Geschiedenis van het katholicisme in Noord-Nederland in de 16e en de 17e eeuw


auteur: L.J. Rogier


bron: L.J. Rogier, Geschiedenis van het katholicisme in Noord-Nederland in de 16e en de 17e eeuw (3 delen). Urbi et orbi, Amsterdam 1947 (tweede druk)  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 347]

V. Het begin van de katholieke reformatie in de Mechelse kerkprovincie+

1. Mechelen

IN DE MECHELSE, KERKPROVINCIE WAS DE VESTIging van de nieuwe bisdommen evenmin vlot verlopen als in de Utrechtse. Terwijl hier van de zes bisdommen het aartsbisdom en de bisdommen Haarlem en Middelburg kort na het verschijnen van de oprichtingsbullen geconstitueerd konden worden, maar de drie andere: Deventer, Groningen en Leeuwarden, eerst door Alva metterdaad tot stand gebracht werden, stuitte de constitutie van de zeven bij Mechelen ondergebrachte diocesen, n.l. Mechelen, Antwerpen, 's-Hertogenbosch, Gent, Brugge, Yperen en Roermond, op nog groter moeilijkheden. Alleen Brugge en Yperen kwamen spoedig tot stand, terwijl de vertraging van de constitutie van Gent minder het gevolg schijnt van intern verzet dan van moeilijkheden met de bezetting van de zetel, maar met Mechelen, Antwerpen, Den Bosch en Roermond verliep het minder vlot. Wel namen de aartsbisschop van Mechelen en de bisschop van Den Bosch vrij spoedig bezit van hun zetel, maar voorlopig strekte hun jurisdictie zich niet verder uit dan tot de zetelstad en de onmiddellijke, binnen de civiele stedelijke jurisdictie vallende omtrek1..

De oorzaak daarvan was ten minste tweeledig: ten eerste verwierpen de Staten van Brabant en die van Gelder de wettigheid van de nieuwe instelling, die zij terecht een inbreuk op de gewestelijke privilegiën noemden, de eersten met een beroep op de Blijde Inkomste, de anderen met een verwijzing naar het tractaat van Venlo van 1543, en ten tweede weigerden de kerkelijke dignitarissen van Luik en Kamerijk hun jurisdictie over het gebied in kwestie prijs te geven. De landvoogdes was er niet in geslaagd, deze

[p. 348]

oppositie te breken, te minder daar zij, in dezen vaak geleid door de Raad van State, waarin het verzet der recalcitrante staten krachtige steun vond, zich nu met deze, dan met gene protesterende corporatie min of meer solidair had verklaard, in de haar typerende zucht tussen de klippen door te zeilen. Zelfs had de stad Antwerpen zulk een indruk weten te maken met de te berde gebrachte bezwaren, dat de oprichting van het bisdom geheel op losse schroeven kwam te staan, ja in beginsel, dank zij de stille steun van Granvelle en Sonnius, geannuleerd werd2..

Ongetwijfeld zou Granvelle, indien hij niet in Maart 1564 naar Spanje had moeten vertrekken, wel spoedig kans gezien hebben, heel het aartsdiocees onder zijn gezag te brengen; dit lukte thans zijn vicaris-generaal niet. Het is bijna vermakelijk te lezen, hoe de eens almachtige kardinaal van Spanje uit de landvoogdes bij herhaling bezweert hem toch in het bezit te stellen van het gezag, dat hem krachtens de oprichtingsbulle toekomt3.. Alleen Sonnius, de Bossche bisschop, zag kans Margaretha van Parma tot positief optreden te zijnen behoeve te bewegen. Hij verwierf 17 September 1565 volmacht om de grenzen van zijn bisdom af te kondigen, onder oplegging van de last aan de gewestelijke en locale autoriteiten hem als bisschop te erkennen. Dit ontketende heftig verzet, waarvoor Sonnius niet terugdeinsde: 22 September 1565 had de plechtige afkondiging te Den Bosch plaats. De bisschop van Luik publiceerde daarop een verklaring, dat hij al zijn rechten op het gebied handhaafde, en de Staten van Brabant boden de landvoogdes een verzoekschrift aan, waarin zij opschorting van de constitutie van het nieuwe bisdom verlangden en adviseerden heel het gewest Brabant te verenigen in één bisdom Leuven. De landvoogdes, door deze oppositie weer geïntimideerd, weigerde daarop aan kardinaal Granvelle de door hem verlangde overeenkomstige steun voor Mechelen.

Aldus bleef de situatie tot aan de komst van Alva. Deze liet in September 1568 eindelijk de vicaris-generaal van Granvelle officieel bezit nemen van het hele bisdom; 11 Mei 1569 volgde de inhuldiging van Lindanus te Roermond. Inmiddels had Pius V 11 Juli 1569 de oprichting van het bisdom Antwerpen opnieuw bevolen, geheel overeenkomstig de inzichten van Philips II en Alva. De 27ste April 1570 kon Sonnius, die naar Antwerpen verplaatst

[p. 349]

werd, ten slotte deze zetel in bezit nemen. Eerst hiermede was de kerkprovincie Mechelen geheel geconstitueerd.

Nu kon worden overgegaan tot het bijeenroepen van het eerste provinciaal concilie, welks voornaamste taak zou zijn de decreten van het concilie van Trente aan te nemen en aan de provincie op te leggen. De meeste bisschoppen, tenminste die van Yperen, Brugge, Den Bosch en Roermond, hadden met dit belangrijke werk niet gewacht en de decreten reeds voor hun diocees afgekondigd. Wij kunnen zelfs zeggen, dat de afkondiging in heel ons tegenwoordig koninkrijk al geschied was vóór het eerste provinciaal concilie van Mechelen. In westelijk Zeeuws-Vlaanderen was zij gedaan door de bisschop van Brugge, in oostelijk Zeeuws-Vlaanderen door de Utrechtse aartsdiaken van de dom, die zich nog altijd voor heel zijn oud gebied daartoe bevoegd achtte, in westelijk Noord-Brabant vanwege de bisschop van Luik, die evenmin zijn jurisdictie had prijsgegeven.

Het was mogelijk geweest, het eerste provinciaal concilie te houden, voordat alle bisdommen geconstitueerd waren: wat in de Utrechtse kerkprovincie geschied was, bewijst dit. Maar het initiatief daartoe lag bij Granvelle, die in Spanje zat en zijn redenen had om de ongelimiteerde afkondiging van het Trentse concilie, hoezeer ook door hem gewenst, niet al te nadrukkelijk te doen geschieden: zijn voortdurende absentie was met die voorschriften in flagrante strijd. De grote stuwkracht van de katholieke reformatie in de Mechelse kerkprovincie was de scherpzinnige en doortastende bisschop van Yperen, Maarten Rijthoven. Deze had al in 1564, daarbij gesecundeerd door de hoogbejaarde bisschop van Brugge, Petrus Curtius, op het bijeenroepen van het concilie aangedrongen, maar de onvoltooidheid van het nieuwe instituut had de kardinaal een voorwendsel in de hand gegeven om de bijeenroeping uit te stellen. Thans echter verviel dit motief, zodat hij van Spanje uit zijn vicaris-generaal Morillon gelastte de voorbereidingen tot zulk een concilie te treffen. Hij zond aan Morillon allerlei gegevens, die hem tot leidraad konden strekken, o.a. de decreten van het door Carolus Borromaeus te Milaan gehouden concilie. In overleg met enige vooraanstaande geestelijken uit het aartsbisdom droeg Morillon vervolgens het ontwerpen van een program voor het Mechelse concilie aan Sonnius op. De hertog van Alva

[p. 350]

zegde zijn steun toe, maar gevoelde zich, na kennis genomen te hebben van het program der besprekingen, verplicht een afgevaardigde naar het concilie te zenden, ten einde aan de discussies deel te nemen en aldus te voorkomen, dat de rechten van de koning en de civiele autoriteiten in enig opzicht verkort werden. Met name schijnt hij bezorgd geweest te zijn voor de bevoegdheden van de wereldlijke gerechtshoven ten aanzien van de clerus. Hij wees als zijn afgevaardigde de president van de grote raad van Mechelen, Jan van Glymes, aan. Geluldkkig was de leiding van het concilie in zeer vaste en bekwame handen. Bij afwezigheid van Granvelle trad de oudste bisschop der provincie, Maarten Rijthoven, als president op. Deze weigerde Jan van Glymes de toegang tot de vergaderingen. Alva berustte, merkwaardig genoeg, daarin, nadat hem verzekerd was, dat aan 's konings rechten in geen enkel opzicht zou geraakt worden.

Het concilie van Mechelen duurde van 23 Juni tot 15 Juli 1570. Een van de eerste en voornaamste vertogen was dat van Lindanus, die een demonstratie gaf van de noodzakelijkheid de clerus te hervormen, een onderwerp, waarmee deze bisschop door zijn ervaringen bijzonder vertrouwd was. De decreten4. bevatten de essentiële punten van de door Trente voorgeschreven hervormingsmaatregelen, gelijk deze bij de behandeling van de onderscheiden Utrechtse diocesen genoemd zijn. Het effect van dit eerste Mechelse concilie was gering. Dit is een gevolg van de ongunst der tijden: de na 1570 nog steeds toenemende troebelen van de opstand maakten in tal van bisdommen, met name ook die, welke thans tot ons koninkrijk behoren, het geregeld bestuur onmogelijk. Ook vonden recalcitrante kapittels en kloosters, alsmede tal van civiele autoriteiten nog herhaaldelijk gelegenheid zich de hun door het provinciale concilie ontzegde rechten aan te matigen, daarbij geruggegesteund door het minst respectabele deel van de clerus, ongeneeslijk verknocht met de misbruiken van de oude bedeling. Daarbij maakten zij nog aldoor gretig gebruik van het feit, dat het koninklijk decreet van 30 Juli 1564 de afkondiging van de Trentse besluiten hier te lande voorschreef met reserve ten opzichte van ‘die, welke inbreuk maakten op de rechten van de koning en zijn onderdanen’. Ondanks de krachtige vertogen van Rijthoven had Alva deze restrictie niet willen intrekken.

[p. 351]

Van 8 tot 20 Mei 1574 werd, wederom onder het presidium van Rijthoven, een tweede provinciaal concilie voor de Mechelse kerkprovincie gehouden en wel te Leuven, wijl Mechelen door de in de oorlog geleden schade niet tot ontvangen in staat was. In zijn openingsrede noemde Rijthoven onder de oorzaken, die het verhoopte nuttig effect van het eerste concilie verijdeld hadden, onverbloemd de noodlottige restrictie van 1564. Behalve dat het alle door het eerste concilie genomen besluiten opnieuw vaststelde5., besloot dit tweede ook zich tot de landvoogd Requesens te wenden met het dringend verzoek, de civiele autoriteiten in het vervolg hun gestadige inbreuken op de Trentse voorschriften in zake de jurisdictie te beletten. Ook dit tweede concilie heeft weinig resultaat kunnen hebben. Wel scheen een betere tijd aan te breken en konden de meeste bisschoppen in de onmiddellijk volgende jaren het heilzame werk aanvangen of voortzetten, maar in 1577 begon in geheel Vlaanderen en bijna geheel Brabant de ellende opnieuw. Een guerilla van calvinistische minderheden schiep een toestand van bittere burgeroorlog en felle geloofsvervolging. Tot 1585, toen Alexander Farnese de onderwerping der Zuidelijke Nederlanden voltooide, was vrijwel in heel de kerkprovincie Mechelen de uitoefening van het katholicisme en alle kerkelijk leven onmogelijk.

Eerst na het derde provinciaal concilie, van 26 Juni tot 20 Juli 1607 te Mechelen gehouden, bijeengeroepen en gepresideerd door de derde aartsbisschop van Mechelen, Matthias Hovius, kon het grote proces der katholieke reformatie systematisch worden ingezet. Het was deze katholieke opleving, die de vrome aartshertogen, Albertus en Isabella Clara Eugenia, zich tot levenstaak gesteld hadden. Dank zij hun krachtig optreden tegenover de civiele autoriteiten, die nog altijd onder allerlei voorwendsels de doorvoering van de Trentse reformatie beletten en daardoor aan recalcitrante kanunniken en andere corrupte elementen onder seculiere en reguliere geestelijkheid morele of daadwerkelijke bescherming verleenden in hun sabotage van de nuttigste hervormingsmaatregelen, met name seminariestichting, kon eindelijk in gestadig groeiende eensgezindheid onder de krachtige leiding van de bisschoppen het historisch-beslissende werk verricht worden, waar-

[p. 352]

door het katholicisme als verjongd werd en duurzaam gevestigd in het hart van het volk.

Het is gelukkig niet zo gesteld, dat eerst na 1607 in de tot ons huidig koninkrijk behorende delen van de kerkprovincie Mechelen, d.i. het complex, dat later als Generaliteitslanden werd aangeduid, de pogingen tot zuivering van kerk en clerus enig succes gehad zouden hebben, maar ook daar is de intensiteit der beweging door de invloed van het concilie stellig verhoogd. Het is dan ook een groot geluk, dat de politieke ontwikkelingsgang, die het gebied ten slotte bij de Republiek zou inlijven, traag genoeg verliep om het nog enige tientallen jaren deel te doen hebben aan het door de burgerlijke autoriteiten beschermde hervormingsbeleid.

2. 's-Hertogenbosch

Het bisdom Den Bosch vond bij zijn geboorte de Staten van Brabant en de abdij van Tongerlo als onverzoenlijke vijanden tegenover zich. Tongerlo diende, samen met de andere belanghebbende abdijen, Afflighem en Sint Bernards, een plechtig protest bij Margareta van Parma in. Pogingen van de landvoogdes om hen te doen berusten in de incorporatie om wille van de op het spel staande belangen van de godsdienst faalden volstrekt. Dit is niet vreemd: de abdijen konden niet inzien, dat een regeling, die tot hun ondergang zou leiden, de zaak van de godsdienst ten goede kwam. Inmiddels protesteerden de Staten van Brabant mede namens de abdijen rechtstreeks bij de paus tegen de incorporatie. In overleg met de prins van Oranje werd verder besloten een deputatie naar de koning te zenden. Deze deputatie, waarvan de secretaris van Tongerlo deel uitmaakte, werd in Februari 1562 bij Philips II toegelaten. Verscheiden audiënties werden haar verleend, maar de koning was niet te overtuigen, dat de voorgeschreven incorporatie gelijk te stellen zou zijn met de door de Blijde Inkomste verboden commende. Hij beriep zich voor de wettigheid van de bepaling op het oordeel van de theologische faculteit van Leuven. Na de mislukking van deze stap trachtten de abdijen de heilige stoel tot hun inzicht te bekeren. Zij poogden in de eerste

[p. 353]

plaats het door Leuven uitgesproken oordeel door andere universiteiten te doen tegenspreken. Deze poging had succes. Terwijl zowel de theologische als de juridische faculteit van Leuven de inlijving geoorloofd noemden (al weigerden ook enige professoren het advies te tekenen), waren alle andere adviezen, uitgebracht door de universiteiten van Parijs, Genua, Pisa, Bologna en Keulen, van tegengestelde strekking6..

Gevoelend, dat enige tegemoetkoming nodig zou zijn om de incorporatie te ontgaan, boden de abdijen in Augustus 1563 een vergelijk aan: intrekking van de inlijving tegen een jaarlijkse uitkering aan de drie Brabantse bisschoppen. Het was de landvoogdes, die, van nature tot zulke schikkingen geneigd en daarbij ditmaal gesteund door de loyaal-katholieke adviseurs uit haar onmiddellijke omgeving, in dit bemiddelingsvoorstel de hand had. Vooral Hoppers gaf er zich veel moeite voor. Hij nam namens de landvoogdes aan de besprekingen deel. Vermoedelijk wel het meest door zijn invloed, werden de partijen het eens, zich tot de koning te wenden met een gezamenlijk voorstel tot intrekking van de inlijving, mits de drie abdijen samen aan de drie bisschoppen acht duizend gulden per jaar uitkeerden. Na lange aarzeling gaf de koning zich gewonnen: 30 Juli 1564 zegde hij toe de paus voor te stellen de incorporatie van Tongerlo bij Den Bosch, van Afflighem bij Mechelen en van Sint Bernards bij Antwerpen ongedaan te maken. Tevens stemde hij er in toe, dat de nog altijd vacerende abdijen Tongerlo en Sint Bernards overgingen tot de keuze van een abt, een keuze, die echter niets dan een schijnvertoning was, daar de koning vanouds de te kiezen abt aanwees. Daarmee was echter de zaak nog niet geregeld, zolang de paus, die de incorporatie immers bij bulle voorgeschreven had, het accoord niet bekrachtigde. Het bleek al spoedig, dat op deze bekrachtiging niet veel kans was, te minder daar Philips II weinig geneigdheid toonde het vergelijk aan de paus voor te leggen. Aldus bleef de toestand onveranderd: het bisdom Antwerpen bestond nog niet; Afflighem negeerde Granvelle; Tongerlo weigerde Sonnius te erkennen en betaalde hem niets uit, zolang het vergelijk niet was goedgekeurd. Zo vond Alva de toestand. Bij het vernemen van de toedracht vroeg hij in Spanje instructies; 31 Maart 1568 beval Philips hem het door Rome nooit goedgekeurde vergelijk als niet bestaand

[p. 354]

te beschouwen, de inmiddels benoemde prelaten af te zetten en de abdijen aan de bisschoppen over te geven. Ook thans nog ontketende dit voornemen heftig verzet van de abdijen en de Staten van Brabant; wederom wendden zij zich gezamenlijk tot de koning en zelfs riepen zij de hulp van Granvelle in. Vermoedelijk had deze tot het vergelijk van 1564 meegewerkt. Toch zal hij de incorporatie, zijn eigen vondst, slechts node prijsgegeven hebben; daarom moet hij wel min of meer genoten hebben van het beroep, dat de abdijen thans op hem deden. Onderwijl zette Alva zijn maatregelen voort en zodra hij het ogenblik er voor gekomen achtte, deed hij de slag neerkomen: eerst werd Afflighem bij Mechelen ingelijfd en eindelijk 30 Augustus 1569 werd Sonnius in het bezit gesteld van Tongerlo. Noodgedwongen bogen de Tongerlose Witheren het hoofd, maar in de nieuwe positie te berusten was hun onmogelijk. Zij zouden niet rusten, voor zij zich van het bisdom losgemaakt hadden. Ofschoon het vervolg van de hardnekkige strijd buiten het episcopaat van Sonnius valt, verdient het voor het verband aanbeveling hem tot het voor de abdij gelukkige einde te volgen.

De opstand tegen Spanje bood de abdijen gelegenheid hun grieven te voegen bij het complex van klachten over geschonden privilegiën, dat de koning voor de voeten geworpen werd. Sedert de Pacificatie van Gent meer dan ooit zeker van de steun van de Staten van Brabant, betichtten de abdijen de koning te pas en te onpas van schennis der Blijde Inkomste in hun nadeel. Vooral dat de koning een indertijd door hem zelf goedgekeurde overeenkomst had laten annuleren, had de Tongerlose Witheren tot het uiterste verbitterd. Willem van Oranje heeft deze stemming van de Brabantse Praemonstratensers weten te gebruiken. Hij maakte de zaak der abdijen tot de zijne en bracht de Staten-Generaal tot de plechtige verklaring, dat de indertijd gekozen prelaten en niemand anders het wettig gezag toekwam. In ruil daarvoor steunde Tongerlo de prins met alle middelen, waarover het beschikte; het stelde zich borg voor hem met al zijn goederen. De leider van deze actie was te Tongerlo de gekozen abt Jacob Veltacker, die met de prins van Oranje op zeer vertrouwelijke voet omging. Hij was een gezworen voorvechter van de opstand tegen Spanje en ageerde als lid van de Staten van Brabant en van de

[p. 355]

Staten-Generaal heftig voor de prins. Tegelijkertijd echter zocht hij langs de wettige weg, door op de heilige stoel te werken, de opheffing van de incorporatie te verkrijgen. Bij de zeer Spaansgezinde paus Gregorius XIII was hij daartoe echter aan een geheel verkeerd kantoor, al mocht hij in nog zo heldere memories aantonen, dat de incorporatie noodwendig moest leiden tot de ondergang der abdij. Gregorius XIII vereenzelvigde de zaak van het geloof volkomen met die van de wettige vorst en veroordeelde onvoorwaardelijk elke rebellie. In 1578, toen de zaken zeer kritiek begonnen te staan, protesteerde hij bij de koning van Frankrijk tegen het optreden van de hertog van Anjou in de Nederlanden en tegen Frankrijks morele steun aan het verzet van de Staten-Generaal tegen de wettige vorst. Tevens richtte hij 15 Juli 1578 een openlijke vermaning tot bisschoppen en clerus der Nederlanden om de wettige koning trouw te blijven7.. De volgende dag vaardigde hij een verbod uit aan alle geestelijke personen, deel te nemen aan de vergaderingen van de Staten-Generaal. De bisschoppen van Namen, Middelburg, Roermond en Den Bosch benoemde hij tot een commissie, die overtredingen zou nagaan en, zo nodig, censuren zou toepassen. Enkele jaren later ging dezelfde paus, waarschijnlijk onder invloed van de hertog van Parma, nog verder: hij verleende 30 Juni 1582 volle aflaten, te verdienen op vijf feestdagen van het jaar, aan allen, die aan de oorlog tegen de rebellen deelnamen8..

Deze houding van de heilige stoel kan in dit verband niet beoordeeld worden. Hier kan alleen worden gewezen op het niet toevallige feit, dat de prins juist in deze jaren verlaten wordt door vooraanstaande katholieken, die tot dusver zijn partij hadden gehouden. Voor dezen gold het ‘Roma locuta’ ten slotte het zwaarst. Dat de een zich eerlijker uit de impasse redde dan de ander, is zeker juist, maar het is billijk bij de beoordeling van wat men gewoonlijk het verraad van Rennenberg noemt en overeenkomstige feiten rekening te houden met de klare taal, die de paus had gesproken. Zo beoordele men ook de weinig elegante sprongen, waarmee de verkoren prelaat van Tongerlo zich in veiligheid wist te stellen. Aanvankelijk legde hij zich niet bij het pauselijke verbod van 1578 neer, evenmin als de meeste andere prelaten van de Zuidnederlandse abdijen. Toch begon hij zich, sedert de dood

[p. 356]

van Don Jan (October 1578) en de zich onder Parma snel voltrekkende wijzigingen in de Zuidnederlandse verhoudingen, meer afzijdig te houden. Vermoedelijk drongen ook geruchten uit het Noorden omtrent de Haarlemse Noon, de opheffing van de satisfactie van Amsterdam en de door Sonoy bedreven gruwelen tot hem door en zeker hebben de gebeurtenissen te Gent, waar zich een calvinistische theocratie constitueerde, indruk op hem gemaakt. Zij moeten hem bewezen hebben, dat de beweging aan Oranje's beheersing ontsnapte en een anti-paaps, exclusief calvinisme zijn stempel op de opstand ging drukken. Thans kwam hij met andere geestelijke heren voor de keus: katholiek blijven met Spanje of met de prins afvallen van het geloof. Tussen 1578 en 1580 balanceerde Veltacker, evenals enige andere abten, nog tussen de partijen in een allesbehalve eerlijke of consequente politiek. In 1580 liet hij eindelijk de opstand los en trachtte hij zich te dekken voor de wraak van Parma door een deemoedige onderwerping. Zijn fungeren als prelaat bleef hij echter wettig noemen, omdat Philips II hem op grond van het vergelijk van 1564 benoemd had. Daarmee speelde hij een kostelijke troef uit. Het succes bleef dan ook niet uit: namens de koning nam Parma de rouwmoedige prelaat van Tongerlo 10 Augustus 1582 in genade aan, waarna Gregorius XIII in edelmoedigheid niet achterbleef en hem 28 October 1582 absolutie verleende van alle kerkelijke censuren.

 

Te 's-Hertogenbosch trok men uit deze onderwerping met zeker recht de conclusie, dat de abdij zich nu ook bij deincorporatieneerlegde, maar vergiste zich hierin deerlijk. Integendeel maakte zij van het herwonnen vertrouwen van de heilige stoel en de verworven gunst van Parma gebruik om te Brussel, te Madrid en te Rome te demonstreren, hoezeer de incorporatie in de inmiddels verstreken periode haar reeds benadeeld had. Een toevallige factor verstrekte daartoe het voornaamste materiaal, dat vooral op Parma indruk maakte. De 18de September 1580 was de tweede bisschop van Den Bosch, Laurens Mets, overleden. Zijn testament gaf aanleiding tot een geruchtmakend rechtsgeding, waaruit voor alle belangstellenden duidelijk werd, dat het door de bisschoppen over Tongerlo gevoerde beheer, hoe kort het nog maar geduurd had, in vele opzichten ruineus mocht heten en de naam

[p. 357]

roofbouw verdiende. Uit de stukken bleek, dat Sonnius zijn loopbaan begonnen was met uit de abdijfondsen 22 duizend gulden ten behoeve van het bisdom te vervreemden. Mets vervreemdde vervolgens in tien jaren tijds 60 duizend gulden tot dat doel en vermaakte bij testament de uit de abdij in bruikleen ontvangen kostbaarheden en zelfs een op kosten der abdij gebouwd huis aan zijn familie9.. Veltacker overleed 10 Augustus 1583, maar de1 onder toezicht van enige door Parma gezonden commissarissen uit en door de conventualen gekozen administrator Walter van Corswarem zorgde, dat al deze bijzonderheden aan Parma, de koning en de paus ter ore kwamen.

Toen dan eindelijk de Bossche zetel, na jarenlang opengestaan te hebben, bezet werd door de Gentse kanunnik Clemens Crabeels, nam deze wel onmiddellijk bezit van de abdij, maar daarna richtte hij zich, vermoedelijk wel op instigatie van Parma, tot koning Philips met een krachtig betoog, dat het tot redding van de door wanbeheer en oorlogsschade zwaar geteisterde abdij nodig was, de band tussen bisdom en abdij door te snijden en een door en uit de gemeenschap zelf te kiezen abt met de wederopbouw te belasten. Sterk door deze steun, richtte de abdij zich daarop tot Sixtus V, om intrekking van de incorporatie te verkrijgen. Bij schrijven van 21 December 1585 gelastte de paus de nuntius Bonomi te Keulen een plan te ontwerpen tot scheiding van bisdom en abdij, zonder dat deze ruineuze gevolgen voor het bisdom had. Het door Bonomi gevoerde overleg duurde geruime tijd, daar het de abdij niet gemakkelijk viel een dotatie ten behoeve van de bisschop vast te stellen en koning Philips nog steeds weinig lust toonde de incorporatie prijs te geven. Eindelijk hechtte hij 9 December 1588 zijn zegel aan een tussen Crabeels en Corswarem gesloten verdrag, waarbij de goederen der abdij verdeeld werden, zodat het aan het bisdom toegewezen deel een waarde van zesduizend gulden vertegenwoordigde. Aan dit bedrag valt te constateren, hoe ontzettend de vermogenspositie van Tongerlo achteruitgegaan was. Bonomi was inmiddels overleden, maar zijn opvolger Frangipani verleende aan de gevonden oplossing te Rome alle steun. Door zijn tussenkomst verklaarde eindelijk paus Gregorius XIV in 1590 de band tussen Tongerlo en Den Bosch verbroken, de abdij machtigend een eigen abt te kiezen. Zo was de

[p. 358]

abdij er na bijna dertigjarige oorlog in geslaagd zich de gehate inlijving van de hals te schuiven, maar niet zonder dat het haar grote offers gekost had.

Thans kunnen wij met het beschrijven van de door de Bossche bisschoppen geleide katholieke reformatie een aanvang maken. Tot het op gang brengen van dit proces heeft het de eerste bisschop van Den Bosch, de bekwame en geleerde theoloog-diplomaat Sonnius, niet aan ijver ontbroken, maar hij heeft er zeer weinig toe kunnen bijdragen. Franciscus Sonnius, de ‘vader aller nieuwe bisschoppen in de Nederlanden’, om hem te noemen bij de hem door zijn bittere vijand Marnix gegeven naam10., was in 1506 te Son bij Eindhoven geboren en telde dus bij zijn benoeming op de Bossche zetel 55 jaren. Ofschoon hij zich als inquisiteur door wijze gematigdheid had onderscheiden, was hij als polemist tegen het calvinisme, als gunsteling van de koning en van Granvelle het mikpunt geworden van veel verdachtmakingen. Of hij zelf voorkeur voor de zetel van Den Bosch heeft te kennen gegeven, is niet zeker, maar vrijwel van de aanvang af heeft blijkbaar zijn bestemming voor de in zijn eigen geboorteland op te richten stoel vastgestaan. Voor een stad als Den Bosch, die veel meer als een nest van ketterij bekend stond dan b.v. een der nieuwe residenties in de noordelijke gewesten, kan misschien in de keuze van deze scherpzinnige theoloog-inquisiteur ook opzet gezien worden. Daartegenover staat dan echter, dat diens positie er niet gemakkelijker door werd. Als alom bekend oud-inquisiteur moet hij in het oog van allen, die te 's-Hertogenbosch min of meer met de nieuwe denkbeelden instemden, een ongewenste en zeer gewantrouwde persoonlijkheid geweest zijn.

De inbezitneming van de Bossche zetel door Sonnius, die op of omstreeks 1 November 1562 door Granvelle te Mechelen gewijd was, had plaats op 18 November 1562. Zij was voorafgegaan door ampele besprekingen met schepenen, gezworenen en raden en vooral met de op het stuk der religie niet onverdachte gildedekens. De 12de November waren twee agenten van de landvoogdes in de stad gekomen om over de aanstaande installatie van de bisschop met de stedelijke regering te beraadslagen. Met deze werd spoedig overeenstemming bereikt, al lijdt het geen twijfel, of de aanvaarding geschiedde zonder enige geestdrift bij schepenen,

[p. 359]

gezworenen en raden. Het daaropvolgende overleg met de gildedekens leidde tot geen ander gevolg, dan dat dezen de 15de November de verklaring aflegden, tot de installatie voorlopig niet te kunnen meewerken. Het kapittel van Sint Jan verklaarde zich 16 November bereid, de bisschop te erkennen, mits hij beloofde de rechten en voorrechten van het kapittel te eerbiedigen, wat neerkwam op het uit handen geven van vrijwel alle jurisdictie voor de stad. Daarop nam Petrus van Grinsven als Sonnius' procurator bezit van de zetel. Dit geschiedde in de kathedraal op 16 November 1562. Sonnius logeerde toen te Vught in het klooster der Kartuizers. De 18de November trok hij plechtig de stad binnen, ontvangen door de seculiere en reguliere clerus, de regeringscommissarissen, de stedelijke regering en het kapittel. Over de ontvangst verklaarde Sonnius zich niet onvoldaan; redenen om bijzonder tevreden te zijn had hij echter zeker niet. Er was geen openlijk verzet gepleegd, maar er waren verschijnselen, die wezen op een geest van lijdelijke obstructie. Zo hadden de gilden hardnekkig geweigerd aan de intocht deel te nemen en roerde zich buiten de genoemde officiële personen nauwelijks enig deel van de burgerij. De stedelijke regering toonde duidelijk, dat zij slechts welstaanshalve aan de door Sonnius gegeven luisterrijke maaltijd aanzat, en droeg in geen enkel opzicht tot de kosten er van of tot die van andere plechtigheden bij. Heel deze inhuldiging wordt door een ijzige kilheid gekenmerkt, die bewijst, hoe alle feestvertoon een gedwongen fraaiigheid was. De stemming van de burgerij wordt misschien het best weergegeven door een cynisch paskwil op Sonnius, een parodie op het Onze-Vader, zoals er toen meer in zwang waren of zouden komen, dat in de dagen van de inhuldiging in Den Bosch de rondte deed:

 
O bisschop Sonnius, die ten Bosch zijt,
 
Uwen name is zeer benijd.
 
Uw rijk is van geender weerden
 
In hemelrijk noch op eerden.
 
Gij eet huiden ons dagelijks brood;
 
Ons wijfs ende kinderen hebbent groot nood.
 
O Heer, Gij, die daar in den hemel zijt,
 
Maakt ons doch dezen bisschop met zijn inzettinge kwijt
 
En laat ons in egeen bekoringe vallen,
 
Maar verlost ons van de geschoren allen. Amen11..
[p. 360]

Zolang de Staten van Brabant in hun protesterende houding volhardden en de nieuwe bisschop weigerden te erkennen, was van bisschoppelijk bestuur niet te spreken. Inkomsten voor zijn eigen onderhoud en voor het voeren van het bestuur had Sonnius niet. Hij moest alle gezag nog veroveren. In het besef, dat het Brabantse deel ten minste zolang voor hem gesloten zou blijven, als de abdij van Tongerlo in haar verzet volhardde, begon hij met pogingen om in de in Holland en Gelderland gelegen stukken van zijn bisdom zijn gezag erkend te krijgen. Daartoe verzocht hij de bemiddeling van Viglius bij de magistraten van Zaltbommel, Heusden, Woudrichem, Geertruidenberg en Zevenbergen; hij wilde, naar hij zeide, daar met de bisschoppelijke visitatie een begin maken. Van de gevraagde steun is niets gekomen en de visitatie heeft niet plaatsgehad. Rusteloos bleef Sonnius zijn pogingen voortzetten om de landvoogdes te bewegen tot dwangmaatregelen tegenover de Staten van Brabant, maar zij vond in de opgeworpen vraag omtrent de intrekking van de oprichtingsbul voor Antwerpen een reden tot uitstel, zelfs nog, toen de koning het met Tongerlo gesloten accoord goedgekeurd had en er dus ogenschijnlijk vrede in Brabant heerste. Na lang aanhouden gelukte het nochtans aan de volhardende en diplomatieke Sonnius de landvoogdes tot een daad te bewegen: 17 September 1565 deed zij hem de geloofsbrieven toekomen, op vertoon waarvan alle autoriteiten in het diocees hem als bisschop hadden te erkennen. Gelijk wij reeds gezien hebben, wekte de daaropvolgende plechtige vaststelling der diocesane grenzen door Sonnius desondanks het heftig verzet van de Staten van Brabant en de bisschop van Luik. Zo bleef de toestand als tevoren: Sonnius oefende, voorzover het kapittel het hem niet belette, gezag uit in de stad Den Bosch en de voorsteden, de proost van Oudmunster te Utrecht over het land van Altena, die van Tiel over de Bommelerwaard, de bisschop van Luik over de gehele rest van het bisdom.

Niettemin besloot de bisschop van Den Bosch de katholieke reformatie onverwijld aan te vatten. De 23ste October 1565 liet hij te 's-Hertogenbosch de decreten van het concilie van Trente afkondigen. Het heet bij een ouder diocesaan geschiedschrijver12., dat deze plechtige afkondiging ‘met eene stichtende onderwerping geschiedde’. Hoe stichtend moet deze plechtigheid inderdaad

[p. 361]

geweest zijn, die noodgedwongen niet in 's bisschops eigen kathedraal gehouden werd, omdat het kapittel dit de bisschop belette, maar in de kerk van de Dominicanen in de Hinthamerstraat. Stichtelijk was het ook ongetwijfeld, dat gedeputeerden van de prins-bisschop van Luik luidkeels schreeuwende tegen de wettigheid van deze afkondiging protesteerden en Sonnius zelf daarop antwoordde. Aan het volk werden eerst de doctrinaire decreten en die omtrent het huwelijk in het Nederlands voorgelezen, vervolgens de disciplinaire decreten aan de clerus in het Latijn. Alle geestelijken kregen een exemplaar van de decreten met een handleiding om ze aan het volk te verklaren. Het is al niet waarschijnlijk, dat de clerus buiten, de stad en haar onmiddellijke omgevign in groten getale opgekomen was, maar vooral het feit, dat het kapittel demonstratief afwezig bleef en het gebruik van de kathedraal verijdelde, moet aan de morele betekenis der afkondiging afbreuk gedaan hebben. De bisschop versaagde echter niet. Ofschoon stelselmatig gedwarsboomd door zijn kapittel, waartegenover hij machteloos stond, zolang de stedelijke regering het steunde in zijn pretenties, trof hij daarop maatregelen ter verbetering van de zielzorg in de stad Den Bosch. Hij reorganiseerde de kerkelijke indeling door de stad in vier parochies te verdelen: naast de Sint Jan werden de kapellen van S.S. Petrus en Paulus, S. Jacob en S. Catharina parochiekerken. Effect heeft deze maatregel niet of nauwelijks gehad, want in 1566 werd de stad het toneel van een verwoede beeldenstorm. De bisschop zag zich genoodzaakt uit te wijken. De Bossche magistraat nam tegenover de uitspattingen een zeer lankmoedige houding aan en duldde van 22 Augustus tot 11 September de heerschappij van een calvinistische terreur. Al deze tijd bleven de kerken in de macht van een oproerige minderheid en werd het houden van elke katholieke godsdienstoefening belet.

Te Brussel sloeg men de houding van het Bossche stadsbestuur met verontwaardiging gade. Begin October zond de landvoogdes enige leden van de Raad van Brabant om onderzoek naar het gebeurde te doen; daartoe hielden dezen zich van 5 tot 12 October in de stad op. Geruchten van ophanden zijnde straffen deden 15 October nieuwe woede bij het plebs losbreken. De Sint Jan en andere kerken in de stad hadden het reeds 22 en 23 Augustus moeten ontgelden; thans werd binnen en buiten de stad gebeeld-

[p. 362]

stormd, vooral in de kloosters, o.a. te Vught bij de Kartuizers13.. Deze nieuwe uitbarsting ontzette het stedelijk bestuur zodanig, dat sommige van zijn leden zelfs de vlucht namen. Ook de landvoogdes ging overstag: zij zond twee afgevaardigden om in haar naam met het calvinistisch consistorium te onderhandelen. Deze onderhandelingen leidden in December 1566 tot een overeenkomst, krachtens welke het consistorium de Sint Jan vrijgaf, maar de kapellen van S.S. Petrus en Paulus, S. Jacob, S. Cornelius en S. Anna behield. De landvoogdes keurde dit vèrgaande accoord echter niet goed, te minder daar het consistorium voortging een soort dictatuur over de stad uit te oefenen. Op haar bevel maakte de graaf van Megen, stadhouder van Gelderland, zich in Januari 1567 op om met zijn troepen Den Bosch te bezetten en een eind te maken aan de calvinistische theocratie. Een Antwerps edelman, Anton van Bombergen, organiseerde echter een krachtige tegenactie en heerste bijna onbeperkt over Den Bosch tot April 1567. Toen trok de bekwame Noircarmes, na Maastricht tot rede te hebben gebracht, naar Den Bosch op om er het wettig gezag te herstellen. Dit had een sauve-qui-peut der consistorialen, o.a. der predikanten, ten gevolge; ook Bombergen week uit. De meeste Bossche uitgewekenen zochten toevlucht in het land van Kleef, dat door de eigenaardige sphinxhouding van de hertogen tientallen jaren lang bijna volkomen vrijheid liet aan katholieken en protestanten en dan ook als toevluchtsoord voor beide soorten emigranten uit de Nederlanden in trek geweest is14..

Al die tijd, d.i. van Augustus 1566 af, dwaalde Sonnius in Brabant rond; hij vreesde blijkbaar, dat het Bossche stadsbestuur geen kans zag hem tegen moedwil te beschermen. Bij schrijven van 26 Mei 1567 gelastte de landvoogdes hem naar zijn zetelstad terug te keren. Tevens beval zij het kapittel en de stedelijke overheden de bisschop in zijn volledige jurisdictie te erkennen en hem alle steun te verlenen. Inmiddels had de wisseling van het gouvernement plaats en won Sonnius in de hertog van Alva een vastberaden beschermer, wiens drastische maatregelen echter te Den Bosch evenmin als elders de zaak der katholieke reformatie sympathieker maakten. In Juli 1568 vertoefde Alva te Den Bosch. Hier gelastte hij het kapittel binnen 24 uur een verklaring af te leggen, dat alle leden zich aan de bisschoppelijke jurisdictie onderwierpen, het

[p. 363]

concilie van Trente zonder enig voorbehoud aanvaardden, alle door hem aangebrachte of nog aan te brengen hervormingen als wettig erkenden en zich voortaan door hem zouden laten visiteren. Natuurlijk bogen de kanunniken voor de hertog in het stof en legden zij de 20ste Juli 1568 de verlangde verklaring af.

Dank zij Alva's verdere maatregelen kon Sonnius nu ook eindelijk de jurisdictie over het hele diocees in handen nemen. Daartoe was in de eerste plaats een indeling in dekenaten nodig. Hij bepaalde het getal daarvan op zes: Hilvarenbeek, Woensel, Maasland, Zaltbommel, Heusden en Geel. De eerste twee gingen als zodanig van de oude Luikse organisatie in de nieuwe Bossche over, het derde was een deel van het oude Luikse dekenaat Cuyck, dat voor het andere deel bij Roermond was ondergebracht; het vierde en het vijfde omvatten samen het stuk, dat vroeger tot Utrecht behoord had; Geel omvatte het complex van thans Belgische parochies, bij de omschrijving van het bisdom genoemd. Onder de door Alva voorgeschreven maatregelen behoorde ook een onmiddellijke visitatie van de uit het Utrechtse bisdom overgekomen parochies, n.l. die in de Bommelerwaard, het land van Altena en het land van Heusden. Zeer waarschijnlijk gaf hij deze last op dezelfde grond als waarop hij omstreeks dezelfde tijd de aartsbisschop van Utrecht beval het land van Kuilenburg en het eiland Voorne te visiteren, n.l. omdat hem berichten gedaan waren over daar heersende ernstige misstanden. Aan deze last heeft Sonnius niet voldaan; wel begaf hij zich begin November 1568 naar de Bommelerwaard, stelde er een officiaal aan en deed er het concilie van Trente aan de vergaderde geestelijkheid afkondigen. De spoedig volgende troebelen hebben hem blijkbaar het volgende werk, dat der visitatie, belet.

Eerst het volgende jaar ging Sonnius over tot de canonieke visitatie van het Bossche kapittel. Deze geschiedde 15 Juli 1569; de17de d.a.v. legde hij het nieuwe statuten op, die voorlopig zouden gelden tot het te houden provinciaal concilie van Mechelen. Tegelijk richtte hij definitief de vier Bossche parochies op van Sint Jan, Sint Pieter, Sint Jacob en Sint Catharina. Thans waagde het kapittel weer enig verzet: het raadpleegde de juridische faculteit van Leuven over de vraag, in hoeverre het zich aan de bisschoppelijke jurisdictie en de door de bisschop opgelegde statuten te onder-

[p. 364]

werpen had. Sonnius vond daarin aanleiding de hertog van Alva te hulp te roepen, die, na enige onbetekenende wijzigingen in de statuten te hebben doen aanbrengen, de 7de October het kapittel gelastte deze te onderschrijven en stipt na te leven. Nog in hetzelfde jaar vernieuwde Sonnius het bevel aan zijn gehele clerus de decreten van Trente getrouw na te leven, speciaal die aangaande de verplichte residentie. Dit waren zijn laatste daden: 27 April 1570 nam hij de zetel van Antwerpen in.

Laurens Mets, de tweede bisschop van Den Bosch, was omstreeks 1520 te Oudenaarde geboren en had als plebaan-kapitteldeken van de Brusselse Sint Goedele zich door tal van kerkelijk-diplo-matieke zendingen verdienstelijk gemaakt jegens Granvelle, Morillon, Margareta van Parma en Alva, door wiens toedoen hij 16 November 1569 door de koning tot opvolger van Sonnius op de Bossche zetel benoemd werd. De pauselijke bulle van zijn bevestiging is op 13 Maart 1570 gedateerd. Hij werd 23 April 1570 in de Sint Goedele geconsacreerd door Maximiliaan van Bergen, de aartsbisschop van Kamerijk. De 7de Mei daarop hield hij zijn plechtige intocht in Den Bosch. Reeds zeer kort na zijn intrede moest hij deelnemen aan het eerste provinciaal concilie van Mechelen. In aansluiting daarop moest in elk der diocesen een synode gehouden worden, waarop de besluiten van het concilie aan de clerus meegedeeld zouden worden. Laurens Mets wachtte met de publicatie echter niet zolang, maar legde ze reeds bij besluit van 9 Januari 1571 aan zijn clerus op. Op de 8 Mei 1571 gehouden diocesane synode publiceerde hij een nieuwe indeling van het bisdom in dekenaten; thans ontstonden er een tiental, n.l. 's-Hertogenbosch, Orten, Hilvarenbeek, Eindhoven, Oss, Geertruidenberg, Heusden, Geel, Helmond en Bommel. Deze indeling is tot 1865 in hoofdzaak gehandhaafd gebleven; het dekenaat Geel alleen is, zoals wij nader zullen zien, van het bisdom losgemaakt. Bovendien zijn in de loop der tijden enkele delen van Roermond en Luik toegevoegd.

Op de eerste provinciale synode werd ook besloten tot de stichting van een seminarie, voor welks onderhoud alle parochies en alle beneficies een jaarlijkse cijns hadden op te brengen. Deze medewerking werd door zeer velen slechts node verleend. Speciaal het kathedraal kapittel bleek eer geneigd tot sabotage van het besluit

[p. 365]

dan tot medewerking aan deze belangrijkste van alle door Trente voorgeschreven vernieuwingen. De bisschop liet zich door deze tegenwerking echter niet ontmoedigen, maar sloeg de hand aan het werk. Aldus werd het door hem gestichte seminarie vermoedelijk15. het eerste, dat in het huidige koninkrijk gesticht is; in Mei 1571 opende hij het reeds in het fraterhuis te Den Bosch. De kanunnik Gijsbertus Coeverincx werd tot president er van benoemd. Behalve deze president waren er twee professoren en een econoom aan de instelling verbonden. Het was werkelijk een seminarie in de Trentse geest: een kostschool met interne docenten. In 1576 verliet het seminarie het fraterhuis; sedert bleef het gehuisvest in een eigen gebouw. Tot de dood van Mets schijnt het goed beheerd te zijn. Zodra hij overleden was, haastte het kapittel zich echter de rentmeester van het seminarie te ontslaan en de president het voor het onderhoud onmisbare geld te onthouden. Het natuurlijk - en door deze waardige kanunniken ongetwijfeld bedoeld - gevolg was, dat de instelling in 1582 opgeheven werd. Verzoekschriften van gedupeerde seminaristen aan de kanselier van Brabant leidden tot een officiële lastgeving aan het kapittel het seminarie te herstellen, maar het legde dit bevel naast zich neer.

Laurens Mets maakte ook een begin met de visitatie van zijn bisdom; tot een algehele visitatie heeft hij het niet kunnen brengen. De verslagen van zijn eerste visitaties zijn uitgegeven en kunnen dus als nuttig materiaal gebezigd worden. Toch is hun waarde niet bijzonder groot, doordat de visitatie kennelijk met te grote haast en daardoor te oppervlakkig geschied is. Deze oppervlakkigheid is voor een eerste bezoek niet onverklaarbaar, vooral niet in de toenmalige omstandigheden. Bij de beoordeling van het werk van alle bisschoppen omstreeks die tijd verlieze men nooit uit het oog, dat zij hun taak te midden van oorlogsgeweld en vervolgingen moesten vervullen. De door Mets gehouden visitaties beperkten zich tot de oude Utrechtse dekenaten Geertruidenberg, Heusden en Bommel. De bevindingen van dit deels door de bisschop persoonlijk, deels door de kanunnik-seminariepresident Coeverincx verrichte onderzoek zijn in ander verband besproken. Hier volstaat de opmerking, dat reeds dit vluchtig onderzoek zeer ernstige wantoestanden, vooral in het zedelijk leven van de clerus, aan het

[p. 366]

licht bracht. Het maakt op overtuigende wijze duidelijk, hoe de louter op het financiële gerichte proostenjurisdictie geleid had tot een degeneratie van de clerus, die met de naam verwildering niet te kras bestempeld wordt. Reeds op het zeer beperkte terrein van de toediening der heilige sacramenten werden zoveel ingeslopen onregelmatigheden ontdekt, dat de bisschop hetzelfde jaar nog een Manuale pastorum deed samenstellen om de hoognodige eenheid daarin te herstellen.

Zo ondanks deze pogingen van de bisschop om het grote werk op gang te brengen de toestand niet noemenswaard verbeterd is, valt dit wel in de eerste plaats, evenals in alle andere bisdommen omstreeks deze tijd, toe te schrijven aan de onmogelijkheid om misbruiken, die in zo langdurige, demoraliserende regeringloosheid ingeworteld waren, op korte termijn te doen verdwijnen. De thans levende generatie van clerici zou nooit in voldoende mate te zuiveren zijn en voor een algehele vernieuwing van de dienstdoende geestelijkheid was ruimte van tijd nodig. Laurens Mets zal wel hebben ingezien, dat hij eerst tegen de tijd, dat zijn pas-gesticht seminarie wijdelingen ging afleveren, een geleidelijke grondige verbetering van de clerus tot stand brengen kon. Zelfs verergerde de toestand van verval nog gestadig, doordat de krijgsbedrijven veel priesters deden vluchten en menige pastorie te lande daardoor leeg kwam te staan. Dat zelfs de gruwelen van de oorlog, de beeldenstorm en de calvinisten-terreur een deel van de diocesane clerus nog niet tot besef van de ernst der tijden en van de plicht tot medewerking aan de katholieke reformatie brachten, leert ons het gedrag van de meeste kanunniken jegens de bisschop.

Het kathedraal kapittel, dat Sonnius zo gedwarsboomd en zich pas onder de dwang van Alva aan hem onderworpen had, gedroeg zich tegenover Mets spoedig niet minder recalcitrant. Het voerde tegen alle maatregelen van de bisschop stelselmatig obstructie. Zo bleef het weigeren het alleenrecht van beslissing van de bisschop in benificiale en matrimoniale zaken te erkennen. Ook wensten de kanunniken hun exemptie ten aanzien van de rechtspraak, hun recht om alleen door mede-kanunniken te worden geoordeeld, niet prijs te geven. Het kapittel vocht voor beide aangelegenheden met hardnekkigheid en bracht ze voor de heilige stoel. In 1575 besliste de congregatie van het concilie ongunstig voor het

[p. 367]

kapittel ten opzichte van het eerste, maar gunstig ten aanzien van het tweede punt. Behalve het kathedrale kapittel was het bisdom nog enige oude kapittels rijk en, evenals dit in andere bisdommen het geval was, waren deze voor de bisschop een zwaar kruis door hun obstructie en hun sabotage. Tekenend voor de geest, die deze lichamen bezielde, is het feit, dat na de sluiting van het te Leuven gehouden tweede provinciale concilie der Mechelse kerkprovincie bij de president Rijthoven een protest binnenkwam van de kapittels van Oirschot, Sint-Oedenrode en Boxtel, alle drie in het Bossche bisdom gelegen, waarin deze corporaties verklaarden, dat zij onder geen beding bereid waren de decreten van het concilie aan te nemen, voorzover zij strijdig waren met hun rechten of voorrechten. Het is een droevig verschijnsel, dat de leden van de betrokken lichamen na al het gebeurde nog niets geleerd hebben, alles nog onveranderd uit de benepenste hoek bezien en om het eigenbelang de heilige zaak van de katholieke reformatie, ja van het behoud van het katholicisme zelf, volkomen negéren. Nog tientallen jaren zou dit zo blijven: als 33 jaren later in Juni-Juli 1607 het derde provinciale concilie te Mechelen gehouden wordt, zullen de kapittels van Antwerpen, Gent en Den Bosch opnieuw met hetzelfde protest voor den dag komen.

De staatkundige troebelen berokkenden ook deze tweede bisschop veel leed en overlast en leidden eindelijk tot zijn uitwijking. Alva had indertijd in Den Bosch met het calvinisme korte metten gemaakt. Meer dan tweehonderd Bosschenaars liet hij als medeplichtig aan de beeldenstorm indagen; de meerderheid was echter uitgeweken. Een twintigtal werd een jaarlang in arrest gehouden en van hen werden er elf ter dood gebracht. Verder werden 55 Bosschenaren uit Brabant gebannen. De landvoogd mocht menen daarmee de stad van ketterij gezuiverd te hebben; het tegendeel zou spoedig blijken. In 1571 bestond er blijkens de synode te Emden weer een clandestiene hervormde gemeente te 's-Hertogenbosch evenals te Breda. Ook op de synode, diein Februari 1576 te Antwerpen gehouden werd, waren afgevaardigden uit Den Bosch aanwezig. Zodra Don Jan van Oostenrijk in 1577 toegaf aan de aandrang van de Bossche stedelijke regering, ondersteund door de hoofdlieden der gilden en door de Staten van Brabant, om het Duitse garnizoen, dat bij de bevolking gehaat was om zijn geweld-

[p. 368]

plegingen, terug te roepen, trad het calvinisme terstond weer met grote vrijmoedigheid aan den dag. Kort daarop begonnen de oude geweldplegingen weer. Een zogenaamd vrijcorps der burgerij, dat voor een belangrijk deel door calvinistische raddraaiers beheerst werd, gaf daarbij leiding. Laurens Mets vond daarin en in de opnieuw zeer lakse houding van de regenten aanleiding 30 October 1577 de stad te verlaten, die hij nooit zou terugzien. Spoedig herhaalden zich de gruwelen van beeldenstorm en vervolging.

De uitgeweken bisschop vestigde zich, na achtereenvolgens korte tijd te Kleef, Calcar, Keulen, Trier en Luxemburg vertoefd te hebben, in 1578 te Namen. De 6de Maart machtigde paus Gregorius XIII hem, om, zolang hij niet veilig in zijn zetelstad kon verblijven, in het bisdom Namen en andere verweesde bisdommen in de Nederlanden de bisschoppelijke functies uit te oefenen. Lang heeft bij dit niet kunnen doen: 18 September 1580 overleed hij te Namen.

Het kapittel koos de kanunnik Lucas Dielen tot vicarius-capitularis. Van deze functionaris is zo goed als niets bekend; de onderstelling is gewettigd, dat hij zich geheel door het kapittel liet leiden. Gedurende dit vierjarig interregnum zag dit immers de kans schoon het seminarie van Laurens Mets het voortbestaan onmogelijk te maken. Het is niet duidelijk, waarom ditinterregnum zo lang moest duren: immers was reeds de nadering van Parma in Juli 1579 de aanleiding geworden tot uitwijking van de meeste hervormden. Vervolgens werd de stad door de landvoogd aan een katholiek reformatieproces onderworpen, waarbij de aanwezigheid van een bisschop niet alleen mogelijk, raar meer dan ooit nodig was. Op uitnodiging van Parma kwam in 1583 de bisschop van Roermond, Lindanus, naar Den Bosch om er het heilig vormsel toe te dienen. Er schijnen toen stemmen opgegaan te zijn hem in Den Bosch benoemd te krijgen16.. Daartoe is het echter niet gekomen. De koning benoemde op voordracht van Parma tot derde bisschop van Den Bosch de Gentse vicaris-generaal Clemens Crabeels, die 3 September 1584 door de paus bevestigd werd en 13 Januari 1585 te Doornik geconsacreerd werd.

De derde bisschop van Den Bosch is niet veel meer dan een schim gebleven; zijn ambtstijd lijkt een vacuum in de geschiedenis, waarover de litteratuur tot dusver niets weet mee te delen.

[p. t.o. 368]



illustratie

[p. 369]

Clemens Crabeels was, naar zijn opleiding te oordelen, minder theoloog dan jurist; zijn benoeming draagt hoogstwaarschijnlijk geheel het oude karakter: men had gezocht naar een bekwaam ambtenaar. Dat hij als zodanig gold, valt ook af te leiden uit zijn uitverkiezing voor de in 1579 te Keulen gevoerde vredesonderhandelingen. Dat hij diplomatieke talenten bezat, zouden wij ook kunnen opmaken uit zijn zeer merkwaardige houding tegenover de abdij van Tongerlo, waarover in het voorafgaande reeds gesproken is. Deze houding schijnt echter vooral door Alexander van Parma gedicteerd te zijn. Ofschoon hij nog maar ongeveer vijftig jaren telde bij de aanvaarding van het episcopaat, schijnt zijn gezondheid toch al vrij zwak geweest te zijn. De 22ste October 1592 overleed hij te 's-Hertogenbosch aan een beroerte. Opbouwend werk heeft hij niet kunnen verrichten. Ook moet hij niet tegen het arrogante kapittel opgekund hebben. Hij herstelde het seminarie niet en toonde door geen enkele maatregel zijn activiteit. Daarbij valt echter terdege te bedenken, dat hij vrijwel in zijn stad opgesloten was; de Meierij werd in de jaren 1580-1609 zwaar geteisterd door doortrekkende troepen, door schermutselingen en allerlei oorlogslast, ook geldelijke. Kort na zijn ambtsaanvaarding had Clemens Crabeels zich tot de hertog van Parma gewend om diens bescherming in te roepen voor de Meierij. Het resultaat daarvan kon natuurlijk niet groot zijn.

Na Crabeels' plotselinge dood nam de kanunnik Gijsbertus Coeverincx als kapittel-vicaris het bestuur waar. Dit is een gunstig teken, een bewijs, dat thans een betere stroming in het kapittel de overhand begon te krijgen, want in Coeverincx mogen wij een der voornaamste vernieuwers van het bisdom zien. Hij is een van de eerste kanunniken, die door Sonnius' toedoen in het kathedraal kapittel benoemd zijn, en werd de rechterhand van Mets bij diens begin der katholieke reformatie. Met de bisschop hield hij de eerste visitaties; hij beldeedde bovendien het dekenaat van Oss en was de enige president van het door Mets gestichte seminarie. In 1585 werd hij gekozen tot deken van het kathedraal kapittel, wat, gezien de houding van dit lichaam tegenover het seminarie, wel een merkwaardigheid moet heten. Benoemd tot bisschop van Deventer, maakte hij zich gereed dit ambt te aanvaarden, toen de stad Deventer weer in de macht der Staten-Generaal geraakte en dientengevolge

[p. 370]

de inbezitneming van de zetel uitgesloten was; de pauselijke institutie bleef dan ook achterwege. Ook als historicus heeft Coeverincx enige verdiensten: hij schreef voor Havensius het verslag over het Bossche bisdom, dat voorkomt in diens werk ‘Commentarius de erectione novortum in Belgio episcopatuum’ en legde een verzameling van oorkonden en aantekeningen over de geschiedenis van het bisdom aan, die in 1905-1907 als Analecta Gijsberti Coeverincx uitgegeven is.

De 25ste October 1593 verleende de heilige stoel de institutie aan de door de koning benoemde vierde bisschop van Den Bosch, Gijsbertus Maas, die 7 Maart 1594 te Brussel geconsacreerd werd door Petrus Simons, bisschop van Yperen, geassisteerd door Johan van Strijen, bisschop van Middelburg, en Laevinus Torrentius (van der Beken), bisschop van Antwerpen. De 18de Maart nam hij bij procuratie bezit van zijn zetel en 25 Maart 1594 hield hij zijn intocht in Den Bosch. Gijsbertus Maas was de eerste bisschop, die uit de Bossche kapittelkring zelf voortkwam. In 1545 of 1546 was hij te Zaltbommel geboren, in 1579 werd hij kanunnik van Sint Jan en kort daarop plebaan. Zowel aan het optreden van Coeverincx als kapittelvicaris als aan deze benoeming van Maas valt te zien, dat tussen de bisschoppelijke stoel en het kapittel gaandeweg meer normale verhoudingen ontstonden.

Met Gijsbertus Maas vangt eerst het geregelde proces van katholieke reformatie in het bisdom 's-Hertogenbosch aan. Dit is waarschijnlijk niet alleen een gevolg van de verbeterde omstandigheden, die nu bij betrekkelijke rust de leiding en het toezicht, vroeger zo uiterst bezwaarlijk, op meer normale wijze mogelijk maakten, maar ook van persoonlijke kwaliteiten, die de bisschop onderscheidden van zijn drie voorgangers. Sonnius, Mets en Crabeels waren, de een meer, de ander minder, bisschoppen van het politieke slag, hoofdambtenaren van een caesaropapistisch-ingesteld absoluut régiem, in hun militante orthodoxie sterker in de negatieve strijd tegen de als misdaad door de staat vervolgde ketterij, dan in de opbouw van het katholicisme.

Met Gijsbertus Maas treedt trouwens de nieuwe tijd zelf naar voren. Omstreeks 1570 gewijd, is hij al begonnen als priester der nieuwe bedeling; hij behoort tot de generatie van Sasbout Vosmeer en men kan dan ook zeggen, dat met hem eerst de Trentse

[p. 371]

koers vastberaden wordtingeslagen en gevolgd. Zijn episcopaat kan dus, wat het karakter betreft, geheel gelijkgesteld worden met de werkzaamheid van Sasbout in de Hollandse Zending. Het enige, maar zeer belangrijke verschil is, dat zijn reformatorenwerk de krachtige steun genoot van de overheid, terwijl dat van Sasbout geschiedde onder straffe vervolging en de van overheidswege met allerlei dwangmaatregelen opgelegde protestantisering had te trotseren. Dat de resultaten dus niet voor vergelijking vatbaar zijn, is duidelijk. Het was het Bossche bisdom beschoren, dit intensieve katholieke reformatieproces te ondergaan van de ambtsaanvaarding van Gijsbertus Maas in 1594 tot aan de inneming van Den Bosch door Frederik Hendrik in, 1629. Op het krachtige episcopaat van Gijsbertus Maas, dat tot 1614 duurde, volgde dat van Nicolaas van Zoes, een man van hetzelfde slag en een even positieve persoonlijkheid. Hij stierf in 1625 en werd opgevolgd door de Predikbroeder Michael Ophovius.

De twee voor Den Bosch beslissende episcopaten zijn geweest die van Maas en Zoes, samen de periode van 1594-1625 omvattend. Zo aan de aanvang van dit tijdvak de stad Den Bosch reeds definitief in Staatse handen was gekomen, zouden stad en Meierij vandaag hoogstwaarschijnlijk dezelfde confessionele kleur vertonen als Groningen en de Ommelanden. Nu het politieke lot van het bisdom Den Bosch nog een uitstel van 35 jaren onderging en de overgang eerst na de beslissende periode viel, stuitten alle protestan-tiseringspogingen af op de door Maas en Zoes opgetrokken muur. Het past in de compositie van dit werk deze episcopaten te behandelen parallel aan het werk van Sasbout en Rovenius in de Hollandse Zending.

3. Roermond

De oprichting van het bisdom Roermond mishaagde ten zeerste aan de Staten van Gelderland en aan de bisschop van Luik. Ook was hier, als in 's-Hertogenbosch, de tegenstand zeer fel in de zetelstad van de bisschop. De stedelijke overheden van Roermond waren niet te bewegen een bisschop te erkennen en uitten hun

[p. 372]

afkeer zelfs in bewoordingen, die in hoge mate kwetsend voor de functionaris waren. Het lijdt geen twijfel, of hier was als in Den Bosch, de gewone regentenafkeer van inquisiteurs en alle kerkelijke ambtenaren der centrale regering in het spel. Ook was in de Roermondse regentenkringen, zij het minder dan in de Bossche de sympathie voor zekere heterodoxe gevoelens wel zo sterk als in dezelfde kringen in de Hollandse steden.

Overziet men deze verschijnselen, die Roermond samen een lastige en met omzichtigheid te behandelen stad maakten, dan moet men erkennen, dat de persoon van de nieuwe bisschop de moeilijkheden zeker vergroot en de tegenstand geaccentueerd heeft. Immers Willem Damasz. van der Lindt, gewoonlijk aangeduid met zijn in de wereld bekende schrijversnaam Lindanus, was een man van onstuimig temperament met sterke voorliefde voor hyperbolische, in drastische termen vervatte critiek, zozeer zelfs, dat sommige overkiese pennen geweigerd hebben zijn vele invectieven weer te geven17.. Hij was een figuur van internationale betekenis, die, zonder van hoge geboorte te zijn - hij was een Dordtse burgemeesterszoon; de mededeling, dat hij van adel geweest zou zijn, klinkt onbetrouwbaar -, in de hoogste kringen van kerk en staat zijn stem liet klinken met grote stelligheid en gezag. Zowel op Alva, Requesens, Don Jan en Parma als op Philips II zelf heeft hij persoonlijke invloed geoefend en de politiek van paus Gregorius XIII ten opzichte van de Nederlanden is mede door hem bepaald. Ook is zijn advies waarschijnlijk van betekenis geweest voor de benoeming van Sasbout Vosmeer tot hoofd van de Hollandse Zending. Op Sasbout zelf heeft hij trouwens zeer sterke invloed geoefend. Verder was hij een vruchtbaar apologeet en een scherp polemicus; het aantal van zijn geschriften bedraagt omstreeks tachtig18..

Van alle in het huidige koninkrijk benoemde bisschoppen uit de zestiende eeuw was hij ongetwijfeld de grootste; het is min of meer beschamend, dat van hem tot dusver wel een karakteristiek uit zijn Friese jaren19., maar geen behoorlijke biografie is verschenen en dat de Duitse studie over hem, die in 1926 verscheen, onvoltooid is gebleven20.. Onder de koninklijke bisschoppen de meest gezaghebbende, de strengste criticus van de heersende corruptie, zelf van zulk een soberheid van leven, dat zijn heldhaftige

[p. 373]

deugdbeoefening op de tijdgenoten diepe indruk gemaakt heeft, gold hij in de ogen van velen, die hem in zijn dagelijks doen en laten kenden, blijkbaar als een heilige. Zo echter beminnelijke zachtmoedigheid, angstvallige behoedzaamheid om het gekrookte riet niet te breken, heilig geduld en voorzichtig oordeel behoorden tot de strikte voorwaarden voor de canonisatie, zou Lindanus er weinig aanspraak op hebben. Om een echte bisschop van de katholieke reformatie te zijn, ontbraken hem die eigenschappen, welke Sint Franciscus van Sales daarvan het model gemaakt hebben. Tussen de hoofse en milde bisschop van Genève en de meedogenloze bisschop van Roermond bestaat een scherp karakterverschil. Zij representeren dap ook twee op elkaar volgende generaties en die plegen scherpe contrasten te vertonen. De generatie van Lindanus en Sonnius leeft meer in de of- en defensieve mentaliteit dan in de opbouwende, verzoenende, die zo kenmerkend is voor Franciscus van Sales en zijn verwanten. Wat Lindanus aangaat, is het treffend, dat hij, ofschoon met Petrus Canisius bevriend, van deze de opmerking te vernemen kreeg, dat hij door zijn onbarmhartige scherpte de afgedwaalden eer afstootte dan terugvoerde21.. Deze karaktertrek van de Roermondse bisschop trok ook de aandacht van Brusselse regeringspersonen en gaf in hun kring herhaaldelijk tot bedenkingen aanleiding, maar heeft toch nooit het grote prestige, dat Lindanus daar genoot, kunnen verminderen. Bij de beoordeling van deze weinig soepele figuur verlieze men niet uit het oog, dat hij de jongste was van alle in 1561 benoemde bisschoppen: hij was in 1525 geboren en telde dus bij zijn bevestiging door de paus op de Roermondse stoel nauwelijks 36 jaren.

De 4de April 1562 werd Lindanus door Granvelle te Mechelen geconsacreerd. Reeds enige maanden te voren was de landvoogdes begonnen met pogingen hem door de locale en gewestelijke autoriteiten te doen erkennen. Deze pogingen waren mislukt: de Staten van Gelderland klampten zich vast aan het befaamde tractaat van Venlo en weigerden, overeenkomstig heel hun politiek jegens de centrale regering, deze inbreuk op hun gewestelijke souvereiniteit te erkennen. De 23ste Februari 1563 gelastte Margareta van Parma stadhouder, kanselier en raden van Gelderland de nodige maatregelen te treffen, die tot de plechtige installatie van de bisschop nodig waren. De kanselier Nicolai maakte ernst met de op-

[p. 374]

dracht en begaf zich naar Roermond om de magistraat te bewegen Lindanus als bisschop in de stad toe te laten. De magistraat weigerde echter onder het voorwendsel dit niet eigenmachtig te kunnen doen, daar deze aangelegenheid het hele landschap aanging. Dat dit een uitvlucht was, begreep de kanselier wel: slechts een klein deel van het gewest zou onder het nieuwe bisdom komen; het kon dus kwalijk een zaak zijn, die de hele landdag aanging. Besprekingen van stadhouder, kanselier en raden en briefwisseling met de landvoogdes en haar adviseurs Hoppers en Viglius leidden tot de overweging, dat het bijeenroepen van de Staten afgekeurd moest worden, omdat een afwijzende beschikking - die vrij stellig te voorspellen viel - een klap in het gezicht van de regering zou zijn en de goede zaak definitief zou bederven. Viglius en Hoppers adviseerden, dat de bisschop zonder enig vertoon in de stad zou komen en aldus de locale en evenzeer de gewestelijke autoriteiten zou stellen voor een voldongen feit. De kanselier Nicolai helde ook tot dit denkbeeld over, maar de stadhouder, Charles de Brimeu, voorzag, dat de Staten zich in dit geval niet bij het feit zouden neerleggen, doch eigenmachtig in vergadering zouden bijeenkomen en een protest indienen. De stadhouder had blijkbaar van de gedachtengang van de regenten en vooral van de stad Roermond een heldere voorstelling; de stad schreef hem in deze dagen ronduit, dat zij niet bereid was een bisdom Roermond noch ‘einen genannt Wilhelmus Lindanus’ als bisschop te erkennen. Daarom adviseerde Brimeu de regering te wachten, tot de tijden gunstiger werden. De landvoogdes, vermoedelijk ook tot deze opvatting gekomen, werd echter na een groot jaar door de koning aangespoord de installatie van de bisschop van Roermond door te zetten. In December 1565 bracht zij het uitdrukkelijk bevel van de koning aan stadhouder, kanselier en raden over. Dezen waren inmiddels tot geen ander inzicht bekeerd; integendeel volhardden zij bij het vroeger ingenomen standpunt en gaven de landvoogdes onverbloemd de raad haar pogingen te staken, daar een plechtige intocht van de bisschop door de houding van de staten uitgesloten was en een heimelijke vestiging het prestige van regering en bisschop zou schaden. Dit advies deed de deur toe: Margareta van Parma liet de zaak rusten22..

Lindanus bleef als deken te 's-Gravenhage fungeren en in deze

[p. 375]

hoedanigheid zekere invloed oefenen op het reformatieproces in het aartsbisdom, speciaal op de aandrang tot het onverkort afkondigen van de decreten van Trente; ook woonde hij het provinciaal concilie van Utrecht bij. Tevoren had hij trouwens reeds dat van Kamlerijk bijgewoond, dat van 24 Juni tot 25 Juli 1565 gehouden werd. Op welke titel hij hier aanwezig was, schijnt niet bekend; het is zeer wel mogelijk, dat hij een opzettelijke uitnodiging ontvangen had. Zo bleef Roermond zonder bisschop en duurde de jurisdictie van de Keulse en de Luikse kerkelijke autoriteiten voort. Zij waren het ook, die kort na 1565 het concilie van Trente lieten afkondigen. Merkwaardigerwijze vernemen wij niet, dat de civiele autoriteiten daartegen in verzet kwamen, ofschoon zij op een aanschrijving van Margareta van Parma antwoordden tegen de afkondiging grote bezwaren te hebben, wijl de decreten in vele opzichten inbreuk maakten op de rechten van gewestelijke en plaatselijke autoriteiten en particulieren. Charles de Brimeu sloot zich bij deze verklaring aan, gelijk hij trouwens de indruk maakt, ook de bezwaren tegen de installatie van Lindanus gedeeld te hebben23..

Zo was ook in Roermond bij de komst van Alva nog niets tot stand gebracht van wat de koninklijke besluiten en de pauselijke bullen aangaande het nieuwe bisdom voorschreven. De hertog wist het verzet van de civiele autoriteiten te breken. In tegenstelling met de situatie in andere bisdommen was hier blijkbaar het verzet uit clericale kring minder krachtig en hardnekkig; de deken van het Roermondse kapittel schijnt zelfs tot de komst van de bisschop con amore te hebben meegewerkt24.. Eerst 11 Mei 1569 was alles zover vereffend, dat de plechtige installatie van Lindanus eindelijk kon geschieden. Hij werd door commissarissen van Alva, afgevaardigden van de magistraat, de leden van het kapittel en de geestelijkheid de stad binnengeleid. Reeds drie dagen na deze intocht liet de bisschop de geestelijkheid convoceren tot een diocesane synode. Deze had 24 Mei 1569 te Roermond plaats; bij deze gelegenheid verdeelde de bisschop het bisdom in de negen reeds genoemde dekenaten. Omstreeks deze tijd moeten ook de benoemingen van zijn voornaamste medehelpers hebben plaatsgevonden. Hoe lastig het bestuur over dit verbrokkelde bisdom zou zijn, bleek reeds uit de noodzakelijkheid drie officialen te benoemen,

[p. 376]

d.z. 's bisschops vervangers in justitionele aangelegenheden. Het befaamde ius de non evocando, waarop de civiele autoriteiten tegenover de geestelijke altijd hardnekkig vasthielden, dwong tot de aanstelling van een afzonderlijke officiaal in elk der drie politieke territoria, waarin het bisdom uiteenviel: een Gelders deel, een Brabants deel en het onder een eigen heer staande land van Valkenburg. Zo zag Lindanus zich genoodzaakt officialen aan te stellen te Roermond, Cuyck en Valkenburg25..

De kennismaking van de nieuwe bisschop met zijn clerus ter gelegenheid van de eerste synode schijnt niet tot wederzijdse tevredenheid te zijn afgelopen; de bisschop ten minste toonde zich allerminst met zijn medehelpers ingenomen, toen hij getuigde geconstateerd te hebben, dat van de 200 pastoors er maar zes de gelofte van kuisheid in acht namen. ‘Nauwelijks geloofwaardig’ is dit bericht terecht genoemd26.; het is, dunkt mij, een van die uitingen, welke voor Lindanus kenmerkend zijn: er waren in zijn hele bisdom, dat immers maar ruim 140 parochies telde, geen 200 pastoors; gezien de alom-verbreide, door de oorlogstoestand nog verergerde priesternood, kunnen er nauwelijks 100 geweest zijn. Hoe hij bovendien op de synode zulk een exacte kennis kon opdoen van hun levensgedrag, is moeilijk te bevroeden.

Overigens kon ook deze eerste synode, waarvan de besluiten niet gedrukt schijnen te zijn, slechts als een voorspel gelden. Van meer betekenis was de tweede, die begin September 1570 gehouden werd. De statuten van deze tweede synode zijn 6 September 1570 door de bisschop afgekondigd27.. Zij behelzen de gewone, bij de andere provinciale conciliën en diocesane synoden reeds genoemde bepalingen, behorende tot het geheel der Trentse decreten. Vooreerst werden strenge voorschriften gegeven in zake de administratie van dopen en trouwen. Verder werden de bepalingen omtrent de huwelijkssluiting en het verbod van clandestiene huwelijken nadrukkelijk ter inscherping aan de gelovigen aanbevolen. De buiten de Zondagen voorgeschreven kerkelijke feestdagen werden vastgesteld; het Mechelse concilie van 1570 had er een veertigtal aangenomen; niet tevreden daarmee, voegde Lindanus er voor Roermond nog vijf aan toe. Omtrent de Zondagspreek bevatten de statuten verder practische voorschriften, vooral ter verkrijging van de nodige bevattelijkheid; speciaal moeten die leerstuk-

[p. 377]

ken worden toegelicht, welke door de protestanten van allerlei schakering in twijfel worden getrokken. Ter bekering van de afgedwaalden beveelt de bisschop merkwaardigerwijze grote zachtmoedigheid aan. Zeer sterk is de nadruk, die gelegd wordt op het bestrijden van bijgelovige praktijken, en strenge straffen worden vastgesteld voor pastoors, die deze praktijken voet geven: waarzeggerij, handel in briefjes of amuletten, bezweringen van mens en dier enz.; wie zich met deze praktijken inlaat, moeten de sacramenten worden geweigerd28.. Omtrent het leven der geestelijken worden de bekende verbodsbepalingen aangaande het concubinaat, het drukke herbergbezoek, de wereldse kleding enz. afgekondigd. De vooral op dit punt met de heersende practijken maar al te goed bekende Lindanus zal zich wel niet verbeeld hebben, spoedig een belangrijke keer ten goede te beleven. Zelfs moet het vernieuwen van de clerus hier bijzondere bezwaren ondervonden hebben, doordat machtige adellijke of vorstelijke kerkpatronen, die veelal de benoemingen der pastoors in handen hadden, zich niets aan de strenge bisschoppelijke voorschriften gelegen lieten liggen. De ontzettende priesterschaarste in zijn diocees, die o.a. blijkt uit Lindanus' klacht op de derde door hem gehouden Roermondse synode van 1574, dat zijn bisdom in 18 jaren geen enkele priester had voortgebracht, moet die beoogde zuivering ook niet weinig vertraagd hebben. Ten slotte zullen wij zien, dat de politieke troebelen dit gewest gedurende heel de ambtstijd van Lindanus bij herhaling zozeer teisterden, dat alle opbouwend werk er verijdeld werd.

Tot de maatregelen, die de bisschop nam ter voortzetting van het op de synode verhandelde, behoren zijn voorschriften aangaande de te gebruiken liturgische boeken. De tot dusver door de geestelijken gebruikte brevieren en missalen der oude bisdommen Luik en Keulen werden vervangen door het Romeinse brevier en missaal. Voor het met grote nadruk voorgeschreven godsdienstonderricht zal hij ongetwijfeld de door hem in 1566 te Antwerpen uitgegeven katechismus (De cleyne catechismus, d.i. het Christelijk onderwijs der kinderen) voorgeschreven hebben. In 1571 verscheen bovendien van zijn hand een ‘Catechismus scholasticus’, d.i. een beknopte bewerking van de katechismus, die Pius V in opdracht van het Trentse concilie ten behoeve van

[p. 378]

de pastoors en dus niet voor het volk samengesteld en uitgegeven had. Deze schreef Lindanus zijn clerus ten gebruike voor. Merkwaardig is het, dat ook hij het decreet van 1557 negeerde, waarbij Philips II in alle Nederlanden het gebruik van de katechismus van Petrus Canisius had voorgeschreven ‘op de zwaarste straf met uitsluiting van alle andere leerboeken’29.. Een vervolg op al deze maatregelen der katholieke reformatie is de oplegging van statuten aan het kathedraal kapittel, dat ze 3 Mei 1573 onder protest van een der leden aannam30..

Onmiddellijk na het houden van de eerste diocesane synode, in de zomer van 1569, begon Lindanus de visitatie van zijn bisdom. Zijn eerste visitatie gold de parochies langs de route Venlo, Geldern, Stralen, Wachtendonk, Nijmegen, Grave en Batenburg. In de genoemde steden hield de bisschop zich enige weken op; hij diende er het vormsel toe, hield visitatie en preekte er verscheiden malen. In het begin van het volgende jaar visiteerde hij het dekenaat Weert, waar hij veel wantoestanden vond: nawerking van de protestantisering, ingezet door de vrouwen van Weert, Anna van Egmond en haar schoondochter, Walburga van de Nieuwenaer, de vrouw van de bekende Philips de Montmorency, graaf van Hoorne. Weliswaar had de graaf zelf, zeker ook ten dele met het oog op zijn positie in de Raad van State, de door zijn vrouw genomen of gedulde maatregelen tenietgedaan, maar een haard van onrechtzinnigheid was het door een veile clerus bediende graafschap toch gebleven31.. Zelfs waren de in 1566 onder protectie van de gravinnen deerlijk gebeeldstormde kerken nog geenszins gerestaureerd. Lindanus reconcilieerde ze, zette vervolgens pastoor Petrus Mosanus, die onder de gravinnen-dictatuur het protestantisme had ingevoerd, maar inmiddels weer ‘tot de oude gebruiken teruggekeerd’ was, en enige andere priesters van hetzelfde allooi af, deed op de markt een auto-da-fé van ketterse geschriften aanrichten, begon met preken en vormseltoediening en wekte de bevolking op tot een verjongd geloof. Genoodzaakt dit werk te onderbreken om het provinciaal concilie te Mechelen te gaan bijwonen, keerde hij na afloop hiervan naar Weert terug en zette het afgebroken werk voort.

In 1571 visiteerde hij het land van Valkenburg en diende er het heilig vormsel toe. Het volgende jaar kwam zijn heilzaam werk

[p. 379]

voorlopig tot een droevig einde. Willem van Oranje, die er eindelijk in geslaagd was, weer een leger bijeen te brengen, stak daarmee 8 Juli 1572 bij Duisburg de Rijn over, rukte het Overkwartier van Gelre binnen, bezette 17 Juli het zich bij capitulatie overgevende Geldern en trok over Straelen en Wachtendonk naar Roermond, dat hem weigerde in te laten, maar na het doorstaan van enige bestormingen genoodzaakt was zich over te geven. De troepen hielden er verschrikkelijk huis, vooral onder de clerus. Lindanus wist te ontvluchten, maar zijn huis, het oude S.-Hierony-musklooster, werd geplunderd, waarbij zijn rijke bibliotheek vernield werd. Hij stak de Maas over, trok door het land van Weert naar Maastricht, vandaar over Luik, Leuven en Gent naar Douai, waar hij enige tijd vertoefde om zich vervolgens in Antwerpen te vestigen, in afwachting van een keer in de politieke ontwikkeling, die hem naar zijn bisdom zou terugvoeren. De troepen van de prins vermoordden te Roermond tal van burgers, waaronder 23 priesters. Vooral het bloedbad, dat zij in het Kartuizer klooster aanrichtten, heeft's prinsen naam geschandvlekt. Van de 23 conventualen der kartuize Bethlehem werden er twaalf op de wreedste wijze van het leven beroofd. In het klooster van de Minderbroeders in de Neerstraat werden ten minste drie priesters vermoord; andere slachtoffers waren de secretaris van de bisschop, Paulus van Waelwijck, en een drietal reguliere kanunniken van het voormalige S. -Hieronymusklooster32.. In Augustus verliet het grootste deel der tuchteloze horden de stad om Bergen in Henegouwen te ontzetten. Deze onderneming mislukte, waarop de prins alle troepen begin October afdankte. De 12de October trok een Spaanse bezetting de stad binnen; eind October was ook Lindanus weer terug. Zijn huis was nagenoeg verwoest. Hij geraakte er spoedig in heftig conflict met de regenten en ambtenaren, die beslag gelegd hadden op tal van kerk- en armenfondsen en deze niet wensten te restitueren.

Het werk van de bisschop werd in de eerstvolgende jaren ten zeerste belemmerd door het gestadig dreigende oorlogsgeweld. Heel het gewest werd door troepen afgestroopt en nu door deze, dan door gene bende gebrandschat. Eerst de slag op de Mokerheide in het voorjaar van 1574 bracht het Overkwartier enige verademing. Door het provinciaal concilie, dat in de zomer van 1574

[p. 380]

te Leuven gehouden werd, was Lindanus echter verhinderd van deze gunstige gelegenheid gebruik te maken. In 1576 moest hij zijn stad opnieuw metterhaast verlaten: het Spaanse garnizoen sloeg aan het muiten en plunderde tal van particuliere huizen en kloosters. Lindanus vluchtte naar Meerssen en hield vandaar uit een visitatie-reis door het land van Valkenburg. Daar het ook te Maastricht onder de slecht betaalde troepen onrustig werd, week de bisschop vervolgens naar Luik uit. Omstreeks Pasen 1577 lieten de toestanden in Roermond pas zijn terugkeer toe. Na in zijn kathedraal Pasen te hebben gevierd, begon hij een visitatiereis, maar de nadering van de Staatse troepen, die, naar het gerucht liep, zicht van hem wilden meester maken, noopte hem opnieuw tot vluchten. Hij vertrok naar Keulen, waar hij van October 1577 tot Januari 1578 samen met de eveneens uitgeweken bisschop van Middelburg, Johan van Strijen, in een Carmelietenklooster vertoefde. Daarop vertrok hij naar Brussel. Hier had hij een bespreking met Don Jan van Oostenrijk, wie hij kort daarna een gepeperde uiteenzetting van de bestaande wantoestanden in de Nederlandse kerk toezond33.. Vermoedelijk was het ook een uitvloeisel van dit onderhoud, dat hij zich vervolgens naar Rome en Madrid begaf.

Te Rome verbleef hij drie maanden. Gedurende deze tijd werd hij vaak bij Gregorius XIII toegelaten, die zijn advies over tal van aangelegenheden van theologische, disciplinaire en politieke aard vroeg. De omstreeks deze tijd door de paus vastgestelde bepalingen omtrent de houding, die de priesters tegenover de opstand hadden in te nemen, betekenden een positief ingrijpen ten gunste van Philips II en zijn zeker ten dele door Lindanus geïnspireerd. Deze had de paus gewezen op de medewerking van vele katholieken, en daaronder verscheiden Zuidnederlandse abten en enige bisschoppen, aan een opstandsbeweging, die tot ernstige vervolging van het katholicisme en tot verbreiding van het calvinisme strekte.

Heel zijn reis van Brussel over Rome naar Madrid wettigt de onderstelling, dat Lindanus hier een schakel tussen paus en koning was. Zeker was het ingrijpen van Gregorius XII ten gunste van de Spaanse zaak uit godsdienstig en kerkelijk-politiek oogpunt niet geheel onbedenkelijk; deze politiek is dan ook door de heilige stoel

[p. 381]

niet lang voortgezet. Het bedenkelijkst schijnen de voorschriften, die het geweten betreffen; deze gingen zelfs zover, dat aan soldaten in het leger van Maurits straks in stervensgevaar de heilige sacramenten moesten geweigerd worden. Overigens is dit onpauselijk rigorisme typerend voor Lindanus; zijn invloed op de paus zou dan ook in dezen misschien ongunstig genoemd noeten worden. In Lindanus school in dit opzicht te veel van de fan aticus. Dit is al verldaarbaar uit zijn karakter, maar bovendien door de ervaring, die hij aangaande Oranje's optreden ten gunste van de religievrede opdeed.

Vermoedelijk heeft hij ook de Middelburgse bisschop Johan van Strijen en de latere apostolische vicaris Sasbout Vosmeer in rigoristische richting beïnvloed. Vooral de laatste, die, ofschoon veel minder begaafd, sterke overeenkomst met Lindanus vertoont, heeft door zijn onpractisch vasthouden aan de Spaanse pretenties zijn eigen positie verzwaard en de missie misschien enigszins geschaad. In dit opzicht toonde zelfs een zo nauw aan de Brusselse regering geliëerd bisschop als Sonnius een wat onafhankelijker kijk op de politieke verhoudingen. Een ander onderwerp, dat tussen Gregorius XIII en Lindanus besproken werd, is de verzorging der verweesde Noordnederlandse bisdommen geweest. Het is nog altijd niet bekend, langs welke weg de paus het eerst op Sasbout Vosmeer gewezen is en wie hem het denkbeeld heeft ingegeven van diens aanstelling ad interim, d.i. zolang de vacante zetels niet bezet konden worden. Het is wel niet al te gewaagd, ook aan Lindanus als tussenpersoon te denken.

Van het tussen de koning en hem besprokene is tot dusver te weinig bekend; het enige, dat wij er van vernemen is, dat de bisschop aan Philips II de nood gedemonstreerd heeft, waarin de kerk der Noordelijke Nederlanden binnen zeer korte tijd zou komen te verkeren bij gebrek aan priestertoevoer. Van alle Nederlandse bisschoppen heeft Lindanus het dreigende vacuum waarschijnlijk het scherpst gezien. Er zou zelfs reden tot verwondering gevonden kunnen worden in het feit, dat deze ondernemende en volhardende bisschop niet of nauwelijks aan de stichting van een diocesaan seminarie is toegekomen, indien er niet zekere redenen waren om aan te nemen, dat Lindanus jegens het seminarie in Trentse geest zekere reserves had. Uit zijn daden

[p. 382]

valt wel ongeveer op te maken, dat hij de universitaire opleiding prefereerde, al kon deze voorkeur een man van zijn karakter niet van maatregelen ten behoeve van een diocesane priesterschool terughouden. Het is echter een hardnekkig misverstand, te menen, dat het concilie van Trente de priesteropleiding tot een monopolie van de seminaries wilde maken. Wel schreef het34. voor, dat bij alle kathedrale kerken een seminarie gesticht zou worden, d.i. een kweekschool met louter interne leerlingen, bij voorkeur onbemiddelden. Het verplichtte hiermee de bisschoppen en de kathedrale kapittels tot het scheppen van een college, dat vooral onbemiddelde jongens zou opvoeden en voor de kerkdienst opleiden. Daarmee beoogde het waarschijnlijk een uit sociaal oogpunt zeer gewenste hervorming van de bestaande kapittelscholen, die voor een deel nauwelijks een andere taak hadden dan de kathedrale of collegiale eredienst mogelijk te maken, en vervolgens opende het voor de in de lagere klassen sluimerende roepingen de weg naar het priesterschap, die voor meervermogenden door de theologische faculteiten van de universiteiten liep. Het concilie bepaalde geenszins, dat men om priester te worden zulk een diocesaan seminarie moest doorlopen; de voor onbemiddelde jongelieden moeilijk te volgen weg door de universiteit bleef evenzeer open35.. Heel de in de 23ste zitting van het concilie vastgestelde regeling moet begrepen worden uit het oogpunt van de schrikkelijke priesternood en de onder de clerus gevonden corruptie. Vandaar deze mobilisatie van beschikbare krachten uit alle klassen, gecombineerd met maatregelen tot bescherming van de roeping door intieme geestelijke leiding van ervaren zielzorgers en voortdurend contact met de bisschop van het diocees.

Lindanus gevoelde blijkens zijn daden het meest voor een combinatie van de laatstbedoelde maatregelen met de universitaire opleiding36.. Als groot theoloog en oud-hoogleraar was hij zeer sterk geporteerd voor een opleiding in de wetenschappelijke centra. Zo zien wij hem aan de koning ter gelegenheid van zijn bezoek in het voorjaar van 1580 het voorstel doen aan de Leuvense universiteit een college te stichten, waaraan onbemiddelde jongelieden uit de verweesde Nederlandse bisdommen kost en inwoning onder geestelijke leiding en practisch-spiritualistische scholing zouden

[p. 383]

vinden, terwijl zij voor de eigenlijke theologische studiën op de theologische faculteit werden aangewezen. De beoogde stichting was dus een convict. De koning voldeed aan het verzoek, nadat Lindanus hem de dreigende ramp der priesterloosheid had uiteengezet, en stichtte hetzelfde jaar het Collegium Regium37.. Dat de voortvluchtige bisschop van Middelburg, Johan van Strijen, tot eerste rector van het nieuwe instituut benoemd werd, is stellig ook op voordracht van Lindanus geschied. Voor zijn eigen bisdom heeft hij dit Collegium Regium wel niet bepaald bedoeld.

Voor de aanstaande priesters uit het Roermondse kwam de Keulse universiteit vanouds eer in aanmerking dan de Leuvense. Zo hij al pogingen mocht aangewend hebben ook te Keulen, waar al sinds 1438 een convict voor studenten uit de stad Roermond bestond, voor de theologische studenten uit zijn diocees een bepaald instituut te scheppen, hebben de weinig verkwikkelijke toestanden, die daar omstreeks deze tijd heersten, de verwezenlijking wel belet. Wat de seminariestichting in het bisdom zelf aangaat, wel was op de tweede diocesane synode van 1570 in beginsel daartoe besloten, maar tot volledige uitvoering van het besluit is het onder Lindanus nooit gekomen, al had de synode ook een heffing van ½ % op alle beneficiën tot zijn onderhoud vastgesteld. Wel heeft hij in 1572 vlak na zijn terugkomst in de stad de rector van het college der Jezuieten te Keulen aangeschreven om een viertal paters, die te Roermond een college zouden moeten openen, dat ongetwijfeld bestemd was het diocesane seminarie te worden. Lindanus was als krachtig kampioen van de Trentse hervorming voor de Societeit zeer geporteerd, ten minste toen nog - later schijnt hij enige moeilijkheden met leden van de S.J. gehad te hebben, die zijn voorkeur tijdelijk wel bekoelden -; reeds in 1558 had hij vestiging van Jezuieten in Friesland tot herstel van het vervallen kerkelijk leven aanbevolen. Het in 1572 gedane verzoek bleef zonder resultaat. In 1580 herhaalde Lindanus het, zodra hij weer in zijn stad terugkwam. Hij riep de hulp van de paus en van Alexander van Parma er toe in en betoogde de noodzakelijkheid van een stichting als hij bedoelde, door te wijzen op het droevige feit, dat zijn bisdom in de periode 1560-1580 maar één priester had opgeleverd. Ook ditmaal slaagden zijn ijverige pogingen niet. Vergeefs trachtte hij van de koning enige subsidie

[p. 384]

te verwerven voor de stichting van het Roermondse college. Ook tijdens zijn verblijf te Rome legde hij het semninarieprobleem aan de paus voor. Hij poogde Gregorius XII te bewegen tot medewerking aan de stichting van een seminarie te Den Bosch, bestemd ter opleiding van priesters voor alle Noordnederlandse bisdommen, maar de dood van deze paus, die zijn grote belangstelling voor de recrutering van priesters door tal van initiatieven, o.a. door zijn stichting van de Gregoriana, bewezen had, verijdelde al zijn plannen38.. Teruggekeerd te Roermond, ging Lindanus er eindelijk toe over in een door hem gekocht voormalig klooster der Begaarden, dat voor het college der Jezuieten bestemd was, een seminarie te stichten. Hij benoemde in 1587 de scholaster van de kathedraal tot regent, maar schijnt de opening van de stichting niet meer beleefd te hebben.

Sinds de inneming van Maastricht door Parma in Juni 1580 was het Lindanus weer mogelijk zijn herderlijk werk te volbrengen. Kerstmis 1580 was hij reeds terug. Ofschoon hem in het door de oorlog en de protestantiseringspogingen zeer ontredderde Roermondse bisdom genoeg werk wachtte, ging hij in 1581, nadat Parma Breda had ingenomen, op verlangen van de veldheer naar deze stad om er de leiding te nemen van de katholieke restauratie. Het was hier, dat hij het plan van de hertog om in de stad een Jezuietencollege te doen stichten, afkeurde. Ook in Den Bosch werd hij door Parma in 1583 belast met de leiding der restauratie. In de tussenliggende tijd had hij verscheiden delen van zijn bisdom gevisiteerd. Van eind 1584 tot eind 1585 vertoefde hij andermaal te Rome, vermoedelijk daarheen ontboden om van advies te dienen over de ten aanzien van de verweesde bisdommen te nemen maatregelen. Bitter klaagde hij bij zijn terugkomst in November 1585 in een brief aan Caesar Baronius, die voor de Nederlanden zeer veel belangstelling had en ook met Sasbout correspondeerde, over de toestand, waarin hij zijn bisdom gevonden had: nog steeds was het ten prooi aan allerlei strooptochten van ongedisciplineerde horden; tal van pastorieën stonden leeg, doordat de pastoors vermoord of verdreven waren39..

In 1586 restaureerde hij het katholicisme in Grave en Venlo, pas tot de Spaanse zijde teruggekeerd; vervolgens bezocht hij Nijmegen, dat, bij verdrag van 15 April 1585 tot de zijde van Par-

[p. 385]

ma overgegaan, dringende voorziening in zake de katholieke godsdienst behoefde. In deze jaren werd de bisschop op zijn vormen visitatiereizen in den regel veiligheidshalve vergezeld van een door Parma tot zijn beschikking gesteld militair escorte.

Inmiddels liep het episcopaat van Lindanus te Roermond ten einde. In de loop van 1588 werd hij tot bisschop van Gent benoemd, dat sedert de dood van Cornelius Jansenius de Oudere in April 1576 vacant was. De benoeming was stellig geschied in de overtuiging, dat het zwaar geteisterde en door een calvinistische terreur van 1576 tot 1584 volkomen ontredderde bisdom een bij uitstek krachtige hand nodig had om er de katholieke restauratie te leiden. Alexander van Parma, die Lindanus door zijn werk in het bisdom Roermond en zijn incidentele diensten voor de restauratie in Breda en Den Bosch had leren kennen, moet hem daartoe aanbevolen hebben. Aldus maakte de thans 63-jarige, na 19 jaren zijn volle kracht gegeven te hebben aan het werk in Roermond en inmiddels door zijn adviezen en bemoeiingen ook meermalen leiding te hebben gegeven aan de katholieke reformatie in de andere Noordnederlandse bisdommen, zich voor een niet minder zware taak op.

Het was hem echter niet gegeven deze te volbrengen. In Juli vertrok hij uit Roermond; in Augustus hield hij zijn plechtige intocht te Gent, maar kort daarop werd hij ernstig ziek. De 2de November 1588 overleed hij aldaar. In de Sint Bavo werd deze onvermoeide strijder voor de grote zaak van de katholieke reformatie, deze Hollander, die voor het behoud van het katholicisme in alle delen van de Nederlanden meer gedaan heeft dan een van de andere door Philips II benoemde bisschoppen, naast zijn voorganger begraven. Zonder zichzelf te ontzien had hij zijn krachten verteerd. Prekende, vormende en visiterende heeft hij het hem toevertrouwde bisdom van dorp tot dorp doortrokken, meermalen daarbij in gevaar verkerend voor het eigen leven. Gevreesd en gehaat bij velen, die hij zonder aanzien van persoon of waardigheid streng berispte, strafte, ontsloeg of aan de wereldlijke rechter overleverde, onverzettelijk in zijn vele conflicten met civiele bestuurders, heeft hij nooit geweifeld zijn harde plicht te doen. Er was maar weinig rhetorica in, toen hij in 1574 aan de landvoogd Requesens schreef, zijn bisdom zo stelselmatig te heb-

[p. 386]

ben verkend, dat hij met Ezechiël kon getuigen, de gezichten van al zijn schapen te kennen40..

Ook wie niet blind is voor de schaduwen op zijn beeld en erkent, dat zijn hardheid, zijn ongetemde critiek, zijn vlijmende pen zijn onderhorigen belet moeten hebben in hem de vaderlijke zielenherder te zien, kan instemmen met de verzuchting, dat zulke figuren aan het hoofd van de door Philips II in 1559 gestichte organisatie al te zeer gemist werden. Er is enige grond voor de onderstelling, dat Lindanus, als hij reeds in het jaar van zijn wijding, 1562, dus op 37-jarige leeftijd, zijn zending in het bisdom Roermond had kunnen beginnen, door zijn voorbeeld, zijn werkkracht en zijn scherpzinnigheid de andere bisschoppen had meegesleept en daardoor het thans tot schamele resultaten beperkt gebleven proces der katholieke reformatie, d.i. in de eerste plaats der regeneratie van de clerus, vaste voet had doen verkrijgen, toen de protestantisering de Noordnederlandse kerk overrompelde41.. ‘Een der grootste mannen van onze eeuw’ heeft kardinaal Baronius hem genoemd42.; voor de Nederlanden was deze uit een veelszins door corruptie aangetaste, gedegenereerde clerus afkomstige priester een man der Voorzienigheid, wiens verstorven leven van onvermoeide arbeid ondanks alle beletselen van tijd en omstandigheden zijn volk tot heil geweest is.

Het kapittel koos bij het vertrek van Lindanus de deken van het kathedrale kapittel, Gregorius Gherinx, tot vicarius-capitularis, welke functie deze van 1588 tot 1596 bekleedde. Van hemzelf geeft de litteratuur tot dusver geen duidelijke voorstelling. Hij was te Sint Truyen geboren en stierf 16 Augustus 1601 te Roermond. Sinds 28 Juni 1580 was hij kanunnik te Roermond, sedert 1586 deken van het kapittel. Volgens Havensius, de tijdgenootgeschiedschrijver van de stichting der nieuwe bisdommen en hun vroegste functionarissen, was Gherinx, die hem vele inlichtingen omtrent Lindanus verstrekt heeft, een ‘onberispelijk, oprecht en volijverig’ priester. Er zijn enige aanwijzingen, dat hij zich door visitatiereizen zoveel mogelijk op de hoogte trachtte te houden van de toestand in het bisdom. Hij legde een dagboek aan, waarvan een gedeelte bewaard gebleven is; het berust onuitgegeven in het bisdomsarchief te Roermond. Ofschoon wij verder van de ambtstijd van Gherinx niets weten mogen wij op grond van deze

[p. 387]

vage aanwijzingen misschien aannemen, dat dit bestuur sede vacante het diocees niet al te zeer geschaad heeft. In deze jaren was namelijk in de meeste gevallen de overgang van de jurisdictie en het gezag aan het kapittel een terugval in een toestand van corruptie, daar deze lichamen op dit tijdstip merendeels nog niet gezuiverd waren en de katholieke reformatie eer dwarsboomden dan bevorderden. Men bedenke, hoe het Bossche kapittel sede vacante het bisschoppelijk seminarie om hals wist te brengen. De bestuursperiode van Gherinx was door de politieke veranderingen voor het bisdom zeer ongelukkig. Sedert het zegevierend opdringen van Alexander van Parma was het in steeds betere conditie gekomen: in 1579 was Maastricht veroverd, in 1585 Nijmegen en in 1586 Grave, waardoor heel het bisdom aan het eind van Lindanus' episcopaat weer in de macht van Spanje was gekomen. Kort na de ambtsaanvaarding van Gherinx begon de kans echter te keren en zette Maurits zijn reeks veroveringen in, waardoor hij voet voor voet de zeven provinciën aan Parma onttrok; in 1591 viel Nijmegen alin zijn macht. In 1597 veroverden zijn troepen Rijnberg en Meurs, zodat het bisdom Roermond gedeeltelijk tussen Staatse territoria ingesloten werd met alle gevolgen van herhaalde troepenbewegingen en schermutselingen43.. Ook was een gedeelte van het bisdom sedert de val van Nijmegen niet meer te bereiken voor de vicaris. In een opgaaf van de parochies van 1592, door Gherinx in zijn dagboek opgenomen, ontbreekt dan ook heel het dekenaat Nijmegen44.. Als een onbeschroomd beoordelaar van Parma's staatkundig en militair optreden, als een kloek pleitbezorger voor het geplaagde volk en als een zielzorger met sterk verantwoordelijkheidsbesef treedt Gherinx naar voren in de memorie, die hij in 1592 uit naam van de Roermondse clerus aan de koning zond45..

De bezetting van de Roermondse zetel kostte veel moeite. Zoals Lindanus al herhaaldelijk uiteengezet had, was het inkomen van de bisschop geheel onvoldoende om hem te doen bestaan; de bij de oprichtingsbul vastgelegde fundatie was weinig meer dan een hersenschim gebleken. Ook voor de diocesane administratie, voor het kapittel en voor het seminarie waren de fondsen ontoereikend. Vervolgens was de bevolking, gelijk wij al gezien hebben, over het algemeen zeer weinig welgesteld en ten slotte dwong de staat-

[p. 388]

kundige verbrokkeldheid van het gebied de bisschop tot een duur en ingewikkeld bestuursapparaat, dat bovendien geenszins herhaalde moeilijkheden met de betrokken civiele autoriteiten kon voorkomen. Voor het speciaal in deze oorlogstijd allesbehalve aanlokkelijke ambt van bisschop van Roermond waren de liefhebbers blijkbaar niet talrijk. Misschien had een behoorlijke dotatie van 's konings wege daarin verandering kunnen brengen, maar Philips II had aan Lindanus zelf de herhaaldelijk aangevraagde geldelijke steun geweigerd; het werd hem trouwens op den duur meer en meer onmogelijk. Nadat enige Zuidnederlandse kanunniken vergeefs aangezocht waren, liet Parma in 1590 de zetel aan Hendrik Cuyck aanbieden. Deze werd, naar het schijnt, zonder zich stellig beschikbaar te hebben gesteld, nog hetzelfde jaar door de koning benoemd, maar zou eerst na een bedenktijd van zes jaren de benoeming aanvaard hebben46.. De aanvaarding betekende dan ook geen gering financieel offer, daar zij de betrokkene dwong de door hem gecumuleerde functies van hoogleraar aan de universiteit van Leuven, vicaris van de aartsbisschop van Mechelen, officiaal van het aartsbisdom, deken en kanunnik van Sint Pieter te Leuven en kanselier der universiteit neer te leggen. Clemens VIII bekrachtigde de benoeming; de consecratie had te Leuven plaats 30 Juli 1596 en werd door de aartsbisschop Hovius verricht. De 9de Augustus hield de 50-jarige Geldersman zijn intocht te Roermond.

Ofschoon de tweede bisschop van Roermond waarschijnlijk met de eerste niet zulk een scherp contrast vormt als in Den Bosch Gijsbertus Maas met zijn voorgangers, is er enige reden ook zijn opbouwende en voorlopig niet weer door politieke veranderingen van betekenis onderbroken reformatorische arbeid synchronistisch samen te vatten met de wederopluiking in de Noordelijke gewesten.

4. Antwerpen

In het niet bij Den Bosch ondergebrachte deel van Noord-Brabant, de baronie van Breda en het markiezaat van Bergen-op-Zoom, valt in de eerste jaren na de oprichting der nieuwe bis-

[p. 389]

dommen niet van katholieke reformatie te spreken. Het bisdom Antwerpen, waartoe dit gebied behoorde, kwam, gelijk wij al uiteenzetten, het laatst van alle nieuwe diocesen tot stand; eerst onder Alva werd de opgeworpen vraag, of de stichtingsbul te niet gedaan moest worden, in ontkennende zin beantwoord. Daarna kon pas de benoeming van een bisschop plaatshebben. De 27ste April 1570 deed Sonnius door gevolmachtigden bezit nemen van zijn zetel; de iste Mei had zijn plechtige intocht plaats. De thans 64-jarige bisschop zette zich met onverflauwde ijver aan de taak, die een da capo werd van wat hij onder zoveel bezwaren te 's-Hertogenbosch eindelijk tot stand had gebracht. Zelfs wachtte hem hier een zelfde strijd met de abdij van Sint Bernards als hij te Den Bosch tegen Tongerlo had moeten voeren. Ofschoon de voorbereidingen van het provinciaal concilie te Mechelen, dat van 23 Juni tot 15 Juli 1570 gehouden werd, Sonnius, zoals wij gezien hebben, zeer veel werk gaven, zag hij toch kans tussen zijn intrede en de opening van het concilie een begin te maken met de visitatie van zijn nieuw diocees en de voornaamste plaatsen er van te bezoeken. Zo kwam hij reeds 9 Juni 1570 te Breda; hij diende er het vormsel toe en predikte er. Vermoedelijk heeft hij toen ook Bergen-op-Zoom bezocht. Na afloop van het concilie hervatte hij terstond de verkenningsarbeid. In Februari 1571 vertoefde hij weer te Breda; hij wijdde er toen enige altaren. In Augustus van hetzelfde jaar was hij er opnieuw; hij hield er visitatie en preekte er. In Bergen-op-Zoom is hij stellig eveneens herhaaldelijk geweest; o.a. was hij er in October 157247..

Onder dit alles door nam hij andere maatregelen. De iste Februari 1571 hield hij de eerste diocesane synode. Hierop legde hij de clerus de besluiten van het eerste concilie van Mechelen en die van het Trentse concilie op. Tevens kondigde hij de verdeling van het bisdom in vier dekenaten af: Herenthals, Lier, Bergen-op-Zoom en Breda48.. Of de clerus gemakkelijk bereid gevonden werd tot de onderschrijving van de opgelegde decreten en de erkenning van de getroffen maatregelen, blijkt niet, maar het valt op, dat Sonnius de verzekering gaf ze desnoods door tussenkomst van de wereldlijke macht te zullen doorzetten. Formeel was overigens alles stipt in orde; de Antwerpse magistraat liet zich ter synode vertegenwoordigen en het kapittel was in zijn geheel aanwezig.

[p. 390]

Het toonde zich echter niet minder weerspannig dan de kapittels uit Sonnius' vorig diocees. Het legde de verklaring af, dat het al zijn rechten handhaafde, met name dat van exemptie van de bisschoppelijke jurisdictie, dat van volledige jurisdictie over de gehele clerus der stad Antwerpen en dat van te absolveren in aan de bisschop gereserveerde gevallen. De kapittels van Lier en Turnhout sloten zich bij dit stichtelijk protest aan. Vermoedelijk heeft Sonnius ook hier de steun van Alva ingeroepen, gelijk hij in Den Bosch gedaan had. De hertog zal met zijn interventie niet gedraald hebben en zijn besluit is voor geen twijfel vatbaar. Veel heeft het op den duur echter niet gebaat; gelijk wij al gezien hebben, behoorde het Antwerpse kathedrale kapittel nog op het provinciaal concilie van Mechelen in 1607 tot het drietal, dat verklaarde alle exempties en privilegies als vanouds te handhaven. Wat van zulk een kathedraal kapittel voor medewerking tot de katholieke reformatie is uitgegaan, laat zich denken. Behalve hierdoor werden Sonnius' handen ook weldra gebonden door de politieke ontwikkeling.

Sedert 1572 was het bisdom aan woelingen en troepenbotsingen ten prooi. Op het platteland werd de toestand spoedig onhoudbaar; de meeste pastoors vluchtten voor de rondtrekkende legerbenden en hielden zich jaren achtereen in de steden op. Het was de bisschop in al deze tijd onmogelijk zijn bisdom te visiteren. Zo was de ijverige man tot werkloosheid gedoemd; ook waren de financiën van het bisdom in deze omstandigheden zeer in het ongerede geraakt met het gevolg, dat ook van seminariestichting niets kon komen. Sonnius had dit programpunt der katholieke reformatie nooit uit het oog verloren, ofschoon ook ten opzichte van deze onverbeterlijke Leuvenaar zekere twijfel geopperd kan worden, of hij voor het Trentse seminarie bepaald warm liep49.. Op het eerste provinciale concilie te Mechelen had hij gepoogd de bisdommen tot dit doel te doen samenwerken, opdat niet iedere bisschop een eigen seminarie zou stichten; dit kwam hem overbodig voor. Van de beraamde samenwerking kwam niets en zo zag Sonnius zich genoopt zelf de oprichting van een seminarie te overwegen. Hij trachtte in de eerste plaats de oversten der Sociëteit van Jezus er voor te interesseren, maar slaagde daarin niet. Aan deze mislukking heeft misschien zijn eigen, vrij

[p. 391]

onvriendelijke houding jegens de Jezuïeten schuld50.. Daarna zocht hij contact met de ex-Jezuïet Theodorus Tillemans, een onbetrouwbaar en in vele opzichten bedenkelijk man, die zichzelf voor de functie van seminarie-president aanbood en door Sonnius aanvaard werd. Toen achteraf bleek, dat de gedesigneerde praeses diep in schulden stak en andere redenen tot wantrouwen had gegeven, werd de bisschop daardoor geblameerd en de zaak van het seminarie ernstig geschaad.

Na afloop van het tweede provinciaal concilie slaagde Sonnius er eerst 22 Mei 1576, d.i. bijna twee jaar later, in een nieuwe synode te houden. De toestand in het uitgeputte bisdom was verschrikkelijk. Machteloos tegenover de misbruiken, die zich nog hardnekkig handhaafden, vooral in de collatie van beneficiën, berooid en zowel door de sabotage van de clerus als door de financiële ontreddering tot geen positief werk in staat, sleet Sonnius zijn laatste levensperiode. Reeds 29 Juni 1576 overleed hij; hij heeft te Antwerpen niets van betekenis tot stand kunnen brengen.

Op Sonnius' dood is een tijdvak vol rampen voor het bisdom gevolgd. Reeds jaren werd het onveilig gemaakt door muitende Spaanse troepen, die de bevolking teisterden en de grofste moedwil bedreven. Ook het stuk, dat ons bijzonder aangaat, had daaraan zijn deel: zo werd de streek rondom Roosendaal bij herhaling gebrandschat. De stad Antwerpen zelf was tot zetel van het kerkelijk bestuur weinig geschikt in deze roerige tijd. Dit was een van de motieven geweest, waarop de stedelijke regering het verzet tegen de vestiging van een bisschop had gebaseerd, en waarlijk was dit motief niet uit de lucht gegrepen. Antwerpen, het grote handelscentrum van de Nederlanden, de meest cosmopolitische stad van het Westeuropese continent, was een centrum van allerlei anti-katholieke agitatie. Ook nog tijdens Sonnius' verblijf waren de onlusten niet van de lucht; vooral de herhaalde bloedige botsingen tussen de burgerij en de bezettingstroepen maakten het verblijf vrijwel doorlopend riskant. Aan het eind van Sonnius' sterfjaar bereikte deze ellende het hoogtepunt in de Spaanse Furie van November 1576. In 1577 werd de stad door een Staats leger bezet en begon de geleidelijke protestantisering. Het vanouds zeer roerige niet-katholieke deel der burgerij, thans vooral uit calvinisten bestaande, matigde zich met de dag meer

[p. 392]

aan en greep elke botsing met de katholieken aan als een middel om maatregelen door te drijven, die de vrijheid der katholieken steeds meer inperkten. In 1578 werden de Jezuïeten en de Minderbroeders uitgedreven; kort daarop werd de religievrede ingevoerd, de strohalm, waaraan Willem van Oranje zich vastklampte om de calvinistische theocratie te voorkomen. In elke stad, waar honderd gezinnen het verlangden, zou de openbare uitoefening van de calvinistische godsdienst worden toegestaan. Het systeem werd onder het oog van de prins het eerst van alle Nederlandse steden in Antwerpen toegepast51.. Ook hier ontaardde echter dit schoonschijnende compromis in een middel om de volkomen heerschappij van het calvinisme voor te bereiden, de brug naar de minderheidsterreur, die de meerderheid van haar eerste rechten beroofde. In het volgende jaar trad de stad tot de Unie van Utrecht toe; kort daarop werd om een voorgewende reden - door calvinisten gewekte wanordelijkheden bij een openbare processie - de openbare uitoefening van de katholieke eredienst verboden uit het oogpunt der burgerlijke veiligheid. Vervolgens werden alle katholieke geestelijken uit de stad gebannen; daarmee was het calvinistisch monopolie gevestigd. Het bisdom was in feite vernietigd, al bleef het in naam voortbestaan. Het onophoudelijk door bandeloze troepen geteisterde platteland leefde, voorzover de katholieke eredienst er nog gecontinueerd werd, in vrijwel algehele regeringloosheid. Deze toestand duurde tot de inneming van Antwerpen door Alexander van Parma in Augustus 1585. De overwinnaar stond aan de protestanten een termijn van vier jaren toe, waarbinnen zij òf met medeneming van al het hunne de stad moesten verlaten òf tot het katholicisme moesten terugkeren. Eerst na de overgang tot de Spaanse zijde kon gevoeglijk tot de benoeming van een nieuwe bisschop worden overgegaan. Deze benoeming maakte dan ook een integrerend deel uit van de katholieke restauratie, die door Parma steeds met het hem typerende methodische beleid en met wijze matiging werd doorgevoerd. Een van de gelukkigste feiten uit het interregnum is de inneming van Breda door Alexander van Parma. De stad was in October 1577 door de prins genomen52. en had sedert het gewone protestantiseringsproces ondergaan. Ten gevolge van de vermeestering der stad door Haultepenne op 28 Juni 1581 geraakte Breda

[p. 393]

weer in de macht van Parma. Met welk een ernst de hertog de katholieke restauratie in het teruggewonnen gebied ter hand nam, blijkt hieruit, dat hij onmiddellijk de bisschop van Roermond, Lindanus, als koninklijk commissaris naar Breda zond om er het herstelproces te leiden. De bisschop arriveerde reeds 23 Juli 1581 in de stad. In drie brieven aan Parma heeft Lindanus verslag gegeven van zijn verrichtingen te Breda. Blijkens deze brieven had de bisschop 25 Juli 1581 de Lieve-Vrouwenkerk gereconcilieerd. Daarna had hij alle kanunniken bijeengeroepen en hun gelast het geestelijk kleed weer te dragen en hun concubinen binnen vier en twintig uur weg te zenden. Aan de leken was medegedeeld, dat allen, die excommunicatie wegens ketterij belopen hadden, zich met de kerk hadden te verzoenen.

Op verlangen van Parma had Lindanus daarop met verscheiden geestelijke en wereldlijke autoriteiten overlegd over de mogelijkheid tot stichting van een Jezuieten college, maar het was hem niet gelukt er fondsen voor te vinden. Daarom adviseerde hij de hertog liever twee of drie Minderbroeders met deze taak te belasten. Dezen konden ondergebracht worden in het leegstaande terminarishuis, dat de Dordtse Augustijnen te Breda bezaten. Uit een tweede brief blijkt, dat hij naar de bekende humanist Simon Verepaeus te 's-Hertogenbosch geschreven had in de hoop, dat deze zich met de stichting van een school te Breda zou willen belasten. In de derde brief meldde hij, dat Verepaeus niet bereid was en dat hij daarom naar een ander had uitgezien; hij had nu een geschikte rector gevonden te Bergen-op-Zoom. Ook blijkt uit deze brieven, dat Lindanus orde stelde op de administratie van de doopsels. Hij schreef voor, dat elke Zaterdag gecontroleerd zou worden aan de hand van de lijsten van de geboorten, die de vroedvrouwen moesten inleveren, of sommige ouders hun kind het doopsel onthielden. De 16de Augustus 1581 hield de bisschop een openbare preek over het vormsel; daarna diende hij dit sacrament toe aan zes- á zevenhonderd kinderen en enkele volwassenen. Ten slotte herstelde hij de tucht in twee vrouwenkloosters en stichtte hij een Zondagsschool, waarop jongens en meisjes katechismusonderwijs ontvingen. Met grote gestrengheid moet hij ook opgetreden zijn tegen plichtvergeten en verdachte priesters en tegen religieuzen, die in de verlopen vier jaren buiten hun kloosters geleefd hadden

[p. 394]

en thans weinig lust toonden er in terug te keren. Na aldus vier maanden met voortvarendheid aan de restauratie van het katholicisme te hebben gewerkt, verzocht hij de hertog van Parma van zijn last te worden ontheven, daar zijn eigen bisdom zijn tegenwoordigheid eiste. Hij gaf de landvoogd de raad in zijn plaats een der andere bisschoppen, b.v. die van Middelburg, Haarlem of Yperen, naar Breda te zenden; dezen waren allen door de opstand uit hun diocees verdreven.

Alexander van Parma gaf gehoor aan deze raad; in Mei 1582 vertoefde Johan van Strijen, de bisschop van Middelburg, als koninklijk commissaris te Breda. Hij had in opdracht de stichting van het door Parma gewilde college der S.J. door te zetten. Het bleek dus, dat Lindanus' advies de hertog tot geen ander inzicht had gebracht. De Middelburgse bisschop rapporteerde aan de landvoogd, dat hij met verscheiden loyaal-katholieke overheidspersonen overleg had gepleegd, maar er niet in geslaagd was enig fonds voor de stichting af te zonderen. Hij raadt daarom aan een deel van de ter beschikking van de koning staande tienden van Steenbergen, Kruisland, Zonzeele en Groot-Zundert er voor te bestemmen. Verder adviseert hij, dat onverwijld twee of drie Jezuieten naar Breda zullen worden gezonden. Zij kunnen dan in de kerken preken en aldus de burgerij voor zich zien te winnen. De woning van de ex-burgemeester Goert Montens, die voortvluchtig en van het door Parma afgekondigde algemene pardon uitgesloten is, kan hun tot verblijf dienen, terwijl de kapel van de Zwarte zusters (wier klooster bijna uitgestorven is), welke vlak achter het bedoelde huis ligt, hun kerk kan worden. Ondanks deze ijver van Van Strijen is het toen niet tot de stichting van een college gekomen53..

Sedert deze restauratie was het katholicisme in Breda dus weer alleenheersend. Toch wijzen de mededelingen van Lindanus wel uit, dat wij ons van het gehalte van dit katholicisme geen te grootse voorstelling mogen vormen. Het is duidelijk te zien, dat de clerus nog voor een belangrijk deel met de oude gebreken van concubinaat en simonie behept en met de oude misbruiken vergroeid was. Ook behoorde het Bredase kapittel tot de weerspannigste van het bisdom; nog in 1607 protesteerde het op het derde concilie van Mechelen tegen de schennis van zijn oude rechten. Bij het

[p. 395]

ontbreken van alle leiding sinds het vertrek van Johan van Strijen kan er van grondige katholieke reformatie dus vrijwel niets terechtgekomen zijn. Zo is er dan ook alle grond om te onderstellen, dat de periode 1581-1590 tot de innerlijke versterking van het katholicisme minder heeft bijgedragen, dan ogenschijnlijk lijkt. Na het overlijden van Sonnius had het kathedrale kapittel zijn deken Rutger de Tassis tot vicarius-capitularis aangesteld. Deze edelman van Italiaanse afkomst behoorde tot de bekende familie, welker leden sedert Maximiliaan (c. 1501) het generale postmeesterschap in het Duitse rijk bekleedden. Hij was in 1513 te Mechelen geboren, had als bijzonder gunsteling van Karel V reeds jong allerlei beneficiën verworven en was sinds 1545 deken van het Antwerpse kapittel. In deze functie was hij bij de oprichting van het bisdom Antwerpen bij koninklijk besluit en pauselijke breve bevestigd en dienovereenkomstig door Sonnius - vermoedelijk slechts noodgedwongen - erkend. Hij is te beschouwen als de belichaming van de oude kapittelpretenties en is tot zijn dood op 16 Maart 1593 de grote opposant van de bisschoppen geweest. Hoe Sonnius over hem gedacht heeft, laat zich alleen gissen; met de nader te noemen tweede bisschop van Antwerpen lag hij tot zijn dood toe overhoop. De overgang van het bisdomsbestuur aan deze geborneerde representant van de felste oppositie betekende dan ook, dat al het werk der katholieke reformatie met lamheid geslagen werd. In 1579 werd de Tassis met alle andere katholieke geestelijken gevangen genomen; na enige weken vrijgelaten, week hij uit naar Leuven, waar hij tot na de inneming der stad Antwerpen door Parma is blijven wonen. Na de inneming der stad in 1585 schijnt hij met zijn terugkeer te lang gedraald te hebben. Het kapittel koos toen - niet onmogelijk op verlangen van Parma - de kanunnik Silvester Pardo tot vicaris. Deze bestuurde het bisdom tot aan de intrede van de tweede bisschop, Laevinus Torrentius. Hoe droevig de toestand van het bisdom was, blijkt wel daaruit, dat bij Torrentius' intrede bijna driekwart der parochies herderloos waren.

Laevinus Torrentius (van der Beken) was omstreeks 1525 te Gent geboren; hij was een bekend kerkelijk politicus en genoot grote naam als geschiedschrijver en Latijns dichter54.. Geboren uit een zeer vermogende familie, had hij in zijn studiejaren een groot

[p. 396]

deel van Europa gezien en aan verscheiden universiteiten gestudeerd. Hij stond daardoor met de grootste geesten van zijn tijd in correspondentie en was een gunsteling van onderscheiden kardinalen en van paus Gregorius XIII. Door verscheiden prelaten werd hij met gunsten en waardigheden vereerd; hij bezat tal van lucratieve beneficiën. Bij de landvoogd Don Jan genoot hij blijkens enige opdrachten veel vertrouwen; als politicus in dienst van de Spaanse autoriteiten nam hij ook deel aan de Keulse vredehandel van 1579. Door Parma in 1585 aangezocht voor de Antwerpse zetel, bedankte hij, maar een tweede aanzoek leidde tot zijn benoeming in 1586; 15 December 1586 nam hij door een procurator bezit van zijn zetel; 7 Januari 1587 had zijn intrede plaats. Toch werd hij pas 10 September 1587 te Vilvoorde geconsacreerd door Jean Hauchin, aartsbisschop van Mechelen55.. Torrentius bestuurde het bisdom tot zijn dood op 25 April 1595; kort voor zijn dood was hij tot aartsbisschop van Mechelen benoemd, maar hij heeft deze waardigheid niet meer kunnen aanvaarden. Het is moeilijk te zeggen, of deze brillante bibliophiel voor het bisdom een goed zielenherder was. Hij heeft niet veel gelegenheid gekregen het te doen blijken, zeker niet voor het Noordbrabantse deel van zijn diocees; dit heeft hij nooit kunnen bezoeken, doordat Bergen-op-Zoom sinds 1577 onafgebroken Staats was en Breda tussen 1590 en 1625. Zijn episcopaat begon met het eerste herstelwerk: de reconciliatie van de vaak ernstig geschonden kerken, de benoeming van pastoors voor verweesde parochies, maatregelen om te komen tot restitutie van verduisterde geestelijke en kerkelijke goederen, herstel van gesupprimeerde kloosters en vooral ook onderzoek naar leer en leven van clerici van verdacht allooi. Daarop is de rest van zijn ambtstijd vrijwel in beslag genomen door twistgedingen en onderhandelingen met het nog steeds recalcitrante kathedraal kapittel en met de wederopluikende, maar door de oorlog grondig ontredderde abdij van Sint Bernards, die bij de bisschoppelijke tafel was ingelijfd, doch zich daarbij nooit had willen neerleggen en, aangespoord door het succes van Tongerlo's verzet, onder Torrentius begon met de strijd voor het herkrijgen der zelfstandigheid, een strijd, die eerst in 1649 zou eindigen met de zegepraal der abdij56.. Gunstiger verloop had zijn geschil met het kapittel, dat onder leiding van

[p. 397]

zijn deken, de genoemde de Tassis, met de uiterste felheid voor zijn exemptie opkwam en de algehele jurisdictie over de stad Antwerpen bleef opeisen. Torrentius riep de bemiddeling van de pauselijke nuntius Frangipani in, die het geschil aan de heilige stoel voorlegde. Sixtus V besliste in 1588 ten gunste van de bisschop. Het kapittel ging in hoger beroep, maar kreeg ook ditmaal nul op het rekwest. Bij breve van 20 Juli 1591 verklaarde Gregorius XIV de oude rechten vervallen; hij legde het kapittel gehoorzaamheid aan de bisschop op. Daaraan heeft ten minste een deel der kanunniken zich niet gehouden. De bisschop beklaagde zich nog jaren daarna over deze recalcitrante groep, aan welker hoofd de deken stond.

Een andere bemoeienis van Torrentius, die hem in het geregeld bestier van zijn bisdom belemmerd zal hebben, was zijn lidmaatschap van de Raad van State, waartoe hij zijn residentie althans tijdelijk naar Brussel overbracht. Al deze factoren te zamen genomen, kan van een systematisch proces van katholieke reformatie onder deze bisschop niet of nauwelijks gesproken worden.

In 1591 bracht hij aan Gregorius XIV verslag uit over de toestand van zijn bisdom57.. Ingevolge de bulle Romanus Pontifex van Sixtus V van zo December 1585 waren de bisschoppen verplicht aan de congregatie van het concilie op geregelde tijden een verslag toe te zenden van de toestand van hun diocees58.. Het eerste omtrent Antwerpen bewaarde verslag dateert van 1591. Het is blijkbaar samengesteld uit de door de dekens uitgebrachte verslagen.

Omtrent het dekenaat Breda wordt vermeld, dat een visitatie van 1590 de aanwezigheid van verscheiden met ketterij besmette personen onder clerus en leken had aangetoond, maar dat er inmiddels verbetering is ingetreden. Er heerst groot priestergebrek; van de 200 priesterplaatsen zijn er maar veertig bezet. Op de meeste dorpen wordt de toestand nog treurig genoemd. Dit slaat kennelijk op de gestadige oorlogslast. Deze was juist in het jaar der genoemde visitatie zeer vergroot ten gevolge van de verrassing van Breda door Héraugière. Daarmee begon voor de stad een positief protestantiseringsproces, waarvan de baronie echter door de vrijzinnige houding van prins Maurits voorlopig niet de rechtstreekse gevolgen ondervond. Het bisschoppelijk verslag is overi-

[p. 398]

gens van weinig concrete waarde; het heeft de neiging de religieuze situatie wat te gunstig voor te stellen, een eigenaardigheid, die aan de meeste verslagen eigen is, welke uitgingen van lieden, die zelf zekere reden hadden hun verwaarloosd ambtsgebied niet te zwart te tekenen. De dekens, die hier aan het woord zijn, behoorden tot het slag van dignitarissen, waarvan de Antwerpse kanunniken kenmerkende representanten zijn. Ook de dekens van Breda en Bergen-op-Zoom hebben nog lang op grond van onder de oude bedeling toegekende rechten bestuur en jurisdictie van de Antwerpse bisschop door vasthouden aan een gepretendeerde exemptie verzwaard. Omtrent Bergen-op-Zoom doet het verslag louter negatieve mededelingen: de stad is in handen van de vijand; de kloosters en kerken zijn aan de katholieke bestemming onttrokken en er vertoeven slechts vier priesters; dezen kunnen geen bediening uitoefenen.

Na het overlijden van Torrentius koos het kapittel de kanunniken Silvester Pardo en Karel Maas, later bisschop van Yperen, tot vicarii sede vacante. Zij hebben het bisdom bestuurd tot aan de intrede van de derde bisschop van Antwerpen, Willem van Bergen, die 29 Maart 1598 door de Mechelse aartsbisschop Hovius te Antwerpen geconsacreerd werd. Deze edelman was een zoon uit het bekende geslacht van de Van Glymes, heren van Bergen-op-Zoom, waarvan vele leden door Philips II of diens landvoogden tot het episcopaat bevorderd zijn. Zijn loopbaan tot aan zijn verheffing tot het episcopaat is geheel die van een clericus-diplomaat, groot cumulant van beneficiën, en er is dan ook zekere reden om te betwijfelen, of hij tot de taak van hervormer in het verarmde en geestelijk-verkommerde bisdom de meest gewenste gaven bezat. Hij heeft voor het bisdom ook weinig kunnen doen, want reeds in 1601 werd de toen vijftigjarige benoemd tot aartsbisschop van Kamerijk. Zijn voornaamste werk voor Antwerpen was de fundatie van het seminarie in 1600; het werd eerst na zijn vertrek geopend, n.l. in December 1602. Van belang was vervolgens de invoering van het Romeins brevier en het Romeins missaal ter vervanging van de tot dusver gebruikte eigen liturgische boeken en de samenstelling van de Officia propria voor het bisdom, die nog in het huidige proprium van het bisdom Breda hun sporen hebben nagelaten. Verder zijn zijn drie bestuursjaren goeddeels

[p. 399]

gevuld met de voortzetting van de strijd tegen het weerspannige kapittel en tegen de Sint-Bernardsabdij. Met deze laatste werd in beginsel een compromis bereikt, waarvan scheiding der abdij van het bisdom het gevolg geweest zou zijn; de aartshertogen wensten er echter hun goedkeuring niet aan te schenken en zo bleef het geschil voortduren.

De 20ste October 1600 zond deze bisschop een verslag naar Rome over de toestand van zijn diocees59.. Hierin wordt de toestand van het dekenaat Breda zeer somber weergegeven. Toch ontbreken de lichtpunten niet: in de stad toont de grote meerderheid van de bevolking zich nog steeds zeer ongeneigd het opgelegde protestantisme te aanvaarden; de meeste inwoners trekken geregeld naar de dorpen in de omgeving, waar de pastoors nog merendeels kerk en pastorie behouden hebben. In het hele dekenaat werken omstreeks veertig priesters. In de stad wordt alleen in stilte dienst gedaan door pastoor Cornelis Gobbincx. Deze priester was een veelbesproken figuur, die bij Willem van Oranje en later bij Maurits in de gunst stond. Door vele tijdgenoten werd zijn rechtzinnigheid in twijfel getrokken; ook was hij waarschijnlijk concubinarius, gelijk een verslag van 1607 te vermoeden geeft. Het is mogelijk, dat Willem van Oranje in hem een geestverwant van de door de prins als hervormer hooggeachte Hubertus Duifhuis zag en hem een geschikte verbindingsschakel tussen het katholicisme en het protestantisme vond. Van 1578 af, toen hij bij collatie van de prins benoemd was, heeft hij de parochie Breda bediend en zijn houding tussen 1578 en 1581 schijnt wel zekere neiging tot schipperen te verraden. Na de verovering der stad door Haultepenne werd hij door de Spanjaarden mishandeld en werd zijn houding gedurende de voorafgaande jaren een voorwerp van onderzoek. Lindanus vond blijkbaar geen reden hem te verwijderen, maar Van Strijen dacht minder gunstig over hem. Toch is hij in functie gebleven. Na de verrassing van Breda door Héraugière was hij de enige geestelijke, die in de stad mocht blijven; Maurits had hem speciaal daartoe verlof gegeven. Ook dit is wel voor een bewijs van heterodoxie aangezien, doch m.i. zonder grond, daar het geheel overeenkomstig Maurits' gewone gedragslijn was. Zowel Willem van Oranje als zijn beide zoons Maurits en Frederik Hendrik hebben steeds geweigerd een bij collatie van de

[p. 400]

Nassau's benoemde pastoor uit te wijzen. De 10de Augustus 1597 werd hem door de stedelijke overheid alle bediening verboden; aanvankelijk schijnt hij de stad te hebben willen verlaten, maar volgens zijn biograaf zou hij op aandrang van bisschop Torrentius gebleven zijn. Deze bisschop was echter al ruim twee jaar dood en een nieuwe bisschop was er nog altijd niet. Gobbincx is in elk geval op zijn post gebleven en stierf eerst in November 1616 te Breda. Hoe zijn houding in de overgangsjaren dan geweest mag zijn, in het tijdvak der protestantisering moet zijn aanwezigheid in de stad en zijn continuatie van het katholicisme een bijdrage tot het behoud van het katholieke geloof onder de burgerij geweest zijn. Het geval is ook kenmerkend voor de politiek van de prinsen van Oranje, die in rekkelijkheid die van vrijwel alle tijdgenoten te boven gaat en waaraan niet alleen de baronie, maar tot op zekere hoogte ook de stad het behoud van het katholicisme te danken heeft.

Aangaande het dekenaat Bergen-op-Zoom wordt evenmin iets opwekkends verteld. In de stad en in het Markiezaat is de toestand treurig. Er vertoeven maar weinig geestelijken en dezen lijden vervolging. De kerken zijn in het bezit van de protestanten en de kerkelijke en geestelijke goederen zijn allerwegen ontvreemd.

Na het vertrek van Willem van Bergen bestuurde Silvester Pardo het bisdom tot de intrede van de vierde bisschop, Joannes Miraeus. Deze was in 1560 te Brussel geboren, werd te Douai opgeleid en was pastoor en kanunnik te Brussel. In Juli 1603 benoemden Albertus en Isabella hem op aanbeveling van de aartsbisschop Hovius tot bisschop van Antwerpen; de 30ste Mei 1604 werd hij door Hovius te Antwerpen geconsacreerd. Eerst het episcopaat van deze bisschop kan beschouwd worden als het tijdvak van de gezette katholieke reformatie. Daarom zal het in ander verband behandeld worden.

[p. 401]

5. Gent

Thans rest nog het begin van de katholieke reformatie in Zeeuws-Vlaanderen te bespreken. Oostelijk Zeeuws-Vlaanderen, het land van Axel en Hulst, dat tot Gent behoorde, kan van de nieuwe bestuurlijke toestand tot 1568 toe nauwelijks iets bemerkt hebben. De Trentse decreten waren er door de aartsdiaken van de Utrechtse dom afgekondigd, die zich ten aanzien van de Quatuor Officia in het volle bezit van zijn jurisdictie bleef verheugen, al werd hem die op den duur betwist door de vicaris-generaal van de aartsbisschop van Mechelen, die bij de komst van Alva er toe overging, vicarissen te benoemen voor al het tot de Mechelse kerkprovincie behorende gebied, voorzover het nog niet onder een eigen bisschop stond. Zo dit voor het land van Hulst metterdaad al enig verschil mag hebben gemaakt, heeft deze overgangspositie niet lang geduurd: 8 September 1568 nam Cornelius Jansenius de Oudere de Gentse zetel in60..

Deze eerste bisschop van Gent was toevallig juist uit Hulst geboortig; hij was de zoon van een aldaar gevestigde chirurgijn. Hij was een groot kenner van de H. Schrift en schreef verscheiden wetenschappelijke werken over zijn studievak. Ofschoon vaak door de regering op eervolle wijze onderscheiden en onder vleiende aandrang voor het bisdom Gent aangezocht, toonde hij toch een opmerkelijke mate van zelfstandigheid tegenover de landvoogdes en later zelfs tegenover Alva. Zo weigerde hij standvastig zich te verenigen met de voorgeschreven incorporatie van de Sint-Pietersabdij; hij veroordeelde de incorporatie principiëel en wenste er dus geen deel aan te hebben. Eerst toen de dotatie op andere wijze geregeld was, aanvaardde hij de benoeming. Anders stond het geschapen met de sinds 1539 geseculariseerde Sint-Baafsabdij, die tot een seculier kapittel geworden was en waarvan de proostdij aan de nieuwe bisschop toegekend was. Deze proostdij was een lucratieve sinecure, die in 1562 was toegekend aan de bekende staatsman Viglius, nadat deze zich als weduwnaar priester had laten wijden. De nieuwe bisschop eiste deze proosdij met nadruk voor zich op. In Jansenius zien wij een van de kloekste figuren der hierarchie van 1559, waarschijnlijk alleen door Rijthoven en Lindanus overtroffen. Hij schijnt door een wat te grote mate van na-

[p. 402]

tuurlijke goedheid voor de felle tijd, waarin hij leefde, soms wat zwak. Dat uit deze zelfde zwakheid kracht kon voortkomen, blijkt daaruit, dat Jansenius zich in Januari 1572 met Rijthoven van Yperen en Drieux van Gent naar Alva begaf, een pleit hield voor de meedogenloos verdrukte Nederlanders en de intrekking van de tiende penning verzocht, wat de hertog zeer kwalijk nam. Alva verweet de bisschoppen, dat zij door deze houding het volk nog in zijn verzet stijfden. Daarmee bracht hij hen zo weinig tot een ander inzicht, dat zij zich in Maart 1572 rechtstreeks tot de koning wendden met hetzelfde verzoek.

Het eerste werk, waarmee deze bisschop zich bezighield, was het stoffelijk herstel van kerken en altaren, die nog altijd in zeer gehavende staat verkeerden na de beeldenstorm. Bijna onmiddellijk richtte hij vervolgens een seminarie op. Het fraterhuis van de broeders van het gemene leven te Gent, dat in financiële moeilijkheden geraakt was en nog maar zes fraters telde, werd aangekocht en tot seminarie ingericht. Reeds de 8ste Januari 1570 deelde Jansenius de opening van dit seminarie aan zijn gelovigen mee, hun verzoekend er giften voor af te staan. Dit instituut heeft geen fortuinlijk leven geleid. Ook na de restauratie onder Parma schijnt het als theologicum met twee Jezuieten als professoren niet tot bloei gekomen te zijn. In 1623 degradeerde bisschop Ant. Triest het tot Latijnse school; de theologanten gingen voortaan naar Leuven of Douai61.. Inmiddels was hij er ook in geslaagd de monniken van de Sint-Pietersabdij de Trentse decreten te doen aanvaarden en zijn recht van visitatie te doen erkennen. Hij nam verder enige maatregelen ter verbetering van de tucht in dit klooster. Het kapittel erkende tot op zekere hoogte het bisschoppelijk recht van visitatie, maar wenste zich niet neer te leggen bij het verlies van zijn zeer omvangrijke en ingrijpende jurisdictie-rechten. Na het eerste provinciaal concilie zette de bisschop zich tot de voorbereiding van de eerste diocesane synode, die in Februari 1571 te Gent plaatsvond. Op deze synode toonde het kapittel zich ongeneigd tot afstand van enig voorrecht; het protesteerde tegen de decreten, die met deze rechten in strijd waren. Ondanks deze tegenstand werden de Trentse en de Mechelse decreten vastgesteld en in de statuten der synode opgenomen62.. Dezelfde synode stelde de cijns vast, welke elk beneficie ten bate van het

[p. 403]

seminarie had op te brengen. Na afloop van de synode stelde Jansenius een rituale voor zijn clerus samen, Liber ecclesiae Gandavensis, dat nog in 1571 te Gent gedrukt werd en aan de geestelijken ten gebruike werd voorgeschreven. Ook dit zie men als een fase van de katholieke reformatie. Vooral in streken, waar het protestantisme enige tijd geheerst had, waren in de eredienst en vooral in de toediening der heilige sacramenten dikwijls grove fouten geslopen, die soms uit arglist, soms uit louter onkunde van de meest zeer karig ontwikkelde pastoors te lande voortkwamen. Het rituale van Jansenius werd op het tweede provinciaal concilie van Mechelen algemeen geprezen; de schrijver kreeg de opdracht het om te werken ten dienste van de hele provincie. Daartoe is het echter nooit gekomen.

Sedert 1570 was het in zijn bisdom zeer onrustig. Vooral na April 1572, toen de watergeuzen zich in Vlissingen genesteld hadden, begonnen hun strooptochten in het Vlaamse land. In Eecloo, Oudenaarde, Biervliet, Sas-van-Gent, Assenede, vooral in het Zeeuws-Vlaamse gebied, hielden woeste benden herhaaldelijk gruwelijk huis. Tal van priesters stierven de marteldood en vele kerken werden ontheiligd. In de daaropvolgende jaren werd de bevolking ook herhaaldelijk door de benden van Mondragon geteisterd. Sommige plaatsen in het bisdom, o.a. Dendermonde, werden door de koninklijke troepen nagenoeg verwoest. Onder deze omstandigheden was het de bisschop niet mogelijk het werk van visitatie en vormseltoediening zo intensief ter hand te nemen, als hij dat wenste. Toch is het verwonderlijk, dat hij nog zo herhaaldelijk de meeste plaatsen bezocht heeft. Het land van Hulst had zeker niet te klagen. Reeds in Februari 1569 bezocht hij zijn geboortestad en diende er het vormsel toe. Daarna lezen wij nog van bezoeken aan Hulsterambacht in Augustus 1570, Juli 1574 en Augustus 1575. Al deze ijver heeft niet kunnen beletten, dat het calvinisme zich opmaakte om zijn theocratie in de bisschopsstad te vestigen. Hij heeft het zelf niet meer behoeven te beleven: aan de vooravond van deze verschrikkingen overleed hij aan een ziekte, die hem al een jaarlang gekweld had: 11 April 1576. Wat zijn ijver tot stand gebracht heeft, kan niet gering zijn63., maar het is alles door de noodlottige gebeurtenissen, die nu volgden, te niet gedaan.

[p. 404]

Op de dood van Jansenius volgde het vacuum voor Gent: de zetel bleef onbezet tot 1588, toen Lindanus zich belast zag met de wederopbouw van wat in een periode van twaalf verschrikkingsjaren ten gronde was gegaan. De 8 November 1576 gesloten Pacificatie van Gent, het vredesverdrag tussen de ‘gewesten van de Staten-Generaal’ en Holland en Zeeland, allereerst een verbond tot wering van de Spaanse soldaten64., was het begin van deze tijd van gruwelen, al staat het vast, dat deze Pacificatie door geen der ondertekenaars uit het zuiden bedoeld is als een breuk met het katholicisme. Toch gaf de Pacificatie, die de regeling van de religieuze aangelegenheden aan een bijzondere vergadering van de Staten-Generaal opdroeg, aan het calvinisme in Vlaanderen en Brabant geen geringe morele steun door de bepaling, dat voorlopig alle plakkaten tegen de ketters buiten werking gesteld werden. Dit bood aan tal van uitgeweken calvinisten de gelegenheid tot terugkeer naar hun steden, waar hun agressiviteit het ferment van een dagelijks-wassende anti-katholieke agitatie werd.

Naarmate vervolgens de Staten-Generaal zich nauwer bij Don Jan aansloten, die in Februari 1577 bij Eeuwig Edict de Pacificatie erkende en de Spaanse troepen deed aftrekken, groeide onder het volk de door Oranje's satellieten gevoede bezorgdheid voor de politiek van de landvoogd. De verrassing van de citadel van Namen door Don Jans lijfwacht in Juli 157765. deed allerwegen de volkswoede oplaaien. In Brussel kwam het tot heroprichting van de door Karel V vernietigde, op gilden-grondslag gebaseerde democratische stadsregering. In Gent wierpen twee leden der stedelijke aristocratie, Hembyze en Rijhove, zich tot volkstribunen op. Aangemoedigd door Marnix, lieten zij met machtiging van Oranje66. de voornaamste leden van de staten van Vlaanderen, ook Maarten Rijthoven en Remi Drieux, de bisschoppen van Yperen en Brugge, te Gent gevangen zetten. Vervolgens verenigden zij een driehonderdtal landlopers tot een weercorps, dat elke reactie met geweld voorkwam67.. Begin November 1577 werd onder leiding van een door Hembyze gepresideerd comité van achttienmannen, allen felle anti-katholieken, de oude stedelijke democratie op gilden-grondslag hersteld. In December 1577 kwam Oranje te Gent; zijn komst was een triomftocht. In Januari 1578 bevestigde hij de regering van Hembyze op meer officiële grond-

[p. 405]

slag door de kopstukken tot schepenen te benoemen. Aldus hoopte hij orde te stellen op de zaken en excessen te voorkomen. Maar nauwelijks was de prins vertrokken, of Hembyze ontpopte zich als de organisator van een calvinistische terreur. In Februari lieten de achttienmannen de kloosters bezetten en de kerken plunderen; spoedig begonnen om en in de stad de calvinistische predikatiën68.. Van Gent uit trokken scharen gewapende calvinisten onder leiding van Rijhove de Vlaamse steden af; achtereenvolgens werden Oudenaarde, Kortrijk, Hulst, Brugge en Yperen vermeesterd; de kerken werden geplunderd en de priesters mishandeld.

In April 1578 werd het calvinisme tot de officiële godsdienst van Gent verklaard en in het bezit van alle kerken gesteld. De terreur tegen het katholicisme begon. In Mei 1578 had in de stad een tweede beeldenstorm plaats onder aanhitsing van de calvinistische predikanten en onder leiding van de overheid. Molestaties van priesters en religieuzen werden spoedig gevolgd door mishandelingen; in Juni 1578 werden zelfs op grond van gefingeerde betichtingen van ontucht een Augustijn en vier Minderbroeders na een schijnproces in het openbaar verbrand. Het seminarie van Jansenius werd in een calvinistische hogeschool veranderd69. en alle uitoefening van het katholicisme werd verboden. Van Gent uit verbreidde de terreur zich over andere steden: heel Vlaanderen werd in het najaar van 1578 onder het bedrijven van de grofste moedwil aan gewijde personen en gebouwen onderworpen aan de Gentse hegemonie70.. Oranje's protesten verklonken machteloos: een niets ontziende minderheid voerde onder de opzwepende taal van calvinistische zeloten als Petrus Datheen en Herman Moded de terreur tot waanzin op. Oranje's opportunisch palliatief, de religievrede, werd verworpen en vooral in Moded's demagogische preken werd de prins, die ‘even gemakkelijk van geloof als van hemd verwisselde’71., aan de publieke verachting prijsgegeven.

Toch vervulden de uitspattingen van de door Hembyze gesanctionneerde theocratie de meer gematigde leden van de democratie met angst en afschuw. Zij riepen Oranje te hulp, bij wiens komst naar Gent in begin December 1578 Datheen en Moded de vlucht namen. Hembyze onderwierp zich noodgedwongen aan 's prinsen invoering van de religievrede. De kerken werden onder katho-

[p. 406]

lieken en protestanten verdeeld; de religieuzen kregen hun kloosters terug en een uit katholieken en protestanten samengestelde regering zou zich beijveren tot het uit de weg ruimen van alle geschillen. Op i Januari 1579 werd de katholieke godsdienst te Gent weer officieel erkend en toegelaten. Nauwelijks was Oranje vertrokken, of Datheen en Moded keerden terug en Hembyze liet een groot aantal vooraanstaande katholieken arresteren; de kerken werden weer aan de katholieke eredienst onttrokken, de priesters verbannen. Door een staatsgreep vestigde Hembyze thans de volkomen dictatuur. Hij liet Gent door nieuwe vestingwerken versterken en wierf troepen aan, die allerlei moedwil op het platteland van Vlaanderen bedreven. In de dorpen werden de katholieke ambtenaren door calvinisten vervangen en alle verzet werd neergeslagen. Zijn tot steeds bloediger excessen overslaande dictatuur leidde echter tot hernieuwd contact met Oranje. Deze kwam in Augustus weer naar Gent. Hembyze vluchtte, maar werd gegrepen en teruggeleid. Onder Oranje's leiding begon een onderzoek naar zijn gedragingen. Hij wist echter 29 Augustus 1579 weer te ontvluchten, week uit naar Duitsland en vestigde zich met de eveneens ontkomen Datheen in de Palts.

Ook ditmaal stak na Oranje's vertrek de extremistisch-calvinistische partij weer het hoofd op. Zij knoopte betrekkingen aan met Datheen en Hembyze in de Palts en trachtte door het aanstellen van verspieders elk verzet tegen de terreur in de kiem te smoren. Het is in deze tijd, dat de stuiptrekkingen der theocratie tot waanzin naderden. Er werden inquisiteurs aangesteld om huisdopen en clandestiene huwelijkssluitingen op te sporen. Compagnieën soldaten werden bij katholieke notabelen ingekwartierd, die voor een groot deel de ballingschap verkozen boven hun mishandelingen72.. Het was het laatste middel om datgene te bereiken, wat acht jaar calvinistisch monopolie niet tot stand hadden gebracht: de afval van de kern der bevolking van het katholicisme. Het is boven twijfel verheven, dat de gezeten autochtone burgerij katholiek was en bleef: de meeste grote en kleine kooplieden, het patriciaat, de adel. Met uitzondering van een twintigtal kopstukken, die uit de betere kringen geboortig waren, bestond heel de calvinistische minderheid uit vertegenwoordigers van de klassen van proletariërs en paupers. De Gentse theocratie is een klassiek model

[p. 407]

van die ‘dominations factices’ van misbruikte misleide minderheden, die voor het nuchter verstand van in rustiger tijden levende latere geslachten lange rijd raadsels bleven. In andere Vlaamse steden was het niet anders. In 1584, d.i. na vijf jaar calvinistische theocratie, was de bevolking van Brugge voor 15% protestant en dit bijzonder hoge percentage is een gevolg van uitwijking elders: in Brugge hadden de calvinisten zich bepaald opgehoopt73..

Intussen was de bekwame Alexander van Parma zijn methodische herovering van de zuidelijke gewesten begonnen, die zou leiden tot het isolement der stad en daarmee een eind zou maken aan de tot paroxisme verworden terreur. In November 1581 veroverde hij Doornik, in Juli 1582 Oudenaarde. In de loop van 1583 sloot hij Gent steeds meer in. Achtereenvolgens vielen Hulst, Sas-van-Gent, heel het land van Waas, Duinkerken, Eecloo, Aalst en Yperen in zijn macht. In deze benauwenis riepen de kopstukken der theocratie om Hembyze, die in Augustus 1583 terugkeerde en zich thans als alleenheerser vestigde. Hij begon met bloedige vervolging van katholieken, maar koos spoedig een andere koers. De onhoudbaarheid van de positie der stad inziende en tevens niets zo vurig wensend als zich te wreken op Oranje, knoopte hij in het geheim onderhandelingen met Parma aan. De ontdekking van dit door Datheen gesanctionneerde verraad werd zijn ondergang. Hij werd overrompeld en in Augustus 1584 in het openbaar terechtgesteld. De toestand van de thans volkomen geïsoleerde stad werd inmiddels ondraaglijk. De burgerij, vermeerderd met scharen plattelanders, die voor Parma's steeds meer opdringende troepen gevlucht waren en nu in kerken, kelders en stallen gelegerd waren, leed honger. Uitgeput gaf Gent zich 17 September 1584 aan Parma over.

Geheel overeenkomstig zijn gewone tactiek trad de landvoogd met de grootste matiging tegen de ongelukkige stad op. Hij constateerde nadrukkelijk, dat dit schrikbewind was uitgeoefend door een kleine groep demagogen, waarvan vele geen Gentenaren waren. Hij kondigde amnestie af, verbood alle uitoefening van het protestantisme, maar stond de belijders twee jaren respijt toe om te beslissen over heengaan of terugkeer tot het katholicisme. De 25ste September verlieten alle calvinistische predikanten de stad, waarin spoedig met de Spaanse bezetting de meeste katholieke

[p. 408]

geestelijken terugkeerden. Reeds de 2de October 1584 deed de door Parma ontboden aartsbisschop Jean Hauchin van Mechelen zijn intrede in de stad en begon het herstel van het katholicisme met de reconciliatie van de kerken. In het voorjaar kwamen honderden uitgeweken katholieke gezinnen in de stad terug. Deze verkeerde nog lang in een ellendige staat. Ook het Vlaamse land was in deze schrikkelijke acht jaren tot een woestenij geworden, waarin wolven rondzwierven en de in hutten weggescholen bevolking van honger omkwam. Het zou jaren duren, voor het eens zo welvarende Vlaamse land weer tot opleving kwam. Het is onder deze omstandigheden heel begrijpelijk, dat het niet zo spoedig, als Parma dit gewenst had, kon komen tot een herstel van het bisdom. Eerst in 1588 werd Willem Lindanus tot bisschop van Gent benoemd; in Augustus 1588 deed hij zijn intrede, maar, zoals wij gezien hebben, overleed hij reeds 2 November daarna. Aan de katholieke restauratie in het ontredderde bisdom heeft deze beproefde kracht zich dus niet meer kunnen wijden. Het duurde tot 1590, voor de derde bisschop zijn intrede te Gent deed, de in 1530 te Mechelen geboren Pierre Damant. Deze bestuurde het bisdom tot zijn dood in 1609. Hij en zijn naaste opvolger, Karel Maas, oud-aalmoezenier van de aartshertogen en oud-bisschop van Yperen, van 1610 tot zijn ontijdig overlijden in 1612 bisschop van Gent, hebben, nog steeds onder herhaalde oorlogslast, belangrijke vorderingen van het proces der katholieke reformatie mogen beleven.

Het land van Hulst had aan de beschreven ellende zijn deel gehad. De drie vestingen, die dit oostelijke Zeeuws-Vlaanderen beheersten, waren Sas-van-Gent, Axel en Hulst. Parma nam alle drie deze steden in 1583 in en was daarmee meester van het gehele gebied. Wat Axel aangaat, was de Spaanse heerschappij van korte duur; de vermeestering van deze sterkte behoorde tot Maurits' eerste successen; de 17de Juli 1586 maakte hij zich, samen met de Engelse luitenant Sidney, van Axel meester. Parma gaf onverwijld bevel de door haar ligging belangrijke stad te heroveren, waarom Maurits de dijken liet doorsteken. Hiervan was het gevolg, dat de omtrek grotendeels onder water kwam te staan. Pas zestig jaar later is het hieraan ontweldigd (1649-1653)74.. Dit onbewoonbare deel valt dus buiten elke beschouwing, als het gaat om de katholieke

[p. 409]

reformatie. Daaraan konden alleen Sas-van-Gent benevens Hulst en de ten noorden daarvan gelegen dorpen profiteren. Sas-van-Gent bleef tot 1644 onafgebroken Spaans en heeft dus sedert 1583 de alleenheerschappij van het katholicisme gekend. Bij het ontbreken van alle leiding zal ten minste tot 1590 van katholieke reformatie hier wel niet te spreken zijn. De lotgevallen van Hulst in deze tijd zijn nog droeviger. In September 1591 viel het Maurits in handen. Het heeft dus wel een tijdelijk katholiek herstel tussen 1583 en 1591, maar geen katholieke reformatie beleefd. Daarmee zou het lot van de stad en de ten noorden er van gelegen streek naar het religieuze beslist zijn geweest, indien Albertus van Oostenrijk het niet in Augustus 1596 na een zwaar beleg veroverd had. Daardoor nam het land van Hulst deel aan het door de aartshertogen krachtig bevorderde en van Gent uit geleide reformatieproces. De behandeling daarvan geschiedt in het twaalfde hoofdstuk.

6. Brugge

Westelijk Zeeuws-Vlaanderen maakte deel uit van het bisdom Brugge, dat reeds vroegtijdig tot stand kwam. De bisschop deed in Februari 1562 zijn intrede. De reeds zeventigjarige Petrus Curtius, wie het minder aan ijver dan aan doortastendheid mangelde, liep aanvankelijk te angstvallig aan de leiband van de Brusselse regering om zelfstandig maatregelen tot hervorming in zijn bisdom te durven nemen. Ook verstrikte hij zich te zeer in onderhandelingen met zijn kathedraal kapittel, dat zijn oude rechten en voorrechten natuurlijk met hand en tand verdedigde75.. Toch besloot hij vrij spoedig, misschien wel na overleg met de bisschop van Yperen, de krachtige Rijthoven, met wie hij zeer drukke betrekkingen aanhield, zich zowel van de regering als van het kapittel, zoveel nodig was, te emanciperen. Tijdelijk verblijf houdend te Sluis in Zeeuws-Vlaanderen, liet hij hier op 1 Augustus 1565 het concilie van Trente afkondigen. Ondanks de protesten van het kapittel herhaalde hij deze afkondiging op plechtige wijze te Brugge op 11 Augustus 1565.

[p. 410]

Grote moeilijkheden baarde hem de zorg voor het onderhoud van zijn clerus. De positie van de pastoors te lande was zo droevig, dat tal van parochies al jaren zonder bediening waren. Van opheffing der kerk uit haar verval en van regeneratie van het godsdienstig leven der massa kon geen sprake zijn, zolang geen verbetering in deze staat van zaken gebracht was. In deze aangelegenheid kon de bisschop echter voorlopig geen weg vinden. De parochies waren bezwaard met allerlei retributiën, gewoonlijk geheven door de patroons der kerken, vaak ook door het kapittel van Brugge, dat van zijn inkomsten echter niets wilde missen. Het was een bijna bovenmenselijke taak de landedelen, die ook in Vlaanderen, reeds lang vóór de dagen van beeldenstorm en opstand, de positie van de kerk vaak ondermijnd hadden door haar inkomsten of haar goederen te verduisteren, thans te bewegen tot medewerking aan het herstel van de deerlijk verminderde stoffelijke positie der kerken; ook van het kapittel was geen medewerking te verwachten. Zekere handreiking kwam alleen van de kant van de locale civiele autoriteiten. Dezen wendden zich zelfs bij herhaling tot de landvoogdes met het betoog, dat een radicale herziening van de materiële positie der pastoors een eerste voorwaarde was voor het slagen van de katholieke reformatie. Dat zij dit achter de bisschop om deden, wettigt misschien de onderstelling, dat deze hun niet bekwaam of actief genoeg voorkwam. Margareta van Parma vermaande de bisschop bij herhaling een plan te ontwerpen tot afschaffing van een deel der gewraakte retributiën en tot opheffing van voor de zielzorg waardeloze beneficiën, maar de goede grijsaard zag daartoe blijkbaar geen kans. Hij beleefde nog de beeldenstorm, die ook in zijn bisdom woedde, al bleef zijn zetelstad, dank zij de eendrachtige waakzaamheid der burgerij, gelukkig geheel gespaard76.. Curtius stierf 17 October 1567, zonder dat hij erin geslaagd was in de wantoestanden verbetering te brengen. Zijn kapittel heeft hem de handen gebonden en zelfs belet, dat zijn hartewens, de stichting van een seminarie, vervuld werd. Het had in 1565 zelfs geweigerd een door Curtius ingediend ontwerp van stichting in studie te nemen77.. Tot het houden van een diocesane synode is hij evenmin gekomen78..

Zo stond de tweede bisschop van Brugge voor de taak de katho-

[p. 411]

lieke reformatie van meet af aan ter hand te nemen. Het was de in 1519 te Merckeghem geboren clericus-jurist Remi Drieux (Remigius Driutius), oomzegger van de kanselier der Leuvense universiteit Michael Driutius, die behoord had tot Philips' eerste adviseurs bij het ontwerpen van de nieuwe hierarcbie. Deze oom dankte hij in de eerste plaats zijn Leuvens professoraat en eindelijk ook de benoeming tot bisschop van Leeuwarden. Hij heeft, gelijk wij zagen, deze waardigheid nooit bekleed en is pas na zijn benoeming op de zetel van Brugge geconsacreerd op 13 November 1567, waarna hij terstond het ambt aanvaard heeft79..

Ofschoon in heel zijn carrière voor en na zijn benoeming te Brugge een creatie van de regering en aan de koning zeer verknocht, ofschoon als diplomaat in zijn correspondentie met Viglius en andere vooraanstaanden uit de regeringskringen aanvankelijk geheel de satelliet en steunpilaar van het absolute vorstenrégiem, bleek Driutius toch te zeer een zelfstandige figuur om zich onder de dynamische bewegingen van zijn tijd niet te evolueren tot critisch beoordelaar van de houding der regering sedert het vertrek van Granvelle. Reeds nam hij als lid van de Staten-Generaal van harte deel aan het verzet tegen Alva's belastingplannen, wat ook hem het misnoegen van de hertog op de hals haalde, maar vooral toen de kritieke troebelen van 1576 het verzet tegen de koninklijke politiek nationaal maakten en de Staten-Generaal zonder machtiging van Philips, dus naar diens opvatting onwettig, vergaderden, werd de positie van alle geestelijke leden van Staten-Generaal en gewestelijke staten précair. Men ziet dan vrij spoedig een scheiding tussen de onwrikbaar aan de koning en zijn politiek getrouwe prelaten en de veel talrijker groep van meer opportunistisch-gezinden, die het belang van het volk, zo nodig, boven dat van de koning stelden.

Tot de eerste groep behoorden b.v. Lindanus, voor wie de zaak zelfs geen probleem kon zijn, en de weinig minder doctrinaire theoreticus Johan van Strijen, de bisschop van Middelburg. Tot de ruim-denkenden, de meer casuistisch-redenerenden, die in de eerste plaats het belang van het volk en de godsdienst beoogden, behoorden Maarten Rijthoven van Yperen en Remi Drieux van Brugge80.. Iets minder stellig, maar toch in dezelfde geest dacht en handelde Laurens Mets, de bisschop van Den

[p. 412]

Bosch. Gezien de evolutie van zijn laatste jaren, is er enige reden ook Sonnius deze zienswijze toe te kennen, al belette de dood hem in hetzelfde jaar 1576 dit stellig te doen blijken. De betrokken prelaten gaven door hun houding een bewijs van critisch oordeel en van medeleven met het volk. Dat Rijthoven en Drieux min of meer het slachtoffer geworden zijn van hun politiek du juste milieu pleit niet zozeer tegen hen als tegen de fanatici, die de steun der prelaten slechts aanvaard hadden om zich met behulp daarvan de weg te banen tot het vestigen van een calvinistische minderheidsdictatuur.

Zoals wij reeds gezien hebben, werd Drieux gelijk met Rijthoven in October 1577 door de Gentse rebellen gevangen gezet. Dit betekende, voor hen persoonlijk niet alleen, maar voor alle bisschoppen, straks gevolgd door de meeste abten, tot dan toe bijna zonder uitzondering overtuigde bevorderaars van de opstand, het eind van de weifelingen: het tafellaken werd doorgesneden en de zaak van het geloof vereenzelvigd met die van de koning81.. Na twee jaar gevangen te hebben gezeten, wisten de beide bisschoppen te ontvluchten. Er was echter voor Drieux geen denken aan terugkeer naar zijn zetelstad, daar deze geheel in de macht van de calvinisten was en het katholicisme er niet kon worden uitgeoefend. Achtereenvolgens verbleef hij te Doornik, Kortrijk en Oudenaarde, herhaaldelijk opnieuw genoodzaakt te wijken voor de calvinistische furie. Het kapittel had zich te Sint-Omaars gevestigd. Eerst na Parma's successen in Vlaanderen, met name nadat Brugge en het Vrije in Mei 1584 door het zogenaamde verraad van Chimay tot de Spaanse zijde waren teruggekeerd en het calvinisme onttroond was, kon de bisschop zijn zetel weer innemen. Hij begaf zich ijlings naar Brugge en begon het herstel met de reconciliatie van de kerken. Het was hem gegeven zich nog tien jaar aan de katholieke reformatie te wijden.

Vóór zijn uitwijken had hij na het deelnemen aan het eerste provinciaal concilie te Mechelen zijn eerste diocesane synode te Brugge gehouden op 13 Februari 157182.. In tegenwoordigheid van de burgerlijke autoriteiten van de stad en van het Vrije werden de decreten van Trente en die van Mechelen afgekondigd. Met nadruk verklaarde de bisschop het door zijn kathedraal kapittel ingediende protest tegen de decreten, die in strijd waren met de

[p. 413]

door dit lichaam vanouds genoten rechten, te verwerpen als ongepast, ontijdig en geschikt om anderen in hun weerspannigheid te stijven. Ook aangaande de stichting en het onderhoud van het seminarie werden ter synode de vereiste bepalingen gemaakt. Dit seminarie werd de 23ste Juni 1571 geopend te Brugge83..

Van het begin af is Drieux doende geweest met pogingen om het aan Jezuieten toe te vertrouwen, maar hij is daarin niet geslaagd. De gruwelen van 1578 leidden tot het ontijdig eind van het instituut. In Juni 1591 werd het eerst heropend. Het was een internaat, waar de humaniora onderwezen werden, en werd eerst door bisschop Charles Philippe de Rodoan omstreeks 1604 uitgebreid tot een seminarie door de stichting van twee theologische leerstoelen, die aan Dominicanen toevertrouwd werden. De kanunnik Denis Christophori (Stoffels) werd de eerste president van het hervormde instituut. De betekenis van dit Brugse seminarie voor de katholieke reformatie kan voorlopig niet groot geweest zijn. Sedert 1607 stond het onder de leiding van een president, Christiaan van den Berghe, die tevens allerlei andere functies in het bisdom vervulde en de interne zorg voor het seminarie verwaarloosde. In 1628 telde dit 18 leerlingen, van wie blijkbaar de meesten geen serieuze plannen hadden zich te laten wijden. Alle tucht ontbrak; het onderwijs stond nagenoeg stil en scheen vervangen door wandelingen en andere ontspanningen, ook druk herbergbezoek. Na een grondige visitatie gaf bisschop Servaas de Quinckere in 1632 last tot sluiting van de nutteloze inrichting84..

De tweede Brugse synode had plaats in aansluiting op het tweede concilie van Mechelen en kwam 31 Augustus 1574 bijeen85.. Tussen de twee synoden heeft de bisschop op vorm- en visitatiereizen door het bisdom veel opbouwend werk verricht. Het Zeeuws-Vlaamse deel van het diocees heeft daaraan ook deel gehad: in September 1571 bezocht hij het. In het verslag van deze reis toont Drieux zich over de toestanden in dit gebied niet onverdeeld tevreden. Hij constateert o.a., dat de kerken niet betamelijk verzorgd zijn86.. Van de verovering van Vlissingen in April 1572 tot aan het sluiten van de Pacificatie van Gent heeft het westen van Zeeuws-Vlaanderen opengelegen voor de strooptochten van de Geuzen en straks van de Spaanse muiters. De geuzenbenden hebben er niet veel geringer wreedheden bedreven dan de troepen

[p. 414]

van Sonoy in Noord-Holland en vooral aan kerken en priesters hun haat gekoeld. Dit land werd bewoond door een rustige bevolking, die met de protestante stromingen in de Nederlanden niet of nauwelijks kennisgemaakt had. Het jaar 1566 was in westelijk Zeeuws-Vlaanderen ongestoord verlopen: er was ‘geen beeld vernield, geen geuzenpreek gehouden’87.. Bij hun eerste bezoeken vonden de Watergeuzen in de dorpen geen minderheden, die zich met behulp van hun geweld van de kerken wensten meester te maken. De exploiten van de geuzen bepaalden zich dan ook hier tot strooptochten en wrede mishandelingen van leken en vooral priesters. In Juli 1572 waren bijna alle priesters uit dit land op de vlucht; de weinige achtergeblevene verkeerden gestadig in levensgevaar: in 1573 werd o.a. de pastoor van Cadzand vermoord. In 1573 rapporteerde Drieux aan Requesens, wiens krachtige hulp hij inriep, dat de priesters in dit gebied niet dan met het grootste levensgevaar konden vertoeven. Toch keerden zij na afloop van elk der geuzen-expedities terug, zodat van staking van de katholieke zielzorg niet mag gesproken worden. In 1576 werd te Sluis een Minderbroeder tijdens het opdragen van de heilige Mis gegrepen en meegevoerd om later tegen hoge losprijs te worden vrijgelaten. Er is zelfs geen sprake van, dat de geuzen hier het protestantisme in de kerken zouden hebben geïnstalleerd. Behalve in de stad Sluis en in het tot het Committimus behorende Biervliet is er in heel dit westelijk deel van Zeeuws-Vlaanderen geen hervormde gemeente gevestigd en geen spoor van protestante eredienst te ontdekken. Ook waren het niet alleen de geuzenhorden, die kwamen stropen: de muitende Spanjaarden hielden niet minder huis in dit land, zij het dan, dat de katholieke eredienst van hen niet rechtstreeks te lijden had. Het werd nog erger, toen na de Pacificatie van Gent de calvinistische terreur over Vlaanderen ging en het land van Sluis met heel het Vrije van Brugge in de diepste ellende dompelde88.. In 1580 tekende het Vrije van Brugge de Unie van Utrecht. Sluis was de zetel van de partij van de opstand in het Vrije en werd thans een centrum van calvinistische conspiratie; dientengevolge was de uitoefening van het katholicisme er geheel onmogelijk. Eerst de 7de Augustus 1587 ging Sluis aan Parma over, waardoor heel westelijk Zeeuws-Vlaanderen, op het reeds in 1572 door de geuzen veroverde Biervliet na, dat nooit

[p. 415]

tot de Spaanse zijde teruggekomen is, de restauratie van het katholicisme beleefde. Deze kon er ongestoord voltrokken worden, totdat Maurits in 1604 Sluis heroverde en daarmee het hele gebied weer aan Spanje onttrok.

Men wacbte er zich echter voor het tijdvak 1587-1604 te beschouwen als de gunstige tijd voor een intensieve katholieke reformatie. Deze kan ten hoogste in Sluis en zijn onmiddellijke omgeving gewerkt hebben. De rest van het land was zo goed als onbewoonbaar. Toen Maurits in 1604 westelijk Zeeuws-Vlaanderen onder het gezag van de Staten-Generaal bracht, lag het grotendeels onder water. Sinds 1583 was het ten gevolge van de oorlogsgruwelen zo onveilig, dat het platteland verlaten was en de bevolking zich geconcentreerd had binnen Sluis, Brugge en Vlissingen. De dijken werden niet langer onderhouden. Het gevolg was, dat het land blank kwam te staan. Sedert 1583 vormden Breskens, Groede, Schoondijke, nagenoeg heel Oostburg en voor een deel ook de omstreken van Sluis, Heille, Aardenburg en Sint Kruis samen met het al eeuwen verdronken land van IJzendijke een wereld van onbegaanbare slikken en schorren, waaruit alleen de bouwvallen van kerken en torens opstaken. Het door de krijgsbedrijven verwoeste Aardenburg was door pest en hongersnood ontvolkt; Oostburg, platgebrand door de Spanjaarden, verkeerde in hetzelfde geval en was nagenoeg verlaten. Het is daardoor wel duidelijk, dat deze streek voor de beschouwing van de katholieke reformatie moet worden uitgeschakeld. Zij is straks, d.i. na het inpolderen van de verdronken polders, door een geheel nieuwe bevolking betrokken89..

Remi Drieux stierf 12 Mei 1594. Zijn naaste opvolgers, Mathias Lambert (1596-1602), een ijverig zielzorger, schrijver van populaire ascetische en historische werkjes in het Vlaams, en Charles Philippe de Rodoan a Berlinghem, te voren gedesigneerd bisschop van Middelburg, die Brugge van 1603 tot 1616 bestuurde, hebben een nieuwe tijd van rampen doorgemaakt. De troepenconcentratie voor het langdurige beleg van Oostende en de slag bij Nieuwpoort maakten de eerste jaren van de zeventiende eeuw voor het bisdom Brugge tot een hel. Omstreeks 1604 moet bijna het gehele platteland ontvolkt geweest zijn. In het hele bisdom stonden nog maar zeven of acht pastoors ten plattelande. Alles moest opnieuw ge-

[p. 416]

sticht worden. Bij de verschrikkelijke priesternood was de uitbouw van het seminarie in 1604 een maatregel van de hoogste urgentie. Eindelijk in 1609 bracht het Bestand verademing en gelegenheid tot opbouwend werk te lande, waaraan De Rodoan zich met toewijding heeft gegeven. Het land van Sluis heeft daaraan echter ten gevolge van de inneming der stad door Maurits in 1604 geen deel kunnen hebben.

[p. t.o. 416]



illustratie