Wie oorlog zegt, zegt ellende, ziekte, dood. Niet alleen aan de fronten maar ook onder de thuisblijvers, de miljoenen die in zulke tijden op één hoop worden gegooid onder de verzamelnaam ‘burgerbevolking’, onder de kinderen. In zulke tijden komen ook de artsen in het geweer, in hun wapenrusting! Wie het een beetje getroffen had (en er was grote kans het goed te treffen want verreweg de meesten waren goed) vond in zijn huisdokter een soort collectieve vader, een vraagbaak, een helper.
Precies wat hij behoorde te zijn, zult u wellicht zeggen, en wij antwoorden daarop: Precies. Maar dat was geen kleinigheid en het kan waarlijk niet van iedereen gezegd worden, dat hij in de bezettingstijd degene was die hij moest zijn, die hij, afgezien nog van zijn Nederlanderschap en politieke overtuiging, uit hoofde van zijn ambt of functie of beroep behoorde te zijn.
Daar hebben vele burgemeesters moeite mee gehad, en ambtenaren en politiemannen en juristen en onderwijzers en industriëlen, ja zelfs predikanten en officieren. Onze artsen eigenlijk het minst. Het artsenverzet is een van de monumenten uit de bezettingstijd en ik vind het eigenlijk een vreemde zaak, dat wij als volk nog geen vorm hebben gevonden om aan onze dankbaarheid jegens onze dokters tastbaar en blijvend uiting te geven. Daartoe zou nu, twintig jaren later, alsnog het initiatief genomen kunnen worden. Want in het voorjaar 1943 bereikte het verzet van de artsen een hoogtepunt.
Van hen trouwens niet alleen. In januari 1943 had Hitler de algemene Arbeitseinsatz en de totale oorlog afgekondigd. Het betekende dat de laatste remmen van recht en menselijkheid waren doorgebrand en dat de Duitsers alle, letterlijk alle middelen geoorloofd achtten, die konden meehelpen de oorlog te winnen. Voor ons land betekende dat een toenemende druk op de bevolking, toenemende terreur, meer roof, een nieuwe aanslag op de arbeiders, een jacht op de studenten, men probeerde onze gedemobiliseerde soldaten uit 1940 opnieuw als buit weg te voeren. De Duitse poging ook de artsen in hun netten te vangen behoort daartoe. Het is niet gelukt.
Het is niet gelukt om verschillende redenen. De artsen hadden tijdig een ondergrondse contact-organisatie opgebouwd. Zo behoefde de strijdende enkeling zich niet alleen te voelen. Hij kreeg buiten de officiële kanalen om zijn parolen en hij kon op die manier een weg vinden om raad te vragen als dit nodig was. Hij wist ook niet alleen te staan. Dit artsen-verzet was, net als trouwens bijna alle verzetshaarden in bezet gebied, van onderop ontstaan. Opnieuw het merkwaardige verschijnsel dat velen van de topfiguren uit de vredestijd het eigenlijk lieten afweten of moesten worden meegetrokken door de onbekenden van toen, die plotseling, toen de nood aan de man kwam, verantwoordelijkheid en leiderschap ontwikkelden. Is er dan toch wat loos met onze maatschappelijke selectie
in vredestijd? De artsen hadden bovendien het voordeel niet sterk hiërarchisch te zijn georganiseerd. Ze behoefden niet, zoals bijvoorbeeld bij de rechterlijke macht, naar ‘boven’ te zien, naar een ‘hoogste college’ en dan maar afwachten wat de heren daar deden. Of zoals bij de officieren, of de kerken - die als kerk alleen maar in het geweer konden komen als synode of ‘Utrecht’ hadden gesproken.
Uit het artsenverzet blijkt ook wat een doelbewuste leiding waard is. Onze dokters waren net zo min helden als de andere Nederlanders. Ze waren als de Duitse druk groot werd, telkens weer tot toegeven bereid. Maar dan was er die illegale leiding, het zogenaamde Medisch Contact, die het been stijfhield en dan volgden de anderen weer.
Dat dit zo kón is, lijkt mij, voor een aanzienlijk deel te danken aan het feit, dat de dokters een bezinning op hun beroepseer en beroepsplicht aandurfden, dat er in hun beroep nog van iets dergelijks sprake was in tegenstelling bijvoorbeeld tot de werkgevers, die zoiets helemaal niet kenden of de ambtenaren en de officieren, voor wie het in veel gevallen alleen maar in de vorm van dorre formulieren aanwezig was.
Velen van de artsen hebben hun actie bovendien zeer bewust ervaren en gezien als een onderdeel van het verzet, of, om het te formuleren met woorden van het Medisch Contact zelf: ‘als één der verzetsbewegingen deel hebbend aan de strijd voor de vrijheid van ons vaderland’. Met deze solidariteit heeft men niet alleen zichzelf geholpen maar ook het algemene verzet en opnieuw valt het pijnlijk op hoe hier de officieren als groep en de rechterlijke macht als instituut (de individuele goeden niet te na gesproken) een historische kans niet hebben gebruikt. Het illegale Medisch Contact is een van die zeldzame gevallen, waarin de Duitsers een verzetsorganisatie eigenlijk hebben erkend en waarmee zij, wanneer de omstandigheden zulks eisten, zelfs overleg pleegden.
Toegegeven, dat de artsen zich in een gunstige positie bevonden. De Duitsers hadden hun artsen dringend nodig aan de fronten en in de gebombardeerde gebieden. Ze waren, en terecht, doodsbenauwd voor epidemieën, en een ongestoorde medische verzorging van de onderworpen volken was in zekere zin ‘kriegswichtig’. Het verzet van onze artsen wordt er niet minder eervol door.
Aanvankelijk was de strijd van de artsen er één die viel onder het verzet tegen de gelijkschakeling en inlijving in nazistische organisaties. De meeste artsen waren lid van de Nederlandse Maatschappij tot Bevordering der Geneeskunst. nsb-medici hadden hun Medisch Front opgericht en verkondigden daar hun sinistere theorieën over zuiverheid van het ras en wat dies meer zij. Een poging de Maatschappij in dit nazistische systeem in te schakelen mislukte, omdat de meeste artsen als lid bedankten (op 14 september 1941 waren 3400 van de 5864 leden uitgetreden) en op 27 september '41 trad het hele hoofdbestuur van de Maatschappij af.
Niet de gelijkschakeling, de Duitse opvattingen over wat ‘medische verzorging’ eigenlijk was, vormden de hoofdaanleiding tot het artsenverzet: de rassen-
leer, de massamoorden op geesteszieken, de sterilisatie, de aantasting van het beroepsgeheim en de degradatie van de arts tot een handlanger van de staat en een helper in de oorlogvoering.
Toen het via de Maatschappij niet lukte, poogden de Duitsers een zogenaamde Artsenkamer in te stellen (zoals er een Kultuurkamer voor kunstenaars en journalisten enzovoort was). De artsen hielden voet bij stuk en overhandigden in december 1941 een protestbrief aan Seyss Inquart (voorzien van 4261 handtekeningen). Een prachtig document, dat bekend behoort te blijven onder ons volk en daarom citeer ik ook enkele passages:
Hoeveel ook in de loop der tijden veranderde in de opvatting en maatschappijen der volkeren, de arts bleef onaangevochten de behoeder van een heilig kleinood: de eerbied voor het leven, de barmhartigheid jegens de zieke mens. In de erkenning van deze taak is van oudsher tot heden het beroep van de geneesheer steeds geweest een ambt van vertrouwen, een priesterlijk ambt...
Indien gij thans ons, doktoren, gaat stellen onder de tucht van een met autoritaire macht bekleed staatslichaam, bestaat voor ons maar al te gegronde reden voor de vrees, dat ambtenaren, aan wie onze gedachten en gevoelsoverwegingen vreemd zijn, zich gaan mengen in de behandeling onzer zieken en van ons directe of indirecte medewerking geëist zal worden aan maatregelen, die met ons geweten en wetenschappelijk inzicht in strijd zijn...
Gebonden als wij ons weten aan de eed, of de plechtige belofte, waarmede wij ons ambt hebben aanvaard, gevoelen wij ons verplicht u te verklaren, dat wij trouw zullen blijven aan de hoge normen, waarop sinds mensenheugenis ons beroep heeft gerust...
Dat is taal, die niet alleen de arts maar vele tienduizenden van ons volk moest aanspreken en tot bezinning brengen. Het stuk was dan ook bewust niet als geheim bedoeld, het werd doorgegeven aan de illegale pers en de artsen bewezen daarmee nadrukkelijk dat de geestelijke gezondheid van ons ganse volk hun ter harte ging. En geestelijke gezondheid betekende verzet. Het was een missionair stuk en als ik mij niet vergis behoorde ook een zendingsarts tot de opstellers ervan.
Niettemin gingen de nazi's door met hun artsenkamer. Op 15 september 1942 werd de aanmeldingsplicht afgekondigd. Wie zich niet opgaf kon een boete krijgen van duizend gulden.
Ongeveer 1600 gaven zich op, onder wie een 250 nsb'ers en 600 joodse artsen, die zulks deden op advies van hun collegae om, vanwege de extra gevaren die zij liepen, niet deel te nemen aan het verzet. Van de overigen, ongeveer 6200 artsen, hebben dus slechts een 800 getekend.
In februari 1943, twintig jaar geleden dus, probeerden de nazi's ze nogmaals in de val te laten lopen. De artsen liepen er niet in. Enkele tientallen artsen werden daarop veroordeeld tot betaling van een dwangsom van honderd gulden
om de veertien dagen. En toen volgde in maart 1943 de grote actie. De artsen gaven hun beroep op, ze haalden de naambordjes van de deur. Ze waren dus, om zo te zeggen, geen arts meer en konden dus ook niet gedwongen worden lid te worden van de artsenkamer. Onnodig te zeggen dat niettemin de zorg voor de zieken ongestoord bleef doorgaan.
En zovelen deden mee aan deze actie, dat de achterblijvers, om niet in de gaten te lopen, hun bordje ook wel moesten weghalen. De Duitsers waren een ogenblik in de war. Rauter voelde voor doortastend optreden en men weet wat dit bij Herr Rauter betekende. Maar onder de andere kleine Führertjes waren ook mildere meningen. Men had de dokters nodig en de Duitsers schortten de boeten op en kondigden een herziening van de artsenkamer aan.
Toen gingen de bordjes weer op of naast de deur.
Dit is slechts een deel van het artsenverzet. Het is een hoofdmoment, maar lang niet alles. Wij komen daar in deze kronieken nog wel op terug. Een deel van dit verzet vond niet in groepsverband plaats maar was het werk van de gewone ‘huispillen’ in het dagelijks contact met hun mensen. Dat begon al met het voorschrijven van extra voedsel en dus de mogelijkheid van extra bonkaarten. Dat betekende hulp aan zieke onderduikers. En ook het te voorschijn roepen van ziekteverschijnselen als huiduitslag, eczeem, temperatuurverhoging, hartgebreken enzovoort enzovoort om daarmee te verhinderen dat arbeiders naar Duitsland werden gezonden.
Het schrijven van attesten, het verstrekken van kaarten die quasi een besmettelijke ziekte aangaven, tot de directe hulp aan het verzet door het zich beschikbaar stellen met hun auto (ze behoorden tot de zeer weinigen die hier en daar nog een autootje rijden mochten). En dat alles bij een overmatig drukke praktijk, veroorzaakt door toenemende ziektegevallen, de stroom van geëvacueerden enzovoort enzovoort.
Hoe zei ik het in het begin? Een soort collectieve vader, een vraagbaak en waarlijk een helper. En de grote meerderheid van hen solidair met het verzet of meer dan dat.
Het is prettig om twintig jaar later over zulke mannen te mogen schrijven.
26 januari 1963.