|
|
|
| |
| | | | | |
Ruwaard der vrijheid
Een nieuwe Plutarchus zou ongetwijfeld de portretten van Johan de Witt en Johan van
Oldenbarnevelt in zijn reeks ‘parallelle levens’ moeten opnemen. De
ruim driekwart eeuw die hun geboortejaren, de ruim een halve eeuw die hun
sterfdata scheiden, zijn enerzijds kort genoeg om de overeenstemming tussen
beiden er niet slechts een in schijn te maken, lang genoeg anderzijds om het
verschil wezenlijk te doen zijn. Weliswaar scheiden twee omwentelingen, die
van 1618 en die van 1650, beider leeftijd, maar het waren omwentelingen in
tegengestelde richting, zodat bovendien het gelijksoortige in beider
omgeving voldoende is om de vergelijking van beide figuren zin te verlenen.
De punten van overeenkomst tussen beiden zijn te talrijk om niet op te
vallen. Allereerst hebben zij hetzelfde ambt bekleed en zijn zij daartoe op
dezelfde wijze opgeleid of wil men: niet opgeleid, want de zeventiende eeuw
kende nog slechts de ongespecialiseerde scholing die alle ontwikkelden met
politieke - en dat wilde destijds bij het ontbreken van een georganiseerd
partijwezen zeggen: ambtelijke - ambities, gemeen was: de klassieke vorming,
de juridische studie, de advocatuur bij het centrale gerechtshof, het
pensionarisschap van een der grote Hollandse steden. Een staatsberoerte
heeft beiden aan het roer, een staatsberoerte beiden ten val gebracht.
Beider dood als slachtoffer van de haat der Oranjepartij, heeft beider falen
geadeld door het tot drama te verheffen en daarmee tevens het bewijs
geleverd, dat onder de kalme oppervlakte de politieke hartstochten hier te
lande niet minder wielen dan elders. Beiden hebben zij het onweer dat zich
boven hun hoofden samenpakte, wel zien aandrijven, maar beiden hebben zij
het, door vroegere overwinningen verwend, onderschat.
Beider dood ten slotte is tragisch, niet door de gewelddadigheid ervan
alléén, maar evenzeer door de onnodigheid ervan, want noch na
Oldenbarnevelts terechtstelling noch na de moord op Johan de Witt verandert
er - en dat is misschien de grootste schuld zowel van Maurits als van Willem
iii - iets wezenlijks aan het staatsbestel. En
tragisch vooral is beider einde door de blijmoedige en ongeëvenaarde
plichtsbetrachting die er aan voorafging. Plichtsbetrachting die bij beiden
haar tot het laatst toe onverzwakte kracht putte uit hetzelfde ideaal, de
vrijheid, door beiden als de suprematie van de regentenklasse in Holland en
van Holland in de Unie verstaan, waarvoor beiden hetzelfde gebrekkige
instrument hadden te hanteren dat maakte, dat dit ideaal zich slechts via
een allesbehalve ideaal partijregime verwerkelijken liet. Het ideaal der
‘vrijheid’ die bij de uitbreiding die dat begrip in de 18de eeuw zou
krijgen, ons nu beperkt en zelfs benepen voorkomt, want men kan haar zonder
veel overdrijving zelfs wel onder het hoofd ‘handels- en finantieel beleid’
rubriceren, was het onder het zware diplomatieke en krijgs- | | | | accompagnement niet steeds hoorbare, maar nochtans steeds áánhoudende
hoofdthema immers van beider levenssymfonie.
Maar daar staan twee dingen tegenover. Ten eerste, dat het dan toch maar het
‘finantieel beleid’ van Oldenbarnevelt geweest is dat de krachtsinspanning
van Maurits en Frederik Hendrik mogelijk gemaakt heeft, waar de
onafhankelijkheid van dit land op werd gegrondvest en dat het het
‘finantieel beleid’ van Johan de Witt is geweest, dat de krachtsinspanning
van hemzelf en Willem iii mogelijk heeft gemaakt,
waardoor die onafhankelijke staat een grote mogendheid geworden is en dat
een eeuw lang heeft kunnen blijven. Belangrijker nog, dat ofschoon beider
‘finantieel beleid’ door hun klasse en alléén door hun klasse bepaald werd
die hun ‘vrijheids’-begrip zo verengde, dat die verengde ‘vrijheid’ dan toch
maar tegelijk de voedingsbodem geweest is waarop de onnavolgbare Nederlandse
beschaving der zeventiende eeuw heeft gebloeid en enkel bloeien kon, omdat
zij met al haar beperktheid dan toch maar de hoogste vrijheid was waartoe
deze eeuw is kunnen komen.
Geen wonder dan ook - en dat is het laatste en niet het minst treffende punt
van overeenkomst - dat beider indruk op tijdgenoot en nageslacht
onuitwisbaar is. Zowel in hun eigen tijd als nog lang daarna zijn ze tot
onherkenbaar wordens toe door de wederpartij verguisd en eveneens tot een
zelfde graad van mistekening door hun aanhangers geïdealiseerd en het eerste
althans méér dan wie hunner tijdgenoten ook, omdat, mede door hen, de
vrijheid van het woord hier groter was en dus ook meer misbruikt werd, dan
waar ter wereld ook. Zoals men bladzijden kan vullen met de scheldwoorden
naar het grijze hoofd van 's lands advocaat geslingerd, zo is ook de reeks
paskwillen en libellen onoverzienlijk groot waarin vuil gespoten werd tegen
de rechte figuur van de veruit grootste raadpensionaris. Zelfs de volkomen
ongerijmde gedachte, dat hij het erop toe gelegd zou hebben, graaf van
Holland te worden, kon gehoor vinden. En dat dit niet alleen het geval was
bij degeen die dit fabeltje verzonnen had, bewijst de zeer verwante gedachte
dat hij naar de hertogskroon van Gelderland zou streven, zoals de
stalmeester van een der Engelse gezanten te Breda
(1667) te vertellen wist of ten slotte het feit, dat men hem in Engeland met
de naam van ‘King John’ aanduidde. En op zijn minst gold hij bij zijn
vijanden, niet alleen (dat spreekt vanzelf) als een persoonlijk vijand van
het onschuldige Oranjekind, maar voor een vriend van Frankrijk en, onder het
mom van dienaar, als een verrader van zijn land.
Zelfs een eeuw later, in de zogenaamde Witten-oorlog, een heftige pennestrijd
uit 1757, waren deze klanken nog niet verstomd, getuige de verhandeling over
zijn ‘valsch en wanschaapen karakter’ welke die papieren oorlog opende,
ofschoon men destijds in de zes delen van zijn diplomatieke correspondentie,
uitgegeven in het tweede stadhouderloze tijdperk, alsmede in de brieven van
d'Estrades, de Franse gezant uit De Witts tijd, over materiaal beschikte dat
tot een objectieve beoordeling van zijn politiek in staat stelde. En
Wagenaar die een groot aandeel in die strijd gehad heeft, heeft het ook
inderdaad een eind in die richting gebracht. Puur historisch was die strijd
anders uiteraard niet. Het was, in wezen, een stuk partijstrijd. Het ging
ook | | | |

Johan de Witt. Schilderij door Adriaen Hanneman. Museum Boymans-van Beuningen, Rotterdam.
| | | | toen, als in De Witts eigen tijd, zowel om de meest wenselijke
regeringsvorm als om de oriëntering in de buitenlandse politiek - het was
één jaar na het uitbreken van de Zevenjarige oorlog -, maar dat dit conflict
de vorm aannemen kon van een geschil over het ‘karakter’ van De Witt is voor de invloed van zijn persoon toch
veelzeggend genoeg. Het is hetzelfde verschijnsel dat we zelfs in de 19de
eeuw nog ten opzichte van Oldenbarnevelt
waarnemen in de strijd over zijn ‘karakter’ tussen Motley en Groen. In wezen ging het
ook daarbij niet zozeer om Oldenbarnevelt of om Maurits, maar om het
Arminianisme, waarin Groen de wegbereider van het ultramontanisme, in 1836
nog het schrikbeeld voor protestants Nederland, meende te zien, terwijl
Motley, de liberale Amerikaan, het van zijn kant verdedigde, omdat hij het
met de vrijheid van Washington gelijkgestelde. Maar ook hier is het tekenend
voor de indruk die Oldenbarnevelt naliet, dat deze controverse de vorm
aannam van een conflict over zijn persoon.
Maar naast die opvallende overeenkomsten tussen Oldenbarnevelt en Johan de
Witt zijn de verschillen niet minder treffend, ja de laatste worden door de
eerste slechts te treffender. In hun afkomst reeds ligt een verschil
opgesloten dat wezensbepalend is, zoals we zien zullen. Zo onzeker, sociaal
gesproken, die van Oldenbarnevelt was, zo zeker was die van De Witt gelet
althans op de innerlijke en niet op de uiterlijke bepaling daarvan.
Want die laatste is - tekenend genoeg overigens bij een toch zo beroemd man -
niet boven alle twijfel verheven. Hij is, ja, geboren, dat mag men wel als
zeker beschouwen, te Dordrecht, op een 24ste
september, maar van welk jaar is minder zeker. We nemen met Van Balen, de nauwkeurige genealoog van het Dordtse
patriciaat, daarin door Japikse en Theunisz, zijn jongste biograaf, gevolgd, aan:
1625, maar weten dat, bij ontstentenis van een geboorte- of doopregister,
slechts uit een getuigenis van zijn oudste dochter afgelegd na haar vaders
dood. Het enige min of meer officiële document, waaruit we iets kunnen
opmaken - de inschrijving tegelijk met die van zijn twee jaar oudere broer
Cornelis in het ‘Album Studiosorum’ van de Leidse Academie - is ermee in
strijd. Johannes heet daar achttien jaar, en het jaar der inschrijving luidt
1641, hetgeen zijn geboortejaar op 1623 zou stellen. Anderzijds is dat
‘Album’ in zijn dateringen ook weer verre van precies. Waar echter weer
tegenover staat, dat ook twee tradities tegen 1625 pleiten. De eerste wil,
dat Johan op de Latijnse school te Dordt de
weetgierige leerling geweest is van zijn rector, Isaäk Beeckman, de vriend
van Descartes, en wel zijn leerling speciaal in de wiskunde, die overigens
niet op het schoolprogram stond. Bij een geboorte in 1625 zou dit betekenen,
dat Johans wiskundige aanleg zich reeds vóór zijn twaalfde jaar geopenbaard
zou hebben, want zijn voortreffelijke leraar is reeds 30 mei 1637 overleden.
Ten tweede vermeldt de biografie van Crommelin, hoe Johan op zijn achttiende
jaar te Dordrecht lid van een dansclub was en hij en Cornelis er hoofdrollen
vervulden in een treurspel over Julius Caesar,
De Keizermoorders
geheten, dat door de Latijnse scholieren werd opgevoerd. Is dit
juist, dan kan hij bezwaarlijk op zestienjarige leeftijd naar Leiden
vertrokken zijn, al blijft hier anderzijds weer de mogelijkheid van
vakantiegenoegens open.
| | | |
Maar deze onzekerheid betreft, als gezegd, slechts de uiterlijke bepaling van
zijn geboorte, de innerlijke van zijn afkomst laat niet de minste twijfel
over. Als zoon van Jacob de Witt was hij van vaderszijde een afstammeling
van een regentenfamilie uit Dordt waar het geslacht, er sedert het einde der
dertiende eeuw gevestigd, in het laatste kwart der volgende al in de
regering zat, en dus vermogend was, zonder er nochtans zó op de voorgrond te
treden, dat het met de Opstand van het toneel moest verdwijnen. Het was,
integendeel, juist de Opstand die de De Witten tot een voorname Dordtse
familie heeft verheven. Een zekere Willem de Witt en diens achterneef
Cornelis, houthandelaar als zijn vader reeds en zelf de grootvader van
Johan, kwamen, nadat zij vermoedelijk al eerder de zijde der geuzen gekozen
hadden, spoedig na 1572 in het gestoelte der ere.
Van de zijde van zijn moeder, Anna van den Corput, stamde hij uit een Breda's
geslacht dat overigens tot de ‘stillen in den lande’ behoord heeft. Men
onderschatte daarom echter haar betekenis niet in het leven van haar grote
zoon. Wie de portretten van zijn ouders bekijkt, twijfelt niet lang van wie
de geestesbeschaving en de intellectuele distinctie waardoor Johan de Witt
zich zo duidelijk van het merendeel der politici van zijn tijd
onderscheidde, afkomstig zijn. Hij heeft ze even zeker van zijn moeder, als
hij zijn beroemde ‘iver’ - te sober woord voor zijn bijna bovenmenselijke
arbeidskracht - van zijn vader heeft geërfd. Het is wel die zeldzame
combinatie van geestelijke fijnheid en lichamelijke robuustheid, die hun
zoon voorbeschikt hebben tot de zeer bijzondere rol die hij op 's werelds
schouwtoneel heeft mogen - alsmede ook tot de tragische
ondergang die hij er heeft moeten spelen.
Dit verschil tussen de zoon ener ‘toevallige familie’ die Oldenbarnevelt was,
en die uit een regerend geslacht met een gevestigde traditie zoals De Witt,
wordt in hoge mate versterkt door het verwante verschil in beider
historische omgeving. Terwijl Johan van Oldenbarnevelt in 1586 gretig en
aarzelend tegelijk zijn ambt aanvaardt, waaraan hij zelf instructie, inhoud
en gezag zal geven door het tot het ordenend middelpunt van het nog wankele
staatsbestel der prille Republiek te maken, aanvaardt Johan de Witt in 1653
een zeer bepaalde functie, met een hem voorgelegde, zij het dan door eigen
lidmaatschap der desbetreffende commissie enigszins gewijzigde instructie.
En hij heeft geen hogere eerzucht gekend dan die stipt op te volgen.
Oldenbarnevelt schiep de staat die De Witt slechts had te behouden.
Oldenbarnevelt had kritiek op wat hij zelf had helpen scheppen: Johan de
Witt aanvaardde de gebreken van die staatsinrichting als even zoveel
deugden. In één woord: Oldenbarnevelt was een revolutionair, De Witt een
conservatief politicus. En de een is het een, de ander het ander
door-en-door.
De Dordtse afkomst van De Witt is geen toeval. Dordt had als oudste stad en
in zijn betrekkelijke afgelegenheid een eigen stempel. De Merwedestad stond
in beschaving alleen bij de Amstelstad ten achter. Voor die beschaving had
de economische voorsprong die het in de middeleeuwen gehad had, de
fundamenten gelegd, maar door verlegging van de handelswegen was die
voorsprong omgeslagen in een achterstand. Daardoor was het slechts te
sterker met de middeleeuwse stedentraditie verbonden gebleven. Was de geest
er | | | | beschaafder, hij was er tevens nóg conservatiever dan
elders. Oldenbarnevelt deinsde voor de stoutste concepties niet terug,
onverschillig of het Holland, de Unie of het buitenland gold. Hij heeft alle
mogelijkheden vóór zich. De Witt heeft ze alle achter zich. Hij heeft als
politicus maar één conceptie, het behoud der regentenheerschappij in Holland
en de Unie en in samenhang daarmee een buitenlandse politiek die alle
pogingen tot herstel van het Oranjehuis zou verijdelen. Hij houdt even taai
vast aan zijn ideaal als Oldenbarnevelt, maar hij doet het zonder stoutheid
en fantasie. Hij doet het, niet als Oldenbarnevelt van de bedwongen, maar
heftige bewogenheid ener primaire en bijna primitieve heerszucht uit, hij
doet het niet uit de gevoels-, maar uit de verstandssfeer: hij doet het niet
als politicus, maar als tacticus, bijna zou men zeggen: alleen uit
plichtsgevoel. Johan de Witt is een heilige die de kalender niet kent:
St.-Jan van het kapitalistisch calvinistisch plichtsbesef, de patroon van
het blijmoedig gilde van jongens-van-Jan-de-Witt, wie de arbeidsethos tot
een tweede natuur en daarmee zowel tot een blijvende vreugd als tot een
onontkoombaar noodlot geworden is.
Met het verschil in afkomst, met het verschil tussen revolutionaire
scheppingsdrang en overwegende behoudzucht hangt dat andere, persoonlijk
misschien wezenlijkste verschil samen, dat deze twee grootste leiders der
regentenpartij voor altijd van elkander onderscheidt, de baatzucht van de
een en de onbaatzuchtigheid van de ander, de twee polen waartussen de
normale Nederlander zich bevindt, waartoe hij zich om beurten voelt
aangetrokken en waardoor hij dat eigenaardige mengsel van ingetoomde
hebberigheid of gevierd fatsoen geworden is, dat hij pleegt te zijn.
Oldenbarnevelt heeft al de hebzucht van de homo novus die
de rechtvaardiging voor deze, zijn fout zoekt en ook slechts vinden kan in
zijn eigen slagen. De Witt heeft al de voorname terughoudendheid in de
verwerving van persoonlijke eigendom van de man die er al is vóór hij er
komt, omdat zijn vader er al was. En voor de rest, artikel xxxv van zijn instructie - merkwaardigerwijs veel preciezer dan
het overeenkomstige artikel xxxiii uit de instructie van
1641 -zei het immers duidelijk: ‘Ende zal den voorschreven Raedt-Pensionaris
Eedt doen, dat hij oock geen Giften, Gaven ofte Geschencken [zal] mogen
ontfangen, genieten nochte proffiteren van eenige dingen, hoe kleyn die oock
souden moghen wesen, oock van eedtbare Spyse ofte Dranck, ende dat van
yemandt, t zy Steden, Collegien, Compagnien, Kameren, Personagiën ofte
particuliere Personen, die hij weet, die yets aen hare Edel Groot Mog. ofte
derselver Gecommitteerde Raden te doen te hebben ofte apparentelijck te
sullen krygen.’ Ook dit artikel van zijn instructie heeft hij met de hem
eigen stiptheid opgevolgd. In zijn eerste Haagse tijd, wanneer hij nog
verkeert in de galante kring der Brederodes, lid is van de ‘ordre de l'union
de la Joye’, een societyclub, die zich naar de gewoonte van de ‘society’ aan
het heersende regime had aangepast, dan schenkt hij zijnerzijds wel aan de
freule van Nassau - een zuster van Maurits de Braziliaan - van wie hij
bewaarde ‘à jamais ce que je vous dérobay à la nuit de joye que dernièrement
nous passâmes ensemble’ als kermisgeschenk een ‘horologie’, maar het
handwerkje, dat de dankbare Nassause hem in ruil wilde geven, stuurt hij,
zij het met een geestige betui- | | | | ging van spijt - onverbiddelijk
terug. De vreemde gezanten zouden het later niet anders ervaren. De enige
geldelijke manipulatie te eigen bate, die hem ten laste gelegd zou kunnen
worden - het opnemen van grote bedragen, tot honderdduizend gulden toe tegen
lage rente, waarvoor hij zich door de ontvangers de anders moeilijk
verkrijgbare en hoger rentende staatsobligatiën liet toewijzen - kan, menen
wij, slechts een al te catonische censor hem verwijten, te meer, omdat hij
niet geaarzeld heeft tot tweemaal toe zelf het initiatief tot een conversie
van de staatsschuldrente te nemen, eerst in 1655 van 5 op 4, en toen nog
eens in 1668 van 4 op 3,5 procent. Het is waar, van die laatste is niets
gekomen, doch dat was niet zijn schuld, maar die van zijn superieuren met
minder verantwoordelijkheidsgevoel voor het algemeen belang.
Vergeten wij ten slotte niet, dat bij alle regenten destijds - en dit woord
nu genomen in de ruimste zin van: regeerders, dus ook in het buitenland - de
scheiding tussen financiële staats- en privé-aangelegenheden allerminst
scherp was. En dat niet alleen in figuurlijke, maar zelfs in letterlijke
zin. Ook De Witt, zelfs De Witt bewaarde zijn geldswaardige papieren tussen
zijn staatsstukken. Indien zijn houding in dit opzicht van de algemene
praktijk van zijn dagen afweek, dan was het hierin, dat hij het zich
geldelijk bij de Staat interesseren beschouwde als een plicht, niet als een recht van de regent. Wie zou,
zo was ongeveer zijn gedachte, beter het belang van het gemenebest
behartigen, dan hij die bij zijn welvaren ook stoffelijk belang had? Op één
verschil willen wij ten slotte nog wijzen om er de kring dezer vergelijking
mee te sluiten. Het betreft hetzelfde punt waarmee wij de eigenlijke reeks
der overeenkomsten zijn begonnen: beider einde. Het tragische van Oldenbarnevelts terechtstelling is in zijn
ouderdom, dat van de moord op Jan de Witt in zijn
betrekkelijke jeugd gelegen. Hij had zijn zevenenveertigste levensjaar nog
niet beëindigd, toen hij als slachtoffer van zijn stelsel viel, op een
leeftijd derhalve, waarop zo niet de loopbaan, dan toch de roem van de
meeste staatslieden die niet door geboorte aan het roer van staat geplaatst
zijn, pas pleegt te beginnen. Dit laatste verschil lijkt het
onbelangrijkste. In werkelijkheid is niets meer geschikt om ons een
denkbeeld te geven van wat misschien het meest eigene en tegelijk het meest
eigen-Hollandse in deze man geweest is: het levenslustig oproeien tegen de
stroom zonder één ogenblik de riemen neer te leggen.
In een geordende bureaucratie, zoals wij die kennen, waarin het persoonlijke
werk van een premier niet meer te onderscheiden valt in de lawine van door
zijn ambtenaren opgestelde paperassen die dagelijks zijn kabinet uitstort,
zegt het niet veel, maar voor de tijd van Johan de Witt, toen er bijna geen
stuk uitging, dat, zoal niet door hem zelf gesteld, dan toch door hem
ontworpen of in eindredactie van hem afkomstig was, zegt het heel wat,
wanneer we horen, dat men in 1668 berekend heeft, dat de akten van De Witt,
in de vijftien jaar van zijn bewind 22 591 bladzijden besloegen, tegenover
23 475 bladzijden van zijn voorgangers in een tijdsverloop van zevenenzestig
jaar. En we staan tegenover deze onverdroten werkkracht die zich bovendien
op geen routinewerk richtte als tegenover een raadsel, wanneer we | | | | daarbij ons een voorstelling trachten te vormen van het
oneindig aantal vergaderingen dat hij heeft moeten bijwonen en, wat de
staten van Holland betreft, ook heeft voorgezeten, ongerekend nog zijn
representatieve functies en besognes.
De droge letter van zijn instructie, door hem met de adem van zijn
plichtsbesef bezield, spreekt van een leven-in-arbeid op het altaar van het
vaderland geofferd ja, maar met een blijmoedigheid, zo zuiver, dat zij
zichzelf niet kende. Ook hierin toch was zijn instructie even precies als de
wijze, waarop hij haar heeft opgevolgd.
Bezien wij haar wat nader om eruit te leren, wat het werk van deze man
geweest is. Eisen aan persoon en vooropleiding stelt artikel i niet anders dan die van wat wij tegenwoordig noemen: goed zedelijk
gedrag. Voorts moest hij gereformeerd en tenminste het Latijn en Frans
machtig zijn. Des te talrijker zijn de eisen aan de eenmaal benoemde
functionaris gesteld. Hij moet (artikel v) als
pensionaris van de ridderschap - ambt met dat van raadpensionaris verenigd -
de Edelen die lid zijn van Gecommitteerde Raden (het dagelijks bestuur van
het gewest) acht dagen van tevoren schriftelijk over agenda en stukken
inlichten en is ook zelf lid van dat college, zodat hij alle vergaderingen
ervan bijwoont, wanneer zijn andere bezigheden hem dat althans niet beletten
(artikel xiv). Met name is zijn tegenwoordigheid vereist
op alle vergaderingen van de Staten van Holland (artikel vi) die gemiddeld vijf keer per jaar gedurende enige weken zitting
hielden. Maar dat niet alleen: hij moest ze ook leiden, want ofschoon niet
officieel voorzitter, was hij het toch, die de agenda opstelde, omvraag
hield, de stemming opnam, de conclusie trok, elke voor- en namiddag één
(artikel ix), en de resolutie opmaakte en inschreef
(artikel xviii), ook al te grote welbespraaktheid
intoomde (artikel viii). En die vergaderingen begonnen 's
zomers al om acht uur 's morgens (artikel vii), duurden
tot elf en werden 's middags om vier uur hervat.
Dit was zo geregeld om de deputatie naar de vergadering der Algemene Staten,
met de raadpensionaris aan het hoofd, gelegenheid te geven tussentijds naar
die Staten-Generaal te gaan. Van wat daar en bij de Gecommitteerde Raden
omging, moest hij weer aan de Staten van Holland verslag uitbrengen (artikel
xv). Alle rekesten, de pachters van de middelen
rakende, moeten door zijn handen gaan (artikel xvi). Alle
morgens moet hij een resumé geven van alle belangrijke besluiten, de vorige
dag genomen (artikel xx), terwijl hij zelfs alle
besluiten de eigenste dag in een register schrijven moet (artikel xix). Maar dat niet alleen: ook alle ordonnantiën, akten,
plakkaten, consenten, resoluties en andere bescheiden van belang moet hij
zelf uitwerken, daarbij slechts door een bescheiden bureau bijgestaan. Hij
moet een inventaris bijhouden - pertinent en perfect - van alle boeken,
stukken, charters en papieren die 's lands eigendom zijn en onder hem
berusten en ze elk jaar aan de chartermeester overleveren (artikel xxiii).
En zelfs daarmee was hij nog niet aan het eind van zijn verplichte
bezigheden. Een wakend oog te houden -pertinentelijck ende punctuelijck - op
de financiën en de heren op dat stuk desgewenst van advies te dienen, droeg
ar- | | | |

De Witts eigenhandig concept voor de ‘Deductie ter verdediging
van de Acte van Seclusie’, 1654. Algemeen Rijksarchief,
Den Haag.
| | | | tikel xxvii hem op. En zeker niet
minder gewichtig, in zekere zin zelfs het gewichtigst van alles is artikel
xxix, waarin hem de correspondentie met de
Nederlandse gezanten in het buitenland wordt opgedragen, die in de uitgaaf
van 1723 zes zware delen beslaat. En al mag hij volgens artikel xxx geen brieven wisselen of onderhandelingen voeren met
de vertegenwoordigers van vreemde mogendheden of vorsten, hetzelfde artikel
opent toch de mogelijkheid, dat hem dit bij speciaal besluit juist wel
gelast wordt. En in elk geval moet hij de hem uit hoofde van zijn functie
toegezonden buitenlandse correspondentie toch lezen, in de vergadering
brengen, erover rapporteren en laten besluiten. Rekent men daarbij, dat zijn
positie hem de aangewezen man maakt om in tal van commissies zitting te
hebben, dan zal men zich minder verwonderen over het feit, dat er niet
alleen in zijn gewest, maar zelfs in de generaliteit, praktisch gesproken,
niets buiten hem omging, dan dat de heren al dit werk aanvankelijk althans
(artikel xxxiii) met ƒ3000 's jaars voldoende beloond
achtten.
Lijkt het geen ironie, dat artikel ii van zijn instructie
deze ambtenaar nog expresselijk verbood, andere bedieningen waar te nemen?
En nog meer, dat hem in 1660 ook nog het stadhouderschap van de lenen
opgedragen wordt waaraan hij, volgens de instructie, twee uur per dag moet
besteden? Waarlijk, het is geen wonder, dat een oom van De Witt het ambt, waar overwerk in de avonduren normaal was, een
‘vergulde slavernije’ noemde en hij zelf, ondanks al zijn opgewektheid, van
een ‘bekommerlycke charge’ heeft gesproken. Geen wonder, dat toen er later
eens sprake was, niet zonder oppositionele bedoelingen trouwens, van een
afsplitsing van ‘buitenlandse zaken’ en ‘finantiën’, hij althans dit laatste
ressort volgaarne aan een ander zou hebben afgestaan. Geen wonder ook, dat
een vakantie van meer dan een paar weken in al de bijna twintig jaar van
zijn ambtsvervulling uitzondering is. Maar des te verwonderlijker mag het
heten, dat deze man zich zelfs nooit ‘de weelde van een inzinking’
veroorloofd heeft, zoals Japikse heeft opgemerkt
en dubbel verwonderlijk, dat deze volmaakte ambtenaar nog tijd heeft kunnen
vinden voor andere dan zijn ambtsbezigheden. Want met de intensieve
behartiging van familie- en partijbelangen moet hij ook heel wat uren
doorgebracht hebben. Het enige artikel uit zijn instructie, het xxviiste, dat hem bij ede verbood zich met verkiezingen
van wie of waar ook te bemoeien - het enige, dat hem geen tijd kostte, maar
spaarde - is tegelijk het enige, dat hij voortdurend overtreden heeft. En
daarnaast restte hem nog de lust voor in die wereld zo bijkomstige zaken als
muziek, wiskunde en wijsbegeerte.
Zijn belangstelling voor Spinoza moge dan niet
verder gegaan zijn dan - belangstelling, die belangstelling moet toch wel
echt geweest zijn en Spinoza in De Witt inderdaad de ‘ruwaard der vrijheid’
in het algemeen en van de zijne in het bijzonder gezien hebben, wanneer de
anders zo evenwichtige wijsgeer slechts door zacht geweld verhinderd is
kunnen worden om in de nacht na de moord op de raadpensionaris een door hem
opgesteld en tegen de bedrijvers gericht paskwil aan de Gevangenpoort aan te
plakken, waarin de moordenaars als ‘ultimi barbarorum’, als ‘allerergste
barbaren’ werden gebrandmerkt.
| | | |
Hoe dit zij, De Witts bemoeiing met de wiskunde was toch zeker meer dan
belangstelling alleen. Daarvan getuigt zijn in 1659 onder de titel
Elementa curvarum linearum
verschenen werk. Niet De Witt zelf, maar de Leidse hoogleraar Frans
van Schooten jr. heeft het uitgegeven als tweede deel bij de tweede uitgaaf
van Descartes' Geometria en deze had oordeel genoeg om
niet de naam van een maar-liefhebber aan die van de beroemde
wijsgeer-wiskundige te verbinden. Hij heeft slechts enkele berekeningen,
zoals hier paste, in overeenstemming met Descartes' methode gebracht.
Trouwens niemand minder dan Christiaen Huygens
heeft gemeend, dat, had zijn beroep hem meer tijd gelaten, De Witt een
eerste plaats onder de wiskundigen van zijn tijd had kunnen bekleden. In het
eerste boek van De Witts Elementa worden van parabool,
hyperbool en ellips bekende en nieuwe eigenschappen afgeleid en wel met
opzet zuiver-planimetrisch, dus zonder ze als kegelsneden te beschouwen.
Opvallend is daarbij, dat De Witts constructie van de assen van een ellips
bij in stand en grootte gegeven toegevoegde middellijnen fraaier is dan de
klassieke van Chasles. Het tweede deel behandelt algemene vergelijkingen van
de eerste en tweede graad. P. van Geer die een
afzonderlijke studie aan De Witt als wiskundige wijdde, heeft dit deel het
eerste leerboek der analytische meetkunde genoemd, te opmerkelijker, wanneer
men weet, dat het pas in 1710 door dat van Christiaan
Wolff gevolgd en - verdrongen kon worden.
Dichter bij zijn functie, maar toch onbereikbaar ver eraf, wanneer De Witt
slechts een verdienstelijk ambtenaar geweest ware en anders niet, staat zijn
Waerdye van Lyf-renten naar proportie van
Los-renten, eigenlijk een memorie uit 1671, die samenhing
met een plan voor een lening waaruit hij de kosten van een legeruitbreiding
wilde bestrijden, maar dat algemeen als de geboorte-akte van de
verzekeringswetenschap beschouwd wordt, ook al is de door hem gebruikte
sterftewet uit gebrek aan statistische gegevens, willekeurig. Waar het
praktisch op aankwam was echter, dat De Witt door zijn berekening er de
Staten van kon overtuigen, dat de Staat een bedrag van ruim ƒ16, misschien
zelfs ƒ18 voor iedere gulden lijfrente kon eisen, in plaats van de ruim ƒ12
die hij er voor placht te vragen of van de ruim ƒ14 die hij er nog onlangs
voor gevraagd had.
Nog dichter bij huis bleef hij met de kanttekeningen en eventueel
aanvullingen in het handschrift van Pieter de la Courts
Interest van Holland
(1662) gemaakt. Zelfs heeft men wel gemeend, dat twee zeer
tendentieuze hoofdstukken, die zonder De la Courts weten in de druk
plotseling opdoken, van de raadpensionaris afkomstig zouden zijn. Hoe ver
diens medewerking in deze gegaan is, is echter niet uitgemaakt en ook
moeilijk uit te maken. Kennelijk van hem - en typerend voor hem - is de
venijnige uitval tegen Willem ii ‘die doenmaels’, zoals
hij woord voor woord vinnig onderstrepend schreef, ‘zijn tijdt noch meest
met jaegen, vliegen, caetsen, comedien, dansen ende andere infamer
debaucheri doorbrachte’. Ook is zeker, dat de bedoelde hoofdstukken door een
‘insider’ geschreven zijn, die niet alleen een partijganger, maar zelfs een
vertrouwde van De Witt moet geweest zijn, hetgeen een eigenaardig licht
werpt op zijn latere verloochening van het hele geval. | | | |
Helemaal zonder zwarte vlekken is ook De Witt niet geweest.
Hoe dit zij, het bovenstaande moge tot bewijs strekken, dat we alleen in
vergelijking met Oldenbarnevelt De Witt
onoorspronkelijk genoemd hebben. Ergens komt altijd de ‘klauw van de leeuw’
wel te voorschijn, wanneer wij met een bijzonder mens te doen hebben, al
vindt deze zijn ideaal in niet meer dan het volmaakte ambtenarendom. Bij De
Witt is het in zijn bemoeiingen buiten of half buiten zijn ambt, maar ook
wel daarbinnen. Als men de reactie van zijn omgeving ziet op zijn plan om
met de vloot mee uit te zeilen, beseft men, dat geen ander raadpensionaris
dan hij ooit op deze gedachte had kunnen komen, laat staan haar - en hoe! -
uitvoeren. Dr. Johanna Oudendijk heeft aan De
Witts bemoeiingen met en op de vloot een afzonderlijke studie gewijd die ons
daarvan kan overtuigen. Vooral zijn gedrag op de Zeven Provinciën in de
tweede zeecampagne, in 1666, die hij inderhaast en daarom zonder de staatsie
van het jaar tevoren heeft meegemaakt, heeft een diepe indruk nagelaten.
Door de ziekte van De Ruyter - getuigt de schrijfster - werd hij zonder enig
voorbehoud de eerste persoon op de vloot, al benoemden de Staten Aert van
Nes dan formeel tot de vervanger van de vlootvoogd. Hij moet zich de voor
hem toch vreemde situatie ten volle meester betoond hebben; al werd dan ten
slotte de slag die hij verwachtte en waarop hij hoopte, niet geleverd,
doordat de vijand zich terugtrok. Weer heel anders, maar niet minder
oorspronkelijk en nog verder uitgrijpend zelfs is zijn plan van 1665 om in
het nijpend gebrek aan matrozen te voorzien door een soort dienstplicht die
de zeedorpen dan in plaats van de verponding zou worden opgelegd. Dat ook
daar wederom niets van gekomen is, doet uiteraard aan het belang van het
plan niets af. Pas de Franse Revolutie immers heeft van deze gedachte een
systeem gemaakt.
Waarlijk, Johan de Witt moge dan niet ‘singulier geweest zijn in alles’,
zoals de Staten van Johan van Oldenbarnevelt - na zijn dood trouwens -
hadden gezegd, hij stak dan toch wel ver boven al zijn mederegenten van
vroeger en later tijd uit, in de eerste plaats in zijn zin voor arbeid om de
orde en orde bij de arbeid, die hem niet langer een last, maar een lust was.
Het is deze arbeidslust, gepaard aan een bij uitstek vlug en helder verstand
en een boekhoudachtige behoefte aan redelijke overzichtelijkheid in zijn
geestelijke boedel, waardoor Jan de Witt in deze maatschappij reeds vroeg
opvallen en de regenten de ideale dienaar van de Staat toeschijnen moest die
hij inderdaad geworden is.
Maar laat ons uit deze abstracte karakteristiek de concrete werkelijkheid
betreden en zien hóe deze man getracht heeft de Staat te behouden en de
vrijheid erin te vestigen, want het is een boeiend schouwspel.
Jan de Witt is op de voorgrond getreden door de staatsberoerte van 1650. Zijn
eerste politieke bemoeiing betrof de bevrijding van zijn vader, een der zes
slachtoffers van de staatsgreep van de jonge stadhouder uit dat jaar. Diens
onverwachte dood nog in hetzelfde jaar gaf hem zijn kans. Zijn benoeming tot
pensionaris van zijn vaderstad - 21 december - is het directe uitvloeisel
van de overwinning der statenpartij. In de besluiten der Grote Vergadering
van het volgende jaar bespeurt men reeds zijn hand. De in 1652 uitgebro- | | | |

Johan en Cornelis de Witt. Detail van een ets door Romeyn de
Hooghe. Atlas Van Stolk, Rotterdam.
| | | | ken Eerste Engelse oorlog en het daarmee samenhangende
gezantschap van de toenmalige raadpensionaris Adriaan Pauw naar Londen
bezorgde hem een benoeming als diens plaatsvervanger. Door diens dood werd
hij zijn opvolger en als zodanig is hij 30 juli '53 beëdigd.
Bij de vrede van Westminster in het volgend jaar al trad voor het eerst die
onverbrekelijk gebleken samenhang op tussen De Witts buitenlands en
binnenlands beleid die hem zijn ongeëvenaarde machtsperiode bezorgen, maar
hem tegelijk zo tragisch noodlottig worden zou. Het zwaartepunt van die
tweeëenheid lag in zijn binnenlandse politiek en het zwaartepunt daarvan
weer in zijn steeds nuttelozer pogingen tot afweer van de met elke crisis
onafwendbaar stijgende invloed van het Oranje-Huis, waarvan hij de
verdiensten wel uit de historieboeken kende, maar dat hij slechts bewust
gekend had in de gedaante van Willem ii die zijn vader
had laten gevangen zetten en wiens ‘tyrannie’ slechts door het toeval van
zijn dood was afgewend.
Het staat tegenwoordig wel vast, dat de Akte van Seclusie een door Cromwell
gestelde conditio sine qua non voor het sluiten van de
vrede was, ja, dat hij oorspronkelijk de uitsluiting van Oranje uit alle
bedieningen zelfs van de Generaliteit gewild heeft en met één door Holland
alleen, slechts genoegen genomen heeft, toen de andere onmogelijk bleek te
verkrijgen. Maar het is niettemin volkomen begrijpelijk, dat de Oranjepartij
in die afschaffing van het stadhouderschap een manoeuvre van de
raadpensionaris heeft gezien, zozeer kon zij gelden als de bezegeling van de
politiek die Holland reeds op de Grote Vergadering had ingeluid. En gans
vrijuit gaat De Witt in deze dan ook zeker niet.
In de Staten van Holland zelf was zij niet dan na heftig tumult in een laat
avonduur en door overstemming aangenomen. En toen de Staten-Generaal de
lucht ervan hadden gekregen en protesten aan Hollands adres niet hielpen,
eisten zij, dat de gezanten te Londen alle geheime stukken met een kopie van
de Akte aan Hun Hoog-Mogenden zouden zenden.
Op dat moment - 5 juni 1654 - was de Akte (ofschoon een maand tevoren reeds
verzonden) nog niet aan Cromwell overhandigd, want De Witt zag wel degelijk
ook het gevaar van wat in wezen immers inmenging van een buitenlandse staat
in de aangelegenheden van één der Geünieerde Provinciën was. Maar hij liet
nu wat voor hem het zwaarste was ook het zwaarste wegen. Hij wist het
definitief besluit van de Staten-Generaal nog één dag op te houden en toen
het genomen was, door te zetten, dat het in codeschrift gesteld zou worden.
Doch reeds was de vorige avond een eigen brief van hem aan Van Beverningk in
zee gegaan waarin stond, ‘doch ick sie uut het gepasseerde te gemoedt, dat
het schrijvens van Haar Hoog Mogenden aldaer ontwijffelijck te laete sal
comen, ende dat het werck, al voor de receptie van dien, uutslach sal hebben
genomen, oock derhalven lichtelijck in ue macht niet meer
sal sijn eenige copye te connen overschicken’. En Van Beverningk, die de
diplomatieke wenk aanstonds begrepen had, had onmiddellijk na ontvangst van
die brief de Akte aan Cromwell overgegeven, zodat het bevel van de
Staten-Generaal nu inderdaad nog slechts een slag in de lucht was.
We hebben hierover iets uitvoeriger gehandeld, enerzijds omdat het geval een
staaltje oplevert van De Witts niet vaak overtroffen gaven als parlemen- | | | | tair tacticus, anderzijds van zijn tekort aan politieke
tastzin. Hij heeft, ook toen al, wel gehoord wat er in het land omging, maar
hij heeft het nooit verstaan. Zijn principieel republikeinse overtuiging,
gepaard aan zijn regenten-minachting voor de volkse aanhang der
Oranjepartij, heeft hem haar wasdom in al de bijna twintig jaren zijner
bediening steeds doen onderschatten. Hij sprak van ‘een ydel geluydt van den
naam van een kindt’ ten aanzien van de latere Willem iii
en met het Oranjevolk meende hij al evenmin rekening te moeten houden
‘aengesien’, zoals hij zelf geschreven heeft, ‘zy selfs niet en weten, wat
tot haeren vrede ende haere behoudenisse dient, evenals een vaeder des
huyschgesin, die, als hy den wille ende de genegenheydt van syne kinderen
soude involgen, deselve seer lichtelijck ten hoochsten soude benaedeelen.’
Zijn afkeer van Oranje gaat terug, wij zeiden het al, op zijn ervaringen uit
1650, voorzover zij niet reeds in zijn familie endemisch was. Voor de
verklaring van zijn minachting van diens volkse aanhang moet men iets verder
teruggrijpen: het was de erfovertuiging van de regentenklasse in het
algemeen, maar in het bijzonder van de Dordtse, die er nooit in geslaagd was
de uit de middeleeuwen daterende gilden-invloed in haar vaderstad geheel te
weren.
Intussen: er waren regenten buiten, maar ook in Holland genoeg, die deze
scherpe koers veroordeelden. Voor hen schreef hij nog hetzelfde jaar zijn
Deductie
waarin hij het klaarspeelde om te betogen, dat de Unie door die
afzonderlijke Akte niet verbroken was, omdat zij als een integrerend
bestanddeel van de door de Unie gesloten vrede beschouwd moest worden, en
dat de vrijheid door de Akte niet beknot, veeleer bevorderd was. De
verdiensten der Oranjes hing hij lager door de beloningen, jaar voor jaar
door hen genoten, met pietluttige precisie uit te tellen tot rond twintig
miljoen pond in totaal. Hij wist wel tegen wie hij sprak. Hij vergat ook de
gevoelsargumenten niet, maar op zijn manier. Wanneer Holland nu ondankbaar
geweest is jegens het Oranje-Huis door de zoon van Willem ii uit te sluiten, omdat wij principieel geen stadhouder willen, hoe
moet - zo vroeg hij - Friesland dan wel genoemd worden, dat na de dood van
Willem i niet diens zoon, maar de zoon van zijn broer tot
stadhouder koos!
De Deductie is een meesterlijk pleidooi, vooral wanneer men
erbij bedenkt, dat het sterkste argument - Cromwell eiste de Seclusie -
verzwegen moest worden, maar zij is gespeend van elk besef voor de, toen
zeker, in de breedste kringen nog magisch-sacrale betekenis der
vorstelijkheid als zodanig, waarbij men niet naar verdiensten en helemaal
niet naar de beloningen vroeg, doch slechts vergoodde. Terwijl omgekeerd
destijds slechts zij gevoelig waren voor het republikeinse argument, dat
alleen verdienste aanleiding mag zijn tot het bekleden van de hoogste
staatsambten, die op dat bekleden ook enige kans hadden. Zijn weren van
Oranje werd buiten de eigen partijkern als majesteitsschennis, dat is als
godslastering gevoeld en zou als zodanig - bestraft worden. Want waarmee
anders dan met zijn leven zou hij haar hebben kunnen boeten? En hoe kon hij
anders met de volkse gehechtheid aan Oranje concurreren, dan door hem te
weren?
De weg der imitatie van de vorstelijke glans die zoveel usurpatoren bewan- | | | | deld hebben, was voor hem onbegaanbaar, omdat hij geen
ursurpator was. Pronk en praal lagen hem niet. Toen hij ter wille van zijn
stadhouderschap van de lenen ook zelf een heerlijkheid moest kopen, deed hij
het, maar de aan zijn nieuw bezit verbonden titel heeft hij, anders dan de
meeste regenten, nooit gedragen. En wanneer hij het al eens anders probeert,
zoals in 1665 wanneer hij, op de vloot, aan het gewicht van zijn
aanwezigheid dat van zijn waardigheid wil toevoegen en daarvoor het stemmig
zwart met een bonte staatsie-rok verwisselt, zich met een
lijfwacht-in-livrei omringt, dan verdraagt men weer niet in de burger, wat
men van de prins eiste, want nog jaren later wordt hem dit in de pamfletten
nagehouden als ijdelheid en aanstellerij. Hetgeen Johan uit instinct
vermeed, daaraan ging Cornelis, die werkelijk ijdel en aanstellerig was,
zich te buiten. Doch het is duidelijk, dat dit de situatie niet verbeteren,
slechts verergeren kon. De aard van partijschappen die uit irrationele
bronnen gevoed wordt, bracht mee, dat de tegenpartij niet in Jan de
afwezigheid wilde prijzen van eigenschappen die zij in Kees laakte; eer weet
zij ook het laakbare in deze kleinere aan zijn grotere broer.
Reeds tijdens de Eerste Engelse oorlog waren er Oranjewoelingen voorgekomen,
bij de Tweede die van 1665-1667 gevoerd werd, herhaalden zij zich en droegen
toen reeds daarom een ernstiger karakter, omdat door het feit alleen van de
Restauratie der Stuarts, 's prinsen familie, in 1660, het aanzien der
Oranjepartij aanmerkelijk gestegen was. Hier werkte namelijk dezelfde
buitenlandse druk als bij de Seclusie, maar nu in omgekeerde richting en de
intrekking van de Akte van 1654 die een onmiddellijk gevolg van de
restauratie van Karel ii was, maakte de baan vrij voor
die van Willem iii.
De Witt heeft dat dreigend gevaar wel gezien. Hoe kon het ook anders? Reeds
in '59 was de stemming tegen hem en zijn partij dermate ongunstig, dat de
Staten van Holland op zijn aandrang hun lijfwacht tot duizend man hadden
vergroot. Te bezweren trachtte hij het sinds '60 door een consequente
vredespolitiek te voeren. In de praktijk echter heeft Nederland, zoals
bekend, nooit meer oorlogen gevoerd dan in de twintig jaar van zijn bewind.
Hij stond hier dan ook voor een onoplosbaar dilemma. Onzijdigheid is een
privilege van de machteloosheid. De Republiek was er destijds veel te
invloedrijk voor. Zomin als hij vóór 1660 onze inmenging in de Noordse
oorlog om de heerschappij in de Oostzee heeft kunnen vermijden, zomin heeft
hij daarna de Tweede Engelse oorlog en die met Engeland, Frankrijk, Münster
en Keulen kunnen ontgaan.
Alleen de vrede met Portugal waarmee de Republiek sinds jaren in oorlog was,
heeft hij in 1661 kunnen doordrijven, maar het kostte de Republiek dan ook
Brazilië, dat voor acht miljoen aan Portugal werd afgestaan. Hoeveel kwaad
bloed reeds de Braziliaanse kwestie onder de belanghebbenden zette, bewijst
onder andere een brief van zekere Willem Sloot, gedupeerd aandeelhouder der
wic, die onder meer schreef: ‘Ghy hebt ons anders
beloft als ghy in 't Westeynde woonde, doen wij jou den hals wilde brecken;
daer ghy niet vrij van bent, so 't noch weynigh tyt aenloopt. Past dan op
den haspel, want ghy doet veel menschen gebreck lijde.’
Het jaar daarop - april 1662 - sloot hij een alliantie met Frankrijk, maar
| | | |

De overval op de gebroeders De Witt in de Gevangenpoort. Ets
door S. Fokke. Universiteitsbibliotheek,
Amsterdam.
| | | | het vriendschapsverdrag met Engeland dat er het complement van
moest zijn, bleef vrijwel een dode letter. Dat de Tweede Engelse oorlog niet
in een catastrofe geëindigd is, was alleen te danken aan de hulp die, in
1666, Lodewijk xiv bood en de wel glorieuze, maar toch
incidentele tocht naar Chatham, naar De Witts zin nog niet eens hardnekkig
genoeg doorgezet. De vrede van Breda die er het
gevolg van was (1667), was niet onvoordelig, maar toch ook niet eclatant
genoeg om het door de nederlagen in die oorlog geschokte prestige der
Statenpartij geheel te herstellen, vooral niet, omdat tegelijkertijd reeds
de opmars der Franse troepen in de Zuidelijke Nederlanden dreigde. Elke
oorlog versterkte trouwens, ongeacht de uitslag, de Oranjepartij.
Maar nog altijd had De Witt de vloed weten te
ontlopen door steeds één stap, maar ook niet meer dan één, achteruit te
gaan. Reeds in 1655 had hij geprobeerd de andere gewesten tot aansluiting
bij de Akte van Seclusie te bewegen. Het was afgestuit op de tegenstand van
Friesland en Groningen en De Witt had het erbij gelaten. In 1660 had
Nijmegen de designatie van Willem iii tot kapitein- en
admiraal-generaal van de Unie en Zeeland zelfs die tot stadhouder geëist. De
Witt had de slag gepareerd door zijn voorstel aan de prinses-weduwe om
daarvan af te zien in ruil voor een opvoeding van de prins door de Staten,
gecombineerd met een ‘notabel jaerlijcx pensioen’. In 1666 kwam de vloed
opnieuw op en alweer sterker dan tevoren. Het was toen reeds, dat De Witt
schriftelijk de raad kreeg om vrijwillig de Prins te verheffen ‘dat hiernae
door dwanck sal moeten geschieden; nu sal de werelt ue
prisen en u loff roemen, dar sy anders u sullen lasteren’. Zelfs Wendela
Bicker, de toch zo volgzame vrouw, waarmee hij in het jaar 1655 gehuwd was,
liet een waarschuwende stem horen in een brief naar de vloot waarop hij zich
toen bevond. ‘Men is hier seer prinsgesint ende vreesen, dat wy de quaeste
pest in onsen eyghen boesem hebben, die ons meerder quaet sal doen als de
vyande van buyten.’
Weer worden voorstellen gedaan: de prins moest aan het hoofd van een
gezantschap naar Engeland, de prins moest kapitein-generaal worden. En weer
week De Witt uit, zoals hij in 1661 gedaan had en trachtte met geld te
bezweren, wat althans voor de prins zelf en het volk dat in hem geloofde
geen geldzaak was: in april 1666 werd de commissie van educatie waarin hij
zelf zitting had, hersteld, de prins werd ‘Kind van Staat’. Het was een
dierbaar woord, maar geen oplossing. Dat begreep ook De Witt en het volgend
jaar zien wij hem naar een definitieve regeling streven. Eindelijk dan gaf
De Witt blijk te begrijpen dat, hoe hij en zijn mederegenten er dan ook over
mochten denken, de prins voor het volksbewustzijn meer was dan een
‘particulier persoon’. Zijn plan ging echter de Amsterdamse oppositie onder leiding van Valckenier en Van
Beuningen en de Haarlemse onder die van Fagel niet
ver genoeg en mislukte daardoor.
Min of meer tegen de zin van De Witt kwam in plaats van zijn plan het ‘Eeuwig
Edict’ tot stand waarbij de Staten van Holland het stadhouderschap in hun
gewest voor eeuwig afzwoeren en zich voornamen, ernaar te streven, dat dit
ambt in andere gewesten van het kapitein-generaalschap zou worden | | | | gescheiden. Een regeling derhalve voor Holland alléén, die de
andere gewesten in geen enkel opzicht bond. Daardoor kwam de prins niet in
de Raad van State, hetgeen door Zeeland echter beantwoord werd met zijn
benoeming tot Eerste Edele, waardoor hij althans toegang kreeg tot de
Zeeuwse Statenvergadering.
Het ogenblik voor De Witts ondergang was nog niet gekomen. Integendeel, 1668
werd juist het hoogtepunt in zijn loopbaan. De stoot van Lodewijk xiv naar de Zuidelijke Nederlanden scheen opgevangen door
de Triple Alliantie, het Engels-Zweedse bondgenootschap met de Republiek dat
wel meer het werk van Lisola, de keizerlijke gezant in Brussel en van Sir William Temple, de Engelse gezant in Den
Haag, dan van De Witt was, maar dat de openbare mening hier toch als zijn
triomf beschouwde evenals de vrede van Aken waartoe zij de Franse koning
gedwongen had.
Hij, de dienaar der kooplieden, leek de arbiter van Europa geworden in plaats
van de zonnekoning die het had willen zijn. De vrede scheen voor lange tijd
verzekerd. Zestig procent van de troepen werd huistoe gezonden, de vloot lag
zeilloos in de havens. Handel en industrie bloeiden als een tulpenveld in
april. De kwestie van Oranje leek onder deze omstandigheden niet acuut meer.
De vierde termijn van de raadpensionaris begon op 27 juli van dat jaar '68
dan ook onder de gunstigste auspiciën en de waardering die zijn meesters
voor hem gevoelden, drukten zij in een verdubbeling van zijn salaris uit:
ƒ6000 's jaars nu, benevens een ‘verering’ ineens van tienmaal dat bedrag.
De enige wolk leek tevoren de dood van Wendela. Maar op de
schepenen-maaltijd te Amsterdam op Tweede Kerstdag van dit, zijn geluksjaar,
te zijner eer gegeven, dacht hij daaraan wel niet; banden die over de dood
heen binden, bonden hem niet aan haar herinnering. Het is alsof zijn
wiskunstige grapjes, zijn kunstjes met kaarten, zijn dans en vioolspel op
dat feestgelag ten beste gegeven, eindelijk ook deze altijd balorige stad
aan zijn voeten dwingen. Maar het is tegelijk de laatste keer, dat zijn
betovering werkt.
Wat is er nadien innerlijk met de grote Jan gebeurd? Is zijn werkkracht die
door geen tegenspoed verslapt kon worden, vermoeid geraakt van het succes?
Is Wendela toch meer voor hem geweest dan het lijkt en heeft hij alleen een
plaatsvervangster als gastvrouw kunnen vinden in Anna, zijn oudste dochter?
Er is uiterlijk van dat alles niets te merken, maar men voorvoelt ook in
deze volzomer al de herfststorm in dit leven die blad en boom vernielen zal.
Wanneer en waardoor stak hij op en hoe zo snel, dat in twee jaar tijds alles
in wezen beslist was? De oorzaken zijn vele. Psychologisch het wezenlijkst
lijkt ons dit: Toen Jan nog jong was, moet hij liefdeverzen hebben
bijgedragen in verloren gegane Dordtse liederboekjes onder het pseudoniem
Candida. Als het waar is, had hij geen betere schuilnaam kunnen vinden. Jan
de Witt was een fatsoenlijk man, te fatsoenlijk voor de politieke
werkelijkheid van die dagen en van alle dagen. Hij was eerlijk, niet alleen
in zijn daden, maar ook in zijn gedachten. Was hij toch dieper door Spinoza's zuiverheid beïnvloed dan wij weten? Of is
de koopmansmoraal die zich, ondanks alle kunstgrepen, geen
kredietwaardigheid kan voorstellen zonder be- | | | | trouwbaarheid,
voldoende verklaring? Hoe dit zij, zijn fatsoen was, tot op zekere hoogte,
zijn kracht, maar daarboven werd het zijn zwakte.
Na de vrede van Aken kon de Franse politiek maar één doel hebben, de Triple
Alliantie te breken. Toen Lodewijk het hem echter vroeg en in ruil daarvoor
ongegeneerd een verbond van zijn kant aanbood, was de raadpensionaris te
fatsoenlijk om daarop in te gaan. De raad van Oldenbarnevelt, ‘dat republieken hun woord gestand moeten doen’,
heeft hij niet kunnen vergeten. Het omgekeerde advies door De la Court in zijn herdruk van het
Interest van Holland
gegeven, is mede aanleiding tot het verbod ervan geweest. Hetzelfde
fatsoen belette hem te begrijpen, dat na deze weigering Lodewijk trachten
zou dan Engeland voor zijn plannen te winnen. En hetzelfde fatsoen verbood
hem ten slotte te geloven, dat Karel ii hierop ooit zou
ingaan, ondanks de duidelijke waarschuwingen die hij kreeg van Van Zuylen
uit Rome, van Pieter de Groot uit Stockholm en van Johan Maurits van Nassau
uit Duitsland. Hoe meer men erover nadenkt, hoe onbegrijpelijker het wordt,
dat De Witt desondanks op de Triple Alliantie bleef vertrouwen. Dát hij het
deed, lijkt alleen te verklaren als men aanneemt, dat al deze trouweloosheid
voor hem geen denkcategorie was. Dat hij dit wist, maar niet begreep en er
dus niet mee rekende, als mens strekt het hem tot eer, als politicus werd
het zijn verderf.
Twee kostbare, voor De Witt kostbare, jaren gingen verloren, zowel in de
binnen- als in de buitenlandse politiek. Lodewijk ging zijn weg. Op 31
december 1670 werd het geheim verdrag van Dover gesloten, waarbij tot de
ondergang der Republiek besloten werd. En nog geloofde Johan de Witt het
niet. Zijn fatsoen belette het hem, maar ook de financiële benepenheid van
hem en zijn meesters. Geld voor gezanten, agenten en spionnen, dat de
ontwijfelbare zekerheid omtrent wat er op het wereldtoneel achter de
coulissen voorviel, had kunnen verschaffen, vloeide te traag. Subsidies
geven aan buitenlandse diplomaten, hovelingen en vorsten leek zo
oneconomisch. ‘Waerdoor het geldt buyten den Staet versonden werdende, het
landt met één millioen, alsoo besteedt werdende, meerder werdt verarmt als
met ses ende meer millioenen, die hier binnen 's landts tot vervall van
oorlochskosten werden aengeleyt’ - nooit is de fatale
alleen-maar-koopmanspolitiek duidelijker uitgedrukt dan De Witt het hier
heeft gedaan. Met deze woorden heeft hij onbewust en zonder dat hij het
zelfs weten kón zijn eigen doodvonnis getekend. Want onverbrekelijk hing met
deze oorlog die sinds Dover slechts een kwestie was van het meest geschikte
ogenblik, de opkomst van Oranje en De Witts ondergang samen.
Eindelijk legden, ook in 1670, de overige gewesten zich bij de Akte van
Harmonie bij het Eeuwig Edict van 1667 neer. Maar wanneer men dan weer ziet,
dat dit resultaat slechts bereikt is, doordat de Staten van Holland
tegenover de Zwolse partij de Deventer fractie van
de Overijsselse Staten als de ware Staten erkend hadden, dan beseft men dat
ook deze overwinning weer te kunstmatig was om in werkelijkheid niet veeleer
een nederlaag te verbergen. En zelfs afgezien daarvan: het is duidelijk, dat
de overige gewesten de Akte van Harmonie slechts hebben gesloten om de prins
de deur naar de | | | | Raad van State te openen. Maar nog gooide De
Witt het roer niet royaal om en het gekibbel begon opnieuw, nu of Willem er
een beslissende of slechts een adviserende stem zou hebben. Weer groeide de
oppositie en weer wilde De Witt slechts de éne onvermijdelijke stap wijken.
De prins zou een beslissende stem krijgen, goed, maar bij het behandelen van
bepaalde zaken niet mogen verschijnen en over de aanstelling tot
kapitein-generaal zou men één-stemmig moeten wezen. Maar de beslissende stem
werd zonder restrictie doorgezet tegen De Witts zin in - met behulp van de
Amsterdamse oppositie.
Veeg teken dit dat De Witt niet verstaan heeft, want als in januari 1672 de
oorlog dreigt, en de kwestie van het kapitein-generaalschap acuut wordt, dan
zien we hem nog altijd in dezelfde tactische manoeuvres verstrikt in plaats
van door 's prinsen verheffing de oppositie te bevredigen en óf met hem
samen te werken óf heen te gaan. Het jeugdcomplex: ‘Oranje zette mijn vader
gevangen’ kon hij niet kwijtraken. Hij kon zijn oude minachting voor het
‘ijdel geluid van de naam van een kind’ niet overwinnen. Nog in '71 schreef
hij aan Pieter de Groot, na een resumé gegeven te hebben van de argumenten
der oppositie die vóór de onmiddellijke verheffing van de prins tot
kapitein-generaal pleitten: ‘ik bekenne gaarne dat remedie erger te houden
als het kwaad zelve’ (namelijk het zonder die verheffing ontbreken van
Engelse steun bij een Franse aanval). Volledig begrijpelijk wordt zijn
afkeer van het voorgestelde ‘remedie’ echter pas, wanneer men hem combineert
met zijn afkeer van Engeland, waaraan hij herhaaldelijk uiting gegeven had
en ook nu weer gaf: de verheffing van de prins stond voor hem gelijk met:
‘onder de protectie en in eene absolute dependentie van Engeland geraken’.
Op zichzelf trouwens niet onbegrijpelijk. Dat het na 1660 nauwelijks
overdreven was de partij van de stadhouder-in-spe de Engelse partij te
noemen, hebben de onderzoekingen van Geyl duidelijk bewezen. Het verraad en
het proces van ritmeester Buat uit '66 was slechts één der vele symptomen
van een nauw en al te nauw verbond tussen Stuart en Oranje.
Hoe dit zij, De Witt deed ook nu weer het minste, waar de omstandigheden het
meeste geboden. Hij bood de prins het opperbevel aan, ja, maar voor één
veldtocht en op beperkende voorwaarden. Doch Oranje die wel eerzuchtig, maar
noch ijdel noch een kind was en zeer wel begreep, dat hij in de gegeven
omstandigheden meer kon verkrijgen, weigerde deze benoeming. En hij had goed
gezien. De overige gewesten weigerden zich bij het besluit van Holland neer
te leggen. De Witt deed wéér een schrede terug, maar wéér slechts één: goed,
een definitieve benoeming, zou hij overwegen - zodra de prins tweeëntwintig
jaar zou zijn; en er ontbraken nog slechts luttele maanden aan. Maar zó
stond het nu eenmaal in de Akte van Harmonie.
De dode letter kon de levende stroom der gebeurtenissen echter niet keren. Op
25 februari werd de prins voor één veldtocht en zonder beperkende bepalingen
tot kapitein-generaal benoemd. De Engelsen begonnen weer Hollandse schepen
op te brengen. De retourvloot uit Smyrna werd overvallen. Op 28 maart
verklaarde Engeland de Republiek de oorlog, 6 april volgde Frankrijk en kort
daarop Münster en Keulen. Eind april rukte Lodewijk op met een voor die tijd
ongehoord groot leger van 120 000 man. Dit keer zou | | | | de arend
zijn prooi niet ontgaan.
En tegelijk is De Witt nu groter dan ooit. De matheid van na 1668 is opnieuw
in tomeloze energie verkeerd, zijn zelfverzekerdheid is weer even groot als
ten tijde van de Tweede Engelse oorlog, toen hij van de vloot af aan zijn
vrouw schreef: dat, hoe ongelooflijk het buitenstaanders ook klinken mocht,
het niettemin een feit was, dat onder de ruim twintigduizend personen, op de
vloot vergaderd, er onder de aanvoerders die toch hun leven lang dit werk
gedaan hadden, niet één capabel was, om haar te leiden - De Ruyter lag toen
buiten - ‘maer echter so is de saecke, Godt betert, waerlijck alsoo gelegen,
sulx dat het eene onvermydelycke nootsaeckelijckheydt is, daerinne van
buyten ander leven ende als de ziele te brengen’. Hij wist zich weer
onmisbaar als in die dagen, toen hij zee gekozen had door het Spanjaardsgat
tegen het algemeen advies der loodsen in. En nu in 1672 paste hij dat
tegen-de-storm-opvaren toe, dat hij toen geleerd had. Hij wilde in Brest of
elders én op de Theems een herhaling van Chatham. Maar het mislukte. Hij
wilde zelfs te land een Chatham: een uitval in de richting van Keulen. Maar
het mislukte al evenzeer.
Hij weet die mislukkingen aan het gebrek aan geestdrift zowel bij het volk
als bij de regenten, waar eigenbelang en partijhaat hun werk van
zelfvernietiging ook, ja juist in de uren van het gevaar bleven verrichten.
Het was terecht, maar de diepste oorzaak daarvan, dat zijn regime in wezen
een minderheidsdictatuur, hoezeer dan een zachte, geweest was, moest hem wel
ontgaan. Het zou zich wreken op hem, die er nu bijna twintig jaar al de
drager van geweest was. Op 12 juni waren de Fransen bij Lobith de Rijn overgetrokken. Negen dagen later, uitzonderlijk
snel voor die tijd, werd Utrecht bezet. Tegen De Witts zin, die er evenmin
van weten wilde als Oranje, besloten de Staten-Generaal tot onderhandelen.
Toen de gezanten op weg waren, dezelfde dag van de bezetting van Utrecht, dezelfde dag ook, dat Veere de prins tot stadhouder uitriep, viel in Den Haag de gebeurtenis voor, die plotseling de voorhang van
voor het komende noodlotsdrama lichtte. Toen de raadpensionaris zich laat in
de avond, naar zijn gewoonte alleen door een dienaar met een lantaarn
voorafgegaan, huiswaarts begaf, werd deze het licht uit de hand geslagen en
De Witt zelf door een aantal degenstoten zwaar gewond.
Reeds de volgende dag bracht hij in dezelfde beheerste resolutietoon die hem
in al zijn geschrijf tot een tweede natuur geworden was, verslag uit aan
zijn meesters. Maar zijn verwonding was erger dan hij schreef of zelf nog
dacht. Pas de 12de juli achtten de dokters hem buiten gevaar. Maar erger nog
moet die andere slag zijn aangekomen. Van de vier handlangers werd slechts
Jacob van der Graeff gepakt en terechtgesteld, de anderen vluchtten naar het
leger, onder bescherming van de man wiens vader zijn vader vernederd had. En
dit was wel het allerergste: het rouwbetoon bleef tot zijn allernaaste
omgeving beperkt. Johan de Witt was een eenzaam man en een eenzaam man is
een verloren regeerder.
Hij heeft er de enig mogelijke consequentie uit getrokken. Op 4 augustus
verzocht hij, zakelijk, zijn ontslag. Zijn enig verzoek betrof de uitvoering
van | | | |

De moord op Johan en Cornelis de Witt. Ets door Romeyn de
Hooghe. Atlas Van Stolk, Rotterdam.
| | | | de hem gedane belofte: bij zijn aftreden een zetel in de Hoge
Raad. Fagel, zijn tegenstander, werd zijn opvolger.
Het was alles logisch. In zijn laatste brief van 12 augustus aan Van
Beuningen vertelde hij ervan en schreef in zijn keurig schrift berustend de
oude spreuk: ‘Prospera omnes sibi vindicant; adversa uni imputantur’: bij
voorspoed eisen allen voor zich de eer; bij tegenspoed wijt men het één. Als
ooit een Latijns citaat een zin gehad heeft, boven die van ijdel
geleerdheidsvertoon, dan wel dit: dat Jan de Witt
dit op zich zelf toepaste - en alleen nog maar in een particuliere brief -
was in het volle en gerechtvaardigde besef, dat zich hier een klassieke
noodlotstragedie ging afspelen.
De oorzaak van zijn fysieke ondergang die de politieke zou aanvullen, werd
zijn broer Cornelis. Toeval? Ja, en toch ook meer. Jegens Cornelis,
rechtschapen als Jan, maar dom en ijdel, werd de haat niet geremd door een
instinctieve eerbied voor zijn verdiensten. Cornelis had geen verdiensten.
Hij had geleefd en het was hem als zoveel andere familieleden wél gegaan in
de schaduw van zijn grote broer. Nu viel de schaduw van Cornelis op Johan.
Toen Cornelis ervan beschuldigd was een komplot tegen de prins beraamd te
hebben, had zijn proces dan ook voortgang gehad, ondanks de kennelijke
nietswaardigheid van de beschuldiger Tichelaer. In de morgen van 20 augustus
werd het vonnis bekend gemaakt. Het ‘schuldig’ dorsten ook deze rechters
niet aan, maar wijkend voor de dreigende volkswraak, werd de ruwaard van
Putten zonder opgaaf van redenen niettemin van al zijn ambten vervallen
verklaard en voor altijd uit Holland verbannen.
Wat er toen precies gebeurd is, zal nooit meer op te helderen zijn. De
raadpensionaris kreeg een boodschap bij zijn broer op de Gevangenpoort te
komen. Het was de dochter van de cipier die ze hem kwam brengen. Die wel
heel onofficiële wijze van doen viel reeds destijds als verdacht op; zij
doet het te meer, wanneer men erbij bedenkt, dat het reeds een
onregelmatigheid was, dat de rechters Cornelis het vonnis in zijn gevangenis
zijn komen brengen in plaats van hem vóór hun hof te dagen. Zijn dit enkele
losse draden van een verstolen komplot? En zo ja, waar lopen zij heen? Hoe
het zij, Johan die ondanks zijn twintigjarige politieke loopbaan nooit met
zulk soort middelen geregeerd had en er dus ook niet op verdacht was, heeft
de waarschuwing in de wind geslagen en zonder verwijl, zonder lijfwacht of
iets van die aard - hij was trouwens slechts een ambteloos burger -
ongewapend zelfs, gehoor gegeven aan de roepstem waarvan hij aannam, dat het
de stem van zijn broer was. Slechts twee klerken vergezelden hem.
Vermoedelijk had hij ze meegenomen om een afschrift te verkrijgen van het
zonderlinge vonnis dat geen schuld maar wel straf kende.
Hij was nog niet binnen, of vóór de Gevangenpoort, waar op dat uur slechts
twee schutters de wacht hielden, ontstond een oploop van mensen die door de
vrijgelaten Tichelaer tegen de broers werden opgehitst. Was zijn vrijlating
niet het bewijs van des ruwaarts schuld? Ja? Maar dan was ook diens straf
veel te licht!
Toen Johan een poging deed om de Gevangenpoort te verlaten, werd hem dit met
geweld belet. ‘Hier mag niemand uit’. Weer verstreek een uur waar- | | | | in de spanning voelbaar steeg. Enkele leden der Gecommitteerde
Raden hadden ruiterij opgecommandeerd ter bewaring van de orde, maar voor
wie achter deze hele zaak geen komplot vermoedt, is het weer niet duidelijk,
waarom deze op de Plaats en het Buitenhof werd opgesteld en geen last
gekregen heeft, de aftocht der De Witten te dekken. Het tegendeel is zelfs
gebeurd. Toen in de loop van de middag het gerucht liep, dat boeren uit het
Westland met kwade bedoelingen in aantocht waren, waarvan men alweer niet
weet of het op waarheid berust - gekomen zijn zij in elk geval niet - gaven
Gecommitteerde Raden zelfs aan de ruiterij bevel om weg te trekken.
Dit werd het sein voor de vendels der schutterij die zich des ochtends reeds,
gedeeltelijk uit eigen beweging, gedeeltelijk op bevel, vóór de Poort
verzameld hadden, om krachtdadiger op te treden. Ook zij waren ter bewaking
geroepen, doch zij vatten haar op hun wijze op. Aangevuurd door één hunner,
de zilversmid Verhoef, en door schepen Van Bankhem, die enkele kapiteins der
schutterij onder ede zou hebben laten beloven de De Witten niet levend los
te laten, forceerden zij, om vier uur ongeveer, de deur van de Poort en
trokken scheldend en tierend naar de kamer, waar Cornelis te bed lag en Jan
bij de tafel zat te lezen. Gekwetst reeds door slagen met geweerkolven,
werden zij daarop de trappen afgesleurd en naar buiten gestompt, en daar op
het Groene Zoodje, de plaats der terechtstellingen, deerlijk afgemaakt in
een aanval van zo walgelijke moordlust, als de Nederlandse geschiedenis
althans er geen tweede kent. De lijken werden met een algemeen salvo
doorschoten, de kleren hun afgerukt en de naakte lichamen tot een bloederige
klomp vlees verminkt en zo met de hoofden naar beneden aan de sporten van
een galg gehangen als opengesperde koeien bij de slager. Het afbijten of
afsnijden van de geslachtsdelen en het verkopen bij opbod van vingers en
tenen ontbrak zelfs niet, als ging het erom te bewijzen, dat onder
omstandigheden, waar wraak- en vreesgevoelens los gelaten worden, alle
anders verborgen oerinstincten uit ongekende diepten in de mens weer naar
boven kunnen komen.
In de mens en waarlijk niet alleen in het ‘grauw’. Men kan deze eeuwige smaad
niet op het ‘grauw’ afwentelen en er zich daardoor als ‘fatsoenlijk burger’
van distantiëren. Er was hier geen ‘grauw’. Alle moordenaars zijn met naam
en beroep bekend. Het zijn handwerkers, en mensen van hoger- en zelfs veel
hogerop zagen billijkend toe: Cornelis Tromp,
gewezen luitenantadmiraal, en dominee Simonides
die de dag daarop een predikatie in de Nieuwe Kerk wijdde aan de ‘wrake
Gods’ en zo meer, en die de verzekering gaf, dat de moordenaars niet
gestraft, maar veeleer beloond zouden worden. Was dat zo maar zijn mening?
Of wist hij er meer van? In elk geval is het gebeurd. In de dagen, dat er in
Holland geen musje van de daken kon vallen zonder de wil van de jonge
stadhouder, kreeg Tichelaer een jaargeld, werd Van Bankhem baljuw van Den Haag en Verhoef door Tromp aanbevolen voor het
werven van vrijwilligers...
Maar ook aan deze bloedorgie kwam een einde. De nacht kwam. Een tekenaar
sloop met een fakkel naar de plaats der terechtstelling en legde de gruwel
voor eeuwig vast.
| | | |
De Nederlanders hebben weinig gevoel voor het grote gebaar. Zeer zelden
hebben zij hun grote mannen naar hun laatste rustplaats geleid op een wijze
hunner waardig. Maar nooit is de tegenstelling tussen hun leven en het
afscheid daaruit zo schril geweest als bij Jan de Witt. Met moeite werd de
volgende dag een timmerman gevonden voor de kisten. In diepe donkerte en
fluisterstilte, als gold het een misdrijf en geen daad van piëteit die
vanzelf sprak, werd het deerlijk verminkt overschot van de man die twintig
jaar lang met onbezweken ijver deze eigengereide staat geleid had, met dat
van zijn broer, in de Nieuwe Kerk aan de zwijgende aarde toevertrouwd.
En, het meest tragische van alles: Willem iii die hij
altijd als de belager had geweerd, en die daarom in dit einde een begin
heeft gezien, zag toch geen andere taak voor zich dan de voltooiing van het
levenswerk van De Witt.
|
|
|