|
|
|
| |
| | | | | |
Bij de eerste druk
Het thema dat wij in
De Lage Landen bij de Zee
(1934, vierde druk) in één deel behandeld hebben, heel de
geschiedenis van het Nederlandse volk en van de oudste tijden tot op heden,
was zó uitgebreid, dat wij wel gedwongen waren tot het besluit er alle
persoonsbeschrijving uit weg te laten. Een principiële beslissing, op grond
van de in dat boek gevolgde methode, zoals men misschien in dat tekort
vermoed heeft, was het dus allerminst. Wij zijn, integendeel, van oordeel
dat de marxistische geschiedschrijving, anders dan men vaak meent, evengoed
als welke andere ook, in staat is, de dramatis personae in
's werelds spel tot hun recht te laten komen. Ja, mogelijk zelfs beter,
omdat haar grondovertuiging in dit opzicht is, dat de ‘grote mannen’,
evenals trouwens alle overige mensen, in de geschiedenis geen geïsoleerde
verschijningen zijn, maar delen van het geheel.
De tegenwerping die de lezer zal maken, dat het marxisme niet de eerste noch
de enige geschiedbeschouwing is, die ‘verband legt’ tussen ‘grote mannen’ en
hun tijd, is juist, op zich zelf. Het komt er echter maar op aan van welke
aard dit verband is. Typisch voor de onjuiste wijze waarop men dat verband
pleegt te leggen, lijkt ons de geijkte term ‘iemand in de lijst van zijn
tijd plaatsen’. Lijst en schilderij immers houden wel verband met elkaar,
maar een uiterlijk. In werkelijkheid echter gaat het hier om een innerlijk
verband. De cultuurmatrijs van zijn tijd vormt ook de ‘grote man’. Hiermee
is het criterium van een ‘groot man’, als schepper van ‘eeuwigheidswaarden’
onzes inziens niet in strijd.
Ja, voorzover men als historisch denkend mens van eeuwigheidswaarden kan
spreken, zouden wij zelfs de paradox aandurven, dat het genie daartoe te
eerder in staat is, naarmate hij dieper in zijn tijd en deze in hem is
doorgedrongen.
Eveneens juist is de tweede te verwachten tegenwerping dat het marxisme,
enkele verspreide pogingen daargelaten, aan de problemen der individuele
psychologie niet de aandacht geschonken heeft die deze verdienen, terwijl
kennis daarvan toch uiteraard en ronduit onmisbaar is bij de behandeling van
een persoon, hij zij klein of groot. Juist, maar alweer op zich zelf. Want
object van marxisme waren ook niet persoonlijke, maar maatschappelijke
verhoudingen waarvoor andere wetten en andere waarden gelden.
De geschiedenis echter heeft met beide soorten van verhoudingen te maken.
Háár zien als een reeks betrekkingen tussen mensgroepen onderling, die hun
laatste basis vinden in de wijze waarop zij zich hun levensonderhoud
verschaffen, en de psychologie zien als de leer van de wijze waarop de
enkeling-tevens-groepslid die betrekkingen bindt en ontbindt en er zich zelf
mee bouwt, ziedaar naar onze mening, zo kort gezegd, als het thema het
toelaat, | | | | de ideale voorwaarde voor de biografie.
Met vreugde hebben wij daarom de gelegenheid aangegrepen die zich voordeed om
het in ons werk over de Nederlandse geschiedenis noodzakelijk maar niet
moedwillig verzuimde in te halen en in een reeks geschreven portretten van
Nederlandse gestalten recht te doen aan het persoonlijk element dat naar
onze zoëven ontwikkelde opvatting van die geschiedenis geen willekeurig,
maar wezensbestanddeel is.
Doch alweer was het, alsof het plan ook voor dit boek onze denkbeelden
omtrent de gebondenheid van de geest aan de materie wilde komen bevestigen.
Ondanks de royale opzet van de uitgever, die ons vier delen ter beschikking
stelde, bleek het onmogelijk alle personen op te nemen waarvan men zou
kunnen zeggen, dat zij tezamen het hele Nederlandse leven in zijn vele
aspecten vertegenwoordigen, aldus een beeld gevend van de hele Nederlandse
beschaving. Zelfs bij een beperking tot Noord-Nederland bleek de keuze nog
moeilijk genoeg. De leek maakt zich altijd een veel te geringe voorstelling
van de onmetelijke omvang van de moderne historische kennis, zelfs al is hij
met de hem passende eerbied daarvoor vervuld. Volgens een tamelijk
nauwkeurige schatting behandelt het
Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek
dat eveneens grosso modo zijn belangstelling
binnen de tegenwoordige landsgrenzen besloot, een drieëntwintigduizend
personen uit onze hele geschiedenis en dat zijn nog niet allen waaromtrent
wij iets weten en die allen hebben op de een of andere manier iets, al is 't
nog zo weinig, bijgedragen tot dat complexe geheel dat wij Nederlandse
beschavingsgeschiedenis noemen.
Maar ook praktisch was onze keuze nog beperkt. Wij konden óf een aantal
figuren van de eerste grootte kiezen óf wel van de tweede of derde waarin,
zoals bekend, het typische vaak duidelijker, want minder door het eigene
overschaduwd, aan het licht treedt. Wij kozen het eerste in de overtuiging,
dat deze taak weliswaar moeilijker, maar ook dankbaarder was, dankbaarder
zowel voor ons als in het algemeen voor de lezer. Wij kozen zodanige figuren
die, naar onze mening, in hun algemeenheid typisch Nederlands waren, doch
tegelijk, door hun eigenheid, zozeer boven het gemiddeld Nederlandse
uitstaken, dat hun leven en werk beschouwd mag worden als een bijdrage van
de Nederlandse tot de Europese beschaving. Want wij delen niet meer het
standpunt van Busken Huet, die in zijn
Land van Rembrand
(1882) vooral het tekort van het Nederlandse tegenover het Europese
mat. En wij hoeven het ook niet meer te delen. Sinds hij schreef en mede
doordat en door wat hij schreef, is Nederland zich zelf opnieuw bewust
geworden. Ons was het er daarom veeleer om te doen, te weten, niet wat
Nederland aan Europa, maar wat Europa aan Nederland verschuldigd is.
Zoals wij in het eerste deel de acht figuren die onzes inziens de dragers bij
uitstek waren van de Nederlandse gedachte in de 14de tot 16de eeuw,
behandelen, zo hebben wij in het tweede deel een tiental portretten van de
leidende figuren uit de 17de eeuw beschreven; in het derde weer een achttal
uit de 17de tot 19de eeuw en in het vierde tenslotte opnieuw een tiental
‘erf- | | | | laters’ van onze 19de-eeuwse beschaving.
Wat wij ons van het geheel voorstellen is een verdieping meer dan een
verbreding van de kennis van het Nederlandse volk omtrent wat het in de loop
der tijden zelf uit zich zelf aan groots heeft voortgebracht; een verdieping
die tegen gevaarlijke onderschatting, maar tegelijk tegen niet minder
gevaarlijke overschatting van het Nederlands-eigene waakzaam moge maken.
Tegen deze laatste mee daarom, omdat - vreemd maar waar - de overschatting
van het eigene gewoonlijk gepaard gaat met de neiging om dit eigene met de
middelmaat daarvan te identificeren. Zo wilde niet lang geleden nog een
onzer ‘rasechte’ nationalisten de Tachtigers vergeten terwille van Potgieter en Poot. Zijn
er nochtans ‘Hollandser’ dichters denkbaar dan Gorter of Verwey?
Maar zo weinig voorkeur wij voor het nationaal-gemiddelde hebben, zo zeer
hechten wij aan het juiste midden tussen over- en onderschatting in ons
oordeel, dat te vaak als een bewijs van onmacht in plaats van bedwongen
kracht beseft wordt. In dit streven naar ‘maat’ sluiten wij ons aan bij een
van de misschien meest wezenlijke trekken van dat Nederlands-eigene en,
menen wij, niet bij de minste, in elk geval bij één waarvan het te wensen
ware, dat het tegenwoordige Europa er meer deel aan had. In die zin wil dit
boek niet alleen Nederlands maar tevens Europees zijn.
Amsterdam, 1938
| |
Bij de zevende druk
Het enige dat wij aan het woord vooraf bij de eerste druk hebben toegevoegd
is de datering. Met haar aan te brengen willen wij onze dank betuigen aan
ons volk voor de trouw die het nu bijna twintig jaar lang dit boek heeft
betoond.
Wel schijnt voor deze zevende enige toelichting raadzaam. Het is namelijk de
eerste die zijn voorganger niet van zo dichtbij gevolgd is, dat er voor
herziening geen mogelijkheid was. Tussen de voltooiing van de eerste en de
zesde druk lagen namelijk maar zeven jaren, tussen deze en de zevende
evenwel negen. Konden wij bij de vorige herdrukken slechts te hooi en te
gras een verandering aanbrengen waarvan de noodzaak ons uit gedrukte of
geschreven beoordelingen blijkbaar was geworden, dit keer pas konden wij de
sinds de eerste editie verschenen literatuur over de zesendertig erflaters
stelselmatig doornemen en op grond daarvan een aantal toevoegingen inlassen
die, hopen wij, evenzoveel verbeteringen zullen blijken te zijn. Geheel
ongewijzigd bleef daardoor geen enkel opstel, alhoewel wij tot onze
voldoening mochten vaststellen, dat het overal bij betrekkelijk geringe
wijzigingen kon blijven; gering in zoverre dan, dat zij nergens opvatting of
opzet raakten.
Een tweede toelichting ten slotte komt ons wenselijk voor bij het woord
‘marxistisch’ uit het woord vooraf bij de eerste druk. Sinds dat in '38
geschre- | | | | ven werd, heeft de geschiedenis van dat woord immers
een eigenaardige ontwikkeling doorgemaakt. Is de betekenis ervan enerzijds
verengd, doordat het Westeuropese socialisme er, althans voor zover zich nu
laat overzien, voorgoed afstand van gedaan heeft, anderzijds is zij het
evenzeer doordat het Russische communisme het als een monopolie voor zich
alleen heeft opgeëist, zij het naar zich nu laat aanzien niet voorgoed.
Beide deden dat ten onrechte naar onze mening. Het socialisme, omdat het
daarmee de boom heeft afgezaagd waarop het zat; het communisme omdat het
daarmee als elke monopolist de gelijke rechten van anderen miskent.
In feite is het begrip ‘marxistisch’ steeds meer omvattend geworden en de met
dat woord aangeduide denkrichting veel meer nog dan destijds sjibbolet van
een wereldbeweging, méér en grotere volken omvattend dan ooit het
christendom heeft vermocht, dat nochtans zich nog steeds de godsdienst met
de meeste aanhangers mag noemen. Met het onvermijdelijk gevolg dat, zoals
ook mensen van wel zeer diverse geestelijke pluimage zich terecht christenen
heten, ook de marxisten niet meer aan een reeks eens-voor-altijd geijkte
dogmata te herkennen zijn. Gezien deze omstandigheid stellen wij er dan ook
evenveel prijs op als voorheen onze geschiedbeschouwing marxistisch te
noemen, omdat wij evenzeer als destijds overtuigd zijn dat zij, hoezeer wij
in de loop der jaren tot eigen resultaten gekomen mogen zijn, haar laatste
grond nog altijd vindt en zal blijven vinden in de stichter waarnaar zij
hier vernoemd is.
Amsterdam, 1956
| |
Bij de negende druk
Het is goed dat de futurologie en de geschiedenis niet onder dezelfde vlag
varen, want nog altijd doet de laatste er goed aan zich niet aan
voorspellingen te wagen. Dat blijkt weer eens in de uitspraak in bovenstaand
voorbericht bij de zevende druk, dat het Westeuropese socialisme ‘voor zover
zich nu laat overzien’ voorgoed afstand gedaan zou hebben van de term
‘marxisme’. In de historisch zo korte periode van vijftien jaar sinds die
druk verscheen hebben we een zo veelzijdige renaissance en vernieuwing van
het marxisme beleefd, dat Jan Romein deze woorden
met voldoening teruggenomen zou hebben en dat ik met te meer vertrouwen onze
poging tot marxistische geschiedschrijving aan het oordeel van een nieuwe
generatie voorleg.
Dankbaar vermeld ik dat enkele deskundige lezers me in de gelegenheid stelden
een aantal correcties in de tekst aan te brengen en dat H.J.M. Barnouw voor
het bijwerken van de literatuuropgave zorgde.
Laren, 1971
Annie Romein-Verschoor
|
|
|