terug  begin  verderprepost

XV. De Veldtocht van 1635-1636 - Inneming en Verlies van de Schencke - Schans - Het ‘Raffelspel’ om de Schans

[p. 305]

De derde belangrijke episode uit den veldtocht van 1635-36, ondernomen door de verbonden Staatschen en Franschen ter verovering der Spaansche Nederlanden, was de inneming van de Schenckeschans.

Na hun mislukte poging tegen Leuven vluchtten de verbonden troepen naar het Noorden, op de hielen gevolgd door de legers van den Prins Kardinaal en van Picolomini. Deze laatste drongen door tot in Gelderland en daar zij er op het einde van de maand Juli 1635 goede kans toe zagen om de Schenckeschans te veroveren, besloten zij dien slag te slaan.

De Schenckeschans was een vermaarde vesting, in 1584 door den kapitein Maarten Schenck gebouwd op het eiland 's Gravenweerd, tusschen Rijn en Waal in de Betuwe. Deze schans, die den naam van haren bouwer droeg, werd, de poort of de sleutel van Holland bijgenaamd. Wie er meester van werd had den weg open naar Arnhem en al de Geldersche steden. Totnogtoe was deze vesting nooit door een vijand ingenomen.

Na zijn aftocht uit de Spaansche Nederlanden zag Frederik Hendrik zich genoodzaakt Graaf Willem, die een aantal grensplaatsen bezet hield, waaronder de Schenckeschans, met een aantal troepen tot zich te roepen, wat voor gevolg had dat de garnizoenen van deze plaatsen zeer verzwakt werden.

Zoodra de Kardinaal Infant vernomen had, dat er in de Schenckeschans niet veel soldaten meer aanwezig waren, zond hij er vijfhonderd man op af, onder de leiding van Joris Eynhouts, luitenant van den graaf van Embden. Geleid door een gids, bijgenaamd ‘den Knapschenkel’, trokken zij 's nachts doorhet land van Kleef tot aan het Spui en het Huis te Rylandt De gouverneur

[p. 306]

van Emmerick, in den waan dat deze opmarsch hem gold, liet nog inderhaast, niettegenstaande het verzet van den bevelhebber der vesting, zestig man uit de Schenckeschans weghalen. Toen vernamen de troepen van Eynhouts, dat er nog enkel een honderdtal soldaten in de schans aanwezig waren.

Dan hebben zij zich met aken laten overzetten van het Huis van Bylandt naar 's Gravenweerd. Zij rukten in den nacht op naar de schans en vielen ze bij laag water langs twee kanten te gelijk aan. De bevelhebber Welders verdedigde zich dapper en slaagde er in twee maal den stormloop van Eynhouts' troepen af te weren. Toen kwam een derde troep aanvallers langs achter opdagen. Welders werd gevaarlijk gewond en de totnogtoe onver-winbaar geachte schans was in minder dan een klein uur in handen van Eynhouts.

Al wie op den wal of met het wapen in de hand werd aangetroffen werd gedood. Vrouwen of kinderen waren in de schans niet aanwezig.

 

I. Al de bovenstaande bijzonderheden ontleenen wij aan een los blaadje, waarop bij een voorstelling en een plattegrond van de Schenckeschans (zie blz. 304), het verhaal van de inneming voorkomt onder het opschrift: Corte ende waerachtige beschrijvinghe van het Fort van Schencken-Schans, hoe die door een secreten aenslach van des Conincks volck inghenomen is den 28 Juli 1635.

Het blad vond men te ‘coope t'Antwerpen, By Jacob Mesens, op de Lombaerde vest, in den Gulden bybel’1.

 

II. Op veel plaatsen is dit verhaal in tegenstrijdigheid met een Fransch relaas te Brussel uitgegeven ‘Chez la Vefve d'Hubert Anthoine Velpius, Imprimeur juré de la Cour, à l'Aigle d' or pres du Palais, 1635’. De volledige titel van deze laatste brochure luidt als volgt: ‘La plus particuliere Relation de la Prise du Fort de Schencke, sur les Hollandais. Le progrès de l'armee Catholique en Gueldres, soub l'heureuse conduite de l'Infant Cardinal: des armées Impèriales soub celle du Roy de Hongrie. Et l'expiration de la trève entre les 'Royaumes de Polongne et de Suede’.

Het is werkelijk alsof deze Relation geschreven werd om zekere verkeerde of door de Spaansche regeering minder gewenschte voorstellingen van het gebeurde terecht te wijzen. De eerste volzin van dit vlugschrift luidt inderdaad als volgt: ‘Les derniers advis sont toujours les plus certains et mieux circonstanciez, c'est pourquoy on dict communement qu'il faut attandre le boiteux’.

De kreupele bode schijnt wel eerst een omweg te hebben gemaakt langs de regeeringskringen vooraleer bij den drukker aan te landen, want zijn

[p. 307]

voorstellingen luiden veel gunstiger voor de koninklijke troepen. Waar de Nederlandsche Beschryvinghe vertelt, dat al wie met de wapens in de hand aangetroffen werd door de overwinnaars gedood werd en dat er noch vrouwen, noch kinderen in de schans aanwezig waren, schrijft de Relation het tegenovergestelde: ‘...Ceux cy estant entrez glorieusement dans le Fort, ils ont néanmoins usé de la victoire avec toute modération, sans tuer, piller, ou mal-traicter personne. La première chose fut de faire entrer dans l'Eglise tous les soldats et habitants, et congedier les femmes de ceux là, à chascune desquelles ils permirent d'emporter sept on huit patacons, et à celle du Gouverneur cent, le reste demeurant au pouvoir du vainqueur’.

Deze grootmoedigheid werd in de pamfletten tegen de Hollanders herhaaldelijk geprezen in tegenstelling met de wreedheid en de vernielingswoede door de Hollandsche en Fransche troepen te Thienen en elders in Brabant aan den dag gelegd.

Verder deelt de Relation mede, dat 300 Geldersche soldaten met wagens en handmolens de Schenckeschans-bezetting kwamen versterken, en dat er later nog 2000 man hulptroepen werden ondergebracht. Nauwelijks in de vesting binnen, konden de Spaansche troepen op den Rijn, drie schepen aanhouden, geladen met kanonnen, acht en negentig duizend pond buskruit, een wind- en een paardemolen, tarwe, rogge, enz. De Gouverneur Welders stierf aan de ‘dertien wonden’ die hij had ontvangen. Hij werd door een priester uit Kleef bijgestaan en ontving uit diens handen de laatste sacramenten, ‘après qu'il a eu abjuré l'heresie et tesmoigné de coesur et de bouche plusieurs actes de contrition’. De nieuwe bezetting groef een kanaal om den Rijn in de Waal te laten loopen, tusschen het fort en de Betuwe. Zoo kon zij de aanvallen aan dien kant beletten en de wateren van Rijn en Yssel van peil verlagen ten einde een inval in de Veluwe te vergemakkelijken.

Op Zondag 29 Juli werd er in de Schenckeschans een dank-processie gehouden en ook te Brussel zong men een Te Deum laudamus.

Deze overwinning gaf aanleiding tot een reeks Brabantsche spotgedichten tegen de Hollanders en hun Fransche bondgenooten.

 

III. Zonder naam van plaats noch drukker verscheen: De Velle Schencken / die welcke den Prince / Cardinaal / ghevonden heef / Buyten het maegher huys d'welck / de Staten van Hollant dit jaer ghebouwt hebben. Van dit gedicht raadplegen wij ‘Den tweeden druck, vermeerdert ende verbetert door M.B. / Ghedruckt in den Franschen dans / In het fort van de Schinc-Schans/’.

Het is een doorloopende bespotting van Frederik Hendrik's onderneming tegen de Spaansche Nederlanden. Het huis dat hij daar bouwen wilde met

[p. 308]

‘Hollants gruys’ en ‘Frans ghespuys’ stond op slechte ‘fondamenten’ van ontrouw en rebellie en moest instorten. Frederik Hendrik was een onbevoegde ‘Bouman’. De spotdichter verlaat het thema van het ‘wanckelbaere’ huis, en wil verder een ‘dronck uit een ander vaetjen’ tappen. Hij gebruikt nu het reeds bekende thema van den Prins Kardinaal door zijn vijanden voorgesteld als een kind. Het kind heeft tanden gekregen!

 
Ghy achten den Cardinael te jonck
 
Ghy aensaeght hem, voor een kindt
 
U ooghen waeren wel verblindt
 
Ghy hebt hem doorgaens willen wieghen
 
Hy kost niet slaepen om die vlieghen
 
Die uyt Vranckryck op hem vloghen.
 
Die wieghers zijn daer-me bedroghen.
 
Het kindt wirdt eenen stercken knecht,1
 
Het heeft hem-selver opgerecht
 
Het kindt stont vast op bey zyn been
 
Het kindt gingh wel haest alleen
 
U docht het kreet / zyn kaecken branden /
 
Twas teecken van den wasch der tanden
 
Die zyn ghewassen op korten tijdt
 
Dat t' kindt nu door de Schencken bydt
 
Die tanden zijn van goeden aert
 
Die tanden dienen niet ghespaert.

De woordspeling op Schenckel-Schinkel-dijbeen (een van de gezochtste deelen van het beest) lag hier voor de hand. Het lekkere beetje dat zij nu in bezit hebben, zal den lust der Spaansche soldaten opwekken om er nog andere in Holland te veroveren. Elke stad, elke streek, die de Prins Kardinaal in het Noorden nog winnen kan, wordt nu ook als een schinkel voorgesteld.

 
Het zij die komen uyt Westphaele
 
Oft over den Rhijn oft van den Waele
 
Van de Beesten van 's Graven-weert
 
Worden de Schencken wel begheert.
 
Daer vint men altijt vette Vercken
 
Dat sal den Spaignaert nu wel mercken
 
Proeft hy hoe den Schenckel smaeckt
 
'k Wed' hy 't beentjen niet en laeckt
 
Al waert maer om het mergh te suyghen
 
Dat sal de heele Beduwe tuyghen
 
De Beduwe heeft veel schoon ossen
 
Die zijn al vet men maghse bossen2
 
Sy hebben Schencken dick en vet
[p. 309]
 
Weerdigh hunnen Heer eens voor-gheset/
 
Den grootsten schenck is door-ghebéten
 
Men sal voortaen wat merchs eten /
 
De Schenck was van een groote koe /
 
Maer daer-me en komt den Prins niet toe.
 
Sa soeckt Schencken van Patrijsen
 
Die sal men u in de Veluwe wijsen
 
Ontbiet nu eens aen die van Thilt
 
Dat hy Schencken hebben wilt
 
Van Kappuynen oft van Haenen
 
Sy zijnse schuldigh ghy moetse maenen
 
Boyt den Bisschop van Utrecht
 
Op dees Schenck soo died' hem recht
 
Ontbiet van die van Amsterdam
 
Om wat Schencken van een lam
 
Kompt hy dan noch wat te kort
 
Soo seynt den Bode eens naer Dort
 
Doet oock die van Arnhem weten
 
Hoe ghy schenck hebt leeren eten
 
Wilt ghy schencken van een hert?
 
Schrijft aen die van Bommelrewert
 
Soeckt ghy schencken van End oft Gans
 
Die vindt men binnen Schencken-schans
 
Begheerder meer doet eenen wenck
 
Emmerick brenght u oock eenen Schenck
 
Staen die soorten u niet aen
 
Soo moeght ghy eens naer Vrieslant gaen
 
Doet provisie van dees Schencken
 
Ghy kont Hans-Geus daer me krencken.

IV. Dat de Spaansche en keizerlijke troepen, na de inneming van de Schenckeschans, hun jacht op schinkels ernstig voortzetten, blijkt o.a. uit het spotgedicht: Tsaemen-spraeck / tusschen / die Moert / ende / die Vrauw / over haer / gestolen Koeyen / inde / Betuwe, zonder naam van drukker noch plaats, ‘Gedruckt in de Stadt daer de kans verkeert is’1.

De ‘maert’ heeft een troep vreemde ruiters zien aankomen en vraagt aan de ‘vrouw’ wat voor landslieden het zijn.

 
Vrauwe / wat syn dit voor gasten
 
Die hier comen in 't landt /
 
Ick sien sy draegen quasten /
 
Hun spraack is onbekandt.
 
Sy voeren cromme sweerden /
 
Sy vraegen al naer gelt /
[p. 310]
 
Sy hebben lichte perden /
 
Sy vliegen over t' velt.

‘Dit zijn Croaten’, legt de vrouw uit, ‘zij komen de Betuwe eens bezien, gij hoeft niet te vreezen’, beweert zij verder geruststellend. Doch de ‘Maert’ heeft de ruwe kerels al aan den gang gezien, en schetst dan tamelijk realistisch een tafereel van hun rooftochten.

 
Hoe Vrouw zyn dit soldaten?
 
Ick sachse voor duyvels aen /
 
Ick hoordense daer praeten /
 
Ick sachse sterlincx aen,
 
Docht wat sijn dit voor haenen /
 
Soudent oock menschen sijn /
 
Die hier comen ter baenen /
 
En soo gemonteert zijn.
 
Ons koeyen ende peerden /
 
Die inde weyde gaen /
 
Sy metter haest aenveerden /
 
En voor hun dreven aen.
 
Ick riep met luyder stemmen /
 
Wat gaet u duyvels aen /
 
Sijt ghy nu heel van sinnen /
 
Laet toch ons koeyen gaen.
 
Ons Vrouw sal my bekyven /
 
Als ick sal t' huyswaert gaen /
 
Dat ick die koeyen laet dryven /
 
Laet toch ons koeyen gaen.
 
Niemant en sprack van allen /
 
Maer lachten allegaer /
 
Sy lieten my' al kallen /
 
Als ick hun volgde naer.
 
Eenen Duyts quam daer gheloopen /
 
Potz Slaperment wat is dat /
 
Wat wilt dese hoere al roepen /
 
Eenen voet past op haer gat.
 
Hy stiet my haest ter aerden /
 
Ick viel in eene gracht /
 
Al eer ick my omkeerden /
 
Ick en had dat niet verwacht.

Tot grooter ontzetting van de vrouw vertelt de ‘Maert’ ook nog hoe de paarden der hoeve weggedreven werden.

 
Den wech die sy daer namen /
 
Trock recht al naer die Schans
 
Daer dreven sy te samen /
 
Beesten met kudden gans.
[p. 311]

De vrouw besluit met een bittere klacht over den ellendigen toestand der landlieden. De prins heeft hun geld gekregen en nu is hij niet meer in staat om het land te verdedigen. De Croaten en de prins vereenigt zij in één vermaledijding.

 
Den duyvel machse haelen /
 
En oock die pestilence /
 
Tis nu al niet met allen /
 
Waer is zijn excellence /
 
Die ons soud defenderen
 
Voor al ons gelt en goet /
 
Nu comen ons braveren
 
Vremden tot inde doot.
 
't Gelt heeft den Prins bekomen /
 
Die koeyen gaen oock voort /
 
Die peerden sijn ghenomen /
 
Het wert al wech gevoert.
 
Nu roepen die Spaignaerden
 
Haes-op vive le Roy
 
Ghy en sult hier niet meer aerden
 
't Lant segghen sy / is a moy.

V. De lasten, die op de Betuwe en ook op de overige gewesten van Noord-Nederland drukken na de inneming van de Schenckeschans, worden nog uitvoeriger opgesomd en besproken in het volgende belangrijke spotgedicht: T'saemenspraeckinghe / tusschen den Borgher / van Amsterdam / ende den Boer / uyt de Betuwe / Hoe sy hun beklaeghen / over die groote lasten die sy moeten draeghen / t'sedert het overgaen van de Schenckeschans. / Met twee royen is hy weerdigh geslaeghen, Die zijnen wettighen Koningh niet en wilt verdraegen. (Houtsnede zonder verband met den inhoud) Gedruct in den grooten NIET / Dobbel betaelen is syn bediet1.

De Amsterdamsche burger ziet een boer klagend en jammerend verschijnen en vraagt hem wat de oorzaak is van zijn verdriet. De boer komt uit de Betuwe, waar nu gevochten wordt tusschen Staatschen, Spanjaards, Franschen en Keizerlijken, en hij schildert een treffend beeld van de plagerijen, knevelarijen en plunderingen, waarvan hij en zijn streekgenooten de slachtoffers zijn.

 
Ick sat gherust / sonder vreese / en alsoo soet
 
Vrolijck van herten / in mijn Vaders contryen /
 
In de beste Landen / alder-schoonste weyen
 
En waeren daer noyt met een achterdincken.
[p. 312]

Maar nu is alles veranderd. Hij heeft allen moed verloren en kan de tranen in zijn oogen niet weerhouden.

 
Daer wy met weye oft boter-melck te vreden waeren /
 
Ofte ten hoogsten bier; t' is nu al van den claeren /
 
Boer t' sa schenckt ons den coelen Renschen wyn /
 
Gheeft ons daer Haenen en Hinnen met de dosyn /
 
Daer by noch willen wy schoon Pataconnen /
 
Al hadde ickse daer met grooter tonnen /
 
Ick soudese haest hun hebben gegheven.

Het tafereel dat de boer hier ophangt, is zeker wel de moeite waard om er, vooral als tijdsbeeld, de aandacht op te vestigen.

 
Het staeten volck moeten wy nu logeren
 
Het Koninghs volck daer by oock contenteren
 
Van d'een en d'ander worden wy dapper besocht /
 
Sy comen al oft sy daer uyt de locht
 
Met menighten waeren by naest ghevallen /
 
Wat sal ick al segghen? Ick en kans niet callen
 
Wat dat wy nu al moeten verdraeghen /
 
Men kan niet doen naer hun goet behaeghen /
 
Want den eenen en ist niet wel gekockt
 
Den anderen ist te seer gebrockt
 
Den eenen te dun / den anderen dick /
 
Den anderen seyt ick my verstick /
 
Den eenen gesoeden den ander gebraeden /
 
Wie soude doch sulcken gasten versaeden /
 
Den eenen wilt suet den anderen suer
 
Den eenen die spreeckt daer schamper en stuer /
 
Den eenen wilt bier / den anderen wyn
 
Noch wel ghesuyckert...

Al die kwellingen overwegende, richt de boer zijn woede tegen degenen, die er volgens hem de oorzaak van zijn. En die Betuwsche boer spreekt natuurlijk heelemaal in den zin van den Spaansch-Brabantschen dichter van het pamflet. Hij valt alleen uit tegen den Prins van Oranje, tegen de Staten en tegen de Franschen en veroordeelt hun politieke plannen, waarvoor hij gedwongen werd diep in zijn beurs te tasten en die hem nu niets anders dan leed berokkenden.

 
...Gheplaeght moet zyn
 
Die ons dese plaeghe op onsen hals
 
Ghebroght heeft / dien Orangien vals
 
Ramp moet hem sijn / ramp oock de staeten
 
Ramp moet oock wesen de Fransche soldaten /
 
Ramp moet oock wesen dien boesen raet /
[p. 313]
 
Te conquesteren den Brabantschen staet;
 
Sy souden ons lasten daer hebben vermindert /
 
Maer siet sy hebben ons meer gehindert /
 
Als sy hebben verlaten hunnen eyghenen nest
 
Nu komen die Croaten ende halen het best;
 
Soo dat wy voor al ons gegheven ghelt /
 
Noch moeten hooren ghy Boeren telt
 
Dat silver en gaudt al met der daet
 
d' Welck ghy de Staeten met hunnen praet /
 
Daer hebt gegheven u Boeren sweet
 
De Staeten die swoeren al by den eet /
 
Het sal het leste wesen van uwe lasten
 
Daerom wilt doch diep in 't borseken tasten /
 
Want Brabant en Vlaenderen hoort ons nu tauw /
 
Artois, Antwerpen, ende oock Henegauw,
 
Maer siet het verkeer van hunnen disseyn
 
d' Welck sy seyden dit is doch myn /
 
En kennen nu niet besitten in vreden /
 
Noch landen noch dorpen / noch allen hun steden /
 
Hebbent platlandt ten besten gegheven...

De burger zoekt den boer te troosten met hem te verzekeren, dat de Staten overal soldaten zullen zenden om de Croaten te verdrijven. ‘God beware ons!’ roept de boer, ‘Geen soldaten meer!’ - ‘Ja maar’, weerlegt de Amsterdammer, ‘de Hollandsche soldaten zijn beleefd en tevreden met alles wat men hun geeft’. De boer is volstrekt niet van dat oordeel:

 
Onse soldaeten zijn meestendeel guyten /
 
Sy weten te vinden het huynderen kot /
 
Sy begheren den wyn oock met den pot /
 
Sy begheren oock ghelt / en andere waer /
 
Sy rooven het huys ende maeckent klaer /
 
Sy zijn beleert al naer u praeten /
 
Had het ghy ghevoelt al met der daeten /
 
Alsoo en soude ghy doch niet spreecken / siet
 
Want ick hebbe ghevoelt dit groot verdriet /
 
d' Experientie doet voor waer vertellen /
 
Ick en sagh mijn leven noyt sulcken ghesellen /
 
Die ons Landt met den sweerden moeten beschermen
 
Sy eten ons op tot op onse dermen...

Op verzoek van den burger geeft de boer nog meer bijzonderheden over de handelwijze der troepen in de Betuwe. Wij denken bij het lezen onwillekeurig aan de bekende prenten, waarop David Vinckenboons levendig en onderhoudend toont hoe de Spaansche soldaten bij de boeren gedurende den oorlog huis hielden.

[p. 314]
 
Al hadde ick noch een jaer ende dagh
 
En soudet noch niet al konnen segghen
 
d' Welck ons die soldaeten nu oplegghen
 
Men soudender Cronycken seer groot aff maecken
 
Ende seer qualyck tot het eynde geraecken /
 
Wy kryghen van 't Krijghs-volck soo menighen stoot
 
Sy maecken ons kael / sy maecken ons bloot.
 
- Passeren daer Spainiaerds met groote hoopen
 
Wilte-broodt moeten wy terstont gaen koopen /
 
't Is niet de bier Patroon / maer wyn met sloopen /
 
t' Is schampa Boratzo, moeten henen loopen /
 
t' Is Gallina Patrona, Capona, wy moeten ver-ermen /
 
Sy steecken soo menigh Haen en Hin in hun dermen /
 
't Is hun alleveleens waer dat zijt haelen /
 
- Passeren daer Bourgenoints ofte Waelen
 
Sy stelen ons de eyeren en de Huynderen mede /
 
Hoe souden wy konnen betaelen ons bede?
 
t' Is al verbeurt d' welck niet en is in stede
 
Moeten snel loopen / oft wy in poste rede
 
't Is Bouger / meschant / Lutheraen / wy kreyghen /
 
Ten helpt gheen schoon spreecken / oftestuypen oft neyghen /
 
t' Is flocx hael de blan pain, daer by goet bier /
 
Wy moeten hier slempen en maecken goet cier /
 
Ick moet het al haelen / daer by noch swijghen /
 
Oft ick sal Stockvis sonder boter krijghen.
 
- Passeren daer de Duytschen ofte Croaten /
 
Dat zijn wel soo wonderlijcke soldaeten /
 
De verborghen schatten konnen sy daer ghevinden /
 
Het schijnt datse onse ooghen oock wel verblinden /
 
Oock onse beste kleederen die wy t' Sondagh draeghen /
 
De koyen uyt den stal al sonder vraeghen
 
Ontbinden sy / en gaender mede henen streycken.
 
Wy hebben het druckelyck sien / en droevigh keycken /
 
Sy vloecken seer veel by de slaberementen /
 
Flocx Vader gheeft ons ghelt met elementen
 
Er bist rijck genogh / noyt meerdere peyn
 
Gheef ick een schaep daer by een sweyn /
 
Ten is niet genogh moet gheven den wijn /
 
Ick wenschte hun dickmael regael ofte fenijn /
 
Bersten moeten sy daer mede / ramp moet hun scheynen /
 
Den Duyvel moet hun haelen / en soo verdweynen.
 
- Passeren daer het Staeten volck / t' is al eene /
 
Van rooven en stelen / sy maeckent ghemeene /
 
Konnen oock wel roepen / om gelt / om wijn
 
Wie soude aldus noch langher willen ghebrielt zijn?
 
Dedent wy niet / sy ons dapper sloeghen /
 
Ende met stocken ten huysen uyt-joeghen;
[p. 315]
 
Doen dit Prince Soldaeten / doen dit onse vrienden /
 
Wy mochten ons wel van den eedt ontbinden /
 
Sullen wy ons noch soo langh laeten krincken?
 
De trauwe is ewegh / t' recht sietmen hincken /
 
Niemant en sietmen de waerheydt voorstaen /
 
Het welvaeren des landts / siet men heel vergaen /
 
Daerom wil ick wegh / ende niet verbeyden.

De burger is van oordeel, dat de Betuwsche boer nog geen reden heeft om het land te verlaten. Hij heeft gewis geld en goed verloren, maar zijn vrouw, zijn kinderen, zijn woning zijn nog ongedeerd gebleven. De Amsterdamsche burger wordt hier weer de tolk van de eigen meening van den Brabantschen pamflet-dichter, en maakt den boer duidelijk, dat hij zich nog gelukkig mag achten ontsnapt te zijn aan de gruwelen door de Hollandsche soldaten te Thienen bedreven. En de boer bevestigt dat het waar is:

 
...Sy hebben de Schencken-Schans vereert /
 
De Dochters en Vrouwen / en Meyskens allegaer
 
Hebben ongescheynt gelaeten / dit is doch waer /
 
Noch branden / noch moorden en hoor ick niet /
 
Noch datter yet quaets hun is geschiet /...

En waarheen zoudt gij trekken, indien gij uw landerijen verliet? vraagt de burger. Naar de stad, luidt het antwoord. Daarop betoont de Amsterdammer eerst, dat de boer, gezien zijn aard en zijn bedrijvigheid zich volstrekt niet zou thuis voelen in de stad en er diep ongelukkig zou zijn. Overigens het heele stadsleven is ten gevolge van den oorlog onuitstaanbaar geworden. De stedeling is er zoo slecht aan toe als de landman.

 
't Is nu al anders in de Stadt te woonen /
 
Dat sal ick gaen met der daet betooaen.
 
Wy ginghen wandelen naer ons plaisir /
 
Wy vaerden van d'een tot d'ander quarlier /
 
Wy roetsten / wy reysden naer onsen sin /
 
Wy dreeffden den handel / naer 't meeste ghewin /
 
Wy en wisten van vijandt / noch vijandts ghewin /
 
Wy waeren sonder vreesen / 't was al vriendt /
 
Maer t' sint dat wy daer hebben verloren /
 
De Schencke-schans sterck / seer uytvercoren /
 
Soo sijn wy daer in de steden gesloten /
 
Als voghelen in een gawoel1 ofte koten /
 
Oft ghelyck een muys al in de val /
 
Komen wy uyt de steden soo verliesement al /
 
Buyten de muren en zijn wy niet vry
 
Maer worden gevanghen / geslaeghen daer by /
 
Altijdt in de Stadt te wesen en is gheen profeyt /
[p. 316]
 
Want ons commenschap1 daer niet en bedeyt.
 
De steden en zijn nu oock niet sonder Soldaeten /
 
Midts dat onse onmachtighe Staeten /
 
Moeten nu versien de principaelste steden /
 
Hier op te kreunen / soo hebben wy reden /
 
Want de soldaeten die in de garnisoenen zyn /
 
En sullen daer niet wesen voor een kleyn termeyn
 
Maer blijven daer teenemael op den hals /
 
Maer op de dorpen qualyck in als2
 
Eenen dagh ofte twee in uwe quartier /
 
Meught daerom wel maecken sulcken getier?
 
Laet ons klaeghen die hun jaer ende dagh
 
In ons huysen hebben / d' welck ick noyt en sagh /
 
Meynt ghy dan in de Stadt sonder soldaeten te zyn?
 
Neen Landtsman / want ick segghe u certeyn /
 
De soldaeten die moeten nu de steden bewaeren /
 
Anders sullen wy daer qualyck vaeren /
 
De garnisoenen stellen de staeten seer sterck /
 
Want de Schencke-schans die geeft ons werck:
 
De steden die noyt garnisoen en saeghen /
 
Die worden nu besocht met sulcken plaeghen /
 
De steden die zijn der nu qualycken aen /
 
Sy moeten nu soo menigh soldaet ontfaen /
 
Sy zijnder soo deerlijck mede gequeelt /
 
En allen de waeren die gelden groot geelt /
 
De traffieck en gaet niet gelyckse plagh /
 
Daer komen veel borsen al voor den dagh /
 
Die ydel zijn / wilt dit verstaen /
 
Veel hebben ghewrocht en luttel ontfaen.

Burger en boer worden het dan roerend eens om den Prins van Oranje en de Staten de schuld van al hun leed aan te wrijven. De burger schimpt op de vlucht van Frederik Hendrik voor Leuven en op zijn onmacht om de Croaten buiten zijn land te houden, waarop de boer nogmaals met nadruk betoogt hoe onverwinbaar de Croaten zijn. In de steden, verzekert de burger, zal het tot een ‘muytineren’ komen.

 
(Ze) vervloeckten Oraignen / de Staeten daer by /
 
Sy willen hun drijven uyt de Provincien vry /
 
En nemen den Koningh hunnen sovereyn /
 
Niet eer en sullen wy zijn uyt deze peyn.

En de boer stemt daar onmiddellijk mede in. Hij verlangt vurig om te kunnen terugkeeren naar de tijden vóór den opstand, toen alles eendracht en vrede was. Hij pleit geestdriftig voor het goede recht van den koning van

[p. 317]

Spanje op de Nederlanden en eindigt met den Prins Kardinaal in al zijn verdere ondernemingen voorspoed en geluk te wenschen.

 
Godt gave dat wy dien tijdt doch sien mochten /
 
Te leven eenpaar / ghelijck onse voorauders plochten /
 
De Landen vereenight / onder een bevel
 
Des Koninghs: anders en salt noyt wesen wel /
 
Daer souden veel herten van vreughden opspringhen /
 
Men souden soo menigh Liedeken singhen /
 
De vreese der waepenen daer souden vergaen /
 
Als wy onder onsen wettighen Koningh staen /
 
Die kan ons bevrijen van allen gewelt /
 
Daer wy nu soo langhe zijn mede gequelt /.
 
Want alsoo langh als dit noch niet en is /
 
Hebben altijt den Krijgh / dit is ghewis /
 
Den Koningh die sal altijt zijn Landen begheren /
 
Hierom, sal hy allen zijn croonen werderen /
 
De Landen zijn hem wettigh / t' is zijn patrimonie goet /
 
Wat willen wy langher krijghen? Heeft nu eenen voet
 
Om de Betuwe, Veluwe omvry te maecken /
 
Seer lichtelijck sal hy aen sijn Steden gheraecken.
 
Prince dan van Spaignen, wy bidden u gheluck /
 
Wilt ons bevrijden van het oorlogh stuk /
 
Wilt ons doch trecken uyt onse tyrannije /
 
Wilt ons doch verlossen van de Geusche partije
 
Wilt ons toch brenghen de soete ruste /
 
Wilt ons doch stellen in 't Landts welluste /
 
Wilt ons u aensicht schoon ten toone gheven /
 
Wilt ons den Koningh seer hoogh verheven /
 
Gheven tot eenen blydelycken soen /
 
Op dat wy krijghen zijn genaedigh pardoen.

De Brabantsche spotdichters, die met Frederik Hendrik, naar aanleiding van de verwoesting van Thienen en van het opbreken van het beleg voor Leuven, al zoo herhaaldelijk den draak gestoken hadden, vonden nu bij de inneming van de Schenckeschans een nieuwe gelegenheid om hun pijlen tegen den Prins van Oranje te richten1. De aanzienlijke reeks schimpdichten tegen hem wordt hier met ettelijke eenheden vermeerderd.

 

VI. Wij vermelden hier in de eerste plaats: Den rollewagen van den Prince van Orangien, met het volgend onderschrift.

 
Die een ander veracht, seer qualijck bedacht,
 
En noemt te wesen een kint,
 
Men siet uyt syn kecken, weert om te begecken
 
Want hy het selfste bedient.
[p. 318]

(Voorts hebdy hier noch particulariteit van Schencke-Schans) Ghedruct buyten's graven Haegen / Int Schans by den Rollewaghen1.

Zooals de titel het reeds aanduidt wordt hier de Hollandsche spot, die den Prins Kardinaal, wegens zijn jeugd, als een kind in een rollewagen voorstelde, door den Brabantschen dichter opgenomen en tegen Frederik Hendrik gekeerd. Nu is de Hollandsche Prins het kind, dat eerst te Thienen en te Leuven ‘gestoofd’ en ‘gepurgeerd’ werd en nu in zijn rollewagen voor de Schenckeschans werd gebracht om er ‘den tant getrocken’ te worden.

 
Ontrent de Schencken-schans,
 
Daer trocken sy hem gans
 
Den tant al wt den mont,...

Het is een merkwaardige tand, gaat de spotdichter voort. Er zaten allerlei onverwachte rijkdommen in. En dan somt hij den buit op van kanonnen, schepen, graan, wijn en dies meer, die bij de inneming in handen van den Prins Kardinaal waren gevallen.

 

VII. Een ander spotdicht, geschreven na hetzelfde wapenfeit is Den ghefalierden Wisselbrief van de Philipynen getrocken op Schencke-Schants, Den 28 Juli, &c. Geret, Peter, en Handrick [Vignet] Ghedruckt int Jaer 16352.

Gerrit en Pieter wachten ongeduldig op den bode, die hun een wisselbrief moet brengen. Al drie dagen is hij over zijn tijd. Zij maken zich ongerust. Bedoelde wisselbrief is in werkelijkheid het bericht van de voordeelen, die de Prins van Oranje in Vlaanderen heeft behaald. Eindelijk komt de bode Hendrik eu vertelt, dat de wisselbrief in Vlaanderen niet betaald werd, en dat men hem ermede naar de Schenckeschans zoud, waar hij ook alles behalve voldaan werd.

 

VIII. Bij de zelfde groep kunnen wij nog rangschikken: Het krijten en lachen van Brabant over het lachen ende krijten van Hollant, met het volgende rijmpje:

 
Lachen en krijten hoort dit bediet,
 
d' Welck in Hollant en Brabant geschiet,
 
Hollant dat lacht en krijt daer naer,
 
Brabant dat krijt en lacht eerbaer.
 
Welck is te kiesen in dit gelach?
 
Naer te lachen, en veur beklach.

(Alsoo veel hebben die naer / als die voor lachen) / Ghedruct al daer men plagh, / In het krijten, aldernaest den lagh3.

[p. 319]

Frederik Hendrik, eerst vergeleken bij den hoogmoedigen Aman, verliest alle kansen in het Zuiden en ten slotte ook de Schenckeschans in het Noorden.

 

IX. Een eigenaardig gedicht aan den Kardinaal Infant opgedragen ter gelegenheid van de verovering der Schenckeschans, is stellig Den Bril / op den Neus / vereert aenden / Prince / Cardinael / dienende voor alle gesicht, uitgegeven met het schertsend rijmpje ‘Ghedruckt in het huys, daermen sonder Brill siet’, in de plaats van drukkersnaam en plaatsaanwijzing1.

Dirk de Brillenverkooper prijst zijn waar. Hij heeft brillen voor alle oogen, alle neuzen; voor alle heeren, geestelijken en wereldlijken. Terwijl hij aldus bezig is, ziet hij een voorname groep naderen. Hij wil terzijde gaan, maar Nicolaes de Schipman raadt hem aan te blijven. Het is een buitengewone gelegenheid, die zich aanbiedt.

 
Neen Derck ghy meught wel blijven, het is den Prins Infant,
 
Die ons nu is ghekommen uyt Spanien in dit Landt.
 
Roept eens met luyder stemmen dat ghy brillen vercoopt
 
Hy mocht wel eenen coopen, als ghyen niet dier verkoopt,
 
Maer Derick t' sou beter wesen, dat ghy hem presenteert
 
Een van u beste brillen, en dien hem oock vereert

De Brillenverkooper volgt dien raad en biedt den prins een bril aan, waarmede deze plotseling allerlei nieuwe landerijen, stroomen, steden en dorpen ziet. Hij ontwaart de Betuwe, de Wael, den Rijn, Nymwegen, Arnhem, Morckum, Gorcum, Culenborg, Vianen, Buren, Utrecht, Leerdam, Wyk, Rhenen, enz. Al de plaatsen op wier verovering de Schenckeschans nu vooruitzicht gaf. Een van de geestelijken uit het gezelschap van den prins zet ook den bril op en ziet allerlei nieuwe ‘Canonesdynen, Prebenden en Pastorijen’, die daar zonder geld zullen te verkrijgen zijn; en een wereldlijke uit het gezelschap ziet door den hem eveneens opgezetten bril heele ‘hoopen officien open staen’, die nu ook kosteloos zullen uitgedeeld worden!

In de vier laatste verzen wordt dan bekend gemaakt, wat de lezer stellig al gevat had, nl. dat de bedoelde wonderbril, die zulke aanlokkende vooruitzichten opende, de Schenckeschans was.

 
Wie sou connen verdienen die deugt van desen bril
 
Geen goet can hem betaelen, coopt vry alsulcken bril
 
Maer toeft laet hem weer geven den Cardinael Infant
 
Dat hy dien mach bewaren, t' is een seer costelyc pant.
 
Geen schenc is hem gegeven, grooter als Schenckelschans
 
Gheen schenc is hem ooc beter als dese stercke schans
 
Neemt nu Prins Cardinael den bril is u vereert
 
Die Schenc ons had doen maecken die kans is heel verkeert.
[p. 320]

De opschudding door het verlies van de Schenckeschans verwekt, was in Holland zeer groot, en hier worden wij er onvermijdelijk toe gebracht om ook een woord te zeggen over enkele Noord-Nederlandsche politieke gedichten, naar aanleiding van deze gebeurtenis uitgegeven. Er wordt in die stukken overigens voortdurend op de Zuid-Nederlanders gezinspeeld.

 

X. Een eigenaardige weerspiegeling van de gemoedsgesteldheid der verschillende Nederlanders vinden wij in De Nederlansche Boeren-Twist, een los blad in plano, zonder naam van drukker noch jaartal uitgegeven1.

Daar komen met hun oordeel aan de beurt een Gespanjoliseerde Brabander, een Vrijgevochten Hollander en een Neutralist. De twee laatsten blijven vol vertrouwen en keeren zich tegen den eerste, die nu de eindoverwinning door den Prins Kardinaal voor zeker houdt.

De heele toespraak van den Gespanjoliseerden Brabander is in onbeholpen nagemaakt Brabantsch dialect gesteld, blijkbaar met spottende bedoelingen. Wij hebben dit middeltje om zich naar het voorbeeld van Bredero ten koste der Spaansche Brabanders en der Vlamingen vroolijk te maken reeds vroeger in de pamflettenliteratuur zien gebruiken, door Jan van der Veen, tot groote ergenis van de Zuid-Nederlandsche rederijkers Verstocken, Bruynincx en anderen2.

De Gespanjoliseerde Brabander spreekt als volgt:

 
Ba 't jan, 'k en he'e ghedacht, dat onsen Cardinael
 
Soud' hebben, soo valjant, heroyck, en royael
 
De Geuskens wederom ten Brabandt wtghekreghen;
 
'T en woor say zidderden voor 't blix' men van sayn deghen.
 
Wa 't jaes! hoe liep 't ghespuys ('k ick 'k ick lachh' om de kool)
 
Doen hunliêns sloegh' in 't oor den donder van 't pistool:
 
Elck woor den Haes te gaeuw, say repten pooten wacker.
 
En britsten aen den wind' langs koorenkamp, en acker;
 
Door slayck, en modder heen: ons Glorieuse Prins
 
Verbaest het Prinske met den roep van luttel winds
 
Sayn Hayligheedens Loff alleenlayck, is soodaenigh,
 
Dat woor say ruchtbaer werd, de ketters vliên ruymbaenigh;
 
Ghelayck noch onlanghs bleeck doe hay met weenigh mans
 
Soo triumfantelayck innam de Schencke-Schans
 
Waer mee de Geuskens hay soo dapper nu sal quellen
 
Dat say hun pypen naer sayn nooten sullen stellen
 
En buyghen onder 't juck van hunliens rechten Heer,
 
En legghen nedrigh neêr het opgheraept gheweer,
 
En ruymen volontier wt d' Oost en Wester landen,
[p. 321]
 
Gae mannekens, ke gaet, eer gay 't moet doen met schanden.
 
Loop huppelincxkens loop, of hay koom met ghewelt,
 
Want onse Koningh vult de handen hem vol ghelt.
 
Hay's Koninghs Frere is, en als hay dees Neerlanden
 
Heeft geinpatroneert, besoeckt hay d' Indisch stranden:
 
Want hoe kan 't anders sayn dat ons Prins Cardinael
 
V niet soud kneusen 't hooft door kracht van arm en stael.
 
Ey lieve Mannekens wat wilt gay teghenstreven
 
Bid God dat hay uwliens wil beter sinnen gheven,
 
En 't uytghetoogen swaert steeckt weder in de schee,
 
Daer is noch kans ghenoch te raecken aan de Vree.
 
En soo gay 't niet wilt doen kan 't lichtlayck daer toe loopen
 
Dat gay liens 't met den hals sult altemael becoopen.
 
Hierom bedenckt goeliens, en neemt een kort beraet,
 
En bid den Coningh en den Prince om ghenaed,
 
Sy sayn soo goedertier, sy sullen gnadigh wesen.
 
En ick sal t' uwen best dry Pater Nosters lesen,
 
En thien Ave Mary, op dat ons lieve Heer
 
V tot devoci treckt, en Roomsch, Cath'lijcke Leer.

Uit deze voor-de-gek-houderij blijkt, dat de Brabantsche strijdgedichten in het Noorden wel bekend waren, want de heele redeneering van den Gespanjoliseerden Brabander komt overeen met die van verscheidene Brabantsche pamfletten.

De Vrijgevochten Hollander spot met dat voorbarige, dwaze triomfgeroep. Hij vraagt zich al wat er den Brabander toch bewegen kan om zoo onzinnig te redeneeren. Lotert hem de kei? Is zijn cerebrum ontsteld? Met een zinspeling op de bekende felle hekelpartij tusschen Joost van den Vondel aan den eenen kant en den vijand van Samuel Coster en de Academie, predikant Otto Badius cum suis, aan den anderen kant, vraagt de Vrijgevochten Hollander of er ‘in 't Bollewerck weer en Otter is geweest’. De Prins Kardinaal heeft nu wel de Schenckeschans, maar zij zal hem niets dan nadeel en vooral veel geldverlies veroorzaken:

 
Wat is sen winste doch? een houdeloose Schans.
 
Een kancker in sen beurs, die gouden Pistoletten
 
Het doodt-byten verbiet, en roesten sal beletten.
 
Een Meulen die het graen van Peruaenschen oeghst
 
Soo schandelyck vermaelt, soo gruwelyck verwoest,
 
Dat men ten andere mael in Spangien weer sal smeden
 
Gheldt, van de stof daer wy ons Krijghers meed bekleden.

Geen Hollander denkt er aan om het gezag van den Spaanschen koning nog ooit weder te erkennen.

[p. 322]
 
Wat mooght ghy arme sul ons veel aen d'ooren lellen,
 
Dat wy ons soude weer onder den Spaingiaert stellen,
 
Ons Vryheydt is te eel, en 't is je groote schandt
 
Dat jy 't uytheemsch ghedrocht duld in je Vaderland.
 
Grijp noch een moet, als wy, de Vryheydt staet je open,
 
En sonder dat en mooghtge ghenen eendracht hoopen.

De Neutralist beweert, dat hij zich in den strijd niet wil mengen omdat hij toch geen verstand van vechten heeft en dat het hem niet kan schelen wie zijn prins is. Hij moet zoowel voor den een als voor den andere ‘schattingh’ geven. Nochtans kiest hij toch beslist partij tegen Spanje. Hij wenscht in vrede te leven.

 
Doch dat en kan niet zijn, soo langh in Nederlandt
 
Den Spangiaert heerst, maer als wel die sal zijn van kant.
 
Daerom soo ist ons best, soo wy ruste begheeren,
 
Dat wy uyt Nederlandt de trotsche Spangiaert weeren.

Er waren niettemin verscheidene Hollanders zeer kleinmoedig en zij leverden zich over aan klachten en kritiek.

 

XI. Jan van der Veen, de vurige Oranjeman, dien wij reeds naar aanleiding van Frederik Hendrik's veldtocht in Vlaanderen in 1631 met de Antwerpsche rederijkers in twist zagen, kan dit moeilijk dulden. Hij ergerde zich geweldig over al de pessimistische praatjes, die hij in Holland zelf te hooren kreeg toen de Schenckeschans in Spaansche handen was gevallen en met de kritiek van al die ‘steurluy aan de wal’, al die helden die ‘buyten schoots’ bleven, stak hij op zijn gewone vinnige manier den draak in Rasebols Chaos. Nae de Copey tot Arnhem, by Jan Jacobsz. Boeckvercooper, woonende inde Catarijnestrate, in de vergulde Persse, 16351.

 
Verbastert en verbeest geslacht,
 
Is 's Princen roem uyt u gedacht?

Zoo vraagt hij verontwaardigd aan de weinig heldhaftige praatmakers. Hij heeft vertrouwen in de herovering van de versterking.

 
Sal een geleende Schencke-Schans
 
Nu doen verdorren syne Crans?
 
Ey? Ordeel eens rechtvaardich,
 
Doch, 't is geen antwoort waardich.
 
 
 
Wat is des vyants winst en cans?
 
Een houdeloose Schencke-Schans.
 
Een vlot, daar op een aarden wal
[p. 323]
 
En dat, een wat, een niet-met al,
 
Een luck, van korte vrenghd' en moet,
 
Een winningh die hem schade doet,
 
Die als-men 't wel te recht besiet
 
Soo ist een op-gepronckte niet,
 
Ja, min als hier, want 't gunt hy heeft
 
Hem meerder ramp als voordeel geeft.

XII. Jan van der Veen's bitsig pamflet lokte een tamelijk slap antwoord uit: Slaepbol voor Jan van der Veen Rasebol1. maar weldra kon de strijdlustige poëet-apotheker voor goed victorie kraaien. Zijn voorspelling kwam uit. De Schenckeschans bleek voor de Spanjaards onhoudbaar.

De Prins van Oranje kende te zeer de strategische waarde van de Schenckeschans om van de herovering van deze vesting niet het hoofddoel van al zijn verdere krijgsverrichtingen te maken. Na heel veel krachtsinspanning, slaagde hij daarin op 29 April van het jaar 1636.

Nu was het weer ‘krijten’ in Brabant en ‘lachen’ in Holland! Spotdichters uit het Noorden dienden de spotdichters uit het Zuiden nu van antwoord.

 

XIII. Reeds in de eerste verhalen van het gelukkige, wapenfeit, die naar oude gewoonte onder het volk verspreid werden, wordt de Brabantsche trots op een harde proef gesteld. In het Waerachtich Verhael / van de Veroveringhe / Vant vaste ende stercke Fort / Schencken-Schans... getrocken wt verscheyden gheloof-waerdighe / Brieven / gheschreven by eenige Persoonen / van Qualiteyt. / (Tot Leyden, by Willem Christiaens, woonende in de Nonne-steegh / in den Ghesonden Broeder / 1636)2, komt o.a. een ‘playsanten Brief’ voor ‘gheschreven uyt Antwerpen / van de groote verslaegentheit die aldaer is / over het verlies van de voornoemde stercke Schans’. Buiten den spot over gemis aan moed en het gewone leedvermaak over de mislukking van de te hoog gespannen verwachtingen, in dergelijke hekelschriften voorhanden, gebruikt de Hollansche schrijver hier weer het bekende Bredero-middel om den Spaanschen Brabander belachelijk te maken. Hij schrijft dien zoogezegden Antwerpschen brief in die karikatuur van met Fransche woorden doormengde Brabantsche gewestspraak, die, zooals wij het zooeven nog herinnerden de Antwerpsche rederijkers Verstocken, Bruynincx e.a. zoo boos maakte.

Wij laten hier de copij van dezen ‘playsanten’ brief volgen ‘Signoor, ende vriendt / mijnen welgheextimeerden Compeere: hier gaet vrij al wat meer om als de Molens. Het waer te bayster / sou kick kick u van alles

[p. 324]

schrayven. Way hebben onse gaten wel gheschrabt. Alhier / en oock te Brussel in 't Hoff / is seer groote murmuratie ende weynich solatie over Schencken-Schans expugnatie. Door het welcke de Onse wel ghemaynt hadden yets Groots ende Notabels te effectueeren / doch het kansken ende mayninghe is misluct: het sal ongetwayffeld in Spaengien een groote alteratie ende verslaeghentheyt maecken / alsoo daer gheen ander persuasie en was / als dat de sleutel ende de Deure om Hollant nu 'teenemaal te vermeesteren ende de ruineeren / in onse hand ende Macht ghevallen was. Men hadde Schencken-Schans hier al ghegheven de Naem ende de Reputatie van's Conincks Croon, doch is nu anders uytgevallen / ende is by mayn sielken gheworden des Conincks Schandalisatie. Onse groote Meesters ende Commandeurs Del Campo, den Cardinael Infant / Graef Jan van Nassouw / ende den Prins Thosamo / sullen onghetwayffelt haren danck ende gratie bij den Coninck al wech hebben / om dat sij een Casteel van alsulcken importantie ende excessive valluatie / 'tsy door onvoorsichtichayt / 'tsy door manequement van couragie / niet hebben konnen mainteneeren. Het extravageert al verre buyten onse fantasaye ende imaginatie / want wij en hadden certayn niet ghetwayffelt ofte wij souden desen somer met al ons valjant ende excellent volcxken / ende met de Keyserse / die alreede met goye Fortuyn sijn afghekomen / heel Gelderlandt / Hollandt / ende de omligghende plaatsen / terribel ende totaelijcken hebben doen sitteren en beven: het mochte nu weder ter contrarien op ons eygben proprio, ende op ons mutskens wel aen komen. Wat mayn aengaet / myan goede Compeerken / kick / kick ben seer alteratijf. Par ma foy, de Hollanders en sayn alsulcke plompekers niet als men hier op onse modo wel sayt: het geen sij onsen Coninck af-nemen / kennen sij wel behouden ende reserveeren / ende 't geen sy quyt worden of verliesen / kennen sy terstont wel wederom incorporeeren: kick / kick ben mayn sinnen bayster / en late van nu voortaen mayn spillekens in d'assen vallen: kick / kick en hebbe noyt sulcken dolloreusen May-Liedekenn ghesonghen / daerom Sainct Diego ora pro Nobis. Vale, mayn ghe-extimeerde compeerken. Wt Handtwerpen, desen laetsten April, 1636. N.N.’.

 

XIV. Van der Veen dicht op de herovering van de Schenckeschans een pamflet, waarvan de overmoedige toon al fel opklinkt in den titel: Caille la Boco ofte Muyl-bandt over de zege van Schenckeschans. Verovert door het beleydt des Alderdoorluchtighsten Prince van Oraegnien Fred. Henderick van Nassau, den 29. Aprilis, Anno 1636. Er zijn twee uitgaven van dit boekje bekend: eene bij Jacob van Biesen, te Arnhem1, en eene bij Joost Broersz, te Amsterdam2.

[p. 325]

De Schenckeschans is aan de Spanjaards ontnomen en nu mogen al de Spanjaardvereerders zwijgen. ‘Nu ist te recht haldt Smoul, nu isset kip iour toung, nu isset huontje-bek!’ En zich in het bijzonder tot ‘'t ghebroet der straffe bastaart Moren’ richtend, roept J. van der Veen: Caille la Boco!

 
Wat dunckt u, was de Schans ons winbaer ofte niet?
 
Of is het door verras, of door verraedt gheschiedt?
 
Neen wiss'lyck: geen van bey dees midd'len zijn begonnen,
 
Maer is met vromer handt heel Ridderlyck gewonnen,
 
Gedwonghen en verheert (hoe treffelyck gemant)
 
En dat noch maer alleen door s' Princen Rechterhandt;
 
Die wel den Cardinael met al sijn trotse machten,
 
Daer mede (hoe gering) cloeckmoedigh dorst verwachten.
 
't Was Picolomini, Thomaso, en Graef Jan,
 
Die so van veeren af eens roken aende pan.
 
Maer door de banghe lucht trock yeder sijnder wegen,
 
Thomaso sloeg een cruys, en gafse sijnen zegen,
 
En daer mee sloop hy deur, en liet de Schans ia strick:
 
Wiens hope van ontzet veranderde in een schrick,
 
Veranderde in ghesucht; soo langhe sy ten lesten,
 
Met redelijc besluyt, verlieten hare vesten,
 
Verlieten haer ghewin, met vrolycker ghedacht.
 
Als doe s' haer viel te buyt, door meerder luc als kracht.

Daarop laat Van der Veen den Prins Kardinaal zelf klagen over zijn misrekening. Hij, van wien Spanje en Oostenrijk zooveel verwachtten, die als de echte ‘ketter-roede’ en ‘Rebbelen-dwang’ begroet was, moest nu zijn heerlijkste trophee, de Schenckeschans, verliezen!

Na met de Spanjaards en Spaanschgezinden afgerekend te hebben, richt zich Van der Veen tot den pamflettist, die tegen zijn Rasebol Chaos had durven schrijven. De spotnamen regenen: Slaep-bol, Rase-bols bekijver, Midas-bol, Seinjoor Podrido, Circes boel, o porco bien vestido, enz.

 
Waer is den Slaepbol nu, den Rasebols bekijver?
 
Dat nameloos gediert, die soet vergalde schrijver
 
Hy moet weer voor den dagh, het Varcken moet uyt 't schot,
 
En snoepen 't versche Ey uyt kacke-stoeltjes pot.
 
't Is nu de rechte tijt, de boomen zijn aen 't bloeyen:
 
O vrienden, die hem kent, wilt doch sijn ooren snoeyen,
 
En krammen hem de neus, en korten hem de start,
 
Op dat hy onsen hof niet wederom verwart.
 
. . . . . . . . . .
 
Nu leidt hy vast en peyst, om syns ghelyck te troosten,
 
En wenscht de Schaus en 't volck op 't uyterste van Oosten;
 
Dan 't ghene dat hy wenscht, en wenscht men hem niet weer,
 
Maer vry wat verder, dat 's by onsen lieven Heer.
[p. 326]

XV. Beschouwingen over de inneming en de terugneming van de vesting vinden wij in het stuk van Adr. Iekerman uit Delft, op een los blad gedrukt te Haarlem bij Hans Passchiers van Wesbusch, 1636, onder den titel: Gedicht van Schencken-Schans, door de Spaensche verrast op den 28e July / 1635. Ende 's jaers daer aen / op den 30 April / door de Graven Wilhelm ende Maurits van Nassau, wederom mannelijck verovert1.

Het verlies van de Schenckeschans was voor de Hollanders een beproeving:

 
God heeft voorleden jaer om onse grove sonden,
 
Een swaren anst en schrick ons op den hals gesonden,
 
Als hy de Schencken-Schants, den sleutel van ons Land,
 
Den Spaenschen Cardinael soo licht gaf in de hand.

De vijand liet al dadelijk door boden overal berichten, dat heel Holland voor hem nu open lag. Nu zou het gedaan zijn met de rebellen. De Prins Kardinaal twijfelde er niet meer aan. De dichter laat hem zegebewust doch weinig aristocratisch zeggen:

 
Den Hemel strijt voor my, ick kom hier effen kijcken,
 
En gae terstonden-aen met hare sterckten strijcken:
 
Haer principaelste Fort vermann'ick metter haest,
 
Ick bons haer op de muyl, en maeckse gantsch verbaest.

Dan somt de Prins Kardinaal al de steden op, die hij in Holland de eene na de andere zal veroveren. Hier weer schijnt het Hollandsche gedicht ironisch den gedachtengang van een reeds besproken Brabantsch spotgedicht te herhalen. De prins laat zijn volk in de Betuwsche klaverweiden wat rusten, maar hij gaat onverwijld Holland verder inrukken.

 
Hier op marcheer ick voort naer Utrecht; biedt die stadt
 
My eenig tegenweer, so schiet ickse strax plat.
 
Als ick de hecken daer heb na mijn sin verhangen,
 
En order heb gestelt, so richt ick mijne gangen
 
Na 't moedig Amsterdam, en hael daer al den buyt,
 
Die sy heeft ingeslockt, met mijn soldaten uyt.
 
Dan legt my Haerlem naest. 'T geen dat ons onderwegen
 
Voor komt, dat sal terstond gevoelen onsen degen.
 
Wee Haerlem, soo 't weer als voor dry en sestig jaer
 
Haer tanden ons laet zien! geen hoop dat ick het spaer,
 
So gae ick voort en voort, en meen niet eer te rusten,
 
Voor dat ick aen dat volck geboet heb mijne lusten...

Iekerman legt in den mond van den Prins Kardinaal de vreeselijkste bedreigingen tegen de Hollanders. Heeft hij ze eenmaal in zijn macht, dan zal hij ‘zijn volk scherpelijck bevelen te worgen en te kelen’.

[p. 327]

Maar de kans keerde!

 
Doe dese bergen dus juyst negen maenden waren
 
Bevrucht geweest, en tijd was even om te baren,
 
Quam springen voor den dag een geckelycke muys:
 
Sy gaven ons de Schants, en peurden weer nae huys...

God was Holland zeer gunstig gezind, ‘Dies zijt ô Batavier in God den Heer verblijd’.

Wil Holland echter in 't vervolg 's Hemels woede ontgaan, dan moet zijn volk een beter leven gaan leiden. Over het zondig bedrijf in Holland wordt uitvoerig uitgeweid. Gods naam wordt er misbruikt; de dag des Heeren wordt er niet in acht genomen; men leeft er vol nijd als de wolven en de beren; er wordt gekeven, gevochten, en misbruik gemaakt van sterken drank; er heerscht ontucht, er wordt gestolen, bedrogen, gelogen, enz. Dat Holland op zijn hoede weze, besluit de boetprediker. De Heer slaat Holland gade. Zoo het zijn rechte wegen gaat, zal het bij hem heil en genade vinden.

 
Bekeeren wy ons niet, wy worden noyt bevryt
 
Van oorlog, of van pest, of neringlose tijt.

XVI. De hoofdgedachte van het gedicht Dronckenmans Droom, En nuchteren uytlegginghe van dien, op het verliezen en wederwinnen van Schencken-Schans (tot Utrecht. Ghedruckt bij Hermannus Ribbius, Boeckvercooper woonende bij Sint Jans Dam, Anno 16361) is heelemaal dezelfde. Na een herinnering aan het dubbele oorlogsfeit, wordt nagegaan wat de oorzaak van het verlies der Schenckeschans wel mocht geweest zijn en volgens den auteur, die wel een geestelijke schijnt te zijn, was het een straffe Gods wegens het zondige leven van het Hollandsche volk.

 
Men siet dat dagelijcks de sonden hoger klimmen
 
En steygeren met cracht tot aen den hemel toe /
 
In plaats van beteren de menschen veel verslimmen
 
Men terght den Heer te lang / men maeckt hem al te moe.
 
Wel wonder ist dat Godt geeft heyl geluck en segen
 
Aen sulck ondanckbaer volck / dat so zijn eer vercort
 
Een volck dat waerdich waer met vyer en sulpher regen
 
Gelyck als Sodoma te worden overstort /
 
Groot wonder ist dat Godt / als d'appel van zijn oogen
 
Een volck bewaert / dat so ontheylicht zijn verbont /
 
Een volck dat waerdich waer te worden uyt-gespoogen
 
Van Godes mondt en 't lant tot inder hellen gront.
[p. 328]

De mislukte tocht in Brabant en het verlies van de schans zijn vermaningen geweest van Gods toorn. Nu heelt hij zich over Holland weer ontfermd en het is billijk dat van deze overwinning Hil ‘alleen de croone draecht’. Wat er gebeurd is, weze voor Holland een les.