|
|
|
| |
| | | | | |
Bouwmeester der beurs*
Was glänzt ist für den Augenblick geboren
Das Echte bleibt der Nachwelt unverloren.
Geen aantrekkelijker kunst voor de cultuurhistoricus dan de bouwkunst. Zo
ergens het door hem veronderstelde verband tussen de materiële mogelijkheden
en het geestelijke gebaar aantoonbaar is, dan in deze stoffelijkste aller
kunsten. Elk bouwwerk, gebonden als het is aan een opdracht uit de
maatschappij, is een compromis tussen middelen-en-materialen die deze bood,
en droom-en-denken van zijn bouwer. Daarom zou men ook, gesteld, dat we van
de hele geschiedenis der mensheid geen andere getuigenissen over hadden dan
de monumenten der bouwkunst, haar gang toch in grote trekken kunnen
reconstrueren. Zij zou blijken gegaan te zijn van hol tot hut, van hut tot
huis; van boerenhoeve tot kasteel, van kasteel tot paleis; van tempel tot
pagode, moskee en kerk; van wachthok tot fort, vesting en kazerne; van
boetje tot werkplaats, van werkplaats tot fabriek; van smidse tot
machine-hal, van wisselbank en winkel tot kantoor-, bankgebouw, supermarkt
en beurs, van keet tot pakhuis, magazijn en silo, van schuur tot schouwburg
en filmtheater. Waarin is de macht der Egyptische farao's beter uitgedrukt
dan in hun piramiden, van die der Romeinse cesaren dan in hun amfitheaters,
mausolea en triomfbogen, van die der geestelijkheid dan in haar kloosters en
haar kathedralen, van die van de adel dan in zijn kastelen en paleizen, van
die der burgerijen dan in hun belforts, stadhuizen, partriciërswoningen en
buitenplaatsen, van die der arbeiders in de ruime tuinsteden die hun
krotwoningen meer en meer komen vervangen? Of dat althans zouden moeten
doen.
Ook in Nederland zouden alleen al uit de overblijfselen der bouwkunst
geledingen van binnen en verbindingen naar buiten af te lezen zijn. Nog
toont het type van de boerderij te onzent in grote trekken waar eertijds
Friezen, Franken en Saksen woonden, nog zien we aan de gebruikte steensoort
bij de kerkbouw, dat in de middeleeuwen Holland even ver gelegen was van
Limburg als van Overijsel en Friesland. Nog wijst de bouwtrant van de
woningen in ons land op eigenaardigheden van onze volksaard, die het gevolg
van een geheel eigen ontwikkeling zijn. De zogenaamde Hollandse renaissance
die geen andere oorsprong heeft dan ons gebrek aan natuursteen en in haar
onvolprezen afwisseling van wit en rood van de nood en deugd heeft gemaakt,
heeft haar uitstralingen tot zelfs in Noord-Duitsland en Scandinavië toe.
Maar tegelijkertijd wijzen onze grote gebouwen op even onmiskenbare invloed
van buiten: Romaanse basilieken, gotische kathedralen, Vlaamse stadhuizen;
Engelse, Duitse, Franse, Italiaanse, later ook Zweedse stromingen tot zelfs
in de jongste tijd toe. De geschiedenis van de Utrechtse Dom bijvoor- | | | | beeld is zozeer een
internationale aangelegenheid geweest, dat het aan de scherpzinnigheid van
professor Tenhaeff gelukt is, uit de rekeningen van de Dom de ingewikkelde
internationale geldverhoudingen van die dagen ten dele op te klaren. Is er
sprekender getuige voor het Nederlands geestesmerk: openstaan voor invloeden
uit den vreemde, maar deze steeds tot iets eigens verwerken, dan niet alleen
die Dom, maar onze hele bouwkunst?
Laten we dit, voor zover de ruimte het toelaat, íéts preciezer bezien: het
verwerken van vreemde invloeden tot iets eigens is ook typerend voor
Berlages kunst. We kennen, in Limburg Romaanse kerken in groefsteen
opgetrokken, maar we kennen ook in Friesland en Groningen, waar men geen
groefsteen had, basilieken waar baksteen als bouwstof is gebruikt. Zij zijn
kleiner, maar het nieuwe materiaal bood hun bouwmeesters noodgedwongen
nieuwe mogelijkheden, zowel wat constructie als wat versiering betreft.
Hetzelfde geldt voor de vroeg-gotische kerken in die streken.
Geheel een eigen type vertonen de Nederlandse kerken in de jonge steden uit
de veertiende eeuw: de beuken even hoog opgetrokken als het schip en alles
overdekt met houten tongewelven op slanke zuilen. En men behoeft niets van
gotiek af te weten om de toren van de Dom te Utrecht met geen andere te
verwarren. In de vijftiende eeuw, als de steden zo rijk worden, dat de
stadskeuren stenen gebouwen gaan voorschrijven en deze de oude houtbouw meer
en meer gaan vervangen, dringt de Nederlandse kleurgevoeligheid ook in de
burgerlijke bouworde door. Het is de afwisseling van gebakken en gehouwen
steen die het kleureffect oplevert, op grond waarvan de lateren van
‘oud-Hollandse’ stijl zijn gaan spreken. Zij zal wel geboren zijn uit de
behoefte om het materiaal van verbrande of afgebroken gebouwen zo economisch
mogelijk weer te gebruiken, ja, het is zelfs aannemelijk, dat de
bouwmeesters van toen, immers steenhouwers van hun vak, van baksteen niet
dan gedwongen gebruik gemaakt hebben, maar is de schoonheid er een grein
minder om? Een ieder zal in de stadhuizen van Middelburg, Veere en Gouda Bourgondisch-Vlaamse voorbeelden herkennen, maar evenmin
zal iemand het eigene erin ontkennen.
Niet anders is het met de renaissance in de zestiende eeuw; Italiaanse
navolging voorzeker, maar toch naar 's lands gelegenheid ‘verduitst’. Hans
Vredeman de Vries wiens architectonische plaatwerken de bouwkunst hier uit
het eerste kwart der 17de eeuw nog beheersten, was een echte
internationalist. Leeuwarder van geboorte wel, was hij niettemin van Duitse
afkomst. Hij leerde bij de Vlaming Cornelis de Vriendt en in Mechelen bij Pieter Coeck van Aalst en zwierf later
half Europa door. Zijn ideaal is de Romeinse schrijver over bouwkunst
Vitruvius, wiens boek hij ook bewerkte, alsmede de Italiaan Serlio, maar
wordt nochtans niet iedere vreemdeling die een onzer steden bezoekt, door
het volstrekt eigen karakter daarvan zowel in aanleg als bouwtrant
getroffen? Lieven de Key is nog minder een Nederlander dan Vredeman de
Vries. In Gent geboren, vanwaar zijn ouders om den
gelove naar Engeland uitweken, was hij de dertig al gepasseerd, toen hij
zich in Haarlem vestigde. Is er nochtans levendiger
afwisseling van houw- en baksteen, op het onrustige af, denkbaar dan zijn
Vleeshal aldaar? Kan men zich | | | |

Hendrik Petrus Berlage, in 1929. Erven H.P.
Berlage, Den Haag. Foto E.E. Strasser.
| | | | dit gebouw voorstellen in een andere dan een Hollandse stad?
Pas bij Hendrick de Keyser, in Utrecht geboren en leerling van de Utrechtse
architect en beeldhouwer Cornelis Bloemaert, behoeft het ons niet meer te
verbazen, dat zijn werken een Nederlands karakter dragen. Maar hoe volledig
is dan ook alles wat wij ons in het eerste kwart van de zeventiende eeuw bij
de Republiek denken in die volmaakte Amsterdamse Westerkerk uitgedrukt.
Daarna wordt het anders. Jacob van Campen is waarlijk geen minder bouwmeester
dan Hendrick de Keyser. Maar de rijkdom van de Republiek ten tijde van
Frederik Hendrik eiste andere uitdrukkingsmiddelen dan de geestige
rood-witte topgeveltjes of zelfs dan de Vleeshal en de Westerkerk. Zelfs
deze, hoe sober en streng ook, had nog iets liefelijks en grilligs. De
staatsie van het stadhouderlijk hof en de deftigheid der regenten vonden hun
ideaal in de klassieke stijl van Palladio. Van Campen, zelf grand-seigneur
als heer van Randenbroek, werd hier zijn ‘vertaler’. Zijn eerste huis bouwde
hij in 1626 voor de schatrijke Koymans aan de Keizersgracht tegenover de
Westermarkt (nu Ir. Lely-lyceum), later onder andere dat voor Constantijn Huygens aan het Plein in Den Haag, waarmee we al in de hofsfeer zijn: het
Mauritshuis is eveneens van hem, alsook het nu verdwenen paleis
Honselaarsdijk. Zijn meest grootse schepping blijft echter het nieuwe
stadhuis van Amsterdam, dat hij in 1647 ontwierp en waarvan de bouw tot 1654
onder zijn toezicht stond. Het zal er in die dagen in zijn blanke
natuursteen - want baksteen was uiteraard beneden Van Campens waardigheid -
ietwat protsig gestaan hebben hoog boven zijn nog klein-16de-eeuwse
omgeving. Maar indrukwekkend was het. Een monumentaler en imposanter gebouw
is heel Nederland nog altijd niet rijk en zijn bouwmeester had een plaats in
ons boek stellig verdiend en hij zou hem even stellig gekregen hebben,
wanneer in die zeventiende eeuw niet anderen nóg eerder de aandacht opgeëist
hadden.
In het laatste kwart van de zeventiende eeuw wint langzamerhand, als op alle
cultuurgebieden, ook in de bouwkunst de Franse invloed veld. Noch de
gebroeders Vingboon, noch de Vennecools, vader en zoon, konden hem
tegenhouden. In 1685 vestigde Daniel Marot zich in Den Haag. Uitgeweken voor
Lodewijk xiv voerde hij hier niettemin de bouwstijl van
zijn vervolger in. Maar zelfs in de achttiende eeuw die men kortweg de
Franse kan noemen, en voor welker rijkdom geen materiaal te ver of te
kostbaar was, dwingen zowel historische als natuurlijke omgeving van de
architecten tot meer dan slaafse kopie van Franse voorbeelden. Bij alle
ontlening waren zij als voorheen op hun eigen vindingrijkheid aangewezen en
zij faalden daarin evenmin als vroeger. Ofschoon hier, gelijk trouwens in
bijna heel Europa in die eeuw, alle Lodewijkstijlen achtereenvolgens
toepassing vonden, zijn zij hier meer dan elders tot iets eigens geworden.
Binnenarchitectuur, meubelen sierkunst volgden nog het dichtst de
buitenlandse krulsmaak, maar zowel de statige grachthuizen, als de heerlijke
buitenplaatsen met hun even statige als sierlijke inrijhekken, behielden het
oude type. Niemand kan zich deze in Frankrijk denken, al was het alleen door
de ten slotte toch weer bescheiden afmetingen, die echt-Franse praal
verboden. Een onbedrieglijk maatgevoel hield ondanks alle weelderigheid van
die verblijven het extravagante en | | | | exuberante binnen de perken
van het Hollandse landschap en de Hollandse ingetogenheid.
Pas in de negentiende eeuw verliest die ingeboren zekerheid terrein. Terwijl
in de achttiende eeuw het gevoel voor de traditionele verhoudingen ook van
de simpelste boerenhoeve nog iets ambachtelijk goeds had gemaakt, ging nu,
met zoveel andere, ook deze traditie teloor. De Nederlandse architecten
zoeken het overal: in het Franse ‘empire’ en neoclassicisme, in de neogotiek
en in een hele staalkaart van herinneringen aan Hollandse, Franse en
Italiaanse renaissance. Maar achter dat zoeken schuilt geen kracht, slechts
onvermogen. Droger bouwsels dan bij voorbeeld het oude stadhuis van Rotterdam of de oude Koopmansbeurs van Amsterdam,
door Zocher in 1840 begonnen, had Nederland nooit gekend. Of het moesten de
oudste spoorwegstations zijn die zich ook zo goed en zo kwaad als het ging
als Griekse tempels vermomd hadden. Er verrijzen verder gebouwen, die
eveneens overal elders hadden kunnen staan, zoals het Amstelhotel of het
voormalig Paleis voor Volksvlijt (omstreeks 1860). Te merkwaardiger omdat de
bouwer van beide, C. Outshoorn, stellig een bekwaam architect was wie men
noch een zuiver gevoel voor verhoudingen noch voor de mogelijkheden van
nieuw materiaal: (giet) ijzer en glas, ontzeggen kan.
Een begin van herleving danken we aan P.J.H. Cuypers. In 1827 te Roermond geboren, vertegenwoordigt hij voor zich
alleen één facet van de katholieke emancipatie. Leerling van Viollet-le-Duc,
de hartstochtelijke vereerder der Franse gotiek, zou ook hij zelf nooit
anders bouwen dan in neogotisch-renaissancistische stijl. Hem dit te
verwijten, schijnt echter misplaatst. Ten eerste was zijn tijd er niet naar
om de overtuiging te doen rijpen, dat élke imitatie-stijl uit den boze is,
ten tweede moet men toegeven, dat indien men dan een stijl imiteert, men
moeilijk een betere kan kiezen dan de gotiek en ten slotte had juist déze
keuze voor de katholiek meer het karakter van een voortzetting dan van een
navolging, wat in het resultaat ook duidelijk zichtbaar is. Om de verhouding
van Cuypers tot de gotiek uit te drukken doet men dan ook beter van
inspiratie dan van imitatie te spreken. De katholieke beweging was er een in
opkomst. De behoefte aan katholieke bedehuizen leek wel onuitputtelijk en
het is gemakkelijker de steden van enig belang op te sommen, waarin Cuypers
géén dan die waarin hij er wél een gebouwd heeft. En het moge waar zijn, dat
zijn Rijksmuseum en Centraal-Station, beide in 1885 voltooid, voor het
moderne besef noch een station noch een museum zijn (in vergelijking b.v.
met het nieuwe Museum Boymans in Rotterdam van Van der Steur en het
Amstelstation in Amsterdam van Schelling), als gebouwen bleken zij, zowel
wat ambachtelijke constructie en gevoel voor verhoudingen, als uitwendige
vormgeving betreft, toch niet zo licht te overtreffen.
Zonder Cuypers geen Berlage. Men vatte deze
uitspraak echter niet zó, dat de laatste constructie, verhoudingen en
vormgeving van zijn bijna dertig jaar oudere vakgenoot heeft afgekeken, noch
zó, dat het streven naar samenwerking tussen bouw-, beeldhouw-, schilder- en
sierkunst, dat Berlage kenmerkte, zich ook bij Cuypers reeds vertoont en dit
bij beiden wortelt in hun | | | | religieus eenheidsbesef. Neen
(hoeveel waars er in het voorgaande mag schuilen), wij bedoelen omgekeerd,
dat juist zijn verzet tegen Cuypers' manier, Berlage de kracht tot een eigen
manier heeft geschonken. Immers juist de voortreffelijkheid van Cuypers
maakte Berlages strijd tegen diens idealen te noodzakelijker en te
moeilijker, maar daarom ook te heviger en de overwinning op hem te schoner,
zoals in het algemeen een tegenstand zijn formaat ontleent aan datgene waar
het tegen staat. Zo werd verzet tegen het bestaande de zin van Berlages
leven, toen hij in 1881 naar zijn vaderland terugkeerde. Was hij dan
inderdaad de revolutionair die men wel in hem gezien heeft? Ja en neen. Ja,
voorzover niemand in de Nederlandse architectenwereld met roekelozer
rechtzinnigheid zijn eigen wegen is gegaan in een tijd, toen de mode nog het
omgekeerde eiste; neen, voorzover zijn inborst eer weifelend en zacht, dan
zelfverzekerd en hard was.
Maar stuiten wij misschien juist bij deze innerlijke tegenspraak in Berlage
op iets voor hem wezenlijks? Is het niet vreemd, dat iemand als hij, die
telkens weer blijk heeft gegeven tegen de stroom te kunnen oproeien, die
tegenwerking, afgunst en hoon zelfs gelijkmoedig heeft kunnen trotseren, ons
tegelijk in het weinige dat er over zijn persoon geschreven is, wordt
afgeschilderd als iemand die telkens bereid is aan zich zelf te twijfelen,
en die waardering toonde zowel voor de aanhangers van de oude richting waar
hij tegenover stond, als voor die van de na hem gekomenen, die tegenover hem
stonden?
Was dit de enige innerlijke tegenspraak, men zou haar kunnen verklaren door
de veronderstelling, hetzij van een zeldzame grootmoedigheid, hetzij van een
welhaast christelijke deemoed, of ten slotte van een bijna legendarische
wijsgerigheid tegenover wereldse zaken. Maar deze veronderstelling zou, ook
als zij juist was slechts een nieuwe tegenspraak openbaren. Het beroep van
architect onderscheidt zich nu eenmaal van andere kunstenaarsberoepen
daarin, dat hij die het uitoefent, onvermijdelijk gedwongen wordt, zich ook
met de zakelijke kant van de verwerkelijking zijner schepping te bemoeien.
Zijn materialen moet hij niet alleen kennen, maar ook keuren; zijn
principalen moet hij zijn plannen niet alleen overhandigen, maar hij moet
ook met hen onderhandelen en in wat we van Berlage weten is niets dat er op
wijst, dat hij in dit zakelijk opzicht te kort zou zijn geschoten.
Koopmanschap is dat echter nog niet. Dit was hem vreemd. Zijn betrekking tot
Kröller is hij juist aangegaan in de wat naïeve verwachting zich dan geheel
aan zijn kunst te kunnen wijden.
Bovendien zijn er nog frappanter tegenstellingen in hem, dan dat hij
revolutionair in zijn werk en niet-revolutionair van temperament was, dat
hij zeker kon zijn van de weg die hij te gaan had en tegelijk aan zich zelf
twijfelen kon, dat hij dromerig en tegelijk toch ook weer zakelijk was. Er
is ook een tegenstelling, en een zeer markante, tussen de aard van zijn
opdrachten en zijn levensbeschouwing en dat zowel in esthetische als in
ethische zin. Wat hij het liefst zou hebben willen scheppen zijn
gemeenschapsgebouwen, terwijl zijn opdrachtgevers voor het overgrote deel
particulieren waren. Het eerste blijkt uit zijn onuitgevoerde projecten
zoals de ‘Fantasie’ van 1888 (3), het schetsontwerp voor een ‘Mausoleum’ van
het volgend jaar (5), het ontwerp voor | | | |

Het handschrift van Berlage. Erven H.P. Berlage,
Den Haag.
| | | | het ‘Vredespaleis’ van 1907 (76), zijn idee voor een
‘Tentoonstellingsgebouw’ uit hetzelfde jaar (87), voor het ‘Beethovenhuis’
van 1908 (77), voor het ‘Wagnertheater’ 1910 (84), zijn ontwerp gebleven
‘Kunstenaarshuis’ te Amsterdam van 1912 en vooral
zijn ‘Pantheon der mensheid’ (128-136) uit het tweede jaar van de Eerste
Wereldoorlog.
Wat hij in werkelijkheid gebouwd heeft, zijn voornamelijk winkelpanden,
kantoorgebouwen, villa's en vooral de Koopmansbeurs. De uitgevoerde
gemeenschapswerken zijn daarentegen betrekkelijk zeldzaam. Men kan er met
wat goede wil (want ook hier waren zijn principalen particulieren), de
enkele woningblokken toe rekenen, zoals die in de Transvaalbuurt van
1912-'13 (106-110), die over het IJ in 1914 of die in de Indische buurt,
1915 (111-112) en vooral het Mercatorplein van tien jaar later 1925
(184-187) waarvan, helaas, het overwegend ‘accent’, de toren, om technische
reden sindsdien is afgebroken. Alle in zijn geboortestad Amsterdam. Waarbij
we intussen niet mogen vergeten, dat deze ontwerpen met hun doordachte
ruimte-indeling wezenlijk tot de verbetering van de behuizing der beter
betaalde arbeiders heeft bijgedragen.
Iets meer nog van gemeenschapsgebouwen hebben, gelet op de opdrachtgevers,
enkele complexen voor woningbouwverenigingen, onder andere die aan de
Transvaalstraat en Ringkade (106-109), zijn gebouw voor de Algemeene
Nederlandsche Diamantbewerkersbond van 1899 (56-59) en dat voor de
arbeiderscoöperatie Voorwaarts van 1906 (73). En, gelet op het doel, het
eers te kerkje der Christian Scientists aan de Banstraat in het Park
Zorgvliet in Den Haag 1925, (181-183). Voor de overheid gebouwd zijn alleen
de twee Amstelbruggen tegenover de Ceintuurbaan en tegenover de
Vrijheidslaan. Voor haar gemaakt alleen de uitbreidingsplannen voor
verschillende steden als de twee voor Amsterdam-Zuid, het eerste van 1902
(137), het tweede van 1915 (138, 142, 143, 146, 147), dat voor Den Haag van
1908 (94-101) en in 1911 voor Purmerend. Maar wanneer men de toestand, zoals
die nu is, met die plannen vergelijkt, dan is er weliswaar meer van
uitgevoerd dan van zijn plan voor het Hofplein in Rotterdam, dat geheel
terzijde gelegd werd, maar is het er toch ver vanaf, dat die stadsgedeelten
geheel geworden zijn, zoals de ontwerper zich dat had voorgesteld. En
hetzelfde geldt voor het enige gemeenschapsgebouw, dat hij in opdracht der
overheid begonnen, op het laatst van zijn leven nog in wording, maar
symbolisch genoeg, niet voltooid heeft gezien, het Haagse Gemeentemuseum aan
de Stadhouderslaan. Zijn grootse plannen ervoor dateren van 1919 (148-160),
de veel bescheidener bouw is pas voltooid in 1935, één jaar na de dood van
de bouwmeester.
Deze zelfde tegenstelling tussen zijn projecten en plannen aan de éne, zijn
uitgevoerde gebouwen aan de andere kant kan men ook anders, kernachtiger,
maar nog altijd juist uitdrukken door te zeggen, dat hij socialist, zijn
principalen daarentegen kapitalist waren, hetgeen uiteraard voor zijn
innerlijk meer en zelfs heel wat meer betekend moet hebben dan een verschil
in onderwerp. Hoe verscheurd en mislukt moet hij bijwijlen zich zelf
voorgekomen zijn, wanneer hij zich in dit opzicht met zijn voorganger en
tegenstander Cuypers vergeleek. Cuypers kon achteromzien in de mening, dat
hij vooruit | | | | keek, want Cuypers had het geluk een geloof aan te
hangen, dat reeds in de middeleeuwen zijn bouwkunstige vorm gevonden had,
maar dat tegelijk in zijn tijd en hier te lande althans een expansieve
kracht vertoonde en zijn talrijke kerkopdrachten konden derhalve met zijn
diepste wensen en zijn hoogste kunnen stroken. Men zou verwachten, dat Berlage, voortdurend gedrukt door die
tegenstelling, er zwaar onder geleden zou hebben. Eén keer tenminste is het
innerlijk conflict in een uiterlijk omgeslagen; van de verbinding met de
schatrijke opdrachtgeefster mevrouw Kröller-Müller voor wie hij in de Eerste
Wereldoorlog het ‘St.-Hubertushuis’ op de Hoge Veluwe gebouwd heeft, heeft
hij zich ontslagen, toen de grillen van deze dame hem al te grijs werden. En
toch, hier duikt een nieuwe innerlijke tegenspraak op. Men kan zich niet
sterker vergissen, dan Berlage voor een pessimist te houden. Het omgekeerde
is veeleer waar, hoogstens is de tegenstelling waarvan wij gewaagden,
gedeeltelijk verantwoordelijk voor het iets-melancholieke dat mensen die hem
gekend hebben, in hem hebben waargenomen. Maar zijn vrij talrijke
geschriften getuigen daarvan in elk geval niet. Want Berlage, zeldzame
verschijning ook in dit opzicht onder zijn kunstbroeders, heeft tamelijk
veel geschreven. Het getuigen in steen, ijzer, glas en beton was hem niet
voldoende: de tegenstelling waarvan wij boven spraken, zocht zich mede een
uitweg in de belijdenis van het woord. Niet dat hij een dier begenadigden
was wie elk uitdrukkingsmiddel met dezelfde bereidheid ten dienste staat.
Hij was een bouwmeester, anders niet en zeker geen schrijver. Dat ook een
artikel gecomponeerd moet worden en ook een boek een organisch geheel moet
zijn, niet minder dan een bouwwerk, het is hem nooit duidelijk geworden. De
overtalrijke alinea's in zijn geschriften verraden dit gebrek reeds op het
eerste gezicht. Hij citeert willekeurig, hij herhaalt zich voortdurend en is
meestal in zijn betoog eer verward dan klaar. In één woord: zijn
schrijftrant mist eigen-aardigerwijze al het constructieve, dat zijn
bouwstijl in zo bijzondere mate kenmerkt. Maar nietttemin is niet alleen het
feit dát, maar ook dat, wát hij schreef voor het begrip van zijn persoon en
de betekenis van zijn werk niet zonder belang.
Uit zijn geschriften immers leert men wat zijn gebouwen ons niet of toch
slechts zeer indirect kunnen meedelen, dat hij veeleer optimist dan
pessimist was, ja een optimisme had als rijp man en zelfs als grijsaard nog,
dat de tegenwoordige jeugd, zo ze het nog kan, toch alleen historisch
begrijpt. Zijn tijd verklaart hier misschien meer dan zijn natuur, die,
voorzover dat uit zijn kunst is op te maken tenminste, eer een hang naar het
grootse en verhevene dan naar het luchtige en speelse had. Zijn beste jaren
evenwel liggen tussen 1889 en 1914, de kwart-eeuw die wij nu zien als
wellicht de gelukkigste periode in de hele geschiedenis der geciviliseerde
mensheid tot dusver, maar die voor hen welke hem bewust beleefden, slechts
de overgang naar een pas werkelijk gelukkige toekomst scheen. Wanneer zij
het niet goed vonden, zoals het toen was, dan was dat alleen, omdat zij
meenden, dat het nog beter kon.
Zo was Berlages generatie er een, die de waarheid onder het oog kon zien en
toch optimistisch blijven, ja die, naarmate zij optimistischer omtrent de
toekomst was, kritischer ten opzichte van het heden kon blijven. Het is het
| | | | kritisch optimisme van de tachtigers in de literatuur wier
beweging voor eenvoud en waarheid, in '85 begonnen, met de dag meer veld won
en wier voormannen toen nog in de volle bloei hunner fierheid stonden. Het
is het kritisch optimisme, zowel van de jong-liberalen en radicalen die het
heft in handen hadden, maar niet zagen, dat het voor het laatst was. Het is
het kritisch optimisme ook van katholieken en antirevolutionairen wier
invloed slechts nog leek te kunnen toenemen. Het is, vooral, het kritisch
optimisme van de arbeidersbeweging in opkomst die de grenzen van haar macht
nog niet kende en dus niet zag. Het is het kritisch optimisme ook van
Berlage die voor de bouwkunst wilde doen en zou doen wat de tachtigers voor
de literatuur en de sociaal-democratie voor het volk deed: vernieuwen en
versterken. En dat alles niet alleen in Nederland. Het is kritisch optimisme
van een redelijk en vredig Europa waarin, wanneer men niet ál te nauw
toekeek, de nationale en klassetegenstellingen bezig schenen te versmelten
tot een nóg redelijker en nóg vrediger Europa. Een zonnige wereld in één
woord, waarin niemand of bijna niemand het onweer zag naderen, dat in 1914
onvermoed en onverhoeds op het heftigst losbarsten en heel dit universele,
humanistische cultuurideaal vernietigen zou.
Van dit kritisch optimisme getuigen ook Berlages geschriften. De meeste
hebben kleurloze titels als
Over stijl in bouw- en meubelkunst
(1904),
Studies over bouwkunst, stijl en samenleving
(1910),
Beschouwingen over bouwkunst en hare ontwikkeling
(1911), maar wie weet wat voor Berlage het woord ‘stijl’ inhoudt,
een eenheid-in-verscheidenheid op grondslag van een gemeenschappelijke
levensbeschouwing - hij had niet voor niets Viollet-le-Duc bestudeerd - die
begrijpt, dat ook deze titels niettemin reeds van dit optimisme gewagen. En
zeker doet dat de titel van zijn beste boek
Schoonheid in samenleving
(1919). Maar duidelijker doet het de inhoud. Hij is vol kritiek op
het bestaande, maar nergens twijfelt hij aan de mogelijkheid, dit te
verbeteren, laat staan dat hij een teruggaan voorzien zou. Veeleer tovert
zijn sociaal optimisme hem een maatschappij voor waarin de tegenstelling
tussen massaproduktie en esthetische verfijning verzoend zou raken, ja
waarin juist de mogelijkheid van de eerste de voorwaarde zou blijken voor de
bloei van de tweede. En dat niet in een verre, maar in een nabije toekomst.
Ter bereiking van die verfijnde stijl-voor-allen ontwierp hij zijn meubels,
lampen, glaswerk en verdere kunstnijverheidsprodukten. Maar aan de wat ál te
broze ijlheid daarvan herkennen wij nu, dat het hier meer om ideaal dan
werkelijkheid, meer om een verloren paradijs dan om een toekomstdroom ging.
Aan het feit, dat de barok de tot nog toe laatste Europese eenheidsstijl
geweest is, heeft ook Berlage in wezen niets kunnen veranderen. Niets
trouwens bewijst misschien méér hoe moeilijk het was uit de
negentiende-eeuwse lelijkheid los te komen dan de pogingen van Berlage zelf
en zijn tijdgenoten om er zich aan te ontworstelen in de decoratieve kunst.
De ‘Jugendstil’ en zijn afstammelingen mogen dan iets nieuws geweest zijn,
en hun tijdelijke zegepraal dááruit te verklaren, iets moois zijn zij voor
ons toch niet gebleven, hoogstens iets curieus.
‘Tusschen de groote verwarring van denkbeelden’ - zo betoogt hij in zijn | | | |

Detail van het interieur van de Amsterdamse koopmansbeurs,
1903. Fotoarchief Wetenschappelijke Uitgeverij N.V.,
Amsterdam.
| | | | misschien beste opstel, dat over
Stedenbouw
in Beschouwingen over bouwkunst, dat de Haagse
uitbreidingsplannen vergezelde - ‘welke onzen tijd kenmerkt, komt toch wel
duidelijk de bedoeling naar voren, om regeling te brengen in de
maatschappelijke verhoudingen, deze te vereenvoudigen, zoover als mogelijk
practisch te regelen, dat is eveneens te styleeren.’ En verderop: ‘Ook
hierin [in de stedebouw] staan we op de grens tusschen een onontwikkelden,
ondoordachten, zoekenden tijd en een tijdperk van ontwikkeling, van
bezonnenheid. Alle teekenen wijzen er op, dat de bezonnenheid is
weergekeerd, die groote eigenschap van de bloeitijdperken der groote
stijlen, een bezonnenheid - en hierop dient vooral de aandacht te vallen -
die zoowel het nut als de kunst betreft.’ ‘Bezonnen’, zo zag hij zichzelf
graag. ‘Bezonnen’, zo prees ook Verwey hem, de
zelf zo bezonnene met wie hij in de redactie der ‘Beweging’ jarenlang
samenwerkte en die ook de gebeitelde verzen schreef voor zijn Beurs.
Bezonnenheid die nodig was om zijn vliegkoers te bepalen, maar die tegelijk
zijn wieken fnuikte.
Berlages visie op kunst en maatschappij past volkomen in de maatschappij
waarin hij leefde, en de kunst die hij schiep, zowel als die hij droomde, is
de zuivere vertolking van dit besef van tussen twee werelden te leven. De
tegenstellingen die hij in zich droeg: die tussen werkelijkheid en droom,
rationalisme en religie, tussen leerstelligheid en plooibaarheid, tussen
individualisme en gemeenschapszin, en die men alle in de éne formule van de
tegenstelling tussen nuchterheid en verbeelding zou kunnen samenvatten,
zouden in géén andere tijd dan juist in de zijne tot een verzoening hebben
kunnen leiden. Berlage verzoende ze, althans tot
op zekere hoogte. Dat hij ze verzoende ligt aan zijn tijd, dat hij ze in
zich had evenzeer. Maar het laatste meer dan het eerste, hoe vreemd het
klinken mag, stempelt hem tot een groot man.
In Berlage hebben wij onze reeds vroeger verkondigde mening bevestigd
gevonden, dat het karakteristieke van het genie gelegen is in de polariteit
van de tegenstellingen die hij verdragen kan, want juist de spanning, door
die tegenstellingen veroorzaakt, is de bewegende oorzaak van zijn
scheppingskracht. En hoe groter die spanning, des te groter de
scheppingskracht. En die kerntegenspraak bij Berlage is zéér groot.
Nuchterder gebouwen dan de zijne - maar dan bewust en met opzet - zijn er in
Nederland nimmer opgetrokken; fantastischer ontwerpen dan de zijne nimmer
gemaakt. Maar die nuchterheid en verbeelding staan niet naast elkaar; zij
doordringen elkaar: want die nuchterheid was van een bijzonder soort. Zij
was niet de nuchterheid van de zakenman, maar zij had iets van die van het
kind. Daarom was zij destijds gedurfd en wat is durf anders dan verbeelding
en hoeveel fantasie was er niet voor nodig om van de moderne utiliteitsbouw
iets moois te maken, dat wil zeggen het aan te durven, dat het niet ‘mooi’
gemaakt en dus juist wél mooi werd? Zoals later het meest doelmatige
motorschip, de meest doelmatige dieseltrein en de meest doelmatige
automobiel de mooiste gebleken zijn. En omgekeerd, hoeveel nuchterheid gaat
er schuil in zijn fantastische projecten! Immers ondanks de wetenschap, dat
zij onuitgevoerd zouden blijven, tekende hij de meeste niet als
geïmproviseerde schets, maar met al de koele berekening van een reëel
bouwplan. Men kan het ook zó zeggen: Berla- | | | | ge wilde nuchter
zijn, omdat hij wáár wilde wezen, maar is de behoefte aan waarheid niet
bloesem van de boom der verbeelding? Verzet tegen het bestaande werd de zin
van Berlages leven, toen hij in 1881 naar zijn vaderland terugkeerde, hebben
wij boven gezegd. En aangezien dit revolutionaire streven niet het
onmiddellijk gevolg kon zijn van zijn in de grond zachtmoedige en zelfs wat
melancholieke, meer op harmonie en synthese dan op scheiding en strijd
afgestemde natuur, zoals die ons uit zijn geschriften tegemoet treedt, zal
de lezer ons ten goede houden, dat wij zolang uitweidden over de
tegenstellingen in zijn karakter, zonder over zijn bouwwerken nog iets te
zeggen. Het was te nodiger omdat (met uitzondering van een indringend maar
beknopt opstel van Albert Verwey in het gedenkboek van 1916 en een boekje
van Just Havelaar van tien jaar later) de hele,
trouwens nog weinig omvangrijke Berlageliteratuur bestaat uit bijdragen van
architecten of architectuur-historici, wier taak het niet was zijn persoon
psychologisch te benaderen. Voor de historische portretschilder komt het
erop aan, te zien of de voorstelling die wij ons nu min of meer
veronderstellenderwijs nog van zijn persoon gevormd hebben, een bevestiging
vindt in de analyse van zijn werk, zoals deze ons door de boven aangeduide
literatuur van deskundige zijde gegeven is.
Toen Berlage dan in '81 in Holland terugkwam, vermoedde niemand en hij zelf
waarschijnlijk evenmin, dat hij tot geen mindere taak dan tot het scheppen
van een nieuwe bouwstijl geroepen was, een vernieuwing, zó ingrijpend, dat
niet alleen het buiten en binnen der representatieve gebouwen, maar zelfs
het hele stadsbeeld er door zou omwentelen.
Geboren te Amsterdam op de 21ste februari 1856, had
ook deze Hollandse jongen aanvankelijk meer schilders- dan
architecten-neigingen. Zijn opleiding had hij aan het Polytechnikum in
Zürich genoten. Het gebouw was van de grote bouwtheoreticus Gottfried Semper
en Stadler onderwees erin. Op die studiejaren, in '78 beëindigd, waren tot
'81 een verblijf in Frankfort en een Italiaanse kunstreis gevolgd. Scholing
had dit alles gebracht, maar geen nieuwe inzichten. Die komen niet van
school of uit baedeker, maar uit het leven. Wel was er al het vage zich
geroepen voelen en de eerste gooi naar iets geweldigs. Merkwaardig: één van
de 199 antwoorden op de internationale prijsvraag van het Gemeentebestuur
van Amsterdam voor - een nieuwe Beurs is van hem (1884). In samenwerking
overigens met de nu vergeten architect T. Sanders met wie hij reeds in '82
het ‘Panopticum’ gebouwd had. Het ontwerp is niet bekend. Wel dat uit 1885,
ingezonden voor de eindstrijd in diezelfde prijskamp: neo-gotorenaissance
nog, gelijk te verwachten was (28). Ook van het winkelpand van Focke
& Meltzer, Kalverstraat, hoek Spui (1), zijn eerste eigen ontwerp
dat uitgevoerd is (1885), zou iemand die het niet wist, niet op de gedachte
komen, dat het van Berlage is. Het heeft in zijn Venetiaanse
renaissancestijl zelfs niets Hollands; het kon overal staan. Twee jaar later
weer een mededinging aan een internationale prijsvraag, weer de roep van het
grote: zijn gevelontwerp voor de kathedraal van Milaan (2). Berlage is er
nog niet in te herkennen, maar wel een bouwkunstig tekenaar met een
ontwikkeld gevoel voor verhoudingen die bovendien zijn vak verstond.
| | | |
En dan, opvallend, maar toch wel begrijpelijk: naarmate de heroïeke breuk met
het verleden nadert, vervaagt dit niet, maar verhevigt het juist in hem,
alsof hij zijn overwinning erop zo duur in plaats van zo goedkoop mogelijk
heeft willen behalen om haar des te triomfantelijker te maken. In zijn
‘Fantasie’ van 1888 (3), maar vooral in zijn ontwerp voor een ‘Mausoleum’
dat hij het volgend jaar naar de Parijse internationale tentoonstelling zond
(middenpartij, 5), beleefde hij opnieuw op papier zijn meest fantastische
droombouwsels in alle stijlen der wereld. Alleen wie goed kijkt en dit
ontwerp met zijn ‘Beethovenhuis’ (77-83) of ‘Pantheon’ (128-136) vergelijkt,
ziet in dit van 1889 iets Berlagiaans en in de latere, dat deze
jongemannendroom in Berlage nooit helemáál gestorven is. Het is de centrale
bouw, gedekt door een koepel die hem steeds weer betovert: herinnering
misschien aan de St.-Pieter en hogerop aan de Aya Sofia, de meest grandioze
ruimteschepping ooit gewrocht, maar zijn hang ernaar en zijn hechten eraan
steekt toch dieper: in zijn religieuze eenheidsdrift.
Pas in 1893 - alle belangrijke ontwikkelingen voltrekken zich langzaam - is
een vleug van omslag merkbaar: aan het gebouw van de ‘Algemeene’ aan het
Damrak (6). Maar men moet het nog zoeken: de as van de bovenerker staat niet
meer met een hoek van 45 graden op voor- en zijgevel, maar ligt in het
verlengde van de voorgevel om deze strakker te houden. Ook is er al iets van
versobering in de versiering: begin van aanpassing aan het zakelijk doel.
Doch overigens, hoeveel reminiscenties ook hier nog aan gotiek en
renaissance! Nieuwer nog is de villa die hij in 1894 voor professor Heymans
in Groningen zette. We zien hier een Berlagiaans
beginsel voor het eerst volledig toegepast: de eisen van de opdracht
onvoorwaardelijk voorop. Waren die grillig, dan een grillige plattegrond. En
is de plattegrond asymmetrisch, dan ook in de bovenbouw eerlijk alle
consequenties daaruit getrokken. Zo eiste het de waarheid. Maar de waarheid
is wel voorwaarde voor de schoonheid, doch niet deze zelf - en de villa werd
ronduit: lelijk.
Hoe zware strijd moet het Berlage gekost hebben zijn eigen weg te vinden, en
hoe moeizaam moet de overtuiging zich gevestigd en vooral staande gehouden
hebben, dat zijn weg de weg der toekomst was. Twaalf jaar na '85 - de
prijsvraag had uiteindelijk tot niets geleid - kreeg Berlage, en hij alleen,
onder invloed van M.W.F. Treub die toen wethouder in de hoofdstad was, de
grote opdracht voor de Beurs in handen. En ondanks alle verontwaardiging die
dat binnen en buiten de Raad gewekt heeft - het werd een ware papieren
oorlog - kunnen we nu die stad slechts gelukkig prijzen om de
voortvarendheid van haar toen nog radicale politicus.
Meestal zien we in de cultuurgeschiedenis én de éne toestand én de volgende.
Aan Berlage onder andere danken we het, dat we ook een overgang kunnen
waarnemen. De studie der vijf bewaarde beursontwerpen is opwindend. Waar
kwam de wind vandaan, waardoor de vroegere schoonheid verschaalde en die
toch tegelijk het zaad van een nieuwe met zich droeg? De idee van '85 is in
'97 gestorven, maar de verbrokkeling is tot een eenheid gestold. Maar hoe
groot ook het onderscheid tussen beide zij, de verschillen tussen de vier
projecten uit dat éne en het volgende jaar zijn nauwelijks minder | | | |

Het gezin Berlage in 1904. Erven H.P. Berlage, Den
Haag.
| | | | belangwekkend. Zij behelzen de intieme geschiedenis van
Berlages bekering van de oude pracht der praalgebouwen tot de nuchtere
waarheid van het moderne leven. Hij had een tempel willen bouwen en hij
bouwde een beurs! De tijd is sterker dan de persoonlijkheid. Maar de sterke
persoonlijkheid kan de tijd vangen en vorm geven in woord, beeld of daad.
Hij had een tempel willen bouwen: zie aan het eerste ontwerp van '97 (28
boven) de absis-achtige uitbouw bij de ingang of de ‘rijksmuseum’-achtige
torens in de zijgevel of de hoofdtoren zelf die, hoezeer dan ook uit de
verte, nog aan zijn campanile van Milaan herinnert. Alleen in de
langgestrekte zijgevel - gevolg van de opdracht om op dit terrein te bouwen
- herkent men Berlages Beurs al. Zij is rijker dan zij uiteindelijk worden
zou, maar al veel te sober voor wat de smaak destijds meende aan
representatieve gebouwen verplicht te wezen die immers - traditie van de
barok - vooral ‘duur’ moesten zijn. In het tweede en derde ontwerp (resp. 28
en 29 onder) zien we het gebouw zoals het er ten slotte staan zou, nader en
nader komen. De spanning stijgt. In twee offert de bouwmeester de
sierlijkheid van zijn zijtorens voor strakke blokken. In drie offert hij
zijn hoofdtorenspits: weg met alle namaak: eerlijkheid, soberheid,
eigenheid. Maar de grootste overgang, althans de meest principiële is in
zekere zin nog die tussen het derde ontwerp van '97 en het laatste uit '98
(30), ondanks het feit, dat het hier nog slechts wijzigingen van detail
betreft. Nu, eindelijk, is alles opgeofferd, maar is ook afgerekend met alle
schijn. Nu is de uiterste soberheid bereikt, maar ook de uiterste eigenheid!
Nu zou er een gebouw komen, wat armelijk - overdrijving is onvermijdelijk
bij de doorwerking van een nieuw beginsel - en wat erg koel, maar een gebouw
dat toch in heel zijn uiterlijk en in elk van zijn onderdelen de eeuwen door
zeggen kan: ik ben een symbool van de twintigste eeuw, die komen gaat. Ik
ben nieuw: want ik ben waar. En dat ons daarom dierbaarder is dan veel
andere voldragener kunstwerken.
Om heel deze revolutie in het bouwen te begrijpen moet men de Beurs echter
ook van binnen bezien (31-33; 40-51), want niet alleen is het uitwendige een
geheel, ook binnen en buiten zijn één. Hier dezelfde eerlijkheid die
materiaal en constructie niet verhult, maar openbaart. ‘Echte pleister is
beter dan valsch marmer,’ heeft Berlage in
Over stijl in bouw- en meubelkunst
geschreven. Maar nog beter dan het ‘echte pleister’ vond hij de
naakte baksteen, ook in interieurs, zelfs die van woonhuizen. De ijzeren
spanten die het glazen dak van de grote zaal schragen, liet hij zichtbaar en
hij versierde ze niet. Hij wilde rationeel en functioneel bouwen. Maar
tegelijk riep hij verwante kunstenaars te hulp ter sobere versiering van
zijn schepping, die zich echter voegen moesten in de puriteinse strengheid
van zijn architectuur. Zijls ‘Gysbrecht van Aemstel’ kwam niet áán, maar in
de toren en de voegen van het stenen beeld volgen die van het gebouw (39).
De sgraffito's en het sectielwerk van Toorop, de decoratieschilderingen van
Roland Holst, het gebrandschilderd glas van Derkinderen, het smeedijzer, de
symbolische beeldsnij-ornamenten op deuren en houtwerk en in de natuursteen
van het portaal zijn bijna geometrisch gestileerd en blijven alle in het
vlak. Hard, kort en zakelijk en toch rijk door hun rijm zijn de beide
spreuken van Verwey onder de wij- | | | | zerplaten van de torenklok die zo wonderlijk precies de geest dezer
schepping verwoorden: ‘Beidt uw tijd’ ‘Duur uw uur’. Het gebouw heeft zijn
tijd gebeid, zodat het nu ‘gewoon’ gevonden wordt en zijn uur zal het duren.
Maar het geheel in die strakheid alom zou koud, te koud geweest zijn,
wanneer niet tegenover het grauw, bruin en beige van de interieurs van die
tijd hier ook de kleur weer klaar gesproken had: de tonenscala van de
baksteen, het grijs van de natuursteen, waar de constructie dit vereiste, en
verder geel, staalblauw, oranje, groen en wit.
Beter trouwens nog dan uit de Beurs, kan men Berlage als binnenhuisarchitect
leren kennen en waarderen uit het in ander verband reeds genoemde
‘St.-Hubertushuis’. Hoe prachtig ook gelegen in de ronding van de wijde
vijver die alleen gegraven schijnt om die stenen Narcissus te weerspiegelen,
hoe harmonisch ook de fundamenten uit het water komen opgeweld, als waren
zij op hun beurt slechts een stenen vloedgolf, het bouwwerk als geheel met
zijn te hoge, het huis neerdrukkende en wat ‘bedachte’ toren is toch te
brokkelig om de beschouwer aan de overoever geheel te bevredigen. Maar het
moge van buiten dan slechts een flauwe afschaduwing zijn van wat Franse
architecten in vroeger eeuwen op dit gebied met hun kastelen aan de Loire
wisten te bereiken, van binnen daarentegen - en dat is wel meer dan toeval -
wint ongetwijfeld de Hollander het. Het portaal, elke gang en elke kamer, ja
zelfs elke schoorsteen en elk meubel is een doordacht, naar kleur en vorm op
het geheel afgestemd kunstwerk, zoals er geen tweede bestaat. Zodat, wanneer
de waarde van een prestatie naar haar uitzonderlijkheid moet worden gemeten,
deze bezwaarlijk te hoog kan worden geschat.
Gehéél nieuw waren de beginselen waarvan de bouwer van de Beurs is uitgegaan,
intussen niet. Waren zij dat geweest, het zou een experiment geweest zijn en
niet een nieuwe stijl. De wijziging in het produktieproces die ook de
bouwstijl zou omwentelen, het gebruik van ijzer en stoom en de omzetting van
het handwerk in het machinale bedrijf die daar weer het gevolg van was
geweest, lag al omtrent een eeuw terug. De ‘Galerie du Palais Royal’ te
Parijs, het eerste levensteken van een architectuur in ijzer en glas, die
feitelijk dus nog verder gaat dan Berlage, dateert al van 1829. Zelfs hier
te lande had Outshoorn een kleine veertig jaar later, in navolging van het
‘Crystal-Palace’ in Londen, al met het Paleis voor Volksvlijt laten zien wat
er met het nieuwe materiaal te doen viel. Engelse architecten hadden al in
de jaren '60 moderne landhuizen en villadorpen gebouwd, waarbij eenheid van
onderwerp en vorm hun uitgangspunt was geweest. Omstreeks '95 was het
imiteren ook door Otto Wagner in Oostenrijk, door P. Hankar en Henry van der
Velde in België, door Frank Lloyd Wright in Amerika verworpen, terwijl De
Bazel en Lauweriks hier in Holland de nieuwe richting theoretisch al hadden
voorbereid.
Toen na vijf jaar bouwens de Beurs door de jonge Koningin plechtig werd
ingewijd (1903), was de bouwmeester de vijftig al vrij dicht genaderd. Hij
heeft sinds die grootste datum uit zijn leven nog iets meer dan dertig jaar
geleefd en gewerkt. Heeft hij zich in dit derde van een eeuw nog een nieuwe
dimensie veroverd? Ook hier weer moet het antwoord bij deze man van te- | | | | genstellingen luiden: ja en neen. Ja, wanneer men op het
gewilde, neen wanneer men op het bereikte let. Professor Vogelsang, die het diepgaandst over Berlage heeft geschreven in
de
Ontwikkeling in Berlage's werk
, onderscheidde weliswaar een derde periode die hij met het gebouw
voor de verzekeringsmaatschappij ‘De Algemeene’ in Leipzig (1902; 68/69)
laat beginnen, en zag (1916) in het toen pas ontworpen ideaalplan ‘Pantheon
der mensheid’ (128-136) het begin van zelfs nog een vierde periode. En
inderdaad, wanneer men het gebouw uit Leipzig vergelijkt met de beide nauw
verwante gebouwen, het eerste aan het Sophia- nu Muntplein te Amsterdam (16-17), het tweede aan het Kerkplein in
Den Haag (18-27) die beide gebouwd zijn voor
‘De Nederlanden van 1845’ en beide uit 1895 dateren, dan wint ongetwijfeld
het zeven jaar jongere in Leipzig het van de twee vroegere in strakheid van
vormgeving en beheersing van het detail, vooral wanneer men deze beschouwt,
zoals zij vóór de verbouwingen waren. Maar er een volgende periode in te
zien, gaat ons inziens toch te ver. En wat het ‘Pantheon’ betreft,
ongetwijfeld is dit van een andere orde dan de Beurs, maar het blijft een
droom, hoe zeer dan ook een rationeel doordachte droom. En veroveringen in
dromen plegen slechts verhulde nederlagen te zijn. Trouwens Vogelsang zelf
wil ook de uitvoerbaarheid van dit werk niet kritiseren.
Hóé ver droom en werkelijkheid juist bij Berlage uit elkaar liggen (omdat hij
zo mooi droomde en zo stroef werkte) heeft hij, de eerlijke, ons één keer
zelf laten zien, zoals hij ook in de ontwerpen voor de Beurs ons zijn
bekering blootgelegd heeft. Daarvoor is niets anders nodig dan een
vergelijking van de ontwerpen voor het ‘Gemeentemuseum’ in Den Haag (1919);
150-160) met het gebouw, zoals het er nu staat; een vergelijking die, hoe
groot ook de bewondering voor het bereikte mag zijn, toch ter wille van de
schepper eindigen moet met de verzuchting van Goethe ‘nur am farbigen
Abglanz haben wir das Leben’. En toch is dit Museum, zijn laatste bouwwerk,
gebouwd toen hij de vijfenzeventig had overschreden en pas na zijn dood
voltooid, zowel in onderwerp als in ontwerp het dichtst zijn droom genaderd.
De grote hal ervan hééft, voor eeuwen, íéts vastgehouden van die levenslange
droom.
Eerder nog dan met Vogelsang in het gebouw te Leipzig een nieuwe periode in
Berlages stijlontwikkeling te zien, zouden wij dan aan het winkelgebouw van
Meddens & Zoon aan de Hofweg in Den Haag (116-118) of anders aan het
Kantoorgebouw te Londen voor de firma Müller & Co. (125-127) denken,
beide uit het eerste jaar van de Eerste Wereldoorlog. Hier is ook de boog,
de schijnbaar onmisbare, overwonnen. Het zo harmonische en nu, eindelijk,
symmetrische gebouw van ‘De Nederlanden van 1845’ in Rotterdam (90) kende hem nog, al is hij er reeds tot de
grondverdieping beperkt, bij het Haagse gebouw is de booglijn boven de
straatdoorgangen al bijna, bij het Londense is hij helemaal recht. En hoe
Berlage zelf aan die nieuwe overwinning hechtte, bewijst het feit, dat hij
voor het gedenkboek van '16 zelf een foto van die hoofdingang te Londen aan
de redactie zond. En terecht: Berlages ingangen en portalen behoren meestal
tot de best geslaagde onderdelen van zijn oeuvre en waarlijk niet aan de
Beurs alleen. Werkt de afslijping op | | | |

Interieur met door Berlage ontworpen meubelen op de
tentoonstelling ‘In Holland staat een huis’, Stedelijk Museum te
Amsterdam, 1941. Fotoarchief Wetenschappelijke
Uitgeverij N.V., Amsterdam.
| | | | de hoeken niet als een uitnodiging om in te treden, precies
zoals de rondingen in het voorportaal van de Beurs? Het is alsof hierin de
gulle blijheid van de maker is uitgedrukt, die zegt: zie ik heb u een ruimte
geschapen en ook gij kunt er binnengaan.
Nieuw was ook in zijn latere tijd het beton als materiaal. Berlage die niets nieuws schuwde, heeft ook niet
geschroomd, dit toe te passen. Zo aan het kantoorgebouw voor ‘De
Nederlanden’ aan de Raamweg in Den Haag (1925; 177-180). Trouw aan de
drie-eenheid van doel-constructie-vorm, liet hij ook het beton beton en
verstopte het niet achter baksteen. Doch het was niet te verwachten, dat hij
hierin een nieuwe periode zou vinden. Een zeventigjarige kan met zijn tijd
meegaan, maar daarmee is dan ook alles gezegd: revolutie-maken kan hij niet
en zeker niet een zeventigjarige die er al eens een gemaakt heeft. Berlage
was geboren in het midden van de negentiende eeuw en een negentiende-eeuwer
is hij gebleven. Berlage was toen nog even eerlijk als in de tijd dat hij de
villa voor Heymans bouwde, maar het resultaat van beide eerste pogingen tot
toepassing van iets nieuws was hetzelfde: ronduit lelijk.
Zo zien wij noch in de gebouwen van Meddens en van Müller, noch in dat voor
‘De Nederlanden’ een nieuwe dimensie, slechts een doorwerking en een
verzachting tegelijk (laatste tegenstelling in deze altijd gespletene en om
eenheid worstelende mens) van de nieuwe beginselen die hij reeds aan de
Beurs had toegepast, die daarom zijn meesterwerk blijft. Juister dan
Vogelsang in 1916, zei Gratama in 1925 (en men vergeve de beeldende
kunstenaar zijn beeldspraak maar) ‘zijn latere werken... zijn vruchten van
denzelfden boom, die de Beurs voortbracht’.
Geen nieuwe dimensie inderdaad, maar wel nog een toepassing van de oude
dimensie op een nieuw domein. Berlage hervormde niet alleen het gebóúw, hij
hervormde ook de stád. Niet in die zin, dat lateren onze steden met
Berlagiaanse blokken vulden - voleinders hebben navolgers, vernieuwers niet,
maar wel zo, dat zijn in idealisme wortelend rationalisme en functionalisme
aan de stadsuitleg in de letterlijke zin des woords nieuwe wegen wees. Wie
de troosteloze steenwoestenijen van onze 19de-eeuwse steden kent - en wie
kent ze niet? - zal erkennen, dat aan die tweede hervorming evenveel, zo
misschien niet nog meer behoefte bestond dan aan de eerste. De behoefte om
een tikje, zij het dan veelal onbewust ondergane schoonheids-vreugde (die
bestaat ook) te brengen in een steeds meer verlelijkende maatschappij.
Maar ook dan nog blijkt het jaar 1902 het hoogtepunt in zijn leven. Het jaar,
toen de Beurs zijn voltooiing naderde, het kantoorgebouw in Leipzig gezet
werd, en hij bovendien nog drie villa's bouwde en een ontwerp voor een beurs
voor de boekhandel maakte, is ook het jaar van het ‘Eerste Uitbreidingsplan
voor Amsterdam-Zuid’ (een gedeelte: 137), in 1915 door een tweede gevolgd
(138-147). Van 1908 dateert het Haagse (94-101), van '11 het Purmerendse,
van '24 het Utrechtse uitbreidingsplan, terwijl we ook tot dit terrein nog
dienen te rekenen zijn ontwerp ter verbetering van het Hofplein te Rotterdam
(161-171) en dat voor de verkeersweg langs Gevangen- | | | | poort en
Hofvijver in Den Haag (173-175), het eerste van
'22, het laatste uit hetzelfde jaar als het Utrechtse uitbreidingsplan.
Het belangrijkste, ook in verband met zijn verwezenlijking, is dat in de
hoofdstad, zijn geboortestad. Hier zijn droom en daad elkaar misschien nog
dichter dan in het Haagse Museum genaderd. Wie zich nu denkt, staande op een
toren bij het Amstelstation, ziet de vork van Stalin-, Churchill- en
Rooseveltlanen met zelfs de ‘wolkenkrabber’ op het, die lanen verbindende
Victorieplein nog vóór zich, zoals Berlage het zich een vijftig jaar geleden
heeft gedacht. Zo iets, dan moet dit scheppen heten. Het is dan ook wel geen
toeval, dat zijn opstel over
Stedenbouw
dat het rapport over de Haagse uitbreiding vergezelde, zijn gaafste
literaire werk is. Hier kan de dromer die in zijn verbeelding de stad der
toekomst zag opdoemen, zich uitleven en toch rationalist blijven. Misschien
wel omdat hier de vernieuwer, al vernieuwende, kon aanknopen aan het
verleden. In een dit keer gesloten betoog betoonde hij zich allerminst een
doctrinair. Voor de stedenbouw komt hij tot de noodzaak van hernieuwde
aanvaarding van het barok- (niet het barokke!) stadsplein met zijn axiaal
perspectief - ‘de straten bijten in de horizon’, zoals de dichter zong - en
zijn geslotenheid van beeld. De nieuwe eisen van het maatschappelijk leven
steunden hem hier. Zijn religieus gevoel zei hem, dat de doelmatigheid een
goddelijk scheppingsprincipe is en zijn esthetisch besef, dat, wat bruikbaar
is, ook goed is. En hoeveel utiliteitsgebouwen leek de nieuwe maatschappij,
aan de verwezenlijking waarvan hij nu mee mocht werken, niet nodig te
hebben: schouwburgen, musea, bibliotheken, badhuizen, scholen, fabrieken,
silo's, elektriciteitswerken, slachthuizen, haven- en kaaiwerken, bruggen,
stations, bouwwerken altemaal die geen toepassing van oude stijlvormen meer
duldden.
Dat alles moet hij geschouwd hebben, zijn rustige kop met het puntbaardje
boven de flapdas gebogen over de tekentafel vol papieren, blauwdrukken,
passers, trekpennen en linialen. Ontwerp na ontwerp, even zoveel
geprojecteerde visioenen, die ook als nuchter-berekende bouwtekeningen het
merk droegen hunner edele geboorte. Zijn merk, dat hij drukte op de mooiste
van Hollands steden voor de komende eeuwen. Vooral de allure van het
uitbreidingsplan van Amsterdam is, zelfs in zijn
verminkte uitvoering, toch nog een waardige voortzetting geworden van de
onvolprezen grachtengordel uit haar bloeitijd. In het Mercatorplein in West,
dat hij zelf bebouwde (1925; 184-187) is een brok van een dier visioenen tot
steen gestold. Naast de Beurs als zijn gaafste grote werk en het Haags
Museum als de dichtste hem gegeven benadering van zijn levensdroom, staat
dit plein als de zuiverste belichaming van zijn stadsvisioen. Maar een
visioen is geen profetie, geen overzien van de toekomst. Nu, nauwelijks
dertig jaar verder, weten we dat zijn werk ook het stempel van zijn eeuw, de
19de draagt, een eeuw die meer dan enige voorafgaande bewust naar de
toekomst toe heeft willen leven, en die door de versnelling van de
technische en maatschappelijke ontwikkeling die daar inherent aan was, het
minder dan vele andere heeft gedaan. Dat heeft zich nergens zo gewroken als
in zijn, door de zuinige, vermeende efficiency van zijn tijd bovendien nog
gekortwiekte stadsplanning die nu door het chaotisch | | | | verkeer
overspoeld en beklemd raakt, en waaromheen nieuwe uitbreidingen worden
gepland, die op zijn best de eerlijkheid van een bekentenis van onvermogen
om een kwart eeuw vooruit te zien opbrengen. Hoe gaaf staat daartegenover
Berlages, zij het dan vergankelijk gebleken ideaal: werkelijkheid en droom,
visioen en werkelijkheid en in alles de waarheid. Dat is de erfenis die
Berlage naliet, toen hij 12 augustus 1934 overleed.
Zijn erfenis? Omstreeks 1900 was de naam van Berlage een banier. Zijn
promotie in 1911 tot doctor honoris causa in de Nederlandse letteren aan de
Universiteit van Groningen, zijn erevoorzitterschap
van het Amsterdamse ‘Architectura et Amicitia’ in dat zelfde jaar zijn de
officiële erkenning van zijn verdiensten, die als zo vaak ook hier
betekende, dat het hoogtepunt bereikt was en derhalve de neergang beginnen
moest. Omstreeks 1914, wanneer de eigenlijke 20ste eeuw begint, is zijn
invloed tanende. Is door de talrijke stijlen, scholen, richtingen, groepen
en op zich zelf staande individuen die daarna in bonte volgorde op en door
elkaar gevolgd zijn, zijn erfenis aanvaard, behoed en overgeleverd? En zo
neen, mogen we hem dan desondanks een erflater noemen? Het is of de
tegenstellingen die hij in zich droeg, zo machtig waren, dat zij na zijn
dood nog voortleefden. Want ook bij deze laatste tegenstelling moet als bij
de vorige het antwoord weer luiden: ja en neen.
Wanneer men de Nederlandse bouwkunst van de eerste veertig jaar dezer eeuw
tracht te overzien, is het niet moeilijk veertig namen van vooraanstaande
architecten te noemen. J.J. Vriend in
De bouwkunst van ons land
heeft het gedaan. Maar het is wel moeilijk om er daaronder één te
noemen waarvan men zeggen kan: hij is in Berlagiaanse trant blíjven bouwen.
Berlage is tot 1897 leraar in de geschiedenis der bouwkunst aan de
Quellinus-school geweest. Maar een leraar, zelfs een hoogleraar maakt maar
zelden school. De Bazel, hoewel dertien jaar jonger, is een directe leerling
van Cuypers en stond van meet af aan zelfstandig naast Berlage. Kromhout,
maar acht jaar jonger dan Berlage, vertoont in zijn belangrijkste bouwwerk,
het American-hotel, wel sterke verwantschap met Berlage, maar tegelijk toch
een zeer eigen cachet. Men zou hem een flamboyante Berlage kunnen noemen,
indien men hier niet aan een wel parallelle, maar toch onafhankelijke
ontwikkeling moest denken, want met de bouw van het hotel is men al in 1898
begonnen. Van zijn directe leerlingen, als Staal, Kropholler en Rutgers, is
de belangrijkste, J.F. Staal, op den duur zijn eigen weg gegaan. J.J.P. Oud
verdedigde Berlage nog in 1916, toen over diens betekenis als bouwmeester
een enquête onder vakgenoten gehouden werd, maar een tiental jaren later
ging ook deze zijn eigenvondstige weg. De Klerk, P. Kramer en Van der Mey en
hun hele ‘Amsterdamse School’ hebben zelfs nooit iets van Berlage willen
weten. De enige, die nog het meest in Berlagiaanse trant is blijven
doorbouwen is A.J. Kropholler geweest. Wie niet weet, dat het van hem is,
maar het werk van Berlage kent, zou de Linnaeushof in Amsterdam voor een van
diens scheppingen kunnen houden.
Dan, ligt in deze partiële ontkenning van Berlages erflaterschap door zijn
| | | |

Het Mercatorplein te Amsterdam, gebouwd naar Berlages ontwerp.
De toren is inmiddels afgebroken. Lichtbeeldeninstituut, Amsterdam.
| | | | tijdgenoten en lateren, voor de historie niet tegelijk de
volledige erkenning daarvan opgesloten? Dat hij niet het hoogste heeft
kunnen bereiken, het was ook hem niet onbekend. Ook hierin was hij eerlijk -
en groot. Toen hij eens voor een Franse kathedraal stond, verzuchtte hij uit
de grond van zijn hart: ‘Wat 'n schooiers zijn wij toch.’ Dat zegt nog
weinig, maar hoe vaak zal hij op zijn reis naar Indië in '23, staande voor
de Hindoe-monumenten, of op die naar Rusland in '29 als hij de byzantijnse
koepelkerken zag, hetzelfde verzucht hebben en zou hij het ook niet gezegd
hebben, vóór de ruïnes van de tempel te Luxor, wanneer zijn lievelingsplan
om een reis naar Egypte te maken eens in vervulling was gegaan? Dat zegt al
meer. Maar toen hij als lid van de commissie het ontwerp voor een
Kunstenaarshuis ter beoordeling kreeg, ingezonden door zijn tegenstander De
Klerk, - slaakte hij, met een vuistslag op tafel, dezelfde verzuchting - en
hij sliep die nacht niet. Dat zegt veel. Want wanneer zich in de beperking
de meester toont, dan toont zich in de erkenning der eigen beperktheid de
mens. En mens te zijn is moeilijker dan meester te wezen.
Beperkt, zeker, en dat gelijkelijk als beperking en beperktheid begrepen,
maar tegelijk zo breed en zo ruim, dat wanneer Nederland sinds 1900 weer
genoemd wordt onder de eerste volken op bouwkunstig gebied, dat toch vooral
aan Berlage is te danken. Het gedenkboek, hem op
zijn zestigste aangeboden en de gedenksteen op zijn zeventigste in de Beurs
geplaatst, zijn daarvoor nog maar bescheiden huldeblijken. Berlage is geen
voorbeeld geweest, maar een stuwkracht. Hij is een leider geweest die zó
goed geleid heeft, dat hij reeds vóór zijn dood gemist kon worden. In die
woorden is zijn historische betekenis vastgelegd. Zij verklaren, dat hij
voorbijgestreefd werd, maar tevens dat er zonder hem niet of toch niet zó
intens gestreefd en derhalve zonder hem ook niet zóveel bereikt had kunnen
worden. Laatste en verzoenende tegenspraak in dit gezegend leven.
|
*De nummers achter
de bouwwerken van Berlage in dit opstel verwijgen naar de planten in J.
Gratama, dr. H.P. Berlage. 230 afbeeldingen met een
inleiding, 1925.
|
|