toch leven!’ - rustig, half glimlachend, antwoorden, dat hij de noodzakelijkheid daarvan niet inzag. Zulk een antwoord zou echter voortaan niet langer worden gedoogd. Tweeledig was in beginsel de strekking van het nieuwe artikel. Allereerst beduidde het (Owen drukte hier vooral op) een tegenstelling tegen de bekende opvatting van Malthus over de bevolking. Deze had de kern van den inhoud van zijn wereld-vermaard boek in een scherpe zinsnede geformuleerd, die hij, daar zij zoo hard was, in latere uitgaven van dat boek wel is waar had weggenomen, maar die sinds de eerste verschijning altijd in het geheugen der menschen was blijven hangen. Zij luidde aldus: ‘Een mensch, die het levenslicht ziet in de wereld, welke reeds als eigendom verdeeld is, heeft, wanneer hij geen onderstand kan bekomen van ouders of familie, en wanneer zijn arbeid niet door de maatschappij wordt gevraagd, geen aanspraak van recht op het kleinste stuk voedsel. Hij heeft inderdaad niets te maken dáár, waar hij is. Aan het groote feest-banket der natuur is er voor hem geen gedekte plaats. De natuur beveelt hem te vertrekken en zal spoedig haar eigen gebod ten uitvoer brengen’. De socialisten meenden nu daarentegen, dat deze stelling van Malthus niet alleen wreed was, maar onwaar moest zijn. De aarde was (zóó dachten zij) voor en ten behoeve van alle menschen, die werken wilden. In hun polemiek tegen Malthus - en het was vooral Owen die dit deed - beriepen zij zich op Godwins argumenten, en betoogden zij, dat bij betere verdeeling der natuur-gaven, voor een ieder het noodzakelijk onderhoud moest en kon gevonden worden. De aarde was, naar hun opvatting, er op ingericht en aangelegd, om de menschen, die daarop geboren werden, te voeden. Toenemende vruchtbaarheid der huwelijken ging niet noodzakelijk samen met verminderende bestaans-middelen. Zij kwamen op tegen de wreedheid om van het huwelijk een zaak van weelde te maken. Dit was de ééne zijde van het vraagstuk. De tweede bedoelde, dat ieder eerst het noodige moest hebben, vóórdat een ander overvloed had. Fichte vooral sprak dit uit. ‘De mensch moet leven, dat is zijn onvervreemdbaar recht’, zoo liet hij zich telkens hooren. ‘Onrecht is het - voegde hij er bij - wanneer iemand zich weelde kan verschaffen, terwijl de medeburgers het noodige niet hebben’. Zijn de beschikbare voedings-middelen - volgens de theorie der economisten - werkelijk niet al te overvloedig, eerder in de richting van schaarschte, dan moet ook de weelde van enkelen worden ingekrompen. De socialisten poogden ten minste
den twijfel op te wekken, of een genieten in volle overdaad wel zedelijk en rechtens geoorloofd was, wanneer zeer velen het noodige haast ontbeerden. In dit opzicht wenschten zij het gemoed der rijken onrustig te maken. - Zóó stelden zij zich het beginsel voor, dat aan dit eerste artikel ten grondslag lag. Met al de gevolg-trekkingen van dat eerste recht lieten zij zich nog niet volledig in. Owen alléén - die trouwens de armen-wet van koningin Elisabeth in haar toepassing had gezien - sprak van het recht, dat onmondigen of ongeschikten tot den arbeid konden doen gelden, waar het onderhoud van lijf en leven betrof. Hij zinspeelde eenigszins op wat Condorcet en latere schrijvers over verzekering van den arbeider bij ziekte, ongeluk of ouderdom, in het midden brachten. Het breedst en het ruimst, doch ook het vaagst, werd geheel de theorie door Saint-Simon geleerd. Volgens hem (zie onze bladzijde 86) kwam het aan, op een goede verdeeling van het werk onder de menschen. Was dat werk verdeeld volgens de vatbaarheid van een ieder, zoodoende, dat elk, arbeidende naar zijn geschiktheid, beloond werd naar evenredigheid van het werk dat hij volvoerde, dan zou ieder kunnen bestaan. Liefdadigheid en armen-zorg waren dan overbodig, omdat de armoede opgeheven was.
2. - De tweede stelling hing natuurlijk met de eerste samen, doch kon ook op zich-zelve waarde hebben. Het was weder Fichte, die dit recht het eerst uit de paragrafen van het natuurrecht had afgeleid. In zijn ‘Geschloszne Handelsstaat’ had hij uitdrukkelijk erkend, dat het uitsluitende eigendoms-recht op den grond alléén onder die voorwaarde aan den bebouwer van het land kon worden gewaarborgd, zoo deze bereid was aan den niet-akkerbouwer een equivalent te geven. Naar zulk een equivalent zocht hij dan verder. En wat Fichte nog slechts aanduidde, dat werd door Fourier in alle details ontleed en gepreciseerd. Hij ging den toestand der oorspronkelijke bewoners der aarde na, vóórdat de beschaving haar keurslijf aan alles had aangepast. De wilden, zooals wij ze noemen - denkt u den toestand der Indianen in Noord-Amerika - hadden in betrekking tot de welig groeiende natuur vier rechten: het vruchten plukken, het weiden van vee, het visschen en het jagen. Hun bestaan vormde een vrij leven, zonder vrees en zorg voor den dag van morgen. Toen nu de beschaving hun die vier natuurlijke rechten ontnam, had zij, uit den aard der zaak, als indemniteit voor die verloren rechten, aan de menschen minstens even groote onbezorgdheid en zekerheid voor de toekomst moeten geven. De beschaving had dus voor een ieder harer leden het behoorlijke minimum van voedsel, kleeding en huisvesting moeten verleenen. In plaats daarvan gaf zij meestal slechts het belachelijke voorrecht om onder een grondwet te mogen leven, of het droombeeld van staatkundige vrijheid. Alsof die vrijheid, zonder den waarborg van het minimum, iets ter wereld waard was! Neen, er kon van geen maatschappelijk evenwicht sprake zijn, vóórdat in dit opzicht recht was geschied.
De Schepper plaatste den mensch op een aarde, die alle hulpbronnen en benoodigdheden, noodzakelijk voor zijn bestaan, ruimschoots inhield. De grond, de vruchten die de aarde opleverde, de dieren, waren dus een gemeenschappelijk ‘fonds’, waaruit een ieder, in den oorspronkelijken toestand, zijn bestaansmiddelen nam, en waarop geen privilegiën waren gevestigd. Nu is de werkelijkheid echter thans geheel anders. Maar het is een verkrachting van de oorspronkelijke instelling, dat de menschen elkander het gebruik van het gemeenschappelijk natuur-fonds hebben ontnomen, zonder dat, wat zij aan anderen wegnamen, te vervangen door daarmede gelijkstaande vergoedingen. Dit onrecht moet worden hersteld. De onterfden dezer wereld moeten een ‘equivalent’ van hun natuurlijke rechten vinden in regelen of instellingen van maatschappelijke voorzorg.
3. - Maar er is meer. De menschen op aarde hebben ook een recht op arbeid. De maatschappij moet zóó ingericht wezen, dat een ieder in de gelegenheid is, door arbeid zijn onderhoud te verdienen. Fichte spreekt (p. 124 van zijn ‘Geschloszne Handels-staat’) uitdrukkelijk van dien eisch, en Fourier (zie van dit deel pag. 133 en 163) stelt breedvoerig dit ‘recht op arbeid’ vast. Men lette er op, dat dit recht of deze eisch iets anders is dan het arbeids-recht, dat Turgot in het bekende edict van 1776 aan alle menschen toekende. Turgot bedoelde daarmede de tegenstelling van wat de gilden beoogden. Terwijl de gilden (‘jurandes et maîtrises’) de beroeps-takken der menschen streng afzonderden en afdeelden, zoodat een ieder slechts dat bedrijf mocht uitoefenen, hetwelk nu eenmaal aan zijn gild was toebedeeld, schreef Turgot voor, dat ieder mensch het recht had, dien arbeid te zoeken, dien hij verkoos. Maar de socialisten, wanneer zij van recht op den arbeid spraken, gingen verder. Zij lieten zich leiden door de beginselen, die neêrgelegd waren, vooreerst in de oude armen-wet van koningin Elisabeth van het jaar 1601, dan in de constitutie der Fransche Conventie van Juni 1793, maar vooral ook in de bepalingen van het Pruisisch landrecht van 5 Februari 1794: ‘het is de plicht van den Staat - zoo heet het dáár - voor het onderhoud en de verpleging dier burgers te zorgen, die zichzelven niet kunnen onderhouden.....; hun, die het slechts aan middelen en gelegenheid om het onderhoud te verdienen, ontbreekt, moeten arbeids-werken, die met hun krachten en geschiktheid overeenkomen, aangewezen worden’1). Het is dus niet een recht
om arbeid te zoeken, maar om arbeid te vinden. De mensch moet ergens een loon kunnen bekomen, ergens kunnen werken. Indien dus de particuliere ondernemer geen werk geeft of kan geven, dan moet de Staat of maatschappij in de bres springen. Eigenlijk is het een subsidiair recht. De Staat of maatschappij moet altijd zeker reserve van groote openbare werken voor zich houden, om ieder in de gelegenheid te stellen, dáár door arbeid zijn levens-onderhoud te verdienen. Het is vooral Owen (zie van dit deel, pag. 249, enz.), die op dit punt nadruk legde, en die dezen plicht der maatschappij breeder omschreef.
4. - Terwijl de socialisten aldus van een recht op arbeid gewaagden, eischten zij ook een waardeering van den arbeid, als levens-uiting van den mensch. De algeheele waardeering van den arbeid der menschen is eerst volledig in elk opzicht door den graaf de Saint-Simon theoretisch vastgesteld. Toen hij de industrieele maatschappij plaatste tegenover de militaire maatschappij, wees hij de inrichting der toekomst tegenover het streven van het verleden aan. ‘Wij zijn de bijen’, zoo liet hij de arbeiders op elken trap der nijverheid zeggen, ‘verlos ons van de hommels.’ Op den arbeid moest, volgens hem, de geheele maatschappij en het geheele Staats-wezen berusten. De bedrijvige werkplaats was de éénheids-factor en de grondslag der maatschappij. Dat ‘atelier’ omvatte de arbeiders van elke soort: arbeiders met den geest, landbouwers, kooplieden, fabrikanten en handwerkslieden; de chefs van dat ‘atelier’ waren slechts leiders van evenknieën, van gelijken, hadden slechts tot taak ‘geassocieerden’ tot gids te dienen; wederzijdsch vertrouwen, achting en genegenheid was de band, die de groep te-zamen hield. Aldus ingericht moest de nieuwe groep de vorige groepeeringen van het verleden vervangen. Doch het sprak nu van-zelf, dat de arbeid niet uitsluitend als een koopwaar mocht worden beschouwd. Men was niet gerechtvaardigd, wanneer men als ondernemer dien arbeid van vrije personen, als ware die arbeid 't eerste 't beste handels-artikel, uitsluitend onder de wet van vraag en aanbod plaatste. Het denkbeeld, dat men, wanneer men in geld het loon van den arbeider betaalde, verder van alle verplichtingen af was; dat de betaling in geld het éénige was, hetwelk in dit opzicht de menschen aan elkander verbond, dit denkbeeld leidde tot grievend en stuitend maatschappelijk onrecht. Het voerde tot verlaging en vernedering der menschelijke persoonlijkheid. Het ondermijnde en verzwakte naar ziel en lichaam de arbeiders-bevolking. Het deed arbeiders niet hooger schatten dan toevoegsels der machines. Het verleidde tot het in 't werk zetten der onrijpe arbeids-krachten van vrouwen en kinderen. Het kweekte een arbeiders-massa, zonder belangstelling in het werk dat zij deed, zonder vertrouwen op billijke voorwaarden door den patroon na te leven, zonder hoop op den dag van morgen; arbeiders, voor wie, als zij in het gunstigste geval niet morden, het leven onverschillig was: heden aan 't werk, morgen bedeelden. Kortom, een maatschappij was niet gezond, als zij
den arbeid van den mensch geheel en al gelijk stelde met de productiekosten van het handels-artikel. Het product was zeker begeerlijk en veel waard, maar de producent stond hooger. Ieder werkman was in de groote taak der samen-leving medearbeider, niet louter werkkracht.
5. - Omdat de producent op elken trap van den arbeids-ladder hooger stond dan het resultaat van den arbeid, mocht de arbeid zelf niet ontaarden in slaafs, voortdurend zwoegen. De tijd van den arbeids-dag moest dus tot een vast aantal uren worden ingekrompen. Arbeid en rust moesten afwisselen in het menschelijk leven. Fichte en Fourier wezen hierop, en Fourier bouwde er zijn stelsel van korte arbeids-tijden op. Hij, die echter voor de praktijk dezen eisch der socialisten het best ontwikkelde, was Owen. Owen kwam het eerst van allen met den eisch van den normaal-arbeids-dag voor de werklieden in fabrieken en elders. Na eerst dien arbeids-dag op tien uren te hebben gesteld, bracht hij later dat cijfer op acht uren. In zijn fabriek van Nieuw-Lanark paste hij dit stelsel toe, dat allengs de rondreis door de geheele wereld zou maken. Alle economisten begonnen dadelijk er zich heftig tegen te verzetten, en wilden niet hooren van den eisch, om hier aan het vrije contract (zoo als zij het noemden) van werkgevers en arbeiders banden te leggen. Toch hield Owen stevig vast aan zijn voornemen. Hij en zijn geestverwanten beweerden, dat hier van een vrij contract nauwelijks sprake kon zijn, daar de economisch zwakke (de arbeider) niet op gelijke positie stond met den economisch sterke (den werkgever). Zij gaven te kennen dat hier gevaar was van onderdrukking en uitzuiging der arbeiders door hun patroons, van exploitatie van den éénen mensch door den anderen. Zij spraken het uit, dat sinds de invoering der machines de werkgevers voortdurend in de verleiding verkeerden, de arbeiders, als het maar mogelijk was, even lang in het werk te houden als de machine, waaraan zij vastgeklonken waren; de machine die nooit vermoeid werd. Zij ontvouwden, dat door zulk overwerken der arbeiders het leven der arbeiders werd vernield. En daartegenover wilden zij dan aantoonen, dat de normale arbeidsdag een kalmer gang zou geven aan de geheele productie. Zij beweerden, dat de intensiteit van het werk - als niet al te lang werd gearbeid - werd vermeerderd. Zij vroegen als recht zekere rust in het leven. Zij wilden den arbeid in den nacht doen verbieden. En voorts vleiden zij zich met de hoop - ook Owen wees hier den weg - dat de normale werktijd, wanneer hij eenmaal overal was ingevoerd, een goede en bruikbare waarde-meter zou kunnen zijn. Zij elimineerden daarvoor op willekeurige wijze alle andere factoren, die de waarde bepalen, en meenden de waarde van het product enkel afhankelijk te kunnen stellen van den normalen tijd, waarin het voorwerp door arbeid was tot stand gekomen.
6. - Wanneer de socialisten echter een normalen arbeids-dag vorderden, eischten zij te-gelijk, dat de vrouwen en kinderen, als zij aan het werk werden gesteld, bescherming van den Staat onder-
vonden. Wat zij hier vroegen was zoo natuurlijk, zoo eenvoudig, dat al de sofismen van het eigenbelang en van de kortzichtigheid niet te veel waren, om dien eisch te weêrstaan. Geen drogrede, geen kunstig verzonnen logica, geen leugen heeft mogen ontbreken! De economisten hebben dit alles, en meer dan dat alles, noodig gehad, om dien soberen eisch te kunnen weigeren. Zelfs een man van ijzer en staal als Napoleon vond den eisch, toen hij het eerst opkwam, niet geheel onbillijk. In 1813 nog vaardigde hij het decreet uit, dat het verboden was, kinderen beneden de tien jaren in de mijnen aan het werk te stellen. Maar een vrij land als bij-voorbeeld België bleef dan ook daarbij staan, en eerst in 1884 strekte het dit verbod uit tot jongens beneden de 12 en meisjes beneden de 14 jaar. Want de orthodoxe economie was taai op dit stuk. Wie voor de arbeidende kinderen in de bres sprong tegenover de ondernemers, leed aan weekheid van hart, liet zich beheerschen door zijn gemoed, en, zooals men weet, het gemoed is contrabande in zulk een geharnaste wetenschap als die der staathuishoudkunde. Eerst de verdierlijking, die door het werken van vrouwen en kinderen onder de arbeiders-bevolking ontstond, maakte zelfs de meest onverzettelijke koppen bang. Men begon te begrijpen, dat men deed, wat Fichte zoo eigenaardig noemde: barbaren op te voeden in den schoot der beschaving. Toen kwam ook hier op dit stuk een flauw vermoeden boven, dat de waarachtige vrijheid eerst kon gedijen, wanneer men de economisch zwakken beschutte tegen de sterkeren. Men begreep, dat men kwalijk was gerechtvaardigd, wanneer men, ter wille van eenige grootere goedkoopte van het product, de maatschappij-zelve in gevaar stelde, door de vrouw en de kinderen stelselmatig uit hun sfeer te laten rukken. Wat het gemoed niet had kunnen uitwerken, bracht de vrees te-weeg. Men begon te huiveren. En ten gevolge van die vrees konden de socialisten hun eisch van recht op dit punt stelliger uitspreken. Owen vooral deed in Engeland zeer practische voorstellen, om in de maatschappij den arbeid van vrouwen en kinderen te beschermen. Zijn evenknie Fourier voegde daarbij allerlei fantastische plannen en droomen der toekomst, maar was in zijn kritiek der bestaande toestanden (met betrekking tot dit onderwerp) even scherp en even snijdend, waar hij de fabrieken met haar arbeiders-bevolking (mannen, vrouwen en kinderen) de ‘bagno's’, de galeien, der moderne samen-leving noemde.
7. - Naast den eisch der bescherming voor vrouwen en kinderen bij den arbeid, stelden dan de socialisten de aanspraak op behoorlijke woning. Het zijn de socialisten geweest, en met name Fourier en Owen, die het eerst de woning-questie in verband met een goede organisatie der maatschappij hebben gebracht. De samenhang tusschen welvaart en goede huisvesting is eerst door hen scherp aangetoond. Wil men de onderste lagen van een volk inderdaad tot gezonde elementen der maatschappij maken, dan moet men het gebrek aan goede woningen verhelpen, medewerken
tot afbraak en slooping der vunzige krotten, en den arbeidenden klassen het verkrijgen van behoorlijke huizen mogelijk maken. Dan alléén is er vastheid onder die vlottende en heên en weêr trekkende standen te verkrijgen. Helpt men hier niet, en noodzaakt men de lieden hun dak (hoe dan ook) te blijven vinden in de van lucht en licht verstoken vol-gepropte stegen, gangen en kelders onzer groote steden, of in mensch-onteerende verblijven op het platteland, dan kan men verzekerd wezen, dat te eeniger tijd de rijken in hun eigen huizen minder rustig en gemoedelijk zullen leven. De invloed van goede huisvesting is zoo groot. Wij spreken nu niet eens van de gezondheid, maar wijzen slechts op den stillen zegen, die verkregen wordt, wanneer de arbeider zijn eigen thuis aangenaam vindt, wanneer hij zijn vrouw en kinderen in het eenvoudig vertrek eenige behaaglijke geriefelijkheid kan verschaffen, en op die wijze der verleiding van de door licht en warmte lokkende kroeg gemakkelijk het hoofd kan bieden. Gewoonten van orde, zindelijkheid en netheid komen dan van zelven. De woning wordt voor den arbeider een wijk-plaats vol kalmte en genieting, waar hij weldadige rust vindt na het sloven en zwoegen van afmattend werk. Fourier en Owen meenden het probleem dier woning-questie op te moeten lossen door het vraagstuk niet tot de huizen der arbeiders te beperken, maar tot alle woningen van allen uit te breiden. Zij meenden, dat de afgezonderde huizen van rijken en armen moesten vervallen, en dat een bepaalde agglomeratie van menschen van allerlei rang en stand en vermogen in één groot complex van huizen, of liever in één grootsch gebouw moest samen-wonen. Juist uit dat samen-wonen van zeer velen waren begrippen en regelen van toenadering, van associatie, van gemeenschaps-zin, volgens hen, af te leiden. Een verscheidenheid van neigingen, begeerten, smaken en hartstochten zou tot een harmonie zich ontplooien. Zij construeerden dus hun ‘Phalanstère’ of hun ‘Paralellogrammen’. Zij lieten bij die architectuur aan hun fantasie vrijen, lossen teugel. De woning werd, toen zij in het wijkend verschiet werd opgebouwd, hoe langer hoe weidscher en voornamer. Het werden tooverpaleizen uit de Duizend en één nacht. Al die kleinere en grootere huizen, grillig dooréén vermengd, werden nu opgenomen in het ééne groote gebouw, dat met vaste, schoone en evenredige lijnen statig oprees, en door galerijen naar alle kanten breed zich uitstrekte. De eisch ging hier blijkbaar veel te ver. Het was slechts een wensch, een verlangen. Maar in zooverre als uit dien wensch voortvloeide de eisch, om de gansche materie van de woning voor den arbeider ter harte te doen nemen; in zooverre men van de vraag een sociale vraag maakte, die een antwoord dringend vorderde, hebben Fourier en Owen voor de toekomst regelen gesteld. Op het vraagstuk der behoorlijke woning voor de arbeidende standen wordt thans, bij den aanleg van nieuwe wijken en straten, ongewone aandacht gevestigd.
8. - Ook voor de toekomst dachten onze socialisten te arbeiden, toen zij uitspraken, dat allen die werkten een recht hadden op
de volledige opbrengst van hun arbeid. Zij vorderden voor allen het volle equivalent van den arbeid. Het was vooral Owens leerling, William Thompson (zie pag. 280 van dit deel), die, op het voetspoor van zijn meester, dit denkbeeld eenigszins wetenschappelijk zocht vast te stellen. In het jaar 1827 schreef hij, een boek, welks titel het zoogenaamde recht, dat men vorderde inhield. Inderdaad werd dit allengs meer en meer bij enkelen het doelwit. Het recht van den arbeider op het volle arbeids-product werd een leus. Men wilde verhoeden, dat de vruchten van den arbeid des éénen, anders dan tegen het volle equivalent, in handen des anderen kwamen. Maar tevens werd op die wijze aangenomen, dat de arbeid, en de arbeid alléén, de waarde eener zaak bepaalde. Hij, die een zaak bewerkt had, had uitsluitend recht op de zaak. Wanneer twee of drie personen aan een zaak hadden gearbeid, had ieder uit de waarde van die zaak naar evenredigheid zooveel te vorderen, als hij in arbeid aan die zaak had besteed. Zij, die niet voor de zaak hadden gearbeid, konden geen recht op een inkomst uit de opbrengst van die zaak doen gelden. En ziehier dus de conclusie, waartoe men kwam, te weten: dat zij die inkomen hadden, niettegenstaande zij niet werkten, daarop kwalijk een absoluut recht hadden. Bezitters van kapitaal of grond, die hun kapitaal-winst of grond-rente trokken, alhoewel geen arbeid door hen was verricht, hadden tot nu toe volkomen ongestoord dat voordeel als een recht genoten. De socialisten deden voor het eerst aan dat absolute recht twijfelen. Zij ontkenden het nog niet geheel en al. Maar zij stelden slechts tegenover de economische deductie hun nieuw recht, den eisch van de volledige opbrengst van den arbeid. Het was duidelijk, dat dit een zeer revolutionnaire vordering was. Mocht Fichte er in zijn natuur-recht soms op wijzen; mocht Owen haar aannemen, de Fransche socialisten, Saint-Simon en Fourier, stelden dien eisch niet zoo nadrukkelijk. Zelfs Fourier (zie pag. 184 van dit deel) nam een verdeeling van het inkomen aan, met dien verstande, dat de arbeid 5/12, het kapitaal 4/12 en het talent 3/12 verkreeg. Doch ook hij wenschte het aandeel van den arbeid in het inkomen der maatschappij grooter te stellen dan werkelijk het geval is. De socialisten plaatsten dus eigenlijk, door aan dit recht zich vast te klampen, de questie der verdeeling van het inkomen op den vóórgrond en verklaarden als hunne meening, dat die verdeeling niet overeenkomstig recht en rede geschiedde. Het deel uit het totale inkomen, dat voor den arbeid overbleef, nadat de anderen, die daarop recht meenden te hebben: kapitalisten en grond-eigenaars hun deel hadden genoten, was, volgens hun inzicht, te gering. Het was geen loon naar werk. Was men overeengekomen, dat uit het resultaat van den arbeid een ieder naar zijn diensten of verdiensten moest worden vergolden, dan waren de diensten of verdiensten van den arbeid veel te licht gesteld. Zij waren bereid zich te beroepen op den bijbel-tekst van Jacobus V, vers 4: ‘Zie het loon der werklieden die uw landen gemaaid hebben, hetwelk van u verkort is, roept; en het geschrei dergenen die geoogst hebben, is gekomen tot in de ooren van den
Heer Sebaoth’. De leer van het inkomen moest, naar hun oordeel, worden herzien, niet de armverzorging mag het correctief zijn, als het loon te gering is. Er was hier strijd van belangen, en die strijd was in de geschiedenis der laatste twee eeuwen altijd ten voordeele der niet-arbeiders beslist. De socialisten eischten dus een omkeer op dien weg.
9. - Hun programma bevatte nog meer. Zij eischten voor allen, die op aarde leefden, goed en kosteloos onderwijs. De maatschappij was dit aan haar leden verschuldigd. Voor den arbeid, dien de mensch moet verrichten, is noodig geestelijke uitrusting. Zonder die wapenen des geestes was inderdaad het levens-onderhoud niet te verkrijgen. Men stond hulpeloos dan op aarde. Maar goed onderwijs gaf nog meer dan brood alleen. Vooreerst was toch, door algemeen en voor ieder toegankelijk kosteloos onderwijs, een doorgaande intellectueele verheffing van het volk te verkrijgen, welke verstandelijke opheffing weder de geestelijke privileges der hoogere standen zou wegnemen, en dus meer algemeene gelijkheid moest veroorzaken. Dan moest verder zulk een onderwijs van-zelf het isolement, waarin de lagere standen verkeerden, verbreken, zelfgevoel bij hen wakker schudden en het het hun mogelijk maken, zekere macht te verkrijgen en uit te oefenen. Deze waren de meer algemeene doeleinden, waarom men onderwijs en opvoeding vroeg. Elk der vier groote socialisten, die wij in dit deel besproken hebben, behandelde op breede wijze de questie van onderwijs en opvoeding. Fichte en Saint-Simon gaven overal den eersten rang aan de opvoeding en onderwijs eener natie. Fourier en Owen construeerden van hun kant kunstige stelsels van leer-methode en opleidings-kunst. Doch wanneer zij dat meer algemeen standpunt hadden verlaten, kwamen zij ook telkens terug op de volstrekte noodzakelijkheid van onderwijs voor het individu. Zonder onderwijs stond volgens hen de mensch weerloos in den kamp des levens. Doch onderwijs aan het individu omvatte, naar hun inzien, meer dan de gewone lessen van wat wij lager onderwijs noemen. Zij dachten ook aan de opleiding van den werkman. Zij herinnerden er aan, dat te-gelijkertijd met de verbreking der gilden, ook de gansche, schoone organisatie der vorming en aankweeking van jonge, bekwame beroeps-gezellen aan stukken geslagen was. Het leerlingschap, met al de gevolgen die het had, was verdwenen. Goede ambachts-scholen waren nergens te vinden. Owen poogde ze in zijn kring te helpen oprichten, gelijk hij voor elken trap van onderwijs, te beginnen met de bewaarschool, zorgde; doch hij stond vrij alléén. Het belang der maatschappij eischte echter dringend een voorziening in dat alles. Vooral daar de tot in het oneindige voortgezette arbeids-splitsing in de groote fabrieken de vatbaarheid der arbeiders verdoofde, om ook, als die splitsing hun taak overbodig of al te vervelend soms maakte, in andere takken van bedrijf aanleg en vaardigheid te toonen of aan te leeren. Zij werden van-zelf iets minder waard, iets minder compleet als werkman, en als het ware ont-
schoold1). Men sprak voortdurend, na de groote Fransche revolutie, van een opleiding van het volk in politieke rechten, maar meer dan dat was noodig een verschaffen van kennis en beroepsvaardigheid. De onderwijs-questie, in één woord, raakte het hart der sociale questie.
10. - Voorts vorderden zij grootere overeenstemming der staatsen rechts-begrippen met de wording en samen-stelling der verschillende elementen en vormen der maatschappij. In zooverre stelden zij zich lijnrecht tegenover de staatkundige leiders der volken van hun tijd. De houding, welke de Staat in 't begin der negentiende eeuw tegenover vele economische arbeids-verschijnselen scheen aan te nemen, was zuiver negatief. De Staat had de gilden afgeschaft, en was op dien weg voortgegaan: hij huldigde het vrijheids-beginsel, vooral in zooverre het ontkenning van alle banden bedoelde. Waar nog een organisatie van den arbeid bestond - wij denken bij voorbeeld in Engeland aan de wet over de arbeids-leerlingen van koningin Elisabeth - werd deze afgeschaft. In theorie gingen de Staten op dit gebied de leer van het ‘laissez-faire’ en van het ‘laissez-aller’ volgen. Met andere woorden: de Staten lieten de elementen der maatschappij hun gang gaan, en waar die elementen tot een chaos zich samendrongen, kwam geen ordenende hand van den Staat die dwarrelende, zich verwringende of verzinkende factoren te-gemoet. Zij moesten in volle vrijheid zich ontwikkelen, tot dat de sterkste boven kwam. De socialisten stelden nu daartegenover den eisch, dat de Staten wakend en zorgend het oog over de maatschappij moesten laten gaan. Waar de economisch zwakken tegenover de economisch sterkeren stonden, daar kon de Staat niet volstaan, om, in naam der vrijheid, de zwakken te laten vernietigen. Waar de zwakken uit lijfs-behoud wel genoodzaakt waren de arbeids-voorwaarden, die de sterkeren hun aanboden, aan te nemen, dáár moest de Staat tusschen beide komen, en in plaats van het beginsel: vrijheid te laten werken, het beginsel: orde toepassen. Dat men het niet deed, was onrecht. Maar de socialisten verweten nog bovendien den Staat zoo verbazend inconsequent te wezen. Waar het den arbeid der economisch zwakkeren betrof, dáár was hij zeer bereid zich te onthouden, daar deed hij de orthodoxe economisten jubelen over die hooggeroemde Staats-onthouding, maar in het burgerlijk recht was hij voortdurend bezig, de sterkere bezittende klassen door zijn wetboeken te steunen en te bevoordeelen. In de sfeer van den eigendom zag men den Staat altijd en immer den privaateigendom versterken. Het was, alsof de Staten er groot belang in zagen, dat aanzienlijke fortuinen zich betrekkelijk gemakkelijk konden agglomereeren, en dat de ongelijkheid van vermogen onder de menschen toenam. Een zeer uitgebreid erfopvolgings-recht bij versterf riep personen tot de erfenis, die er waarlijk geen
aanspraak op hadden. De overdracht van vaste goederen werd door velerlei fiscale verordeningen bemoeielijkt. De vorming van kleine vermogens werd haast tegengewerkt. Saint-Simon (zie pag. 54 van dit deel) had dit alles opgemerkt en daartegen gewaarschuwd, doch ook de andere socialisten hadden geen vrede met dit stelsel. Van gelijkmatige verdeeling, zelfs van den nieuw tot stand gebrachten rijkdom, kwam zoo weinig te-recht. En vooral was die partijdigheid van de wetten waar te nemen in de leer der zoogenaamde vrije overeenkomsten. Dáár scheen de wet slechts de individueele willekeur te versterken. De arbeid en de arbeider werden overal hier achtergesteld. Reeds Owen (zie pag. 249 van dit deel) vroeg dan ook in het jaar 1812 een wetboek op den arbeid. En werkelijk was er aanleiding genoeg eenige rechtsregelen te stellen. Het geheele arbeids-contract, de overeenkomst van huur en verhuur van diensten tusschen den ondernemer en de werklieden, was een woest en ongeregeld terrein, nadat de gilden-organisatie was verdwenen. Associatie van werklieden onder elkander was verboden, en werd als coalitie of samen-spanning gestraft. Het leerlings-contract, dat goede, bekwame werklieden kon opkweeken, was niet meer erkend. Kortom, de staats- en rechts-orde bekommerde zich hier niet om wordende elementen, maar maakte slechts de reeds geconsolideerde vermogens krachtiger. Er was hier de meest tastbare inconsequentie. In naam predikte men onthouding, en inderdaad gunde men slechts ongemotiveerde voordeelen aan de bezitters. Zóó spraken ten minste de socialisten. Zij vroegen nu in plaats van een Staat, die deels vrijliet, deels beschermde, een Staat die regelde, die de bewegingen en golvingen der maatschappij wist te zien en te leiden. Zij verlangden, dat de Staat zich eerst goed liet doordringen door het leven der gansche maatschappij. Zij eischten daarna, dat de Staat in zijn wetten de ontwikkeling der maatschappij volgde en zoo noodig bestuurde. Dat was een gansch andere taak dan de leer van het ‘laissez-faire’ bedoelde. Enkele socialisten vonden die taak voor den Staat zelfs te zwaar, en wilden (zooals Fourier) de leiding van alles meer decentraliseeren, aan de gemeente of ‘Phalanxen’ overlaten, maar leiding werd ook door hen aangenomen. De regeling van alle rechts-verhoudingen (zelfs die van het huwelijk) mocht niet langer zonder plan, te-hooi en te-gras, of soms in het geheel niet, geschieden. De Staat of de gemeente moest den mensch in geheel zijn bestaan kunnen steunen. Recht mocht niet louter veréénzelvigd worden met handhaving eener bestaande legaliteit, maar beteekende ook brood in de maag, gedachte in het brein, en vreugde in het hart.
11. - Het ernstig streven der menschheid naar waarachtige gelijkheid moest wijders de menschen leiden tot verwerkelijking van een godsdienst der broederschap. In een tijd, toen de kerken zich allereerst weder gingen toeleggen op haarkloverijen van dogmatiek; toen de Staats-instellingen - onder de inblazingen der Restauratie - vooral de positie der bezitters in het oog hielden, en dezen
in hun rechten voor altijd poogden te bevestigen en te beveiligen; in het tijdperk der legitimiteit en der politiek van het behoud, riepen de socialisten het begrip der broederschap, ééns door de Fransche revolutie met vlammende letters naast de woorden vrijheid en gelijkheid geschreven, weder in de gedachte. Zij waren natuurlijk niet bij machte dat begrip van fraterniteit dadelijk veld te doen winnen. Voor de meesten, aan wien zij dat denkbeeld verkondigden, klonk het als een sprookje uit het verleden, of als een idylle der toekomst. Toch begon het hier en dáár enkele gemoederen weder te bekoren. Het begrip, door hen opgeroepen, deed enkele groepen, in wie het Christelijk beginsel in waarheid leefde, een verwerkelijking weder aandurven der eerste Christengemeente, zoo als hier te lande, tusschen de jaren 1820 en 1830 de Zwijndrechtsche broederschap beproefde1). Doch ook elders, ook in niet-Christelijke omgeving, moest het eenvoudig ideaal der broederschap, ontdaan van alle dogmatiek van kerk-leer, sommige zielen winnen. Dezen spraken dan (wij denken aan Saint-Simon) van een ‘nieuw Christendom’. Het opmerkelijke was, dat zij dit alles dadelijk en bijna letterlijk wilden gaan toepassen. Het was voor hen niet een holle zinsnede, maar de uiting van een heilige overtuiging, wanneer zij het menschdom als één groot gezin voorstelden. Het broederlijk gevoel moest als met onzichtbare draden zich winden in alle levens- en arbeids-plannen. Tegenover de vernietigende strekking der concurrentie riepen de socialisten de zelf-verloochenende beginselen der broederschap op. Wanneer de maatschappij bestaat uit de onsamenhangende atomen en fragmenten, die men thans menschen noemt, dan zal de één zich nooit voor den ander willen opofferen. Maar gevoelt men zich broeder, dan heeft men de kracht om te lijden en een slachtoffer te zijn, en kan er sprake van wezen, om door een offer de maatschappij van het verderf te helpen redden. Die een broeder is weet te dienen. Let wel op, dat dit begrip van ‘broederschap’ van een ander gehalte is dan het begrip van ‘gelijkheid.’ Die twee leuzen vloeien elk van een andere gedachte uit. Evenals ‘gelijkheid’ op zich-zelf niet te veréénzelvigen is met het beginsel van ‘vrijheid’, is ook ‘broederschap’ - het derde lid der formule van de Fransche groote revolutie - niet te verwarren met ‘gelijkheid’. ‘C'est d'un autre ordre’, zou Pascal zeggen. Gelijkheid poogt de armoede te temperen; broederschap tracht de miserie van elken aard - de diepe ellende zonder uitzicht, zooals zij in onze hedendaagsche maatschappij vóórkomt - op te heffen2). Zóó droomden
de leiders der socialisten vóór het jaar 1830. Welke ook de uitkomsten zijn geweest, de illusie-zelve was edelmoedig en schoon. Misschien zullen vele der afdwalingen en der latere misgrepen van het socialisme toch nog even een schemerenden glans soms (zij het slechts een oogwenk) ontleenen aan de wijkende tinteling van dezen wegtrekkenden droom.
12. - Als slotsom van hun eischen van het oogenblik, vroegen eindelijk de socialisten vóór 1830 de verzekering van het goed recht der gemeenschap in al haar vormen en uitingen. Het handhaven en bevestigen van het collectieve begrip is de roode draad, die hen karakteriseert. De herinneringen van dat ‘collectieve’ bonden hen aan het verleden. Voor het heden en de toekomst vorderden zij evenzeer een organisatie der gemeenschap. De formuleering van den eisch mocht soms vaag zijn, het doel, dat zij beoogden, was in dit opzicht niet onduidelijk. - In dien zin bestreden zij, waar het pas gaf, het exclusief uitsluitend karakter, dat het particuliere eigendom zich toekende. Zij noemden dit een aanmatiging. Gaarne wilden enkelen hunner toegeven, dat particulier eigendom, bij-voorbeeld op het inkomen toegepast, één der voorwaarden van de evolutie onzer beschaving was geweest, maar naast den privaat-eigendom op het inkomen moest en kon er ruimte wezen voor gemeenschappelijken eigendom der productiemiddelen: grond en kapitaal. - Evenzoo zou men aan den arbeid-zelven een collectief karakter kunnen geven. Niet onwaarschijnlijk zou, naar hun meening, het gevolg dit zijn, dat de menschen collectief arbeidende, grooter resultaat van productie zouden bekomen. Thans stonden alle arbeiders als het ware geïsoleerd. Slechts de ondernemer wist ze te vereenigen en te drillen als een leger, maar uitsluitend dan ook tot zijn eigen voordeel. De arbeids-aanéénvoeging, de organisatie van het samen-werkend geheel, deed wonderen in de productie, maar alléén, of grootendeels ten voordeele van den organiseerenden ondernemer. De eisch der socialisten was nu, dat het den werklieden-zelven gegund werd zich aanéén te sluiten, en zich te organiseeren. Ook zij zouden dan, wanneer zij te-zamen als één collectief lichaam werkten, als arbeiders-vereenigingen de voordeden van arbeids-concentratie kunnen genieten en arbeids-vruchten kunnen oogsten. In dien wijden zin werkte Owen voor hen het coöperatie-idee uit, en zette Fourier voor hen al de schakeeringen van het associatie-idee uitéén. Zelfs Saint-Simon, toen hij de arbeiders-gelederen poogde te organiseeren en aan rangen van hiëarchie trachtte te gewennen en te onderwerpen, werkte voor zijn deel in deze richting mede. Fichtes organisatie van den arbeid deed wel allereerst aan de gilden-instelling denken, doch steunde toch op machtige wijze het collectieve belang, dat elke arbeids-groep in een bepaalden beroeps-tak had. - Kortom, aan dat handhaven
van het gemeenschappelijke, aan dat op den vóórgrond stellen van het ‘collectieve’, werden de socialisten herkend: de eischen, om dat collectieve in het bestaande leven te verwerkelijken, werden meer en meer de geloofs-brieven der partij. Werkten de economisten in de eerste dertig jaren onzer eeuw steeds het systeem van het eigenbelang scherper en nauwkeuriger uit, zoo bleven de socialisten tegenover het individualistische beginsel de collectieve gedachte plaatsen. Zij bogen op hun beurt den stok naar de andere zijde om, en veréénzelvigden allengs al het particulier eigendom, al het voor eigen rekening werken, met egoïsme en eigenbaat. En wanneer de economisten met warmte er op wezen, dat de particuliere eigendom de krachtigste hefboom is van den vooruitgang onder de menschen, antwoordden de socialisten onmiddellijk, dat de hoofd-bron der ongelijkheid onder de menschen, van het verschil tusschen rijkdom en armoede, ook juist in dien particulieren eigendom was te zoeken. Door aan de gemeenschap haar recht te geven, zou daarentegen, volgens hen, ook tevens van-zelf gelijkheid onder de menschen worden bevorderd. De menschen waren dan eerst in staat - zoo meenden de socialisten - werkelijk als broeders te leven. Zij behoefden dan niet meer, bij het ondervinden der wreede en grievende ongelijkheid op aarde, zich enkel te troosten met de verre hoop op een leven na dit leven, of, zoo bitterheid en wrok hun het blauw des hemels bewolkte en ontnam, binnen 's monds de ironie der misdeelden te herhalen, de verwijzing naar den alles en allen gelijkmakenden Dood, dien Holbein, tot waarschuwing van het ijdele menschdom, in afgepasten en grijnzenden dans, heeft geteekend op de muren van Bazels kerkhof.
einde van het tweede deel.