Toen mij enige tijd geleden gevraagd werd een bijdrage te leveren voor deze bundel heb ik vanwege andere verplichtingen, die op dat ogenblik al mijn aandacht opeisten, bedankt voor de uitnodiging. Eerlijk gezegd kwam het mij goed uit een geldig excuus te hebben. Om redenen, die hier niet ter zake doen, voelde ik er weinig voor mee te werken aan de bundel.
Dat er uiteindelijk toch een bijdrage van mij werd opgenomen, is te danken aan het koppig volhouden van Wim Rutgers, die geen middel onbeproefd liet om mij van gedachten te doen veranderen. Nadat vriendelijke brieven geen resultaat opleverden, probeerde hij of ijdelheid mij kon verleiden mee te werken. Het zou volgens hem opvallen als iedereen, die op de Antillen op literair gebied aktief is, mee doet behalve ik. Ik weet zeker dat Wim toen al besefte, dat ik niet zelfingenomen genoeg ben om in zo'n val te trappen en dat hij wat anders moest verzinnen.
Dat deed hij dan ook door in te spelen op mijn waardering voor Boeli en Tip. Ik moet toegeven dat ik het toen moeilijk kreeg. Op de één of andere manier lukte het Wim vervolgens de eerst als definitief bestempelde ‘dead-line’ te verzetten, zodat weer een belangrijk argument om niet mee te doen wegviel.
De genadeslag die hij mij toebracht, was uitermate geraffineerd: er zou maar één persoon overblijven, die de uitgave in de Amigoe zou kunnen bespreken ...
Nu zit ik met de onmogelijke opdracht om in een paar dagen tijd iets te schrijven voor een bundel waarin verschillende neerlandici hun wetenschappelijk kunnen uitleven op het werk van Boeli van Leeuwen en Tip Marugg. In zo'n situatie kan ik als gelegenheids-recensent het beste mijn mond houden, maar dat mag dus niet van Wim.
Ik zou wat kunnen zeggen over mijn persoonlijke ervaringen met Tip en Boeli, maar wat schiet de lezer daarmee op? Ik zou toch niets toe kunnen voegen aan het werk van beide schrijvers en ben bovendien niet bereid de vertrouwelijkheid van onze vriendschap geweld aan te doen.
Ik zou ook de mythen rond Tip en Boeli kunnen aandikken, zoals zoveel anderen dat in de loop der jaren hebben gedaan, maar daar voel ik
weinig voor. Niet alleen omdat een belangrijk deel van deze mythen berust op louter fantasie, maar vooral ook omdat ze geen recht doen aan beide schrijvers. Verhalen over Tip's kluizenaarschap of Boeli's visionair individualisme dienen naar mijn mening enkel om het bij de lezers levende idee te bevestigen, dat alleen min of meer geschifte lieden ware kunst voort kunnen brengen. Daarom moet het weinig opwindende kantoorwerk van Tip verdrongen worden en mag Boeli geen plichtsgetrouw ambtenaar zijn geweest.
Dat Boeli en Tip zelf meewerken om dit beeld in stand te houden, is volgens mij volkomen verklaarbaar. Om te beginnen ligt het niet in de aard van een Antilliaan om zijn gasten tegen te spreken. Zodra een Antilliaan merkt, dat de bezoeker graag zijn eigen mening bevestigd wil zien, gunt hij de vreemdeling dat pleziertje en praat hem bloedserieus naar de mond.
Daar komt nog bij dat de intelligentie van zowel Boeli als Tip (om het voorzichtig uit te drukken) boven het gemiddelde ligt en zij voldoende mensenkennis en een goed ontwikkeld gevoel voor humor hebben. Deze eigenschappen stellen hen in staat een ander kenmerk van de Antilliaan op werkelijk perfekte wijze vorm te geven.
Als een Nederlander middernacht een fles whiskey in de brievenbus vindt met op een kladje de boodschap ‘Hier de fles, morgenavond komen we langs’, dan kan de snotaap die hem dat flikte erop rekenen niet alleen zijn fles kwijt te zijn, maar de volgende avond op zijn minst voor een gesloten deur te staan. Een reaktie recht voor zijn raap, heet dat dan.
Zoiets zou Tip bijvoorbeeld nooit doen. Hij zou de ongenode gast de volgende avond beleefd ontvangen en hem de meegebrachte fles voor zetten. Zelf schenkt hij zich een bescheiden borrel in en wacht geduldig tot de onbekende niet helemaal helder meer kan denken om dan een serieus betoog over literatuur te houden. De volgende dag zal de bezoeker in zijn hotelkamer wanhopig proberen wijs te worden uit zijn verwarde en onleesbare aantekeningen. Hij herinnert zich een uitermate boeiend gesprek, maar weet bij God niet meer waarover er gesproken is.
Boeli past meestal een andere taktiek toe. Hij zorgt ervoor dat zijn gast zo lang mogelijk nuchter blijft en luistert aandachtig naar zijn visie op Boeli's werk. Tussendoor overlaadt hij de bezoeker met komplimentjes voor de werkelijk uitstekende analyse, de haarscherpe visie op de Antilliaanse samenleving, enz. enz. De vreemdeling gloeit van trots en merkt niet meer hoe hij gedurende de rest van het gesprek wordt gemanipuleerd in de richting die Boeli goeddunkt.
In beide gevallen is de indringer genekt, in de Papiamentse betekenis van beetnemen. Boeli en Tip zijn absolute grootmeesters in deze kunst, want dat is het.
Nekken is een verfijnd, bijna aristokratisch, tijdsverdrijf. Het is niet alleen een stuk vriendelijker dan het botweg dichtslaan van een deur in iemands gezicht, het biedt de nekker genoegen in plaats van de ergenis, die overblijft na een agressieve daad van verdediging.
Het gaat er bij nekken niet om de tegenpartij in het openbaar voor schut te zetten of hem te laten merken dat hij wordt beetgenomen. Als er al getuigen bij aanwezig zijn, zullen ze ofwel het spel niet doorgronden, ofwel pas na aftocht van de genekte laten merken hoeveel plezier ze eraan beleefden.
Als het slachtoffer merkt wat hem is aangedaan, dan hoort hij dat sportief op te vatten. Ofwel hij zorgt dat hij niet meer in de buurt van de nekker komt, of hij probeert de ander op zijn beurt eens te nekken.
Het belangrijkste is je suprematie over de ander te bewijzen, een suprematie die je er tegelijkertijd toe verplicht je tegenstander geen onnodig leed aan te doen. Alleen jij en degenen die tot de kleine groep van ingewijden behoren, mogen zich amuseren over het slachtoffer.
Er bestaan verschillende varianten van dit nekken, zoals de wat ruwere, minder verborgen vorm, die we aantreffen in de Nanzi-verhalen. De sluwe spin Nanzi is iedereen te slim af, maar vaak gaat dat ten koste van het slachtoffer, dat ofwel zijn bezittingen kwijt raakt, ofwel de dood vindt. Ook de Chinese kok, die stiekem in de soep plast, nekt in zekere zin zijn meester.
Het essentiële punt waarop deze varianten afwijken van de vorm, die Tip en Boeli toepassen, is dat in het ene geval de nekker zich in een onderdanige positie bevindt ten opzichte van de genekte en uit die positie tracht te komen door wraak te nemen, terwijl in het andere geval juist sprake is van een geestelijk, fysiek of sociaal overwicht van de nekker, zodat tastbare wraak achterwege kan blijven.
Alhoewel ik van mening ben dat bovenstaande analyse van het gedrag van Tip en Boeli zo gek nog niet is, vraag ik mij soms af of ik het misschien toch niet bij het verkeerde eind heb en zelf het slachtoffer ben van één van hun streken.
Het is immers heel goed mogelijk, dat beiden bewust meespelen met de vloed van Nederlandse journalisten en interviewers die bij hen over de stoep komen en dat zij juist de Antillianen, die bij voorbaat elke onwetende en onschuldige Nederlander die ze tegen komen proberen te nekken, beetnemen. Door te doen alsof ze deze oprechte Nederlanderse gasten nekken, nemen ze wraak voor de ondankbare vanzelfsprekendheid waarmee wij Antillianen hun bijzonder schrijverschap waarderen.
Als dat zo is, dan des te meer: chapeau bas!