De Caraïbische jeugdboeken van Miep Diekmann


auteur: Wim Rutgers


bron: Wim Rutgers, De Caraïbische jeugdboeken van Miep Diekmann. Charuba / Leopold, Oranjestad / Den Haag 1984  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 161]

Dan ben je nergens meer

1975
160 bladzijden
twintig hoofdstukken zonder titel
opdracht: voor Matthieu
omslag door The Tjong Khing
geraadpleegd de tweede druk, 1979, Em. Querido's Uitgeverij b.v., Amsterdam
bekroond met de Nienke van Hichtum prijs van de Jan Campertstichting, 1975
voor de jeugd vanaf 15 jaar.



illustratie

[p. 163]

Vincent Douglass en Edmee zamelen geld in om Surinaamse en Antilliaanse mensen, die in Nederland wonen, in staat te stellen te repatriëren. Ze bellen aan bij de familie Ensing, van wie de oudste dochter Dory getrouwd is met Alexander Prescott, eigenaar van een plantage op Sint Musa in het Caraïbisch gebied, waar ze al zeven jaar woont. Mevrouw Ensing geeft tweehonderd gulden van haar spaargeld. De buurman, die geen ‘zwarte’ kan uitstaan, geeft ook flink wat geld, al kost het hem moeite. Maar hij is al die zwarte rijksgenoten graag kwijt.

Dochter Mickey, die negentien jaar is en uitgeloot werd voor de universiteit, heeft het oplichtersspelletje door, maar zwijgt en doet mee.

Mickey gaat naar Sint Musa om te kijken hoe zus Dory het maakt; Alexander betaalt haar reis. Vader zegt: ‘“Je gaat naar een andere wereld toe, kind. Ik bedoel niet West-Indië, ik bedoel ándere mensen, die gewend zijn om te reizen, die overal geweest zijn en geld is voor hen iets waar ze minachtend over doen omdat ze er toch zat van hebben.”’ (p. 29)

Via Luxemburg en Barbados gaat de reis naar Sint Musa. Mickey die zich thuis een hele piet voelt is nu helemaal niet op haar gemak: ‘Wat had ze feitelijk al die jaren op school geleerd? Dat reizen je blik verruimde. En hoe!’ (p. 32) Ook op Barbados tussen al die zwarte mensen voelt ze zich niet op haar gemak: ‘- Je bent blank, ze durven je niks te maken, hield ze zichzelf voor.’ (p. 47)

Vincent blijkt ook in hetzelfde vliegtuig te zitten, waarschijnlijk van het geld dat hij met zijn oplichterijen bij elkaar heeft gekregen, op weg naar zijn oom; het laatste gedeelte reizen ze samen.

Bij de douane wordt Mickey getreiterd met formaliteiten, en ze wordt boos, maar Vincent helpt. Daarna ontbijten ze samen in de Cobblestone Inn, waar Alexander haar ophaalt en naar de plantage brengt; ze is doodmoe: ‘Mickey's hoofd gleed opzij. Voorzichtig trok Alexander haar tegen

[p. 164]

zich aan zodat ze in de vele scherpe bochten niet heen en weer zou slingeren. Zo nu en dan keek hij even in haar jonge gezicht, bezweet, met sporen van gedroogde tranen. Arme Dory, die had zich zoveel voorgesteld van Mickey's bezoek: jonge mensen uit Holland, wat die niet allemaal overhoop haalden! Acties, weg met verouderde patronen... de buitenlandse kranten stonden er vol van. - Moest je dat hoopje ellende hier zien zitten! Wat wist die nu nog helemaal? Vast niet meer dan Dory toen die hier voor het eerst kwam: dat Zwarte Piet een roe had en een zak. Beslist niet de vrolijkste voorstelling in een kinderleven.’ (p. 65)

Mickey vindt het erg moeilijk zich aan te passen, er is veel wat ze niet begrijpt, bijvoorbeeld op de ‘party’ die voor haar gegeven wordt. Er komen allerlei typen: Leon, de multimiljonair die de Engelse welvaart ontvlucht is; Linzee, de altijd dronken Amerikaanse schilder; Uncle, die minister is van Gezondheid en Sociale Zaken. Zij staat er buiten: ‘Mickey, je bent negentien. Nog nooit in je leven heb je ene moer meegemaakt. Altijd heb je je groot gehouden, flink meisje op school, wild meegedanst op feestjes in Holland, eens een stickie gerookt en gekotst. Nog nooit een echt vriendje, je hebt nog nooit een jongen of een man helemaal bloot gezien... en hier doen ze alsof je een vamp bent. Ze denken dat je alles weet, alles gewoon vindt.’ (p. 76)

Tijdens de laatste verkiezingscampagne heeft Vincent gezegd dat je van de limonade, die Uncle verkoopt, kinderen met ‘goed haar’ krijgt. Uncle is inderdaad gekozen, maar daarna komen de moeilijkheden natuurlijk. Intussen heeft Vince in werkelijkheid fluor in de limonade gedaan omdat de mensen zulke slechte gebitten hebben. Vincent heeft gezworen dat ‘zwart op wit’ het beste middel is om het rassenvraagstuk op te lossen: ‘“Meer kinderen maken, zwart op wit. Mixen, jongens! De Hollanders geven het hun eigen kinderen: zwart op wit - het snoepgoed van de eeuw, net zoveel tot er geen zwart en blank meer is...”’ (p. 81) ‘“Iedere blanke vrouwelijke toerist die ik hier pakken kan, zal ik pakken. En de meesten vragen er nog om vanwege de kick. Die kunnen ze krijgen als ze straks een half-om-half baby hebben. Misschien dat het dan eindelijk tot hen doordringt hoe het is om niet-blank te zijn. Omdat jullie met al je politieke, kille gezwam, je corruptie, je schijnheiligheid van “we discrimineren niet” geen stap verder komen, zal Vince Douglass het met zijn eenmansguerilla eens laten zien.”’ (p. 82)

Roy, de zoon van Marian, de hulp van de Prescotts, is leider van de marxistische-leninistische ‘revolutie’. Hij leidt kleine kinderen op tot ge-

[p. 165]

wapende acties als het gooien van stenen, onder het mom van ‘held van de revolutie’ spelen. Ze maken ook echte wegversperringen trouwens en gooien echt stenen naar mensen, waarover later de wildste geruchten gaan.

Een aantal van Vincents vrienden uit Nederland is naar Sint Musa gekomen en noemt zich het Racing Team Holland. Samen stoken ze de bevolking op tegen Uncle, die peetoom zal worden van alle ‘limonade kinderen’.

Dan is er nog de Black Power groep van Negen Vingers, die zich Malcolm noemt en in drugs handelt, meisjes versiert en in een grote auto rijdt. Maar nu belegert hij Alexanders plantage om de stenen die gegooid zijn naar onschuldigen te wreken; in werkelijkheid om van daaruit drugs te kunnen smokkelen.

Hans Wiegers is de zendeling/evangelist die door Dory met geld geholpen wordt als de bank en het gouvernement hem tegenwerken met zijn ontwikkelingsproject.

Het begint ‘spannend’ te worden op het eiland, met al deze belangengroeperingen door elkaar. Als de kinderen van Roy's bende een oude man met een steen gooiden gaan er de wildste geruchten en loopt de plantage van Alexander reëel gevaar. Mickey wordt naar de Cobblestone Inn gestuurd om er een nachtje te logeren en zo uit de gevaarlijke buurt te zijn. Vince zoekt haar 's avonds op in haar hotelkamer, waar ze met elkaar naar bed gaan. Ze heeft net van te voren voor het eerst ‘de pil’ genomen.

Uncle laat zijn eigen kantoor in brand steken om alle belastende papieren kwijt te raken en slachtoffer van acties te lijken, na het protest door de ‘limonade moeders’ onder leiding van Vince en zijn team.

Het wordt nu echt spannend. Vince brengt Mickey terug naar de plantage, die ze met de boot van Leon van de zeekant ongemerkt kunnen naderen. Negen Vingers doet een ‘aanval’ en doodt het hondje van dochter Suzy! Dat is de hele revolutionaire heldendaad!

Mickey gaat na een week terug naar Nederland en komt op de universiteit, waar ze zich via praatgroepen en dergelijke inzet voor de Derde Wereld.

 

In het interview met Fred de Swert zegt Miep Diekmann: ‘Ik heb dit boek op nijd geschreven... op grond van de enorme discriminatie die boven

[p. 166]

kwam bij de toevloed van Surinamers naar Nederland. Toen pas kon je pas goed merken wat er van waar is dat ons volk zegt: “Wij discrimineren niet.” Dit boek werd in 3 weken tijd geschreven. Op nijd.’ Die drie weken waren in november 1974; het boek kwam uit in mei 1975.

Het verhaal speelt in deze zelfde tijd, getuige de krantekoppen die Dory leest: ‘Nederland wil rijksgenoten kwijt; Discriminatie rijksgenoten neemt toe; Suriname bang voor onafhankelijkheid?; Wil de laatste Surinamer, die het vliegveld Zanderij verlaat, het licht uitdoen?; Beloofde land, Nederland...’ (p. 130) Wie de moeite neemt in het archief te duiken zal de data er zelfs bij kunnen zoeken.

Mickey is uitgeloot voor de universiteit, maar dat is al een tijdje geleden. Het levert namelijk de nodige spanningen op in het gezin Ensing. Dan komen de geestelijke Lass (Vincent) en zuster Edmee geld inzamelen; diezelfde avond valt het besluit dat Mickey naar zus Dory zal gaan. In welke tijd van het jaar dat is, wordt niet genoemd. Daarna maken we een sprong in de tijd want Mickey is al op weg. Er moet heel wat tijd tussen zitten door de voorbereidingen voor de door Alexander betaalde reis, waarvan ik denk dat ze in de zomer plaatsvindt, getuige de vakantiegangers op het vliegveld van Luxemburg en de hitte. De reis en aankomst worden uitvoerig beschreven, daarna springen we een maand verder. Daar vinden we in flash back de zeer uitgebreid vertelde feestavond. Een volgende sprong in de tijd volgt daarna. Het is nog geen orkaantijd, al regent het wel (juni/juli), wanneer de politieke gebeurtenissen tot een climax komen. Dat is een kwestie van een dag en een nacht, een zeer kort tijdsverloop. Daarna wordt Mickey een week later op het vliegtuig gezet en zit ze in het laatste hoofdstuk wél op de universiteit.

Van het gebeuren worden de hoogtepunten: de collecte in Nederland en de reisplannen van Mickey; de reis zelf en de aankomst; het feest; de politieke verwikkelingen heel uitvoerig verteld. De tussenliggende perioden worden in een enorme tijdversnelling (nagenoeg) overgeslagen. Door deze tijdsbehandeling valt de nadruk geheel op de hoofdzaken en wordt de lezer met een enorme vaart van de ene naar de andere gebeurtenis voortgestuwd.

 

De ruimte is in het begin Nederland, later Sint Musa en tenslotte weer even Nederland. Deze tweedeling is functioneel; vergelijk bijvoorbeeld de voorstellingen die de Caraïbische mensen zich maken van Europa en de voorstelling die de Nederlander heeft over een tropisch Caraïbisch

[p. 167]

eiland: ‘Als je zwarte mensen eeuwenlang hebt geleerd dat alleen blanken de beste manier van leven hebben, het beste land, het beste geloof, de beste taal, de beste manieren... wat gaat die zwarte mens dan doen? Hij probeert dat ook te bereiken, want pas dan zal de blanke tevreden over hem zijn, zo is hem geleerd. En wanneer hij die blanke manieren kent - denkt hij -, en de taal, en hij heeft op zijn Westindische school meer geleerd over dat blanke land dan over zijn eigen land, dan wil hij het met eigen ogen zien. Om later thuis te vertellen dat dat paradijs echt bestaat. Dat het allemaal waar is wat de blanken hem en zijn ouders en grootouders voorgehouden hebben. Hij is dáárom in de eerste plaats naar Nederland gekomen.’ (p. 15) En van de andere kant: ‘... al die verhalen van wilde feestjes en zeiltochten en alles een hemel op aarde...’ (p. 26)

Daar staat de werkelijkheid tegenover, die heel wat minder rooskleurig is. ‘Maar wat hij hier vindt is geen paradijs, ja, twintig jaar geleden misschien nog wel. Maar nu? En schrijft hij naar huis hoe alleen hij zich hier voelt, hoe koud van buiten en van binnen? Dat hij geen kamer kan vinden en blij is als hij in het overvolle huis van zijn zwarte broeders wordt opgenomen? Nee, dat kán hij niet schrijven...’ (p. 15) Hij vertelt niets van alle moeilijkheden met wonen, werken, het klimaat, de mensen... En de romantische voorstelling van Mickey valt ook aan diggelen, nu ze aan den lijve leert ervaren wat de Caraïbische mens in Europa ervaart: een kwetsbare minderheidsgroep te zijn.

Alleen wie er niet geweest is, de moeder bijvoorbeeld, houdt haar oude romantische fantasie. Ze weet bij wijze van spreken precies hoe ze op Sint Musa zou moeten rijden; ze kent er de kaart, maar van de werkelijke situatie weet ze niets, ook niet na de verhalen(?) van Mickey, getuige het slot.

Er wordt weinig verteld over de ruimte. We vinden geen uitvoerige beschrijvingen van de hoofdstad, de wegen, de plantage, de baaien. De verteller heeft dit vermeden; alle aandacht is op het gebeuren geconcentreerd in het dreigende/bedreigde paradijs, dat we via Mickey leren kennen. Sint Musa is letterlijk en figuurlijk een vulkaan...

 

Mickey Ensing, negentien jaar oud, met een middelbare-schooldiploma op zak, is uitgeloot voor de universiteit. Volgens haar verbitterde, gehandicapte vader omdat ze uit een arbeidersgezin komt. Op school en thuis lijkt ze een hele piet, maar buiten haar eigen vertrouwde omgeving ‘is ze

[p. 168]

nergens meer’. Ze verzet zich wel tegen de bekrompenheid van de moeder, maar weet haar eigen beperkingen in deze nog niet. Die leert ze in een ‘spoedcursus’ als ze met vakantie naar haar zus gaat. Ze wordt daar ‘vrouw’ doordat ze voor het eerst met een man (Vince) naar bed gaat. Ze moet in korte tijd ervaren dat politieke theorie en praktijk nog wel eens kunnen verschillen. In tegenstelling tot wat in andere boeken gebeurt, maakt Mickey niet zo duidelijk een geestelijke ontwikkeling door: ze valt aan het eind terug in het Nederlandse patroon van leven, waar de acties voor de Derde Wereld in passen. In de vorige boeken was de hoofdfiguur vaak de held, hier is ze het slachtoffer.

Haar zus Dory is het ouderlijk milieu ontvlucht. Ze ging in een hotel werken, volgde 's avonds een cursus, kreeg een baan als secretaresse en trouwde met Alexander Prescott, een rijke Engelse plantage-eigenaar in het Caraïbisch gebied. Ze leidt nu niet het makkelijke leventje dat mogelijk zou zijn voor haar, maar is sociaal zeer actief; ze zet zich in als propagandiste voor de family-planning.

De figuren staan over het algemeen voor bepaalde categorieën van mensen: de racistische buurman; de idealist Hans Wiegers; de goedige Scotty; de mistige V.N.-beambte Donald Patkinson; Desi-go-crazy de eenvoudige dorpsgek die misschien toch zo gek nog niet is; de joviale minister Uncle als voorbeeld van een handige Caraïbische politicus...

Vincent is de intellectueel die gebruik maakt van de zwakheden van zijn tegenstanders en probeert politiek bewustzijn te kweken. Hij propageert de zelfbewustwording van de zwarte; de mixing van de rassen (biologisch òf mentaal) vindt hij dé oplossing voor de raciaal-economische problemen.

Linzee de schilder, Leon de armzalige zielige miljonair zijn de geslagenen in het leven die uiteindelijk een soort haven hebben waar ze echter toch niet thuishoren. Ze zijn nergens en overal thuis in de wereld.

Roy is het revolutionaire warhoofd die slechts geleerde theorie omzet in een miserabele praktijk, waar hij slechts bij kleine kinderen succes mee heeft. De bende van Negen Vingers tenslotte is enkel uit op kapitalistische winst door middel van drughandel, en terroriseert daarbij ieder die zich op hun weg bevindt met zogenaamd politieke leuzen.

De figuren, scherp neergezet, zijn slachtoffers van de felle pen van de verteller, die weinig medelijden met hen heeft. Dat maakt dit tot een hard boek, wat ook in de visie op het gebeuren via de motieven blijkt.

[p. 169]

De politieke revolutie is een operette met helaas ernstige gevolgen. Een klein kind gooit een oude man met een steen, wat het eiland op zijn grondvesten doet schudden: ‘“Wij eisen een verklaring en de namen van alle blanke varkens, die in een laatste stuiptrekking hier de revolutie begonnen zijn met het afslachten van Scotty.”’ (p. 128) De bende van Negen Vingers doodt het kleine hondje van Suzy, als revolutionaire daad: ‘“Ze sturen hun honden op ons af, zoals ze in de slaventijd hun honden op ons afstuurden.”’ (p. 158)

Maar kinderen, warhoofden en gangsters kunnen de politieke situatie zeer labiel maken. De mensen die wél voor hun eiland willen werken en vechten brengen ze in moeilijkheden, anderen verkopen hun gronden, de toeristen blijven weg of vluchten, de werkloosheid stijgt. De blanke Engelsman Prescott en de zwarte minister Uncle van Sint Musa moeten allebei hun bezittingen zelf in brand steken om erger voor zichzelf te voorkomen. Kinderen maken de revolutie, die op haar beurt haar eigen kinderen verslindt.

Het hoofdmotief is discriminatie, die we in Nederland tegenkomen én op Sint Musa. De verteller laat zien dat discriminatie niet typisch een blanke eigenschap is. De woede waarmee het boek geschreven is werkt naar twee kanten. De eerste twee hoofdstukken gaan over de Nederlandse discriminatie ten opzichte van de gekleurde Surinamer, Nederlands-Antilliaan, buitenlandse werknemer en alles wat maar niet-Nederlands is. Als op de eerste bladzijde Vincent en Edmee op de straat alleen maar gezíen worden door twee vrouwen oordelen deze over de ‘priester’ en de ‘verpleegster’: ‘... daar heb je er weer twee, twee van die zwarten... aanranders, moordenaars, messetrekkers, pooiers... de enige weg die ze hier in Holland kennen is naar de Bijstand...’ (p. 7)

In dit ene zinnetje is de hele rij van Nederlandse vooroordelen in één keer opgesomd. Ook buurman denkt meteen aan wapens en messen, maar het hele vooroordelen-patroon wordt direct daarna door Vincent tegen hemzelf gebruikt om hem op te lichten: ‘“Wat denkt u, als we allemaal hier weg zijn? Dan betaalt u bijna geen belasting meer. Al die luie, zwarte aanranders uit de w.w., geen AOW meer voor die lui, geen kinderbijslag, geen huizen, geen clubs, en in de gevangenissen komt dan veel meer ruimte voor Nederlandse aanranders en moordenaars. Wat u dát een geld spaart.!“’ (p. 18)

Maar er zijn ook meer verborgen vormen: de flat van de Ensings is gelukkig ‘nog keurig netjes’; Mickey is op het vliegveld van Barbados

[p. 170]

echt bang voor al die donkere mensen en de eerste blanke die ze ziet spreekt ze aan. Op de zo uitvoerig vertelde reis maakt Mickey ook weer kennis met discriminatie: de overvracht van de familie uit Marie Galante is nog folkloristisch van aard, het doorverkopen van gestolen goederen aan een zwarte jongen is al minder onschuldig. De superioriteitsgevoelens van blanke reizigers is kwetsend: ‘Hier en daar één enkele zeer bekakte Engelse stem - alsof die extra moeite deed een duidelijke afstand te scheppen “tot al dat bruine volk dat maar vloog vandaag de dag alsof het niks kostte”. Mickey kromp in elkaar toen ze die opmerking hoorde. Het was me de beschaving wel!’ (p. 43)

Mickey registreert dit soort opmerkingen, ergert zich eraan, wil wel anders, maar is zelf toch ook een produkt van omgeving en opvoeding.

Linzee scheldt op alles wat zwart is, maar dat is niet gemeend. Hij vertegenwoordigt zo een wat oudere generatie blanken die het beste met de bevolking voorheeft en niet beseft dat ze eigenlijk grof is. Men geeft Linzee van hetzelfde laken een pak en ontziet hem omdat hij de Tweede Wereldoorlog, Korea en Vietnam heeft meegemaakt en tenonder gaat aan menselijke ellende.

Vincent vindt dat ‘als Hollanders niet discimineren, barsten ze wel van de schuldcomplexen’; hij wil daarom met zijn zwart-op-wit-programma een einde maken aan de rasverschillen of althans de blanke vrouw, die een lekkere kick wil krijgen van een zwarte man, aan den lijve laten ervaren wat het is om niet blank te zijn (in casu via het bruine kind waarover gezegd wordt dat het nergens zal kunnen leven in vrede). Tegelijkertijd bedoelt hij zijn programma eigenlijk figuurlijk als hij woedend uitroept: ‘“Die stomme idioten. Ze denken dat ik het letterlijk meen. Niemand die het snapt. Ze kunnen doodvallen.”’ (p. 82)

Zoals Hollandse mannen de gekleurde vrouwen naroepen met discriminerende opmerkingen, zo wordt Mickey nageroepen door de mannen van Sint Musa. Zij ondervindt wat de gekleurde vrouw ondervindt in Nederland.

De oude Westindische aristocratie is bijzonder grof maar wordt even grof terugbetaald.

Rijke buitenlanders komen op Sint Musa met prachtige ideologieën: ‘Bij elkaar liep hier voor miljoenen rond, rijke stinkerds met de schurft aan belasting-betalen in hun eigen land. Ze hadden dure bungalows laten bouwen op het eiland en heel kien een bedrijfje voor een handjevol lokale arbeiders opgezet, zodat ze tien jaar belastingvakantie kregen. “Ik

[p. 171]

geef mijn geld liever uit aan de ontwikkeling van de eilandbevolking,” beweerden ze. Maar hun dienstmeisjes betaalden ze niet meer dan zo'n vijftig, zestig gulden per maand. “Ik moet Marian stiekem haar extraatjes geven,” had Dory eens verteld, “wanneer ze daar achter komen ben ik een “sociale-onrustzaaier”!”’ (p. 72)

Veel eilandbewoners hebben hun stukje grond verkocht aan de buitenlanders en zitten nu zonder middelen van bestaan; ze worden door hun onwetendheid uitgebuit.

Alexander en Dory doen aan deze praktijken niet mee, maar ze zijn een uitzondering. Ze lijden wel onder dit gedrag van het merendeel der blanken.

Op Sint Musa terroriseert de zwarte meerderheid nu de blanke minderheid door bezittingen te vernielen, eigendommen af te nemen, de mensen van het eiland af te zetten of onschuldig als een douaneambtenaar ‘alleen maar zijn plicht te doen’. Blanken laten zich vernederen en zijn bang: ‘Heel de blanke kliek durft alleen nog maar te dénken: ‘Ja meneer, nee meneer, zo had ik het niet bedoeld. Nee meneer, het kan me helemaal niets schelen dat iemand ineens mijn glas leegdrinkt en me dan zo zit te sarren dat mijn handen jeuken. Drinkt u gerust nog een glas van me. Wat zal het zijn? Nee, meneer, mij stoort het niet dat een zwarte jongen mijn glas leegdrinkt in de hoop dat ik hem op zijn bek zal slaan. Dan heeft hij een pracht motief om me met een barkruk af te tuigen. Drinkt u toch iets van me! Per slot zijn wij maar gasten op uw eiland en hebben we ons dus maar te onderwerpen aan uw grillen. Gasten die hier al twintig, dertig jaar wonen. Maar ja, ik had het kunnen weten. Waarom zetten ze anders de laatste jaren in de toeristenfolders dat ene zinnetje erbij: dit eiland is alom bekend door de vriendelijkheid van haar bevolking.’ (p. 97)

Dory vecht tegen deze mentaliteit: ‘... maar ik ben niet van plan om me te laten terroriseren, niet door een blanke, en niet door een zwarte...’ (p. 97) Zoals ook de zwarte dienstbode Marian zich niet laat voorschrijven door haar zoon Roy, voor wie ze wél of níet zal werken.

De andere kant van de medaille vinden we in Nederland: ‘Daarom zit hij... zonder baas, omdat hij op zijn werk de opdrachten niet begreep. Omdat hij niet om uitleg vragen durft - negers zijn immers altijd stom? Misschien laten ze hem nog een maand de vloeren vegen. Maar de opleiding die hem beloofd is, komt nooit.’ (p. 16) De niet-blanke wordt altijd uitgebuit, of hij nu in Europa zit of in het Caraïbisch gebied.

Vincent drukt aan het einde de wederzijdse discriminatie van de min-

[p. 172]

derheid door de meerderheid duidelijk en uitvoerig uit: ‘“Wat er met jou hier gebeurt, wat er met Dory en Alex gebeurt, dat gebeurt met onze mensen in jullie land. Niemand ziet je goede moed, je verlangen naar een beter bestaan. Je bent niet welkom en dan trek je vanzelf op elkaar. Dat heet dan “gevaarlijke samenscholing”. Een jongetje hoeft maar per ongeluk een steen te gooien, en iedereen roept: zie je wel, zo zijn ze allemaal. Zelf hebben ze niet in de gaten waarom ze er altijd maar op hameren dat wij alleen goed zijn voor de seks, als pooiers, als luie verrekkelingen die liever dansen en de pias uithangen dan serieus aan een toekomst te bouwen. Natuurlijk hebben ze dat niet in de gaten. Want pooiers, flierefluiters, de kantjes-eraf-lopers, armoedzaaiers, en driftige messetrekkers zijn nog altijd niet zo'n bedreiging als een goed georganiseerde groep met revolutionaire ideeën en hersens. Daarom, Mickey, daarom houden ze dat fabeltje in stand, dat we zo zielig zijn, dat we het onderling niet kunnen vinden, dat we niks presteren... alleen maar om ons vleugellam te maken.”’ (p. 156)

Dit lange citaat geeft de hoofdgedachte van het boek aan. De mensen móeten dit leren, wat Vince zegt, anders zijn ze nergens meer... Mickey weet het nu, maar de gemiddelde Nederlander weet het niet, omdat de kennis ontbreekt: ‘De West staat altijd achter in de schoolboeken, liefst in kleine lettertjes. Die mogen de kinderen overslaan. Vooral tegen het eind van het schooljaar, dan hebben de meesters het toch te druk met vergaderen en cijfers geven. Laat maar zitten, die hele West!’ (p. 13)

Bepaalde Nederlandse groeperingen zouden volgens de verteller best iets kunnen leren van het Caraïbisch gebied. De evangelist Wiegers bladert in Vrij Nederland: ‘“Daar aan de overkant verandert ook weinig. Nog steeds Dolle Mina. Laten ze hier eens komen kijken. Iedere vrouw geëmancipeerd, iedere vrouw moet wel werken, willen haar werkloze kinderen niet creperen. Iedere vrouw is seksueel geëmancipeerd en heeft kinderen van verschillende mannen zonder getrouwd te zijn. En zie eens hoe heerlijk bevrijd ze zijn! Ook van hun bh, want daar hebben ze geen geld voor.’ (p. 108)

Zo zit dit boek vol opmerkingen als een politiek pamflet, maar omdat al deze zaken beschreven worden vanuit Mickey is het niet storend voor de gang van het verhaal. Daar zit integendeel een overrompelende vaart in. Het procédé daartoe heb ik hierboven al uitgelegd.

Dit boek zit vol verwijzingen naar buiten toe, zo vol innerlijke samenhang dat het alleen aan het enorme technisch kunnen te danken is dat het

[p. 173]

niet uit elkaar spat in een aantal losse flodders, maar integendeel alle onderdelen hecht verweven zijn.

De verteller werkt met een vergrootglas door de verschillende motieven zo dik aan te zetten dat zelfs een bijna blinde de discriminatie van een ander er in zal ontdekken. En die van hemzelf?

De verbindingen van de motieven als politiek en ras (de limonade van Uncle) en ras en revolutie (‘Laat de blanken voorop lopen in een betoging, dan durft de politie niet zo gauw te schieten’ is een steek in twee richtingen!) maakt van de gebeurtenissen een hechte eenheid.

Dory en Alexander houden met moeite stand; Marian moet haar positie verdedigen tegen haar eigen zoon die op haar werk schijt; Suzy's hondje (haar liefste bezit) wordt gedood; Mickey's vakantie wordt min of meer bedorven; Linzee is een menselijk wrak door oorlogen; Leon is ongelukkig door de politieke ideeën van zijn eigen kinderen; Hans Wiegers' idealen worden door de politiek tegengewerkt. In al deze voorbeelden zien we de strijd van individuen tegen een systeem, waarbij het laatste wint.

Uiteindelijk laat dit boek in zijn veelheid van feiten en gebeurtenissen zien hoe het individu, wil hij zijn individualiteit bewaren, voortdurend dreigt opgeofferd te worden aan het systeem. De integere valt dat bijzonder moeilijk of hij verliest; de jonge intellectueel (Vincent) redt het min of meer omdat hij geen ruimte geeft aan individuele gevoelens (zowel Edmee als Mickey laat hij zonder meer vallen); de gehaaide politicus redt het ook niet meer (Uncle moet zijn eigen zaak in brand steken).

‘Zalig zijn de eenvoudigen van geest’, die via werkgroepen, actiegroepen, bladen en blaadjes en hoognodige voordrachten (p. 159) zich inzetten voor de Derde Wereld, of slechts verzuchten: ‘We leven toch in een geweldige tijd, dat dat allemaal maar kan.’ (de slotzin, gedachte van de kortzichtige, onbegrijpende moeder). Deze algemene abstracte leer is veilig, want ze heeft geen consequenties voor je persoonlijke leven. Een wrange conclusie!

 

In interviews heeft Miep Diekmann uitvoerig gepraat over Dan ben je nergens meer. Fred de Swert wijdde er in Refleks zelfs acht pagina's aan! ‘Als je mijn boeken op een rijtje legt, zie je dat ik iedere keer weer een stukje verder ga met mijn informatie. Ik heb in Dan ben je nergens meer de verschillende soorten binnen de zwarte gemeenschap laten zien: Vince

[p. 174]

en de studenten van het Racing Team Holland; Uncle, die ontstellende oplichter; dan Negen Vingers, de man van Black Power die gewoon ook een doordraaier is. En dan de jongen die ik de mooiste figuur vind: Roy. Hij roept: “Ik ben de leider van de revolutie”, maar in feite staat hij met zijn rug tegen de muur. Dat komt in geen van mijn andere boeken voor, die opsplitsing. Daar wordt blanke Mickey mee geconfronteerd, terwijl ze het vroeger allemaal maar op één hoop gooide.

Toen dat boek uitkwam in 1975 zou de schrijver-criticus Fred de Swert het voor de VARA-radio bespreken, waarna het uitgedeeld zou worden aan luisteraars in een bepaalde plaats, in dit geval had men Spijkenisse gekozen. Daar was net in de gemeenteraad besloten dat er geen Surinamers binnen mochten. De dominee had de zondag ervoor gesproken over Zeeland dat bezocht was door diverse rampen: de inundatie in de Tweede Wereldoorlog, de watersnood van 1953, en nu de komst van de Surinamers... Toen hebben ze dat boek daar maar niet uitgedeeld...

Het op woede schrijven is niet dat ik het te vlug geschreven heb, want ik had het materiaal al sinds ik in 1972 op Sint Vincent was. Ik heb dat eiland Sint Musa genoemd, omdat ik vond dat die politieke toestanden niet alleen maar op Sint Vincent zo zijn. Ik zou de mensen daar onrecht aandoen. We hebben geen Surinaams probleem, we hebben geen Antilliaans probleem, het is een Caraïbisch probleem. De problematieken zijn gelijk: arm en rijk, corruptie in de regering...’

Het discriminatieprobleem wordt inderdaad veralgemeend door het naar Nederland, de Antillen en Suriname toe te trekken en het tegelijkertijd op de veilige objectieve afstand van een Engels eilandje te laten plaatsvinden. Discriminatie is een algemeen probleem waarvan Nederland niet uitgezonderd is. Dat wordt fel weergegeven in het begin van het boek.

Sint Musa heeft banden met Nederland, de Nederlandse Antillen en Suriname, al was het maar door de Nederlandse Dory die Vrij Nederland leest en pinda's eet uit een Amstel-bierflesje.

Vince met zijn vader van Sint Musa en zijn Surinaamse grootvader is om de een of andere niet genoemde reden in Nederland economie gaan studeren. Het Racing Team Holland helpt Vince met zijn ideologische bestrijding van Uncle. Zo wordt het Britse probleem binnen Nederlands perspectief gebracht.

Hans Wiegers is een Nederlandse evangelist wiens broer in Suriname gewerkt heeft: ‘Weet je dat ze zijn broer jaren geleden Suriname uitgezet

[p. 175]

hebben? De aanklacht was dat hij een gevaar was voor de volksgezondheid met zijn handoplegging. Dat bracht bacteriën over!’ (p. 108) Hans zelf zegt: ‘“We hebben op de Antillen gezeten, daarvoor in Frans Guyana, Trinidad en Suriname. Wij worden ook overgeplaatst. Het maakt praktisch geen verschil: overal in dit gebied blijft de mensen weinig anders in hun misère over dan het gebed.”’ (p. 107/108)

De moeilijkheden die Wiegers in het Caraïbisch gebied ontmoet hebben hun tegenhanger in Europa. Als aan het eind de plantage van de Prescotts belegerd wordt door de bende van Negen Vingers lezen Dory en Alexander hun Nederlandse en Engelse krant. Beiden lezen over discriminatie in respectievelijk Nederland en Engeland. ‘Nederland wil rijksgenoten kwijt. Discriminatie rijksgenoten neemt toe... De partij in Engeland, die de Westindiërs en de Aziaten het land uit wil hebben, heeft met de verkiezingen weer meer zetels gewonnen... Zaten ze niet in hetzelfde schuitje: de rijksgenoten in Nederland, zìj hier?’ (p. 130)

Evenals in vorig werk wordt hier de te kritiseren toestand niet eenzijdig benaderd maar van twee kanten bekeken. Miep Diekmann: ‘Ik vind niet iemand lief en best en aardig omdat hij toevallig zwart is. Ik heb het over ménsen en daar zijn aardigen en daar zijn rotzakken onder. Nou, mag ik daar alsjeblieft over schrijven? Dat vind ik de enige vorm van niet discrimineren.’

Deze eerlijkheid betrekt Miep Diekmann ook op zichzelf in de analyse van de echte gevoelens van haar hoofdpersonen. ‘Wanneer ik schrijf: als de zwarten een demonstratie houden, zetten ze de blanken wel voorin, want dan schiet de politie niet zo gauw, - dan is dat natuurlijk een keihard statement. Maar het ís zo, en daarmee stel ik me ook heel kwetsbaar op naar de zwarte groepering toe. Maar het is toch een eerlijkheid die je moet hebben naar je lezers toe. Dat zit ook in De dagen van Olim bij die aanrandingsscène, de verkrachting door Frank Lang. Toen het gebeurde dacht ik: dat hij het Aura, ons dienstmeisje, flikt is tot daar aan toe. Maar dat hij het mij lapt... Toen ik het later beschreef dacht ik: moet dit erin? Ik heb een uur om die scène heen lopen draaien, maar ik heb hem erin gezet. En dat hoefde niet, want niemand controleert mijn gedachten! Als ik het eruit laat, merkt niemand het. Maar ik wil niet tegenover een zwarte groepering gaan slijmen.’

Vincent zegt: ‘“Het is nog altijd zo dat het woord van een blanke meer telt dan dat van ons. Op een eiland, godverdomme, waar amper één procent blanken woont.”’ (p. 139)

[p. 176]

Eerlijkheid en werkelijkheid. In hoeverre gaat dit boek over de realiteit, zoals het andere werk? Op bladzijde 142 staat: ‘Verbijsterd keek Mickey om zich heen. Dit kón niet echt zijn. Als ze dat in Holland vertelde zouden ze haar voor gek verslijten.’

Miep Diekmann heeft de ervaringen van haar reis in 1972 naar Sint Vincent verwerkt: ‘Je mag niet vergeten, deze figuren bestaan. Ik heb ze gekend. Zoals bijv. die Desi-go-crazy. We zaten 's avonds op een bruggetje. We gaven hem “a dollar for a drink”. Dan ramde hij het hele eiland wakker. De politie stond erbij in d'r hoge schoenen. Alexander heb ik ontmoet, Suzy eveneens. Zelfs het hondje is echt - de kinderen waren er dol op. Ook Roy. Ook het kamermeisje in het hotel, waar ik logeerde, die me verzorgde toen ik ziek was. Terwijl ze van het hotelpersoneel op d'r flikker kreeg, want “je hoorde niet voor een blanke te zorgen”. Die Nederlandse zendeling, Hans, zit op 't ogenblik op Curaçao. Het zijn allemaal bestaande mensen en dialogen.’ (Refleks, p. 30)

Miep Diekmann vertelt dat op een lezing een student tegen haar zei: ‘“Jij zegt altijd over de werkelijkheid te schrijven, maar dit boek is toch zeker fantasie?” Toen stond een Surinaamse student op, wees naar zijn voorhoofd en zei: “Het is honderdmaal erger en ze zullen het nooit begrijpen...” Dat is de machteloosheid bij het overbrengen; als ik het nog sterker maak wordt het een belediging voor de groep die ik beschrijf...

Die scène met Roy die letterlijk schijt heeft aan het werk van zijn moeder voor de blanken in haar dienstbetrekking... Dat wist ik van Surinamers, dat dit gebeurde. Dat wist bijna niemand, maar ze doen het...’

En de bedelactie aan het begin? Fred Budike schrijft in Surinamers naar Nederland, de migratie van 1687 - 1982: ‘Een andere organisatie zette Hindostaanse jongeren aan tot bedelacties. Armoedig gekleed werden zij in dorpjes afgezet, waarna zij huis aan huis geld moesten vragen onder het mom dat zij uit Bangla Desh kwamen en geld voor hun arme familie aldaar wilden opsturen.’ (p. 85)

Mickey die aanvankelijk alles op één hoop gooide, krijgt een spoedcursus in het onderscheiden van verschillende groepen niet-blanken, waarbij ze doordat ze het élan van de jeugd heeft toch systeem-doorbrekend werkt.

Het gaat hier om een dubbel-effect, n.l. ook naar de Antilliaanse lezers toe. Een niet-blanke realiseert zich vaak niet dat een blanke echt een primitieve angst voor hem kan hebben, en dat juist die angst de drijfveer voor zijn discriminerende daden kan zijn.

[p. 177]

Mickey's aanvankelijke angst voor alles wat niet-blank is op het vliegveld van Barbados, is aan het eind weg. Als ze met het Racing Team Holland in de donkere avond wegrijdt, vraagt ze waar ze naar toe gaan: ‘“Vragen is er niet bij. Wíj hebben ook nooit mogen vragen, alleen antwoord gegeven wanneer je iets gevraagd wordt.”’ (p. 146) En even later: ‘“Ja, Vince, vertel het nu maar. Anders blijft ze denken dat ze door vijf zwarte kerels ontvoerd en straks verkracht gaat worden.” De chauffeur lachte honend. “Wat moet ze anders denken dan wat ze dagelijks in de Hollandse kranten lezen kan? Val je nog niet flauw van onze stank, zus?” Allemaal lachten ze, weer een bocht... een tegenligger rakelings... ffwoett... maar die paar seconden waren genoeg voor Mickey geweest om van bang pisnijdig te worden. Zo, dachten ze dat ze bang was? “Ik ben je zus niet,” riep ze boven het lawaai van de automotor uit. “Zeg dan eens tegen die scheldende Hollandse kerels dat onze Westindische meisjes hun kaneelstok niet zijn, wil je?” riep er eentje van de voorbank terug. “Waar hebben jullie het over?” vroeg Roy verongelijkt en beledigd omdat ze Nederlands spraken. In een impuls begon Mickey het te vertalen in haar beste Engels, alleen op het woord kaneelstok kon ze niet komen. “Hey,” ze porde iemand op de voorbank aan, “wat is kaneelstok in het Engels?” Het antwoord was een bulderend gelach. “Jij bent me er ook eentje, zeg.”’ (p. 147)

In het tussengedeelte van De dagen van Olim is een aantekening opgenomen waarin staat: ‘Een blanke vrouw? Naai ze, maar trouw ze niet!’ (p. 175) Vince wil dit principe met zijn zwart-op-wit-programma in de praktijk brengen, waardoor iedereen op het feestje bang wordt als hij met Mickey naar het strand gaat. Daar leert hij haar echter dat je dit idee ook figuurlijk kunt opvatten door iemand met ideeën te bezwangeren. Later gaat hij evenwel toch met haar naar bed, omdat hij een verloren uurtje heeft (?). Mickey laat met zich doen, zij beheerst de situatie niet. Ze wordt geleefd en handelt niet uit zichzelf maar op de manier waarop zij denkt dat de omgeving wil dat ze reageert. Mickey heeft weliswaar haar jeugdige vitaliteit, maar in genen dele het inzicht van Matthijs, Padu, Elio, etc. De hoofdfiguur is eerder slachtoffer dan held.

‘Als je een politiek geëngageerde meid zou nemen als hoofdfiguur voor dit boek, dan zit je fout. Te extreem. Mickey is het gemiddelde meisje, met een behoorlijke opvoeding. Ze heeft een en ander gehoord, ze wil wat. En 't is helemaal geen hazehart. Maar ze ontdekt iets. Terwijl er geen mens haar daarover heeft verteld. Wij denken wel dat we tolerant

[p. 178]

zijn, zolang we in de meerderheid zijn. Mickey is nu in de minderheid...’ (Refleks, p. 31)

Vincent (let op de naam!) is de drager van het idee, de boodschap, zoals Crispin in De dagen van Olim en Dodo in Driemaal is scheepsrecht.

Miep Diekmann: ‘Ik heb zo lang in communistische landen gezeten, ik heb zo veel van politieke systemen gehoord; vroeger ook door het vak van mijn vader. Het is altijd een lulligheidje waarop de zaak losbarst, maar er is dan ondergronds al zoveel aan de gang... Dat is merkbaar bij Vince die met de bevolking gaat praten: wat willen jullie?’

Vince wil Mickey en de bevolking bewust maken, maar kan niet tegen de super-geslepenheid van Uncle op. Toch redt hij zich wel in het leven; hij komt later zelfs regelmatig in de krant, in het nieuws.

Het hele boek is sterk aangezet, fel gekleurd en zo onder het vergrootglas gelegd dat iedereen het duidelijk moet zien. Het leven is in het Caraïbisch gebied nu eenmaal kleurrijk, fel en emotioneel, omdat ook de problemen scherp en meedogenloos zijn. De humor heeft plaatsgemaakt voor satire; het medeleven met de figuren is tot spot geworden. De moeder en Mickey worden aan het eind in hun geestelijke hemd gezet.

Opnieuw Miep Diekmann: ‘Het is een tragi-comedie; ik heb zelfs met de revolutie de spot gedreven. Want er zit niet een grote principiële gedachte achter die levens. Vandaar dat ik ook die black power-leider, die Negen Vingers, zo gepakt heb. Surinamers hebben mij opgebeld en gezegd: “Dat boek heb je al geschreven in 1974, maar het is bijna voorspellend op sommige punten. Zoals jij een Caraïbische situatie analyseert!” Maar Nederlandse critici snappen het niet en vinden dat er teveel in staat, wat zogenaamd niet is uitgewerkt... Dan zeg ik: jullie hebben er nooit tussen gezeten. En wanneer er teveel in staat voor jullie komt dat omdat jullie er te weinig van weten.’

De taal speelt opnieuw een grote rol. Tussen de spot door laat Miep Diekmann enkele zeer wezenlijke dingen zien uit het Caraïbisch gebied. Op grond van een kleinigheidje (een kind dat een steen gooit) breken er de wildste geruchten los.

‘O, eh... ik dacht... d'r is daar een neger door blanken afgetuigd. De hersens lagen uit zijn hoofd. En met zijn eigen bloed hadden ze over zijn kleren geschreven: “Leve de revolutie.”’ (p. 125)

‘Op de plantage zijn de blanken een opstand begonnen tegen de zwarten en ze hebben 'n arme zwarte jongen zo toegetakeld dat zijn hersens in het stof lagen...’ (p. 136)

[p. 179]

Even later is er sprake van een opstand van blanken, net als op de plantage van Prescott..., Uncle zou door blanken vermoord zijn... Aan deze geruchtenstroom doet iedereen mee: de V.N.-vertegenwoordiger, de grote onbekende ‘men’, de dokter die in zijn meest bekakte Engels zegt: ‘“Via de familie van Scotty heb ik bericht gekregen dat Negen Vingers en zijn bende jullie plantage omsingeld houden. Alles door dat stomme ongelukje van Ian vanochtend. Er wordt nu al in de stad rondverteld dat de blanken een tegenrevolutie begonnen zijn.”’ (p. 144)

Iedereen kletst en probeert de zaak in eigen voordeel om te buigen. Op kleine eilanden is de ‘boca bisa boca’ - de mond tot mond nieuwsvoorziening - vaak veel belangrijker dan de officiële persdienst. Dit ‘talige’ aspect is door Miep Diekmann hier sterk benadrukt: ‘De invloed van verhalen, dat vind ik heel sterk in het Caraïbisch gebied. Zonder dat ik het over roddel heb. Maar het gerucht als persoon, dat ongrijpbaar is en bijna een abstractie. Totdat je de realiteit ziet. Je wordt allemaal beïnvloed door het gerucht. En daar gaat het mij om: geloof niet alles wat je hoort, want de werkelijkheid kan wel eens heel anders zijn...’

De figuren spreken een eigen groepstaal. Zo is er de arbeiderachtige uitdrukkingswijze van Mickey's vader: ‘te groos om toe te geven dat je maar een arbeiderskind bent...’ Er is de tienertaal van Mickey: ben je crazy, verdomme, zijn zulthoofd, love, smile en okay.

Het Engels speelt een grote rol bij het vliegen waar deze taal natuurlijk veel gebruikt wordt, en op het Engelstalige eiland; campagne runnen, droppen, de Continent, mistah Alexander, locale people, sweet potatoe, etc.

Dan is er het Surinaams - Antilliaans gekleurd Nederlands van de priester en de zuster: man, no, sister, fixen, enz.

Via de taal van de verteller worden de figuren meedogenloos scherp gekarakteriseerd: ‘zelfs de kaaimannen zouden die ouwe taarten niet lusten.’ (roddelende vrouwen). De buurman: ‘Met dichte ogen, opgeheven hoofd en de armen wijd uitgestrekt probeerde haar ziel aansluiting te vinden bij de ziel van de portemonnee: buurman.’ (p. 19) Mevrouw Ensing: ‘Een wonder? Hoezo? Waar? Hier? Bij háár in de kamer? Ze keek rond. Gelukkig dat alles die morgen net een goede beurt had gehad. Een wonder, stel je voor!’ (p. 20) Vincent: ‘Het geluid dat uit zijn keel kwam was geen schreeuw, geen grom, maar een wit stripwolkje waarvoor het woord nog niet gevonden was.’ (p. 22) Linzee en de chauffeur: ‘Hij stak zijn hand uit de wagen en schudde de toegestoken vingers van Linzee zo

[p. 180]

uitbundig, dat die na afloop nadrukkelijk al zijn vingers stond na te tellen. “Niks gejat,” meldde hij.’ (p. 122) Over Uncle: ‘Die staat nog niet dát - een knip met zijn vingers - van zijn macht af. Nog niet de breddte van een zucht van een creperende vent.’ (p. 124)

Er is geen ander boek van Miep Diekmann waarin zo sterk op de taalverschillen tussen de verschillende personen en groepen gewezen wordt. Hier dient de taal om de personen te karakteriseren.

Marilyn geeft als Unesco-deskundige les op Sint Musa; op tienertaalse wijze reageert ze met: ‘Een goed nutteloze zaak als je het mij vraagt... Die kinderen verstaan me niet eens in de klas, ze spreken hier een patois Engels. Dus blijven ze al die jaren dat ik voor hun klas sta, hun mond dichthouden.’ (p. 114/115)

Taal brengt hier vooral scheiding aan tussen de verschillende groepen. Duidelijke voorbeelden zijn de Engelsen die met hun Oxford-accent afstand willen nemen van het gewone vliegvolk, en de oude Engelse ‘Lady’ en de ober in de Cobblestone Inn die elkaar beledigen met ‘luie uitvreter’ en ‘ouwe zwarte teef’.

Vincent en Mickey verliezen elkaar ook doordat Mickey alleen dénkt en niet zégt; doordat ze beiden wíllen vragen maar niet echt praten. De taal als mogelijkheid tot contact wordt hier niet benut.

De krantenberichten over Vince, de universitaire voordrachten, alle brieven van Dory, woorden van Mickey's moeder die er niets van begrijpt. Het boek eindigt met de taal als het medium dat de realiteit abstraheert, verhult, er een farce van maakt...