Rondom den hiervoren besproken mislukten veldtocht van Frederik Hendrik ontstond er een heftig letterkundig krakeel, waaraan Hollandsche en Brabantsche rederijkers deelnamen, en waaraan Prof. J. te Winkel in het IVe deel van zijn Ontwikkeling der Nederlandsche Letterkunde (2e Druk, p. 41) eenige woorden heeft gewijd.
Het is een niet genoeg te prijzen verdienste van Prof. J. te Winkel, dat hij om zoo te zeggen de eenige is, die met meer aandacht de Zuid-Nederlandsche literatuur der 17e eeuw onderzocht en daar in dit geval weer een bewijs van gaf, doch wij voelen ons genoodzaakt om zijn oordeel hier te herzien, te wijzigen en aan te vullen.
Wij lezen bij Prof. J. te Winkel het volgende: ‘(In 1631) werd door de brave Retrosijns’ van Antwerpen een batement gespeeld tot beschimping van Frederik Hendrik, die in de Lente van 1631, een aanval op Duinkerken had beraamd, maar, toen de Spaansche veldheer, de marquis De Santa Croce, op zijne hoede bleek te zijn, zijne troepen weer had doen terugtrekken. Nu werd ‘t' Antwerpen op 't toneel 's Prinsen beelt gedragen, gelijk een dode man verwonnen of verslagen’; een dokter kwam op om het lijk te ontleden: overal werd naar het hart gezocht, maar te vergeefs: 't was nergens te vinden, totdat men eindelijk ook het onderste gedeelte van het lichaam onderzocht, en zoo waar, daar werd het hart ‘recht achter in den hiel’ gevonden: het was den Prins in de schoenen gezakt.
‘Evenmin als andere schimpdichten op den Prins bleef ook dit spel in de Noordelijke Nederlanden onopgemerkt, en toen kort daarop de vloot van Graaf Jan van Nassau op het Slaak door den Zeeuwschen vlootvoogd Marinus
van Hollare eene schandelijke nederlaag had geleden, moesten de Antwerpenaars met hun ‘Jan de Mossel-vanger’, zooals Graaf Jan spottend genoemd werd, op hunne beurt den spot verdragen, hun tegenklinkend uit het Verkeerspel, een vermakelijk gedicht van den Deventer dichter Jan van der Veen’.
Tot hiertoe Prof. J. te Winkel.
Het lijdt geen twijfel of de geleerde beoefenaar van onze literatuurgeschiedenis had van dit Antwerpsche esbattement tegen Frederik Hendrik alleen kennis door het Verkeerspel van Jan van der Veen1. De aanhalingen in zijn korte inhoudsopgave heeft hij woordelijk uit dit gedicht overgenomen.
Ziehier het fragment waarin Jan van der Veen over het Antwerpsche esbattement gewaagt:
Het esbattement zelf zal voor Prof. Jan te Winkel zeker even onvindbaar geweest zijn als voor ons. In de overgebleven bescheiden van de Antwerpsche rederijkerskamer is er geen spoor van aan te treffen, en het komt ons volstrekt niet gewaagd voor te onderstellen, dat bedoeld esbattement nooit gespeeld, en wellicht nooit geschreven werd.
De Antwerpsche rederijkers hebben in elk geval bij kennisneming van Jan van der Veen's gedicht met nadruk gelogenstraft, dat zij ooit dergelijk spel zouden opgevoerd hebben. Zij beschuldigen den Deventer dichter die heele geschiedenis te hebben uitgevonden om hen hatelijk te maken.
Bij zulk krachtig verweer van de Antwerpenaars verwondert het ons, dat Prof. J. te Winkel over de vertooning van dit esbattement spreekt als over een feit waaromtrent geen de minste twijfel bestaat.
Zes Antwerpsche rederijkers hebben naar de pen gegrepen om hun verontwaardiging over Van der Veen's pamflet in vers-maat neer te schrijven. Vijf onder hen gaven hun verzen uit in Het Verkeerspel met sommige Antwerpsche tegendichten en onderteekenden ze respectievelijk met de kenspreuken Steunt op Godt, Ick can noch leeren (Frans Bruyninckx)1, Ick leef door de doot, Brandt in Liefde (Geeraard van den Brande, een van de werkzaamste leden van den Olijftack)2, en E vero Salus. De zesde gaf zijn gedicht afzonderlijk uit, geteekend Godt mijn schut (zie blz. 177). In een later gedicht van jan van der Veen, Krucken-Dans, waarover wij straks een woordje zullen zeggen, worden Frans Bruyninckx en Verstocken als twee Antwerpsche dichters genoemd. Een van Van der Veen's vrienden had hem die twee namen medegedeeld3. In het Kaatsspel ofte Weder-Steuyt / op de Leughen-Laster / thegen hem uytghespoghen / door eenich nameloos Antwerps licht ghebroedsel. Ghedruckt by Daniel Janssen, Anno 1632, door den zelfden Jan van der Veen, worden eenige onderstellingen gemaakt om te weten te komen wie achter het anagram E vero Salus kon schuilen. De Antwerpsche rederijker maakte zich daar vroolijk over. Van der Veen had enkel aan den vriend, die hem Verstocken en Bruyninckx bekend maakte, naar zijn naam moeten vragen:
En Van der Veen heeft geen redenen om het hem en de andere Antwerpsche rederijkers ten kwade te duiden, dat zij hun gedichten met hun naam niet onderteekenden.
Frans Bruynincks loochent beslist, dat het satirisch esbattement tegen Frederik Hendrik ooit of ergens in Braband opgevoerd werd. Hij brengt zelfs ridderlijk hulde aan den moed van den Prins van Oranje en zijn geslacht! Wij halen uit zijn Antwoorde aen den Laster-Loghen-dichter Jan van der Veen, op zijn Verkeerspel de desbetreffende passage aan:
Na een heftigen uitval tegen den lasteraar, vraagt Bruynincx zich af hoe Holland een dergelijken boef nog vrij over straat laat gaan, en hij herhaalt nog eens dat een Brabander geen prinsen op dergelijke wijze beleedigt.
De Antwerpsche poëet, die als kenspreuk Ick leef door de Doot aannam, was niet minder geërgerd dan F. Bruyninckx tegen den ‘vileyn’ die zooveel leugens ‘uyt de vuyst gaet suygen’; tegen den ‘Princen eere-dief’, die ‘dees saeck’ op de Antwerpenaars kwam ‘dringhen’1.
Geeraard van den Brande is even beslist in zijn logenstraffing van den prinsensmaad en in zijn eerbied voor het huis van Oranje. Hij vraagt aan Van der Veen:
Het gedicht van E vero Salus herhaalt dezelfde gedachte met dezelfde verontwaardiging.
Godt myn Schut, in zijn afzonderlijk uitgegeven gedicht Schut-Waerheyt Teghens het valsch Verkeerspel tot schimp van Brabandt, ende lasteringhe van de Antwerpsche reden Const-beminders,3 spreekt ook in denzelfden zin.
Een dergelijke eensgezindheid bij de Antwerpenaars is toch wel van aard om te doen twijfelen aan de gegrondheid van Van der Veen's beschuldiging.
Wij willen volstrekt niet beweren, dat de Antwerpsche rederijkers tot iets dergelijks niet in staat waren. Wel integendeel! De aftocht van Frederik Hendrik maakte grooten ophef in de Scheldestad en was voor onze rijmers een welgekomen gelegenheid om zich te wreken over den spot, waarmede de Hollanders de nederlaag van Spinola voor Bergen op Zoom in 1622 hadden bejegend. Een van de poëten in de polemiek tegen Van der Veen betrokken, Geeraard van den Brande, had o.a. in zijn bundel Poëmala1, twee sonnetten laten verschijnen: Op den uyt-tocht van den Prins van Oraignen Frederik Hendrick van Nassouwen uyt Vlaenderlant, in 't Jaer 1631.
De Hollanders moeten het daar verduren:
De Hollandsche ‘lasteraars’, die Spinola na zijn nederlaag voor Bergen op Zoom in 1622 bespot hebben, waren nog al talrijk2, doch de in dit
gedicht van G. Van den Brande speciaal bedoelde ‘schimper’ is Jan J. Starter. De Antwerpsche rederijker nam immers de voorzorg in den rand te laten drukken, dat hij het tegen den dichter van den Frieschen Lusthof had, wiens Ghedicht over't Ontset van Bergen op den Zoom inderdaad zeer scherp en bitter was voor den Spaanschen veldheer. Het gedicht van Van den Brande bevat overigens rechtstreeksche zinspelingen op de volgende verzen uit Starter's satire:
In het tweede sonnet ontwikkelt G. van den Brande daaromtrent dezelfde thema's: God heeft de Hollanders getroffen om hun hoovaardigheid, zij moeten zich herinneren, dat het geluk veranderlijk is van aard. Dit alles getuigt wel van het reinste leedvermaak, maar een crimen laesae majestalis is het zeker nog niet.
Het treft ons ook dat Jan van der Veen's verweer tegen de Antwerpenaars zoo zwak is. Hij heeft inderdaad op hun beschuldiging van laster geantwoord in zijn Kaatsspel, doch weet niet anders in te brengen dan dat ‘men’ in Holland ‘zegt’ dat het beleedigend esbattement wel degelijk vertoond werd, - dat de opvoering niet in het openbaar plaats had, maar in't geheim; en dat de Brabanders tot zoo iets zeker in staat waren... vermits hun ‘Broeders binnen Ceulen’ den Pfaltzgraaf2 wel als een bedelaar hadden durven voorstellen. Si ce n'est toi, c'est donc ton frère. De overtuigende kracht van deze wederlegging is niet bijster groot. Het is een antwoord van iemand, die in het nauw gebracht, zich met spitsvondigheden zoekt te redden. Wij laten Van der Veen even aan het woord. Hij spreekt over zich zelf in den derden persoon:
Van der Veen stelt zich bijzonder antipathiek aan door in tegenstelling met de Antwerpenaars, die in hun verweerverzen althans, Frederik Hendrik's moed erkenden en over het geslacht van Oranje met eerbied spraken, onophoudend strijdlustige en bitter krenkende zinspelingen te maken op aartshertog Albert en Koning Philips. Hij beschuldigt Albert ervan Anneken van den Hoven te Brussel levend te hebben doen begraven in 1597. Hij schrijft ook dat Philips II door de luizen was opgeëten. ‘De Bloethont (werd) daerdoor van 't snoode lijf berooft’.
Bij Van der Veen was er een psychologische reden aanwezig, die er hem wellicht kon toe aanzetten om de geschiedenis van het beleedigend esbattement uit te vinden. Hij behoorde tot de felle calvinistische partij, die van geen verzoening met het Zuiden wilde hooren, en er dus belang bij had de openbare meening in Holland tegen het Zuiden op te hitsen, desnoods door uit de lucht gegrepen verhalen.
Zoo de Antwerpsche rederijkers wel degelijk de waarheid zegden, en zoo het veel besproken esbattement werkelijk een mythe was, waar had Jan van der Veen dan die grap van het in de schoenen gezonken hart vandaan? Moeilijk is het dit met zekerheid te zeggen. Van der Veen heeft ze in elk geval niet zelf uitgevonden.
In de Antwerpsche Wederbotten beschuldigt F. Bruyninckx den Deventer spotter zich te verdedigen tegen zijn aanvallen met ‘gheraepte Aeperij, gherooft uyt ander spuelen’1. Heeft Van der Veen wellicht de mop van het gezonken hart in een van de hier bedoelde spelen gevonden? Wat er ook van zij, wij troffen ze aan als hoofdthema in de inhoudsopgave van een andere, ons ook onbekend gebleven, politieke tooneelklucht, gericht door het Fransch gevolg van den hertog van Alençon tegen de Antwerpenaars!
In 1594 liet Leo de Meyere bij Arnold's Conincx te Antwerpen een groot Fransch gedicht verschijnen, onder den titel Prosopopée d'Anvers, ter gelegenheid van de blijde inkomst van Aartshertog, Ernest. Hij geeft daarin een overzicht op de geschiedenis van Antwerpen in de laatste jaren en ergert zich onder meer over den ‘tas de fraucillons’ zooals hij ze noemt, die de Fransche furie op hun geweten hebben. Hij verwijt hun, dat ze de bevolking van Antwerpen in een kluchtspel beleedigden en zegt er ons genoeg van opdat wij zouden kunnen vaststellen, dat het hoofdthema van dat tooneelwerk opentop hetzelfde was, als dat van de klucht, volgens Van der Veen door de Antwerpenaars tegen Frederik Hendrik gericht, - natuurlijk met dit ééne verschil, dat de man met het hart in de schoenen ditmaal de Antwerpenaar was! - Ziehier de bedoelde passage uit de Prosopopée:
Met dit citaat kunnen wij echter niets meer bewijzen dan dat een dergelijke geestigheid tot de meer gebruikte satirische thema's van dien tijd behoorde2.
De rederijkerswist naar aanleiding van Frederik Hendrik's aftocht uit Vlaanderen was met het Verkeerspel van Jan van der Veen, de ‘tegendichten’ en de Schut-Waerheyt der Antwerpenaars en het Kaets-spel van Jan van der Veen nog niet geëindigd.
De vijf eerste Antwerpenaars beantwoordden weer het Kaets-spel met een reeks gedichten, waarop wij in dit opstel terloops reeds hebben gewezen, nl. Antwerpsche Weder-Botten van de Qualyck-ghekeerde Ballen van Jan van der Veen. Oock wordt by gevoecht het Kaetsspel van Jan van der Veen op
de Antwerpsche Dichten (z.n., Gedruckt int Jaer, ons Heeren Anno 1632; 8o 30 blz.)1.
Met evenveel heltigheid en met nog meer scheldwoorden dan in hun eerste schriften verwijten de Antwerpenaars Van der Veen dat hij gelogen heeft.
De eene schrijft:
De andere verklaart even beslist:
De Antwerpenaars ergeren er zich vooral over, dat Van der Veen in de boosheid volhardt en niettegenstaande hun logenstraffing zijn beschuldiging maar gedurig herhaalt Zij verwijten hem dat met echt volkschen humor:
Verder weerleggen zij de zwakke argumenten waarmede Van der Veen zich verdedigd had en nemen afscheid van hem met een geleerde vergelijking. Zij noemen hem als kwaadspreker een evenknie van Pietro Aretino en, evenals men het voor den Italiaanschen satirist deed, zou men op Vander Veen's graf mogen beitelen:
Jan van der Veen wilde echter het laatste woord hebben en zond den Antwerpenaars, die hij ditmaal ‘retcroswijntjes’ noemt in de plaats van ‘retrocijnties’, weer een gedicht toe: Krucken-Dans / toe geeygent de vijf Lamme Antwerpsche Weder-botter / De swacke moet Moes eten. (Tot Deventer,
Bij Sebastiaan Wermbouts Boeck-drucker / woonende op de Poot in de Vergulden. Bybel, Anno 1632)1
Volgens Van der Veen gaven de ‘Wederbotters’ niets anders dan ‘kindtsche belachelycke ende Breynnelose dreyghementen’ en ‘onabele Leugenen’, uitingen van hun ‘Gespanjoliseerde’ harten. Hij spot met hun kreupelverzen:
Deze Krucken-Dans schijnt de laatste naklank van het krakeel te zijn.
Uit dien twist tusschen Hollandsche en Brabantsche rederijkers willen wij nog een paar punten bespreken omdat ze ons op treffende wijze zekere uitzichten van de taal- en letterkundige verhoudingen tusschen Noord en Zuid in de eerste helft der 17e eeuw helpen schetsen.
Onder de middelen, die Van der Veen in zijn Verkeerspel gebruikt om de Brabanders te bespotten, behoort ook de caricaturizeeriug van hun met dialectvormen en bastaardwoorden doorspekte rhetorische taal, waarvan de Spaansche Brabander van Bredero ons een staaltje wilde geven
Van der Veen vertelt, dat de Gentenaars en de Bruggelingen bij het vernemen van Frederik Hendrik's aftocht heel blijde waren en hij neemt hun dat nog zoo kwalijk niet. ‘Waeromme souden (sy) niet? De roede (was) van de rugh’. Maar de Brabanders maakten het bonter. Zij speelden het beleedigende gelegenheidsstuk. En daar gaat Van der Veen tegen hen te keer als volgt:
De Antwerpenaars waren natuurlijk zeer gekrenkt door de smadelijke wijze, waarop in deze verzen over hun vrouwen werd gesproken en zij betaalden Van der Veen met gelijke munt door even kras op de Hollandsche vrouwen al te geven.
Godt mijn Schul komt heftig op tegen de beleediging dat de Antwerpenaars een bastaard-gebroed zouden ziju, en vraagt of Van der Veen bij het uitbrengen van dit verwijt wel gedacht heeft aan het verblijf van Engelsche garnizoenen in Zeeuwsen Vlaanderen en elders.
Niet minder gevoelig werden de Brabantsche rederijkers getroffen door het spotten met hun taal en hun rhetorika.
Zij verwerpen vooral verontwaardigd het verwijt van het overdreven gebruik der bastaard woorden. De rederijker, die teekent Ick leef door de Doot, betoogt daartegen als volgt:
Nauwkeurig is de bewering, dat alle rederijkers, zoowel in Noord als Zuid, zich aan de taalverbastering door het gebruik van uitheemsche woorden bezondigden. Ook waar de Antwerpenaar voor Brabant de prioriteit opeischt in de beweging der taalzuivering heeft hij gelijk, maar minder juist is het te zeggen dat met Theodorik van Liefveld, die bij Rutgert Velpius ie Brussel in 1609 de vertaling van de Eerste Weke van Du Bartas' Schepping uitgaf, het purisme ‘aen den dach gekomen’ is. In 1566 werd de Antwerpenaar Pleter Heyns reeds door Guicciardini geroemd omdat hij in zijn gedichten ‘alle uytlandtsche woorden schouwde’, en nog vroeger, in 1553 had de Antwerpsche schepen Jonker Jan van de Werve zijn Schat der Duytscher talen, een woordenboekje van bastaardwoorden met de vertaling in zuiver Nederlandsch, uitgegeven om tot de taalzuivering bij te dragen. Coornhert (1561) en Spieghel (1584) kwamen met hun taalzuivering achteraan, doch oefenden op dat gebied, in Holland althans, meer invloed uit.
Van beteekenis is het in elk geval te kunnen vaststellen, dat de Antwerpenaars zich tegen dit verwijt van taalverknoeiïng beslist te weer stellen. Zij voelden dus blijkbaar ook de noodzakelijkheid om hun taal zuiver te houden, en waarlijk, bij het lezen van de gedichten, die zij tegen Van der Veen lieten verschijnen, worden wij getroffen door de bijna totale afwezigheid van bastaardwoorden. Hun taal is zoo vrij van vreemde smetten als die van deu Hollander2.
En wij moeten niet veronderstellen dat zij zich voor deze gelegenheid speciaal bewaakten om zuiver te schrijven, want de Poëmata van Geeraard van den Brande, die niets met de hier besproken polemiek te maken hadden,
zijn al even ver verwijderd van de zestiendeeuwsche verfranschte rederijkerstaal als zijn satirische gedichten tegen Jan van der Veen.
Geeraard van den Brande zegt het zijn Hollandschen tegenstander heel duidelijk, dat de Antwerpenaars der 17e eeuw de bespottelijke taal, die men hun in den mond legde, verwierpen, en voor een overdrijving van Bredero hielden. Zij kenden dus heel goed den Spaanschen Brabander, die een comisch element zocht in de caricatuur van het Brabantsen taaleigen, en verweten aan zijn auteur een factisch taaltje te hebben geschapen tot groot jolijt van zijn Hollandsche toeschouwers. En het Brabantsch dat Van der Veen bespotte kende hij alleen maar uit Bredero's blijspel.
Wij hebben hier een belangwekkend oordeel van Brabantsche tijdgenooten over Bredero's Brabantsch. Zij erkennen het niet als echt, zooals andere Brabanders het wel deden voor het Brabantsch, dat Huygens laat spreken in Trijntje Cornelisdr1. Dit versterkt het oordeel daarover reeds uitgebracht door Dr. H. Smout en Prof. Dr. C.C.N. de Vooys, en geeft ook meer kracht aan hetgeen A.A. Verdenius er over schreef in Vreemde Taalelementen in onze, Kluchten en Blijspelen. De voorspoed en de groei der Hollandsche steden in de 17e eeuw wekte daar een gevoel van superioriteit, dat geneigd was ‘in het andere het mindere te zien’. ‘Grappig en minderwaardig werden gevonden de dialecten der andere Noord- en Zuidnederlandsche gewesten’, en de klucht- en blijspeldichters vonden daar aanleiding in om allerlei dialecten ‘in mih of meer verhaspelden vorm’ als comisch element in hun werk aan te wenden. Dit dialectgebruik werd echter niet altijd consequent volgehouden. Verdenius verklaart ons zeer gevat de oorzaken daarvan. ‘Onvoldoende kennis en slordigheid van den auteur zullen dikwijls de reden zijn, maar toch is een dergelijke inconsequentie ook meermalen opzettelijk in zooverre, dat het ‘andere’ dialect, de afwijkende taal, slechts hier en daar
even wordt gemarkeerd, aaugestipt, door een enkelen afwijkenden klank, een woord of constructie. Voor het beoogde doel is dit gewoonlijk voldoende en de toehoorders zullen bij deze methode den kromspreker met minder inspanning kunnen volgen. Men mag, dunkt me, aannemen, dat in de eerste plaats markante, opvallende afwijkingen in de kromspraak van den vreemdeling op den voorgrond komen, misschien zelf worden overdreven: het min of meer overeenkomstige wordt genivelleerd. Bij Van der Veen is iets dergelijks gebeurd en het overvloedig gebruik van bastaardwooorden, opzettelijk uit de verouderde taal der retrocijnen bijeengehaald, moest het voornaamste comische effect te weeg brengen.
Uit de gedichten der Antwerpsche rederijkers blijkt een tamelijk ernstige bekendheid met de Noordelijke literatuur. Zij kenden niet alleen Bredero, maar nog tal van andere schrijvers.
Met de meeste waardeering spreekt Ick can noch leeren over de Hollandsche dichters; alleen is het maar jammer dat een ‘rotte vrucht’ als die Van der Veen onder al dat ‘uytghelesen fruyt’ geduld wordt.
Hoor den lof der Noord-Nederlandsche poëten uit den mond van dien zeveutiendeeuwschen Antwerpenaar:
Met andere woorden herhaalt G. van den Brande dezelfde gedachte:
Uit deze verzen blijkt eens te meer de groote populariteit van Cats in de Zuidelijke Nederlanden gedurende de 17e eeuw. Ook die van Daniel Heinsius wordt er door bevestigd. Ze worden hier naast elkander genoemd zooals de pastoor van Bouchaut, Willem van der Elst, het in 1621 in zijn Gheestelycke Dichten reeds deed, toen hij schreef: ‘Wie de rechte wet van dichten soeckt
te leeren, (sal hem) tot Heinsius en Cats profytlyck keeren’. Huygens en Hooft werden gelukkiglijk ook tot de grooten gerekend door enkele onzer Antwerpsche rederijkers. Wat Huygens betreft, hebben wij vroeger reeds aangetoond hoe ruim zijn vriendenkriug in het Zuiden was. Eigenaardig is het, dat hier D. Heyns en Willem van Nieuwelandt onder de Noord-Nederlanders genoemd worden. De eerste werd immers te Gent geboren in 1580, de tweede te Antwerpen in 1584. Voor D. Heyns kan aangebracht worden, dat hij naar Holland trok, er voor goed bleef wonen en al zijn werk aldaar uitgaf. W. Van Nieuwelandt ging op vijfjarigen leeftijd ook met zijn ouders naar Amsterdam wonen, doch in 1609 keerde hij naar Antwerpen terug en werd er zelfs in 1615 ouderman van den Olijftack, waar veel stukken van hem werden opgevoerd. In 1628 verliet hij Antwerpen evenwel voor de tweede maal om er niet meer weer te komen. Daar hij in 1631 te Amsterdam gevestigd was, beschouwden hem de Antwerpsche rederijkers niet meer als een van de huunen.
Nu wij de vraag naar de waardeering der Hollandsche poëten bij de zeventiendeeuwsche Zuid-Nederlanders even aanraken, weze het ons veroorloofd hier nog een paar citaten bij te voegen, waaruit in de eerste plaats de onbetwiste populariteit van Cats weer blijkt. Een Brugsche rederijker, M.D. Baque, richt tot Jan Lambrecht in de liminaria van diens Schoonheidts Ramplot (Brugge, Wwe J. Clouwé, 1661) een lofdicht, dat voor de Catsvereering der Vlamingen al bijzonder kenschetsend is. Men gelieve echter op te merken dat Baque's oordeel ongeveer dertig jaren later komt. Wij laten het hier volgen:
In hetzelfde boek vroeg een zekere S.V. zich af, waarom Jan Lambrecht dichtte. Het was om Vlaanderens dichtroem hoog te houden tegenover
Holland. Lambrecht zocht Cats en Heinsius te evenaren, die S.V. overigens als Vlamingen opvordert! De Hollanders mochten Huygens en Vondel houden. Die ‘stonden de Vlamingen niet aan’!
Ziehier het citaat:
De antipathie, die de apotheker-dichter Jan Van der Veen in Zuid-Nederland had opgewekt, beperkte zich niet tot de Antwerpsche rederijkers. Hij heeft ook het middel gevonden om enkele Brugsche dichters tegen hem in het harnas te jagen.
In de liminaria van het zooeven genoemde gedicht Schoonheydts Ramp-Lot1, waarin de Brugsche Prince van de Hoofkamer van den H. Geest Jan Lambrecht het droefeindigend leven vertelt van de schoone Jehanne van Parijs, komt o.m. een gedicht voor, onderteekend door L.V. Brandenburgh, waarin J. Van der Veen onder handen genomen wordt voor de dwalingen, waarmede hij de geesten van het Vlaamsche land ‘te naer quam’.
Het gedicht is belangrijk in menig opzicht, zoodat wij het hier in zijn geheel laten volgen.
Jan Van der Veen heeft dus de Vlaamsche dichters in hun letter - en taalkundige eigenliefde net zoozeer gekrenkt als hij het met de Brabanders deed.
Bij het onderzoeken van zijn volledige werken vinden wij inderdaad een passage, waar zijn spot bepaald tegen de Vlaamsche dichters gaat. In het luimig Feestdicht op de bruiloft van Laurens Jansen de Malines met Anna van Mansdalen (1628)3 zoekt Van der Veen naar een middeltje om aan zijn vers een comischen toon te geven en hij vindt er niets beters op dan het gedeeltelijk te schrijven zooals de Vlaemsche Lieven het zou gedaan hebben. Met dezen Lieven bedoelt hij natuurlijk de Vlaamsche dichters allen bijeen. Dan komt Den Vlaamsen Poëet Lieven aan het woord en geeft een erbarmelijk knoei-taaltje ten beste:
Zoo komen er vier en twintig van die entie-rijmen achtereen, tot J. Van der Veen, oordeelende, dat de grap nu lang genoeg geduurd heeft, er zelf een einde aan stelt met een uitval tegen den Vlaamschen Lieven:
Na deze zuurzoete spotternij geeft Van der Veen dan eindelijk zijn Heilwensch aan de getrouwden, op eigen ‘ouwerwetsche wijs’, want ‘Javaanse Poëzy verstaat (hy) niet met al’. Met dezen laatsten steek nam hij van den Vlaamschen Lieven afscheid.
Het zal niemand ontgaan, dat het gedicht van Brandenburgh een rechtstreeksch antwoord is op deze Lieven-grappigheden.
In zijn Verkeerspel heeft Van der Veen de Vlamingen ook onder de figuur van Lieven voorgesteld, in het eerste vers:
Van der Veen kon blijkbaar aan den lust niet weerstaan om daar, waar hij er maar eenigszins gelegenheid toe vond, met de spreek - en schrijfwijze der Zuid-Nederlanders te spotten door er een caricatuur van te geven. Dit achtte hij stellig het beste middel om zijn Hollandsche superioriteit te doen gevoelen.
In den Zege-Sangh gedicht bij de inneming van het Sas van Gent door Frederik Hendrik (1644), geeft hij andermaal een staaltje van dien humor. Hij laat een groep Vlaamsche vluchtelingen ‘in haer gewoone tael’ klagen en jammeren over de nederlaag der Spaansche troepen. Tal van Vlaamsche dialectische eigenaardigheden, zooals het weglaten van de h waar ze moet uitgesproken worden, en het uitspreken van dezelfde letter waar ze moet wegvallen; het dubbel gebruik van het voornaamwoord van den eersten persoon ('k hoore kik de trom, 'k ant ik hicke niet bevroen); het overvloedig gebruik van vreemde woorden; en andere localismen meer worden hier overvloedig en over het algemeen met kennis van zaken aangewend.
Uit het gedicht van L.V. Brandenburgh in de liminaria van Joost Lambrecht's Schoonheydts Ramp-Lot1 zou men wellicht kunnen opmaken, dat Lambertus Vossius alias Lambrecht de Vos, de bekende Brugsche advocaat-dichter, rechtstreeks tegen Jan van der Veen geschreven heeft. Dit is echter niet het geval. In de uitgaven van Alle de Werken van Lambertus Vossius, t'saemen by een vergaedert door Jan Baptist ende M. Clouwet2 komt geen enkele toespeling op Van der Veen of op een van zijn geschriften voor.
L.V. Brandenburgh heeft alleen willen zeggen, dat alhoewel Van der Veen met minachting sprak over de Vlaamsche dichters, in Vlaanderen toch ook ‘maets en mannen’ waren, d.w.z. flinke schrijvers, zooals b.v. Lambrecht de Vos en na hem J. Lambrecht.
Toen L.V. Brandenburgh schreef:
kon hij alleen denken aan zekere Hemel-spraken voor den Brugschen H. Bloedtdagh2, waarin Vossius herhaaldelijk zeer heftig tegen de Hollanders uitvaart.
Het was de gewoonte te Brugge bij den jaarlijkschen uitgang van de H. Bloedprocessie, in het begin der maand Mei, een allegorisch tooneelwerk te vertoonen, geschreven door een der Brugsche poëten. Lambrecht de Vos had die taak op zich genomen in 1641, 1642, 1643 en 1644. De twee laatste Hemel-spraken zijn in hoofdzaak aanvallen tegen Holland en de ketterij, geschreven onder den indruk van de politieke en militaire gebeurtenissen, die in die jaren aan Frankrijk en de Vereenigde Provincies in onze gewesten weer tal van voordeelen bezorgden, waartegen het Spaansch bestuur machteloos bleek3.
In de Hemel-sprake van 1643 begint Vlaenderen, een der allegorische personnages, met de volgende klacht, die de tijdsbekommeringen zeer duidelijk samenvat:
En dan wordt het een debat, waaraan deelnemen: de Ketterye, Sluys en Aerdenburgh, als gereformeerde Staatsche steden, 's Hertogenbosch, de katholieke stad, die zich beklaagt over calvinistischen geloofsdwang, de H. Kercke, Brugghe en Damme als katholieke Spaanschgetrouwe plaatsen. De H. Kercke spreekt de twee laatste steden moed in als volgt:
Daarna komen Godt den Vader, den Sone en de H. Maria ook ten tooneele. De Moeder Gods pleit, met warmte ten voordeele van Brugge opdat haar zoon de vrome stad in zijn hoede zou nemen, waarop den Sone haar de verzekering geeft, dat hij Brugge zal sparen om zijn moeders wil.
De smeekbede van Maria tot de H. Drievuldigheid is zeer kenschetsend voor de gevoelens der zestiendeeuwsche Bruggelingen tegenover de Hollanders.
De Hemelsprake van 1644 is heelemaal in denzelfden geest opgevat. Ten gevolge van het vertrek van den veldheer Cantelmo maakte Holland zich gereed om Vlaanderen te overvallen en de klachten van L. Vossius hadden meer actualiteit dan ooit gekregen.
Nederland, eenmaal zoo rijk en machtig in eendracht, begint de Hemel-sprake met een jammering over de verdeeldheid die nu onder haar bewoners heerschten haar ten ondergang zal brengen.
Het besef der Nederlandsche eenheid leeft nog bij Lambert de Vos. De strijd, dien hij hier schildert, in 1644, schijnt voor hem nog niet een strijd tusschen twee verschillende natiën, maar een broederveete in den schoot van één en hetzelfde vaderland. Deze opvatting spreekt althans duidelijk uit de volgende klacht van Neder-landt:
Doch al spoedig neemt het antagonisme Vlaenderen en Hollant de overhand en de broeders staan fel en heftig tegenover elkander als rasvijanden. Ze zweepen elkanders driften op. Hollandt zingt in strijdrhytmus, op de wijze van La belle Caliste: