terug  begin  verderprepost

3 Tussen massajeugd en schakelgeneratie

Ofschoon er veel over de jeugd geschreven is in de jaren vijftig, weten we eigenlijk vrij weinig over wat jongeren zelf dachten en vonden. Van wat voor soort muziek hielden ze, hoe dachten ze over hun ouders, welke idealen koesterden ze en hoe zagen ze zichzelf eigenlijk; welke boeken lazen ze en hoe stonden ze tegenover seks; welke verschillen bestonden er tussen werkende jongeren enerzijds en scholieren en studenten anderzijds; tussen protestantse, katholieke en onkerkelijke jongeren; tussen jongens en meisjes; tussen de plattelandsjeugd en jongeren in de grote steden; tussen rijke en arme jongeren? Er zijn niet of nauwelijks bronnen waarin antwoorden op dit soort vragen te vinden zijn. Enquêtes zijn schaars en in de bovengenoemde jongerenrapporten komen de onderzoeksobjecten zelf slechts zeer incidenteel aan het woord. Tijdschriften vóór jongeren die ook dóór jongeren werden geschreven (bladen als Twen/Taboe en Hitweek), ontstonden pas in het begin van de jaren zestig.

Deze lacunes kunnen ten dele gevuld worden door interviews met de mensen die in die tijd jong waren - en sommige onderzoekers hebben dat ook wel gedaan28 - , maar de bezwaren die aan deze methode kleven liggen voor de hand: het gaat om individuele en wellicht weinig representatieve herinneringen, gekleurd en vervormd door tijd en vergetelheid. Terwijl een reconstructie van de denkwereld van jongeren in de jaren vijftig dus een tamelijk moeizaam en misschien zelfs onuitvoerbaar karwei is, wil ik in deze paragraaf wel proberen een globale schets te geven van de concrete omstandigheden waarin jongeren in die jaren opgroeiden.

[p. 130]

Weet je, je had toch geen geld om ergens naar toe te gaan

In het eerste hoofdstuk werd beschreven hoezeer het economische beleid in naoorlogs Nederland beheerst werd door een streven naar opvoering van de arbeidsproduktiviteit en efficiency. Wederopbouw, bevolkingsgroei en exportbevordering maakten volgens de overheid een krachtige industrialisatiepolitiek noodzakelijk. Ook de jeugd ondervond de effecten van dit beleid. In het onderwijs maakte deze nieuwe economische rationaliteit zich voelbaar door de extra zorg die de overheid in het bijzonder aan de technische scholen schonk. Hier moest immers het nieuwe arbeiderskader gekweekt worden: de geschoolde en gespecialiseerde vaklui, de voorlieden en de technici. In zijn Eerste Industrialisatienota uit 1949 betreurde minister van Economische Zaken J.R.M. van den Brink het geringe aanzien dat het ambachtsonderwijs in Nederland genoot. Ouders en leerkrachten lieten zich volgens hem te veel imponeren door ‘het maatschappelijk aanzien, dat de administratieve beroepen verschaffen en [zij] hechten te grote betekenis aan de accumulatie van kennis tegenover kunde’; verbetering verwachtte de bewindsman van ‘het doen kennismaken van de jeugd in een zo vroeg mogelijk stadium van het onderwijs met het voor hen onbekende - en daarom vaak onaantrekkelijke - gebied van de techniek’.29

Het aantal ambachtsscholen nam tussen 1945 en 1953 met tachtig procent toe: van 106 naar 187 scholen. Vooral op het platteland breidde het nijverheidsonderwijs zich sterk uit, omdat zowel de werkloosheid als het percentage ongeschoolden daar na de oorlog groter was. Bovendien hoopte de regering op de vestiging van industriële bedrijven ten plattelande. Over de hele linie nam de uitstroom van ongeschoolden - dat wil zeggen jongeren die alleen lager onderwijs genoten hadden - af en de deelname aan het nijverheidsonderwijs toe. Van de 80.000 jongens die in 1948 de hoogste klassen van de lagere school of het vglo verlieten, volgde een vierde deel geen verder dagonderwijs meer; in 1955 was dat nog slechts een tiende deel. Ook nam het aantal jongens dat zich naast hun werk verder bekwaamde, toe.30

Het ambachtsonderwijs werd niet alleen uitgebreid, maar diende ook beter aan te sluiten op de nieuwe eisen van het moderne bedrijfsleven. Een door de minister ingestelde commissie beval in 1949 een ingrijpende heroriëntatie van het ambachtsonderwijs aan - dat volgens de commissie voortaan ‘lager technisch onderwijs’ diende te heten: ‘In

[p. 131]

verband met het voortschrijdend industrialisatieproces dient het accent van de opleiding[...] te worden verschoven van het ambachtelijke naar het industriële. Meer aandacht dient te worden besteed aan het werken in groepsverband en aan de ontwikkeling van het nauwkeurig-heidsgevoel. Voorts moeten leerlingen als zij het technisch onderwijs verlaten, in staat zijn verantwoordelijkheid te dragen en zich een eigen oordeel te vormen in nieuwe en gewijzigde situaties en tenslotte moeten zij meer begrip krijgen voor de eerste eisen der efficiency.’31

Ook op de werkvloer maakte de nieuwe arbeidsgeest zich voelbaar, door de introductie van Amerikaanse produktiemethoden zoals het Fordisme met zijn lopende-bandwerk, de tijdmetingssystemen en de wetenschappelijke arbeidsanalyse. In de meer bedrijfspsychologische sfeer ontwikkelde zich in de jaren vijftig de eveneens uit de vs afkomstige human relations-benadering, die zich richtte op een betere beheersing van de personeelsverhoudingen door het aankweken van leiderschapskwaliteiten, individueel verantwoordelijkheidsgevoel en een verbetering van de onderlinge persoonlijke verstandhoudingen op de werkvloer. De oude disciplineringsprikkels, zoals de angst voor werkloosheid of inkomstenderving door ziekte, boetten in de jaren vijftig steeds meer aan kracht in door het sociale-zekerheidsstelsel en het overheidsstreven naar volledige werkgelegenheid. De nieuwe, sterk op de Amerikaanse arbeidsverhoudingen geënte psychologisering van het arbeidsregime moest daarvoor soelaas bieden.32

Aangezien soms ook de human relations-benadering haar uitwerking op jonge werknemers miste, ziet men door de jaren vijftig en zestig heen een voortdurende uitbreiding van het arsenaal aan psychologische prikkels, allemaal erop gericht de jeugdige werknemers tot flexibele conformisten te maken: individuele carrièreplanning binnen het bedrijf, stimulering tot zelfstudie, functieroulatie, stimulering tot deelname aan het Volkshogeschoolwerk en individuele coaching?33 Ook het belang van het gezin als leerschool voor discipline en verantwoordelijkheidsbesef werd steeds meer benadrukt. De historicus J. Peet ziet in die sterk toenemende aandacht voor onderwijs, gezin en jeugdwerk het voorzichtige begin van een beleidsmatig streven naar bescherming en begeleiding van zoveel mogelijk jongeren op hun weg naar volwassenheid.34

Voorlopig echter ervoer de werkende jeugd in plaats van liefdevolle pedagogiek vooral de nieuwe disciplineringsmiddelen, en bleven de vruchten van het Nederlandse Wirtschaftswunder haar onthouden. Bij

[p. 132]

de loonsverhogingen in de eerste naoorlogse jaren waren de jongeren overgeslagen. De welvaartsronde van 1954 gold als niet verplicht voor werknemers beneden de 23 jaar. De eerste naoorlogse jaren gaven ten opzichte van de volwassen werknemers zelfs een verslechtering te zien van de jeugdlonen. Het gemiddelde bruto weekloon van jonge fabrieksarbeiders bedroeg in 1947 45 procent van het loon van een volwassen arbeider; in 1954 was dat verschil nog groter geworden: een jongere verdiende toen nog slechts 40 procent van een volwassenenloon. De reële jeugdlonen lagen ook vele procenten lager dan de door de Stichting van de Arbeid voorgeschreven norm.35 Daar kwam bij dat de meeste werkende jongeren hun loon thuis moesten afdragen en in ruil daarvoor zakgeld kregen36; sommigen wisten dat bedrag aan te vullen met de verdiensten uit een bijbaantje. Het geven van kostgeld stuitte vooral in katholieke milieus op bezwaren van principiële aard; dat was minder het geval in protestantse en middenstandsmilieus, waar men kennelijk meer waarde hechtte aan de eigen verantwoordelijkheid, ook in financiële zaken.37

Overheersend in het collectieve geheugen van degenen die in die jaren opgroeiden, is de herinnering aan een uiterst sobere jeugd, waarin privacy binnen het gezin voor kinderen niet bestond en alles gedeeld moest worden met broertjes en zusjes. In een interview vertelt een respondent, in 1945 geboren en vanaf zijn veertiende jaar werkend als stukadoor, hoe hij opgroeide in een gezin met zes kinderen, die allemaal op zolder sliepen, de meisjes afgescheiden van de jongens door een schot: ‘Ik heb mijn hele leven op zolder geslapen. Daar stond dan je bed met een gordijn eromheen aan een railtje. Gewoon een afgeschut plekje. Wat viel er in te richten? Er stond een pispot, want het was een uur lopen voor je beneden was. En een rekje en een wekkertje. Ach, dat stelde in die tijd niks voor. Het was gewoon een slaapruimte.’38 En het verplichte dubbele kerkbezoek op zondag vond hij niet erg want: ‘Weet je, je had toch geen geld om ergens naar toe te gaan.’39

Ofschoon de jeugdlonen nog lange tijd ver achterbleven bij de volwassenenlonen (nog in 1965 bedroegen zij 50 procent daarvan), schoten zij vanaf 1955 flink omhoog. Tussen 1955 en 1965 stegen de lonen van werkende jongens en meisjes met zo'n 150 procent. Doordat ook de reële inkomens van hun ouders stegen, raakten laatstgenoemden minder aangewezen op de inkomsten van hun kinderen, zodat het fenomeen van het kostgeld toenam en de hoogte van het zakgeld steeg. In het boven besproken onderzoek De jeugd in het geding (verricht in

[p. 133]

de jaren 1957-1958) stelden de auteurs vast dat veel jongens en meisjes gauw zo'n tien tot twintig gulden per week te besteden hadden. De beschrijving van de doorsneemanier waarop hun onderzoeksobjecten een weekend doorbrachten, geeft aan hoe snel het gedragspatroon veranderd was: ‘Voor velen begint de zaterdagmiddag met café-bezoek (biljarten!). 's Avonds gaat men naar de bioscoop of - indien daartoe gelegenheid is - dansen. Weliswaar blijven velen zondagochtend thuis, maar café-bezoek voor dat deel van de rustdag is toch niets ongewoons. 's Middags gaat men naar een sportwedstrijd, of naar de bioscoop - het laatste wellicht gevolgd door café-bezoek. Indien mogelijk gaat men zondagsavonds wéér dansen, of naar de film, die men nog niet gezien heeft. Daartussen door blijft er nog heel wat tijd over om op straat te lopen - en tot leeg rondhangen op straat wordt men eens te meer gedwongen, wanneer de enkele dansgelegenheid, die er is, gesloten wordt, zoals in de zomermaanden gebeurt. Een aantal neemt in die periode de gelegenheid waar om in Noordwijk te gaan dansen. Er kan geen twijfel aan bestaan, dat een dergelijke weekend-besteding slechts bij het beschikken over veel zakgeld mogelijk is’, aldus Krantz en Vercruijsse, die de verteringen tijdens een weekend op zo'n vijftien gulden per persoon schatten.40

Daarmee begonnen jongeren een consumptieve kracht van betekenis te worden.41 De verspreiding van de bromfiets - totdat een Parool-journalist het woord bromfiets bedacht had, nog omslachtig aangeduid als ‘rijwiel-met-hulpmotor’ - geeft een aardig beeld van deze opwaartse conjunctuur: in 1949 telde Nederland nog 4000 brommers, in 1955 waren dat er al een half miljoen, in 1959 een miljoen en in 1965 was de anderhalf miljoen bereikt. Aanvankelijk een sober vervoermiddel van het type Solex, werd de met vaantjes en vossestaart opgetuigde brommer hét symbool van jeugdige vrijheidsdrang en erotiek; niet alleen werden ‘brommend’ nieuwe horizons verkend, de buddy-seat bracht jongens en meisjes ook op een geheel nieuwe manier tot elkaar. De boven geciteerde stukadoor die zich op zijn zestiende voor 75 gulden een Mobylette aanschafte, herinnert zich: ‘Toen kwam de bromfiets. Dat was voor ons jongens hallelujah, toen werd het pas echt feest. Toen ging alles heel snel veranderen.’42

Boven werd al even gezinspeeld op de gevolgen die deze nieuwe welvaart had voor de besteding van de vrije tijd door jongeren. Die vrije tijd nam toe - tussen 1955 en 1962 zo'n vier uur per week43 - , zij het voor jongens meer dan voor meisjes, die in in 1955-1956 nog zo'n

[p. 134]

drie tot vier uur minder ter beschikking hadden dan de jongens (in 1962 zelfs vijf tot zeven uur). Die vrije tijd werd grotendeels binnenshuis doorgebracht. Weliswaar waren jongeren meer uithuizig in hun vrijetijdsbesteding dan volwassenen, maar toch brachten in 1962 Nederlanders tussen de achttien en vijfentwintig jaar 80 procent van hun vrije tijd binnenshuis door (het gemiddelde lag op 90 procent).44 Deze huiselijkheidstendens, die in het algemeen typerend lijkt voor het Nederlandse vrijetijdsgedrag45, is vooral zichtbaar onder schoolgaande jongeren. Zij brachten vooral door de week meer tijd thuis door dan hun werkende leeftijdgenoten; in de huiselijke kring lazen zij, deden gezelschapsspelletjes, maakten huiswerk en luisterden naar de radio. De werkende jeugd was veel meer uithuizig en concentreerde het uitgaan - bioscoop, café, dansen - in het weekend, aanvankelijk vooral op zondag, maar later werd daar ook de zaterdagavond als typische uitgaansavond aan toegevoegd. Volgens cbs-gegevens uit 1955-1956 moesten de bezoekers van jazzconcerten in de kringen van de beter verdienende werkende jongeren gezocht worden.46 Deze werkende jeugd zou de drager van een nieuwe jeugdcultuur worden, maar daarover later meer.

Intussen brokkelde het verzuilde jeugdbestel steeds meer af. Krantz en Vercruijsse constateerden in hun onderzoek dat de jeugdvereniging in het leven van hun objecten geen enkele rol meer speelde. Soms was daarbij geen sprake meer van onverschilligheid, maar zelfs van ‘agressieve afweer’ en ‘meewarigheid’. ‘De jeugdbeweging? Die was goed voor de mensen van de 20-er en 30-er jaren. Toen was dat wat. Maar in deze tijd, met al die drukte aan je hoofd, is dat niets meer gedaan. Ik ben d'r nog wel eens lid van geweest, van zo'n jeugdclub. Stel je voor, daar will en ze, dat je je vermaakt met sjoelbakken en postzegeltjes sparen. Ze gaan hun gang maar!’, zo tekenden de onderzoekers uit de mond van een Leidse ‘nozem’ op.47

De verzuilde jeugdbeweging, na de oorlog heropgericht, sukkelde al sinds het begin van de jaren vijftig, maar gaf vanaf de tweede helft van dit decennium een scherpe daling van het actieve lidmaatschap te zien. Vooral de streng verzuilde jeugdorganisaties als de verkenners en de gidsen kampten met een gebrek aan belangstelling. Tussen 1955 en 1963 liep het aantal actieve leden van jeugdverenigingen terug van 26 procent van de bevolking tussen acht en vijfentwintig jaar naar 20 procent.48 Tegenover deze terugtocht van de verzuilde jeugdorganisaties stond de opmars van de sportverenigingen en ook dat was een trend

[p. 135]

die al direct na de oorlog ingezet had: tussen 1946 en 1963 groeide het aandeel van de leeftijdscategorie acht- tot vijfentwintigjarigen van 21 procent naar 42 procent49 en in dat laatste jaar organiseerden de sportverenigingen tweemaal zoveel jongeren in de categorie twaalf-tot vijftienjarigen dan de jeugdverenigingen. De sportbeoefening was overigens duidelijk milieugebonden. In buurten met een hogere sociale status werd aan sportbeoefening een grotere waarde toegekend dan in lagere milieus.50

De jeugd die geboren werd in of kort na de oorlog en opgroeide in de jaren vijftig, is wel een schakelgeneratie genoemd51, dat wil zeggen een generatie die op het breukvlak van twee tijdperken leefde. Het ambivalente beeld, dat tot uitdrukking komt in een interviewproject van de Erasmus Universiteit aan het einde van de jaren tachtig, zou een dergelijke kwalificatie rechtvaardigen. Het is een jeugd die gehoorzaam is en tegelijk de eerste tekenen van rebellie vertoont; een jeugd die braaf naar de kerk gaat, maar begint te twijfelen aan de traditionele geloofsleer, een jeugd die haar vrije tijd thuis doorbrengt, maar tegelijk verlangt naar snelheid, avontuur en het moderne, door de media aangereikte levensgenot, een jeugd die met zestien jaar nog steeds niet weet waar de kinderen vandaan komen en ook een jeugd die de preutsheid van hun ouders als benauwend ervaart.

De term schakelgeneratie sluit goed aan bij de gedachte waarmee ik het eerste hoofdstuk afsloot, namelijk dat er tegen het einde van de jaren vijftig in feite twee Nederlanden bestaan: een stabiel, traditioneel, streng verzuild en sterk verkerkelijkt land en achter deze façade gelegen een Nederland van snelle economische en infrastructurele verandering, van een krachtige consumptiedrang en een haast onzichtbaar afbrokkelende traditionele moraal. Ook in het boven beschrevene tekent zich wat ik eerder de precaire balans tussen traditie en moderniteit noemde, af: soberheid én verruiming van de consumptieve mogelijkheden, disciplinering (met nieuwe middelen overigens) en tegelijk meer vrije tijd met althans voor werkende jongeren meer financiële middelen, afbraak van oude verenigingen en opkomst van nieuwe, ‘verhuiselijking’ en tegelijk aanzienlijk meer mobiliteit dankzij de brommer.

Natuurlijk wisten die jongeren zelf niet dat zij een schakelgeneratie waren; het is typisch een etiket dat historische onderzoekers achteraf aanbrengen. Toch stak er ook in de eigentijdse wetenschappelijke rapportage over de jeugd van de jaren vijftig een opmerkelijk scherp in-

[p. 136]

zicht in het verband tussen jeugdgedrag en de snelle sociale verandering van de jaren veertig en vijftig.52 In de eerste rapporten zijn de belangrijkste thema's seksuele verhoudihgen, materialisme, vrijetijdsbesteding en moreel verval. De rapporten signaleren de negatieve gevolgen van industrialisatie in de vorm van verstedelijking - met de bijbehorende verzwakking van de sociale-controlemogelijkheden, een modern-dynamisch levenspatroon, maar ook woningnood - , materialisme (economische onafhankelijkheid van vooral de werkende jeugd), en een verzwakkende greep op de jeugd door de verzuilde jeugdbeweging. Het is tijd deze rapportages aan een nadere beschouwing te onderwerpen.

De maatschappelijk verwilderde jonge mens

In 1949 verscheen in het Sociologisch Jaarboek een artikel dat handelde over de mentaliteit van de Nederlandse jeugd.53 De auteur putte uit een persoonlijke ervaring, of liever gezegd een van zijn echtgenote, die een tijdje ‘een echt fabrieksmeisje’ als dienstbode had gehad. ‘Het kind ging steevast tweemaal in de week naar de bioscoop en dat was haar een volstrekte levensbehoefte’, zo verhaalt H.D. de Vries Reilingh. ‘Maar het was merkwaardig hoe zij zich van de films vrijwel niets herinnerde, Toch zijn deze typen niet dom en hebben zij de “clou” van een film eerder door dan U of ik.’ De schrijver schroomde niet op deze particuliere observatie een vlijmende cultuurkritiek te bouwen: ‘De primair-functionerenden krijgen in de hedendaagse samenleving hun kans. Tempo, snel aanpassen, snel reageren, gevat zijn - daar komt het thans op aan. En wanneer U dat voegt bij de innerlijke onzekerheid en de verborgen levensangst, die men moet maskeren als men niet onder voet gelopen wil worden, dan ontstaat dat door en door versteedste type voor wie de begrippen “gijn” en “tof” richtsnoer in het leven zijn. Zij schijnen niets meer ernstig te nemen en het is uiterst moeilijk dergelijke typen te benaderen, want zij willen zich juist principieel niet laten overbluffen.’54

Over de eigenschappen van de naoorlogse jeugd was de auteur bepaald niet te spreken. Hij constateerde een toename van cynisme, gemakzucht, vatbaarheid voor sensatie en lawaai en vrijgevochtenheid. Afgenomen waren volgens hem positieve karaktertrekken zoals eerlijkheid, idealisme, standvastigheid, concentratievermogen, ‘eerbied en houding’. Deze verslechtering kon niet alleen op rekening van de Ca-

[p. 137]

nadese en Amerikaanse bevrijders geschreven warden, en ook niet op de iedere culturele belangstelling verslindende ‘beeldromans van Dick Bos’; neen, er was sprake van een structuur- en mentaliteitsverandering van de hele samenleving. Een meer structurele oorzaak voor deze ‘degeneratie’ van de jeugd zocht De Vries Reilingh in de gezinsontbin-dende invloed van de industrialisatie.55

Even afgezien van de klassevooroordelen van de auteur en zijn moralistische toon, wordt hier een thema aangeroerd dat vele sociale wetenschappers in deze jaren bezighield, namelijk de sociaal-culturele gevolgen van industrialisatie. Industrialisatie werd zeker onontkoombaar geacht, alleen al om demografische redenen, maar ‘de levensvormen van de mens binnen die geïndustrialiseerde maatschappij’56 waren voorwerp van ernstige beschouwingen. Al in 1948 had het ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen opdracht gegeven tot een grootscheeps onderzoek naar de zogenaamde massajeugd, een opdracht die geheel volgens de ongeschreven regels der verzuiling werd uitgevoerd door maar liefst zeven onderzoeksinstituten. Vier jaar later lagen twee eindrapporten voor57, die weliswaar in toonzetting, benadering, taxatie en oplossing van de gesignaleerde problemen van elkaar verschilden, maar globaal overeenstemden in de manier waarop industrialisatie en sociaal-culturele veranderingen met elkaar in verband werden gebracht.

Het beeld dat de rapporten schetsten van in het bijzonder de arbeidersjeugd was somber. Vooral de pedagoog M.J. Langeveld bediende zich in zijn eindrapport Maatschappelijke verwildering der jeugd van de donkerste kleuren op zijn palet: ‘De verwilderde jeugd leeft in een wereld, die verregaand gestalteloos genoemd mag worden. De gestalteloosheid van zijn wereld uit zich in het onvermogen zelf gestalte te zijn: het uiterlijk is film-confectie of volstrekt verwaarloosd; houding en beweging vertonen geen uit het innerlijk komend gericht zijn: men leunt, hangt, slentert enz.; er is vaak een ongedurige bewegingsoverdaad zonder doel. [...] Ook de stem en de articulatie geven de personale uitdrukking van de holle leegte: men loeit, men brult, men kletst als een eindeloos geleuter, men gilt en giert, men jengelt en zeurt [...] En de articulatie is volkomen achteloos, bovendien verstoord door een disharmonisch gebruik van de adem en de stem. De gesticulatie is zonder gratie, inadequaat, nu mat dan excessief [...]. Men beweegt niet, men wordt bewogen. Men wordt bewogen in het kollektief van de voetbalclub, van de troep schafters die een prop papier heen en

[p. 138]

weer schoppen, van de rondslenterende schooljeugd die uit “chancen” is, van de mensenstroom die een stadion in- of uitstroomt, die naar een fabriek of kantoor gaat [...], men wiebelt en springt in een boogy-woogy, rumba, samba, maar men kent niet meer de openspringende persoonlijke vreugdesprong of -dans.’58

Model voor deze massajeugd staat Johnny: ‘Hij hangt in de bank. Hij is ongelofelijk slordig of akelig precies op zijn uiterlijk. Maar opvallen moet hij. Hij voelt zich de intellectueel, maar geen enkel vak interesseert hem. [...] Zijn vocabulaire is grof en de onschuldigste woorden geven hem aanleiding tot schuine toespelingen [...] Hij kankert altijd op het schoolblad, de clubs, de uitvoeringen, op alles en nog wat, maar doet zelf nergens aan mee. Tientallen keren kamt hij zijn haar op en kijkt verscholen in zijn zakspiegeltje. Hij dweept met de klassieke jazz en leest graag boekjes à la Dick Bos.’59

In beide rapporten werd een ideaaltypische tegenstelling tussen stad en platteland geconstrueerd60, maar het omvangrijke rapport van het Nijmeegse Mgr. Hoogveld Instituut ging daar het verst in. Bij de keuze van de onderzoeksplaatsen - Den Bosch, Maastricht en Eindhoven als typische industriesteden, Roosendaal als een plaats met een beperk te industrialisatie en ten slotte het Limburgse dorp Meerlo als een typisch agrarisch milieu - probeerden de onderzoekers de effecten van industrialisatie en verstedelijking vast te stellen. Meerlo figureert als een ‘eenvoudige, heldere en sterk normatieve dorpsgemeenschap’61, waar de tijd lijkt te hebben stilgestaan, ook in de kleedtraditie van de lokale bevolking. Zelfs het ondergoed - ‘zoals een blik in het manufacturenwinkeltje ons leerde’ - is ‘grof, oerdegelijk en duurzaam’. In dit stabiele milieu is de ontwikkeling van jongens en meisjes ‘zeef geleidelijk, harmonisch en langzaam’. Zij zijn sterk afhankelijk van thuis en komen pas laat tot zelfstandigheid, aldus de rapporteurs. De waakzaamheid over de meisjes is zeer groot en gedwongen huwelijken komen dan ook zeer zelden voor in Meerlo. Er is een groot gebrek aan cultuur, zo stellen zij vast, want er wordt niet of nauwelijks gelezen, er is geen bibliotheek en men gaat niet naar de bioscoop. De omgangsvormen zijn ‘erg simpel’ en het gedrag van de jongemannen in de cafés wordt ‘zeer onbeschaafd’ genoemd; hun motoriek is ‘stijf, houterig en grof’, evenals hun spraak.

De boer wordt geportretteerd als een soort nobele wilde; hij ‘poseert niet, hij maakt de indruk van open en eerlijk te zijn, al weet hij wat hij zwijgen en zeggen moet’. ‘Daardoor is de boer,’ zo bericht het

[p. 139]

rapport, ‘bij al wat hij doet met zijn hele wezen betrokken. Bij feesten heeft hij de neiging om als hij eet of drinkt dit overmatig te doen. Als hij kaart doet hij dat zo dat hij daarbij alles vergeet.’ Hij is ‘niet gecompliceerd en conflictueus. Zijn psyche is even hecht gestructureerd als zijn verbondenheid met de bodem.’

Toch is er in Meerlo al een kleine groep arbeiders aanwezig en bij hen begint de doorbreking van de dorpse tradities. De arbeidersmeisjes komen wel eens, zij het met hun verloofdes, in het café en zij gaan ‘iets kleuriger en moderner gekleed’. Ook bij de arbeidersjongens ziet men ‘gekleurde broeken en jasjes’. Deze jongeren krijgen veel vroeger verkering dan in het boerse milieu gebruikelijk is en zoeken naar ander vertier: ‘De jongens, die meer tijd hebben dan de boeren gaan dan ook gemakkelijk naar de film en gaan meer de “handel” op, dat is op zoek naar contact met meisjes.’62 Er begint zich kortom een breuk af te tekenen in de ooit zo hechte dorpsgemeenschap.

De schadelijke invloeden van industrialisatie en verstedelijking worden, samengevat, in het bijzonder gesignaleerd in het ontstaan van een materialistische levenshouding, de wijze van vrijetijdsbesteding en een veranderende houding ten aanzien van seksualiteit. Wat die gevreesde materialistische levenshouding aangaat: in zijn eerder (1950) verschenen onderzoek Hoe leeft en denkt onze jeugd? had C.D. Saal al gewezen op de gevaren van (te vroege) economische zelfstandigheid van jongeren. Het beschikken over een eigen inkomen door jongeren zou ten koste gaan van de gezinsband. Vooral in het arbeidersgezin waar de traditie voorschrijft dat zowel vader als verdienende kinderen ‘alles afgeven’, zou het geven van kostgeld of huishoudgeld ‘de positie der moeder’ ondermijnen, met alle rampzalige gevolgen van dien.63 Ook in de rapporten van het Mgr. Hoogveld Instituut en van Langeveld werd deze angst voor een te vroege materiële zelfstandigheid van de werkende jeugd verwoord; deze zou onder de jeugd materialisme en egocentriciteit veroorzaken en aldus de desintegratie van het gezin tot gevolg hebben.64

Volgens deze jeugdonderzoekers hadden jongeren dus te veel geld tot hun beschikking (we zagen eerder dat zeker voor de eerste helft van de jaren vijftig dit beeld weinig correspondeert met de feitelijke hoogte van de jeugdlonen) en dat had volgens hen ook funeste gevolgen voor hun wijze van vrijetijdsbesteding. Langeveld constateerde een verschil in levensstijl waardoor de jongere generatie zich kon onderscheiden van de oudere: op zondag wel of niet naar de kerk maar

[p. 140]

zeker naar het voetballen, op zaterdagavond niet thuis maar in café, dancing of bioscoop. Dankzij fiets en autobus - we leven nog net in het pre-brommertijdperk - kan de jeugd zich verplaatsen en zich aldus ongecontroleerd amuseren. ‘Het verlaten van het meest direkte eigen milieu en “lol maken” is in vele gevallen identiek. Aldus ontstaat een veel meer op zichzelf staande generatie van jeugdigen dan vroeger het dorp of de traditievaste groep gekend hebben’, zo meende Langeveld.65

Maar terwijl deze pedagoog zich in sterk neerbuigende termen uitliet over ‘de onverzadigbare gulzigheid’ en ‘prikkelverslaving’ van het volksleven en deze als welhaast aangeboren afwijkingen beschouwde, zochten de onderzoekers van het Mgr. Hoogveld Instituut een direct verband tussen de gewijzigde patronen van vrijetijdsbesteding en het karakter van de industriële arbeid. Het fabriekswerk creëert een leegte, een soort ‘geestelijke drainage’66 en doet het accent van het leven verplaatsen van het werk naar de vrije tijd. Ter adstructie gaven de rapporteurs het voorbeeld van fabrieksmeisjes, die als voordeel van hun werk noemden dat ze altijd op tijd klaar waren, Ongeschoolde fabrieksmeisjes wezen om dezelfde reden het beroep van dienstmeisje af; die waren volgens hen namelijk nooit op tijd klaar. Zeker bij de ongeschoolde fabrieksarbeid, waar de machine het tempo bepaalt en monotone herhaling leidt tot afstomping, was volgens de rapporteurs sprake van ‘een gevangen gehouden worden door het werk’.67 Deze gevangenschap in de arbeid leidde tot een bevrediging van ‘vitaal-affectieve’ behoeften in de vrijetijdsbesteding.

Typerend voor de nogal seksistische pedagogische opvattingen uit deze tijd is het onderscheid in ‘vitaal-expansieve’ behoeften van jongens en ‘vitaal-sentimentele’ verlangens van meisjes. In de sfeer van de vrijetijdsbesteding zagen de onderzoekers dit onderscheid tot uitdrukking komen in de verschillende muzikale en filmische voorkeuren. Zo hielden jongens vooral van cowboy-, detective- en komische films- ‘de expansieve beleving’ - , terwijl de meisjes liefdesfilms, show-films en droevige films prefereerden, kortom het genre dat ‘een zeker gevoelsmatig mee- of inleven’ vraagt.68

Uiteraard werd de opvoedkundige invloed van de ‘vermaaksfilm’ niet erg hoog geschat. De identificatiedrang leidde tot ‘slaafse navolging’, waardoor kinderen gemakkelijk beïnvloedbaar werden voor ‘types die hen op hun eigen driftimpulsen weten aan te spreken en te misbruiken’.69 Jammer genoeg kwamen in de rapportenvan. Langeveld

[p. 141]

en het Mgr. Hoogveld Instituut de jongeren zelf niet aan het woord, maar enkele jaren later zouden Krantz en Vercruijsse hun proefpersonen wél laten spreken over het belang dat zij aan bepaalde, met name Amerikaanse films hechtten. Vooral de films met James Dean in de hoofdrol waren populair, omdat jongeren zich sterk identificeerden met deze onbegrepen en jong gestorven rebel. Een jongen vertelde: ‘De meeste films interesseren me niet zo, omdat je er bijna nooit mensen in vindt, met wie je mee kunt leven. Echt helemaal meeleven. Je zou in zo'n mens jezelf terug moeten vinden, zoals in de rollen van James Dean. Ik heb al zijn films gezien; ze gaan altijd over ons soort jongens, over deze jeugd.’70

Krantz en Vercruijsse stelden vast dat vele meisjes foto's van James Dean bij zich droegen en deze tijdens de dansbijeenkomsten uitwisselden. Voor de jongens representeerden idolen als Elvis Presley (ex-vrachtwagenchauffeur) en Bill Haley (vanaf zijn dertiende een kleine schnabbelaar in het country and western-circuit) wensdroomcarrières. Zo vertrouwde de al eerder genoemde timmermansknecht N. aan Vercruijsse toe: ‘Van dat getimmer heb ik zo zoetjes aan nou wel genoeg, dat begint me aardig de keel uit te hangen. Met me gezicht-daar kan ik van alles mee, alleen met me gezicht kan ik de mensen al wel een avond bezighouden - zou ik best naam kunnen maken. Ik zou bijvoorbeeld Elvis Presley na kunnen doen. Ik heb me gitaar thuis (heeft iemand die ooit gezien? V.) en als ik nou maar een stelletje jongens zou kunnen vinden, die me zouden willen begeleiden, een goeie ritme-sectie, zou ik best alle gebaren en alle gekreun van Elvis in kunnen studeren. Ook zou ik graag 'n stuk over de jeugd [...] willen spelen. Alleen achter een tafeltje en dan met een sigaretje in de hand. Nou, dan zou ik mezelf spelen en ik zou ze eens goed vertellen, hoe het met de jeugd staat, waar ze altijd over schrijven. U moet goed begrijpen, dat we deze jaren, die voor ons zo moeilijk zijn, nooit zullen vergeten.’71

Niet alleen in de film maar ook in de muziekvoorkeur meenden de onderzoekers van het Mgr. Hoogveld Instituut zowel een sekse- als een milieuspecifiek patroon te kunnen ontwaren. Ongeschoolde jonge arbeiders hielden in ieder geval niet van klassieke en semi-klassieke muziek: ‘Niet van die zware muziek als van Beethoven of Bach, daar trekken we ons niets van aan’, zo tekent Langeveld uit de mond van een van zijn respondenten op72; bij middelbare scholieren was de waardering voor het klassieke genre verreweg het grootst, maar in deze

[p. 142]

groep scoorden de meisjes het hoogst. De helft van het aantal ondervraagde mannelijke middelbare scholieren gaf de voorkeur aan jazz (waartoe de onderzoekers gemakshalve ook liedjeszanger-gitarist Eddy Christiani rekenden) en de rapporteurs verklaarden de ‘relatief grote openheid voor deze uitheemse muziek’ uit ‘een zeker intellectualisme’ onder de scholieren. ‘Een te grote gevoelsverdringing zou bij hen als het ware in een hoge jazz-waardering kunnen exploderen. We zouden van een vitaal-expansieve reactie kunnen spreken’, aldus het rapport.73 Jongens hielden overigens over de hele lijn - dus door alle sociale lagen heen - meer van jazz dan meisjes.

Onder ongeschoolde en geschoolde werkende jeugd scoorde de jazz lager; zowel jongens, maar vooral meisjes toonden zich liefhebbers van de sentimenteel geladen Hawaiian74- en accordeonmuziek.

Vooral de ‘uitheemse’ jazzmuziek werd door de onderzoekers beschouwd als een bedreiging van de goede zeden. Adjectieven als ‘prikkelend’, ‘uitdagend’, ‘driftmatig’ en ‘vitaal-expansief’ verwezen naar een lichamelijke beleving van deze muzieksoort. Langeveld schreef dat de maatschappelijk verwilderde jeugd werd beheerst ‘door zijn driftmatige kanten en hun correlaat in de wereld’.75 Bedreigend voor de seksuele moraal waren vooral die situaties waar de controle over de jeugd ontbrak of in onvoldoende mate gegarandeerd was: de straat en de fabriek. De verwoestende invloed van het fabrieksleven op jonge arbeiders was al een oud, dat wil zeggen óók al voor de oorlog veel beschreven thema.76 De plotselinge overgang van de beschermde schoolsituatie naar het volwassen milieu van de fabriek waar ouderen met hun ‘geraffineerde’ toespelingen jongens en meisjes seksueel inwijdden, maakte dat ‘alleen de zeer sterke karakters’ zich, vaak op straffe van uitsluiting door de groep, aan deze ‘maalstroom’ konden onttrekken, aldus stelde Saal vast.77 Ook in de rapportages van Langeveld en het Mgr. Hoogveld Instituut werd dit negatieve bijverschijnsel van de industrialisatie veelvuldlg genoemd en juist in het licht van het naoorlogse industrialisatieoffensief als des te ernstiger beschouwd.

Ofschoon we eerder zagen dat de vrijetijdsbesteding, ook van jongeren, een sterk verhuiselijkt karakter droeg, gold het straatslenteren als een ernstig gevaar voor de deugdzaamheid van de jonge mens. Volgens de rapporteurs van het Mgr. Hoogveld Instituut waren als gevolg van het straatleven de voorwaarden voor een ‘sociaal-sexuele en erotische uitgroei’ zeer ongunstig.78 De kans hierop nam toe naarmate de huisvestingssituatie slechter was, dat wil dus zeggen vooral in de grote

[p. 143]

steden waar de woningnood het hevigst was. Ook bij Krantz en Vercruijsse vinden we het motief van een te kleine behuizing nog terug: ‘Dacht U, dat ik 's avonds graag thuis blijf zitten? Als ik de hele dag gewerkt heb, en dol ben van alle bissunes, die ik aan mijn hoofd heb, dan voel ik er niks voor om met m'n moeder en zes broertjes om de tafel te zitten. Je wilt je wel es bewegen, je kop loopt om en dan zal je daar in die volle kamer gaan zitten. En als dan m'n zuster nog komt met d'r vrijer, dan is het helemaal hommeles. Nee hoor, dan ga ik maar de straat op, daar is tenminste iets te beleven’, aldus een van de Leidse ‘nozems’.79 En een ander zou graag in de huiskamer naar zijn geliefde jazzmuziek luisteren, maar ‘mijn vader wil dat lawaai niet in zijn huiskamer hebben. Maar als ik dan naar boven wil, mag ik de radio niet meenemen. In de winter is het er trouwens veel te koud, en veel ruimte is er niet, want ik slaap samen met mijn broer.’80 Café, cafetaria, ijssalon, bioscoop of ‘de straat’ moesten in dergelijke gevallen uitkomst bieden.

Daar werden dus de eerste seksuele verkenningen uitgevoerd en ook hiervan vinden we beschrijvingen bij Langeveld en in het rapport van het Mgr. Hoogveld Instituut. In het laatstgenoemd onderzoek wordt gesproken van het ‘flaneren’, door de proefpersonen zelf ook wel ‘banen’ genoemd, of ‘van het ene stoplicht naar het andere’, die en die straat ‘doen’, of ‘blokje lopen of het vierkantje’: ‘men loopt bepaalde straten dikwijls op bepaalde dagen op en neer, voor het bioscoopplein. De jongens fluiten op de meisjes of zitten achter hen aan. De meisjes is het te doen om de jongens te lokken, hen voor de gek te houden (in Eindhoven “butsen” genoemd) en afspraken te maken. [...] Lukraak wordt iedereen aangesproken of mee uitgenodigd, wanneer de betreffende persoon op het eerst gezicht bevalt. [...] ...zij prefereren telkens anderen. De meisjes kleden zich daarom op hun best aan, maken zich mooi en urenlang kunnen ze met een vriendin, zolang er nog geen jongen is komen opdagen, op en neer wandelen.’81

Het is vooral deze al of niet vermeende promiscuïteit die de onderzoekers zorgen baart: het uitgaan verschaft ‘geen andere openbaringen dan die van het sexuele’ en de erotische ontwikkeling kenmerkt zich door ‘weinig zinrijkheid’. Meisjes gaan vaak uit met jongens vanuit een ‘profiteermentaliteit’, dat wil zeggen om in café, dancing of bioscoop vrijgehouden te worden door de jongens. Van een geestelijke voorbereiding op het huwelijk is absoluut geen sprake. Volgens het rapport ervaren de jongeren het huwelijk, ja zelfs de vaste verkering,

[p. 144]

als een zoveel mogelijk te vermijden situatie: ‘Het huwelijk is een instituut, waar men niets dan zorgen heeft en waarin het hoogste geluk is, dat men elkaar tenminste verdragen kan.’82

Maar niet alleen de arbeidersjeugd stond aan seksuele verleidingen bloot. Al eerder had Saal gewezen op de problemen voor de studerende jeugd, die hoewel allang biologisch gerijpt, het huwelijk door langdurige studie te lang moest uitstellen. De jarenlange verlovingen leidden tot spanningen, ‘die ten slotte hun uitweg vinden in geslachtsverkeer vóór het huwelijk’. Ook de woningnood, in de jaren vijftig volksvijand nummer één, noopte vaak tot een onverantwoord lang uitstellen van het huwelijk. Was niet de woning ‘de ruimte der liefde’ en kon de de liefde ‘in geurende bossen ontbloeid’ niet slechts tussen muren ‘tot haar rijkste ontplooiing’ komen?83

 

Al deze zorgelijke en vaak cultuurpessimistische beschouwingen waren doordrenkt van de morele paniek die kenmerkend is voor de late jaren veertig en het begin van de jaren vijftig. Gedeeltelijk kan men hierin een voortzetting zien van de interbellaire cultuurkritiek, waarin de angst voor ‘de massamens’ en zijn zedelijk verval centraal stond; gedeeltelijk ook hadden de bezettingen de bevrijding dit cultuurpessimisme versterkt. Men kan, ruim veertig later, glimlachen om de toon van de boven geciteerde rapporten en ze afdoen als de hersenspinsels van enkele overspannen zedenprekers die terugverlangden naar het oude verzuilde jeugdbestel. Maar dat neemt niet weg dat, los van de morele appreciaties, hun analyse van het jeugdgedrag grotendeels correspondeerde met de structurele veranderingen van de Nederlandse samenleving die ik eerder schetste: voortgezette industrialisatie, verstedelijking, groei en diversificatie van het amusementsaanbod in de vrijetijdsbesteding. De vraag waar het om gaat is of deze jeugd écht anders was, of dat het in feite allemaal door volwassenen geconstrueerde problemen waren. Tot dat laatste standpunt tendeerden, zoals we boven zagen, de Leidse sociologen Krantz en Vercruijsse, maar ook de in 1959 gepubliceerde jongerenenquête van J. Goudsblom, De nieuwe volwassenen.84

De nieuwe volwassenen: nuchter, redelijk en reëel

In 1959 publiceerde de jonge Amsterdamse socioloog J. Goudsblom de resultaten van een enquête, uitgevoerd in opdracht van het week-

[p. 145]

blad Vrij Nederland. Bijna 2300 jongeren hadden per brief gereageerd op vragen betreffende seksualiteit, godsdienstbeleving, politiek, en de waarden en normen van hun eigen generatie. De respondenten vielen in de leeftijdscategorie achttien tot dertig jaar, waardoor het begrip ‘jongere’ dus nogal opgerekt werd (bij een flink aantal respondenten lag het geboortejaar immers tussen 1928 en 1935). In zijn conclusies lijkt Goudsblom zich indirect te richten tegen de bovengenoemde ‘asfaltjeugd’-onderzoeken en hij betrekt daarmee een soortgelijke positie als Krantz en Vercruijsse. Praktisch iedere generatiespanning verdwijnt uit het beeld dat Goudsblom construeert uit de stapels ingezonden brieven, al geeft hij toe dat zijn sample beperkt representatief is: jongeren uit de arbeidersklasse - onder wie ‘de cynici, wier levenswijsheid is gekristalliseerd rond de kernspreuk ieder voor zich en God voor ons allen’ - hebben het minst gereageerd. Maar dat neemt niet weg dat volgens Goudsblom de jongeren die wel van zich hebben laten horen, met drie adjectieven gekarakteriseerd kunnen worden: nuchter, redelijk en reëel. ‘De jongeren van vandaag nestelen zich in het heden’, aldus de onderzoeker. ‘Daarin kiezen zij zich een positie van waaruit ze de wereld beschouwen en beoordelen. Hun uitgangspunt ligt niet in een imaginaire toekomst, het hangt niet aan een utopische verwachting, maar is verankerd in hun werkelijkheid. [...] Stoute plannen, grootse visioenen hebben zij niet. Daarom zijn hun opinies zelden nieuw, zelden schokkend, zelden origineel. Het meeste wat ze te zeggen hebben, is door ouderen al eens gezegd. Maar de wijze waarop ze het zeggen heeft misschien toch iets eigens: wat meer scepsis, wat meer verdraagzaamheid, wat meer melancholie, wat meer berusting.’85 En: ‘Ze zijn jong in jaren, ze bezitten idealen, maar ze dragen onmiskenbaar de tekenen der volwassenheid: ze aanvaarden de maatschappij, en de maatschappij aanvaardt hen.’86

Maar dit is een wel heel erg conciliant beeld van de jongeren! Er zijn dan ook verschillende bezwaren tegen in te brengen. Het eerste betreft natuurlijk de leeftijdsopbouw van de respondentengroep; zou het beeld dat de auteur ons schildert niet vooral op de groep oudere twintigers van toepassing zijn? De jongsten zijn in 1940 geboren en de tieners van de jaren vijftig komen dus grotendeels niet aan het woord. Maar ook de enquête-uitslagen zelf doen enige twijfel rijzen omtrent de juistheid van de getrokken conclusies. Zo geeft 83 procent van de inzenders een bevestigend antwoord op de vraag of men de eigen generatie als anders beschouwt dan die van hun ouders. Ook op het ter-

[p. 146]

rein van huwelijk, seksualiteit en sekseverhoudingen zijn opmerkelijk vooruitstrevende scores te noteren: 74 procent van de ondervraagden acht echtscheiding toelaatbaar, een gelijk percentage is van mening dat een gehuwde vrouw een beroep mag uitoefenen en maar liefst 81 procent heeft geen bezwaren wanneer een ongehuwd paar samen op vakantie gaat.87

Deze 2300 ‘jongeren’ mogen dan misschien ‘nuchter, redelijk en reëel’ zijn, hun opvattingen lijken toch op belangrijke punten af te wijken van die van hun ouders. Maar laten we even aannemen dat Goudsbloms karakteristiek juist is, en stel dat anno 1959 deze 2300 respondenten inderdaad een goede dwarsdoorsnede van jong Nederland vormen; stel dat de intergenerationele spanning inderdaad zo laag is, waar komen dan de jaren zestig met al hun turbulentie en dynamiek vandaan? Toch niet uit de rijen van deze ‘anonieme rekruten van het leger der loontrekkers’, die zo ‘solide in hun levenswandel en solide in hun opinies’ zijn? Misschien dan uit een kleine voorhoede, die in Goudsbloms enquête schittert door afwezigheid? Wellicht dan uit de kringen van de zogenaamde ‘nozems’, die ook verantwoordelijk werden gesteld voor de wanordelijkheden rond de vertoning van de film ‘Rock around the Clock’? Wie waren die nozems eigenlijk? Waren zij soms de vertegenwoordigers van de sceptische generatie, waarover jeugdonderzoekers in navolging van de Duitse socioloog Schelsky steeds meer begonnen te praten?88

28Zie M. Du Bois-Reymond en M. van Elteren, ‘Tweemaal tussen twee werelden’, in: Tillekens, Nuchterheid en nozems, 222-249.
29Geciteerd bij H. de Liagre Böhl, J. Nekkers en L. Slot (red.), Nederland industrialiseert! Politieke en ideologiese strijd random het naoorlogse industrialisatiebeleid 1945-1955 (Nijmegen 1981), 274.
30In 1955 volgden 57.600 werkende jongens avondnijverheidsonderwijs, 34.200 werkten in een leerlingenstelsel, 12.500 volgden een of andere cursus en 2400 zaten op bedrijfsscholen. Ontleend aan J. Peet, Het uur van de arbeidersjeugd. De emancipatie van de werkende jongeren in Nederland (Baarn 1987), 108.
31Geciteerd bij De Liagre Böhl e.a., Nederland industrialiseert!, 300-301.
32M. van Elteren, ‘“I'm free and I do what I want.” Het dubbelzinnige beeld van Amerika’, in: Tillekens, Nuchterheid en nozems, 169; M. van den Heuvel, Van patronaat tot soos. Een studie naar de reproduktie van jeugdcultuur in een katholieke industriestad (Tilburg 1993), 42-43.
33Zie bijvoorbeeld: M.G. Ido, Plezier in het werk. Een statistisch vergelijkend onderzoek naar de mate van plezier in het werk bij het personeel van enige middelgrote, particuliere, industriële bedrijven in ons land (Leiden 1956).
34Peet, Het uur van de arbeidersjeugd, 109.
35Ibidem, 106.
36J. Diederich berekende in 1950 dat de werkende jeugd per week f 6,18 aan zakgeld uitgaf. Van ‘een roekeloos omspringen met het geld’ was hem uit zijn onderzoek niets gebleken (J. Diederich, Werkende jeugd en zakgeldbesteding, (Leiden 1951), 75).
37Ibidem, 35.
38Du Bois-Reymond en Van Elteren, ‘Tweemaal tussen twee werelden’, 236.
39Ibidem, 235.
40Krantz en Vercruijsse, De jeugd in het geding, 101. Ook volgens de latere onderzoeker W. Buikhuisen is geld geen probleem voor de nozems. Allen beschikken volgens hem over ‘ruime geldmiddelen’. ‘Lenen, poffen of laten opschrijven komt dan ook zelden of nooit voor.’ Hij schat dat deze jongens niet met minder dan twintig gulden per week kunnen rondkomen. We bevinden ons dan in het begin van de jaren zestig (W. Buikhuisen, Achtergronden van nozemgedrag (Assen 1965), 246).
41Het economisch belang van de jonge consument was overigens al door J. Diederich in 1951 vastgesteld. In zijn rapport over zakgeldbesteding becijferde hij dat de werkende jeugd jaarlijks 185 miljoen gulden aan zakgeld uitgaf, bijna 3 procent van de totale consumptieve bestedingen (Diederich, Werkende jeugd en zakgeldbesteding, 77).
42Du Bois-Reymond en Van Elteren, ‘Tweemaal tussen twee werelden’, 236.
43M. van den Heuvel en H. Mommaas, ‘Oorden van vrijheid en vermaak’, in: Tillekens, Nuchterheid en nozems, 159. Geschat wordt dat in 1962-1963 de hoeveelheid beschikbare vrije tijd voor jongeren tussen de twaalf en de zeventien jaar 24,5 uur bedroeg (Ibidem, t.a.p.).
44M. van den Heuvel, ‘Verschuivende contexten van vrije tijd en vermaak’, in: H. Vossen, M. Schwegman en P. Wester (red.), Vertrouwde patronen, nieuwe dromen. Nederland naar een modern-industriële samenleving 1948-1973 (IJsselstein 1992), 102.
45Van den Heuvel en Mommaas, ‘Oorden van vrijheid en vermaak’, 156.
46Van den Heuvel, Van patronaat tot soos, 58.
47Krantz en Vercruijsse, De jeugd in het geding, 131.
48Van den Heuvel en Mommaas, ‘Oorden van vrijheid en vermaak’, 160; Van den Heuvel, ‘Verschuivende contexten van vrije tijd en vermaak’, 101; Van den Heuvel, Van patronaat tot soos, 57; De Rooy, ‘Vetkuifje waarheen?’, 81.
49De Rooy, ‘Vetkuifje waarheen?’, 81.
50Van den Heuvel, Van patronaat tot soos, 57.
51Du Bois-Reymond en Van Elteren, ‘Tweemaal tussen twee werelden’, 249.
52In de reeds genoemde bundel van Meijers en Du Bois-Reymond over het massajeugdonderzoek komen verschillende auteurs tot een herwaardering van deze rapportages. Het meest uitgesproken gebeurt dat in de bijdragen van R. Abma (‘Jeugdonderzoek in de kinderschoenen. De sociaal-wetenschappelijke context van het massajeugdproject’) en K. Bakker (‘Waarachtige volwassenheid. Pedagogiek van de massajeugd’); zie: Meijers en Du Bois-Reymond, Op zoek naar een moderne pedagogische norm, resp. 88-105 en 106-116. Dat het verschijnsel zich niet tot Nederland beperkte blijkt onder andere uit: D. Peukert, ‘Die “Halbstarken”. Protestverhalten von Arbeiterjugendlichen zwischen Wilhelmischem Kaiserreich und Ära Adenauer’, in: Zeitschrift für Pädagogik, 30 (1984), 533-548.

53H.D. de Vries Reilingh, ‘De mentaliteit van de Nederlandse jeugd na de Tweede Wereldoorlog’, in: Sociologisch Jaarboek, 3 (Leiden 1949), 31-59.
54Ibidem, 43-44.
55Ibidem, 51.
56M.J. Langeveld, Maatschappelijke verwildering der jeugd. Rapport betreffende het onderzoek naar de geestesgesteldheid van de massajeugd in opdracht van de minister van onderwijs, kunsten en wetenschappen samengesteld ('s-Gravenhage 1952), 14.
57Zes instituten besloten hun onderzoeksresultaten te bundelen in een rapportage onder de eindredactie van M.J. Langeveld; het katholieke Mgr. Hoogveld Instituut publiceerde zijn rapport zelfstandig. Kwalitatief wordt de rapportage van het Hoogveld Instituut over het algemeen als de best gedocumenteerde en meest genuanceerde beschouwd (zie: F. Meijers en M. Du Bois-Reymond, ‘Het massajeugdonderzoek - inleiding’, in: Meijers en Du Bois-Reymond, Op zoek naar een moderne pedagogische norm, 20-40).
58Langeveld, Maatschappelijke verwildering der jeugd, 17-18.
59Ibidem, 21. Een collage van dit soort typeringen - die overigens al in het midden van de jaren twintig beginnen - in de sfeer van ‘de meerderheidsjongen’, de ‘burger-massajongen’ en de ‘proletariër-massajongen’ treft men aan bij J.W. Ooms, ‘Geschiedenis en organisatie van het clubhuiswerk’, in: H. Nieuwenhuis, J. Haveman en J.W. Ooms, Opvoeding tot deelneming aan de cultuur (Utrecht 1957), 61-114. De vroegste beschrijving van de meerderheidsjongen is van de hand van W.E. van Wijk en dateert uit het midden van de jaren twintig: ‘Hij is lang van stuk maar slappedanig. Zijn knieën staan een beetje naar elkaar toe en zijn rug is gebogen of hij voor het lijntje liep. [...] Zijn armen flodderen als lege mouwen langs zijn lijf en zijn handen zijn paars en nat en verwaarloosd; ofschoon hij zijn nagels heeft afgeknauwd of -gepulkt, draagt hij aan een der vingers, voor hij twintig jaar is, een zegelring van holgoud, maar zonder naamcijfer; veelal heeft hij littekens en misvormingen aan vingers en nagels. Hij heeft een harde stem en een veronachtzaamd gebit... Hij loopt slungelachtig op scheef getrapte schoenen. Hij voedt zich met aardappelen en een onmatige hoeveelheid brood en hij heeft steeds een of andere lichamelijke behoefte: hij moet olienoten eten of caramels snoepen of wateren of roken of wat ook. Hij draagt verschillende lagen van ondergoed en des Zondags een stijf grijs pak waarin hij zich gedwongen beweegt’ (68-69). En in deze trant gaat de auteur nog enkele pagina's voort.
60Meijers en Du Bois-Reymond, ‘Het massajeugdonderzoek-inleiding’, 26, 28.
61Moderne jeugd op haar weg naar volwassenheid. Onderzoek in opdracht van de Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen ('s-Gravenhage 1953), 90.
62Citaten: ibidem, 90-92.
63C.D. Saal, Hoe leeft en denkt onze jeugd. Resultaten van een in 1946-1947 gehouden enquête ('s-Gravenhage 1950), 133, 136, 137. Saal stelde vast dat de jeugdige mannelijke geënquêteerden uit middenstandskringen financieel onafhankelijker waren dan geschoolde en ongeschoolde arbeidcrs en dat bovendien een hoger percentage vrouwelijke dan mannelijke jeugd in alle beroepsgroepen het hele loon mocht houden. Financiële zelfstandigheid van meisjes werd door ouders kennelijk belangrijker geacht-om te sparen voor her huwelijk en als voorbereiding op het moederschap waarschijnlijk-dan voor jongens (141). Saal concludeert dan ook: ‘Bovendien heeft de vrouw, waar het de inrichting van de woning en de uitzet betreft, een aantal specifieke levensbehoeften, die buiten de gezichtskring van de man liggen. Ook wanneer zij niet trouwt, zal toch het verlangen om aan haar kamer door eigen inboedel een persoonlijk cachet te verlenen, hetzij vroeger of later de overhand krijgen. Dat hiermede reeds rekening wordt gehouden zolang zij nog thuis is, en dat haar op een bepaalde leeftijd de kans wordt geboden om te sparen, is het gevolg van een stuk levenservaring, waarvan de moeder de diepere betekenis doorziet’ (137).
64Moderne jeugd op haar weg naar volwassenheid, 212; Maatschappelijke verwildering der jeugd, 26.
65Maatschappelijke verwildering der jeugd, 30.
66Moderne jeugd op haar weg naar volwassenheid, 373.
67Ibidem, 102.
68Ibidem, 302.
69Maatschappelijke verwildering der jeugd, 57.
70Krantz en Vercruijsse, De jeugd in het geding, 108.
71Ibidem, 129.
72Langeveld, Maatschappelijke verwildering der jeugd, 57.
73Moderne jeugd op haar weg naar volwassenheid, 313.
74Dit genre was in Nederland tot grote populariteit gebracht door het ensemble The Kilima Hawaiians. Het Rorterdamse echtpaar Bill en Mary Buisman was reeds in 1933 nummers in Hawaiian- en country and western-stijl op gaan nemen. Direct na de oorlog en in het begin van de jaren vijfrig waren de Kilima's op het hoogtepunt van hun populariteit (in 1953 verkocht Philips hun miljoenste plaat en van een Duitse versie van hun grote hit ‘Er hangt een paardenhoofdstel aan de muur’ werden in 1953 in Duitsland 350.000 exemplaren verkocht).
75Langeveld, Maatschappelijke verwildering der jeugd, 55.
76Zie hierover P. Selten, Het apostolaat der jeugd. Katholieke jeugdbewegingen in Nederland 1900-1941 (Amersfoort/Leuven 1991). In de bundel van Meijers en Du Bois-Reymond wijst dezelfde auteur op de continuïteit tussen het naoorlogse massajeugdonderzoek en de vooroorlogse zorg over de jeugd (P. Selten, ‘Massajeugd: een nieuw fenomeen? Pedagogische zorg voor de jeugd vóór 1940’, 132-142).
77Saal, Hoe leeft en denkt onze jeugd, 50.
78Moderne jeugd op haar weg naar volwassenheid, 133.
79Krantz en Vercruijsse, De jeugd in het geding, 120-121.
80Ibidem, 122.
81Moderne jeugd op haar weg naar volwassenheid, 137.
82Ibidem, 229.
83Saal, Hoe leeft en denkt onze jeugd, 51. De onderzoeker citeert hier overigens dominee Ruitenberg.
84J. Goudsblom, De nieuwe volwassenen. Een euquête onder jongeren van 18 tot 30 jaar (Amsterdam 1959).

85Ibidem, 158-159.
86Ibidem, 157.
87Ibidem, 171 e.v. Volgens de auteur dienen de antwoorden op de enigszins verhullende vraag over het ongehuwd samen op vakantie gaan met enig voorbehoud gehanteerd te worden, maar hij heeft niettemin de indruk dat de vraag over het algemeen door de respondenten op dezelfde manier is opgevat (40).
88H. Schelsky, Die skeptische Generation. Eine Soziologie der deutschen Jugend (Düsseldorf/Köln 1957). Ook bij Goudsblom is de invloed van dit gezaghebbende boek merkbaar. De overeenkomst tussen Goudsbloms generatietypering en die van Schelsky is opvallend. Zo schrijft Schelsky over zijn sceptische generatie: ‘Diese Generation ist in ihrem sozialen Bewußtsein und Selbstbewußtsein kritischer, skeptischer, mißtrauischer, glaubens- oder wenigstens illusionsloser als alle Jugendgenerationen vorher, sie ist tolerant, wenn man die Voraussetzung und Hinnahme eigener und fremder Schwächen als Toleranz bezeichnen will, sie ist ohne Pathos, Programme und Parolen. Diese geistige Ernüchterung macht frei zu einer für die Jugend ungewöhnlichen Lebenstüchtigkeit. Die Generation ist im privaten und sozialen Verhalten angepaßter, wirklichkeitsnäher, zugriffsbereiter und erfolgssicherer als je eine Jugend vorher’ (488).
prepostterug  begin  verder