Het Barend Servet effect


auteur: Gied Jaspars, Ruud van Hemert, Wim van der Linden en Wim T. Schippers


bron: Wim T. Schippers, Gied Jaspars, Ruud van Hemert en Wim van der Linden, Het Barend Servet effect. Teksten van en reflecties op vijf shows van de VPRO. Contact, Amsterdam 1974  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. t.o.1]



illustratie

[p. 6]

De vier shows onder de naam ‘Barend is weer bezig’ en de Kerstshow ‘Waar heb dat nou voor nodig’ werden voor het televisieseizoen 1972-1973 en derde Kerstdag 1973 geproduceerd door Ellen M. Jens/VPRO-tv, in kleur opgenomen in de studio's van de Nederlandse Omroep Stichting te Hilversum, theater 't Spant te Bussum, gebouw Felix Meritis te Amsterdam (beeldband) en op diverse locaties in Nederland, België en Frankrijk (film) met medewerking van Paul van den Bogaard, Wouter van Zuilekom, Dirk Jan de Kruif, Frans van Barschot, Chiel van Meeuwen, Didi Klaassen, Hans Brouwers, Peter de Jong, Hugo Gosse, Frans Dupont, Bert Brusche, Jaap Guyt (camera); Eric Nicasie, Carel Sarton, Wil Zuiderduyn (geluid); Ad Brogtrop, Ole ter Kuile, Ot Masno, Ko Alderding, Jan Croese, Jules Schulenberg, Anton Möhlman, Stef de Wit (licht); Hans Stravers (schakeltechniek); Jan van der Werff, Kees Schouten, Hugo Dekker (beeldband opname/montage); Theo Janse, Hans Hulscher, Wim Nieuwenhuis, Han van den Broek, Herman Postma, Rien Balkenende (hoofdbeeldtechniek); W. Crocus, G. Plek, Ben Tenniglo, Hugo Helmond (film camera/geluid); Freek Biesiot, Peter Gabriëlse (decorontwerp); Cees Stegenga, Frits Hilhorst, Rob Blomkwist, Tim Hueting, Frans Kuyper, John Gersonde, Otto Scheepvaart, Kees Fennis (inspeciënten); Jan Kiljan, Luigi Blaaser, Frank Spekking (requisieten); G. Buurman (effecten); Simon van Schaik (stunt); Ties Haakman, Peter Nijhuis, Egon Schindler (make-up/grime); Marga Langeweg (kledingadviezen); J. Hogeboom (levende have); Wim Wandel, K. Zedden (grafiek); Hans Schröder, John Ros, Jan Palma, Han Erkens, Tia Merecy, Hugo de Beul (coördinatie); Ted Dellen (opname-leiding).

 

In de hoofdrollen IJf Blokker als Barend Servet, Harry Touw als Otto Kolkvet, Dolf Brouwers als Sjefke van Oekel, Cor Brak als Gerrit Dekzeil, Elisabeth Roelink, Mieke van de Sande en Bertina Maas als de dames RiMiCo.

Bedacht, geschreven, samengesteld en geregisseerd door Wim van der Linden, Wim T. Schippers, Ruud van Hemert en Gied Jaspars.

 

[p. 7]

Dr. Peter Hofstede
O mijn lieve Augustijn of De gevaren der onttovering

Het Christendom heeft barbaren gedrild en de dril van voorgeslachten schudt men niet af op de wijze des poedels.
Menno ter Braak

Samen met enkele rotgenoten heeft het Tweede Kamerlid voor de Katholieke Volks Partij Piet van der Sanden geprobeerd de omroepvereniging VPRO een stuk zendtijd te ontnemen. Voor straf. Vanwege de Barend Servet show. De hemel zij dank ging die vlieger niet op. Minister Van Doorn (Politieke Partij Radicalen, de cultuurminister in het kabinet-Den Uyl) maakte bekend dat hij geen maatregelen zou treffen tegen de VPRO, omdat de uitzending van 27 december 1973 niets bevatte dat gevaar opleverde voor de veiligheid van de staat, de openbare orde en de goede zeden. Voor een deel van het Nederlandse volk kwam deze bekendmaking als een schok, vooral nadat een week eerder ook al zo iets raars was gebeurd. Toen meldden de publiciteitsmedia dat de berisping die minister Engels de VPRO had toegediend vanwege de Barend Servet show op 14 december 1972, door de Kroon was vernietigd.

Door de Kroon nog wel. Goedenmorgen. Dat was nota bene de show waarin een op H.M. de Koningin lijkende dame spruitjes schoonmaakte. Had de bewindsman indertijd niet overwogen:

[p. 8]

- dat in dit als amusementsshow aangekondigde programma scènes voorkwamen van halfnaakte personen, van wie een of meer zich welhaast obsceen gedroegen;

- dat in dit kader scènes waren geplaatst, waarin een vrouw optrad, die de regerende Vorstin personifieerde;

- dat deze scènes de strekking, althans voor vele kijkers het effect hadden van de Koningin een uitbeelding te geven, die een onwaardige ridiculisering vormde van de regerende Vorstin en als zodanig een miskenning van de koninklijke waardigheid inhield.

Met als gevolg die berisping.

En nu vernietigd? Weer viel een stuk van het Baldakijn naar beneden, precies zoals het met decorstukken in de Barend Servet show ging. Zo waren er twee achtereenvolgende kerstshows van hogerhand ‘vrijgesproken’. Neerlands veiligheid niet werkelijk in het gedrang geweest.

Het Kamerlid Van der Sanden mocht eerder in de Raad van Europa een rapport over belaagde meningsuiting indienen in ruil voor ovationeel applaus. Een standbeeld voor Van der Sanden op de markt in Straatsburg is in voorbereiding, waar hij als een moderne Franciscus van Assisi uit een vosseklem een jachthond bevrijdt, die de pers symboliseert. (Ontwerp: Arno Breker.) Hoe verklaarde de katholieke politicus zijn officiële poging om in een vrij en democratisch land door middel van een lang aangehouden staats-wurggreep een omroep de bek te snoeren? ‘Als ik vind dat er op televisie dingen gebeuren die niet toelaatbaar zijn vanwege dat stukje algemene ethische norm dat voor vrijwel iedere Nederlander aanvaardbaar zou moeten zijn, dan vind ik dat de overheid duidelijk moet maken dat die zaken die hier in de wet nog liggen, niet straffeloos kunnen worden overschreden bij een voortduren.’1

Dat stukje algemene ethische norm dat voor vrijwel iedere Nederlander aanvaardbaar zou moeten zijn. De katholieke parlementariër appelleert hier aan een gemeenschapsbesef dat van het

[p. 9]

Christendom afstamt zonder nog de naam ‘christelijk’ te dragen. De VPRO die de officiële banden met het Christendom geslaakt heeft ziet op satanische wijze kans ‘miljoenen christenen in Nederland bewust te kwetsen’. Bij herhaling. En daarom diende de regering thans straffend in te grijpen. (‘Ik geloof dat voor de overgrote meerderheid van de Nederlandse bevolking er heel duidelijk zaken zijn waarvan men zegt: hier ligt de streep’).

De Servetmakers hebben blijkbaar nog niet alle contact verloren met het historisch achterland dat ook het hunne was. Anders zouden zij de Nederlander niet zo trefzeker hebben kunnen raken in zijn mythologisch gemeenschapsbesef. Natuurlijk lopen er diep onder de oppervlakte van onze cultuur verbindingslijnen tussen de jeugd van een programmamaker als Gied Jaspars die in een streng katholiek milieu te Maastricht opgroeide - elke dageraad naar de H. Mis - en de berisping door de roomse bewindsman Engels, later gevolgd door de roep om strafacties van de zijde van Kamerleden als Van der Sanden en Klaas Beuker. Het gewonde gemeenschapsbesef valt samen met het ‘gesundes Volksempfinden’: enkele van de miljoenen gekwetste Nederlanders mochten op uitnodiging van het (door de Telegraaf opgekochte) Limburgs Dagblad van 14-1-1974 vrijelijk uiting geven aan de beschadiging van hun diepste en edelste gevoelens. Eén lezer wou graag de kerk als martelwerktuig gebruikt zien: ‘Als ik het voor het zeggen had, dan zou ik de heren Servet en Haché die dit programma in elkaar gedokterd hebben, ook naakt, met een flink touw onder de armen aan de hoogste kerktoren van Limburg drie dagen ophangen. Als ze daarna nog leefden de touwen doorknippen en laten afvallen, verder door een vuilniswagen laten opruimen.’ De heer J. van H.: ‘Die gasten moesten ze neerknallen met een mitrailleur; stelletje asociale viespeuken.’ Drie ‘verbitterde vaders’ van 49, 50 en 52 jaar over Barend en Fred: ‘Ze zullen met hun beiden sterven, wij

[p. 10]

schieten ze kapot, daarvoor is geen pardon, om onze kinderen zo te willen bederven’.

Onder de gekwetste miljoenen wier ‘heiligste ethische norm’ met voeten werd getreden zijn denk ik best een aantal lieden te vinden die het publiekelijk ophangen, onthoofden of nog liever vierendelen van Barend Servet en Fred Haché, als een volksvermaak bij uitstek zouden beschouwen. Waarbij zij hun kinderen beslist niet thuis zouden laten.

Volgens Menno ter Braak is zo'n ex-christelijk begrip als ‘gemeenschapsbesef’ daarom een parodox, omdat het niet meer betrokken kan worden op de oorspronkelijke eenheid waaraan het zijn ontstaan en ontwikkeling dankt. De christelijke mens is niet gevormd door het Evangelie, maar door Augustinus. De staatsleer van Augustinus maakte het Christendom mogelijk door de waarde der aardse handelingen ondergeschikt te maken aan een ‘hoger’ doel. De uitoefening van de macht is niet zondig, mits men dat doet in dienst van God en in het licht van het hiernamaals. ‘En aangezien de verhouding van het practische leven tot God en de hemelse zaligheid altijd een aangelegenheid blijft van willekeurige interpretatie door de partijen, die bij de voor hen voordelige interpretatie belang hebben, komt het relativisme van Augustinus in de practijk van het middeleeuwse handelen neer op een christelijk gecamoufleerd amoralisme: ‘iedere handeling is goed, mits men haar de dienstbaarheid aan het Godsrijk kan onderschuiven’.2

Van der Sanden is de kampioen der Europese persvrijheid, maar de VPRO moet uit de ether verdwijnen. Ook hier weer de paradox. Er is een mystieke verbondenheid van het volk, tot uiting komend in de kijkdichtheid en het afwijzen van de door de Evangelische Omroep aangeboden ‘Messiah’ van Händel, in de veroordeling via de waarderingscijfers en die door ‘De Telegraaf’ en door de tv-recensenten die zich evenzeer de Stem des Volks weten. Die mystiek gaat door de eeuwen heen terug naar de Civitas Dei van Augustinus, de

[p. 11]

architectuur die hemel en aarde in een eenheid verbond. Wat tot uiting kwam in de twee-eenheid van Kerk en Staat. En ook thans zijn het de confessionelen die met grote vanzelfsprekendheid een beroep doen op de overheid om de discipline te handhaven. In vroeger tijden zouden de Servetmakers als ketters zijn verbrand. De aanklacht zou duidelijk zijn geweest. Maar nu is het al even moeilijk om het onbehagen over het programma exact te formuleren, als om duidelijk te maken wèlke waarden en normen precies geschonden zijn. Maar men kan er donder op zeggen dat als bijvoorbeeld een collega-televisiemaker zegt dat hij zich groen en geel ergert aan het ‘gewilde amateurisme’ van de Barend Servet show, dat dit dan een noodzakelijk gebrekkige verwoording is van de aangeslagen Augustijnse discipline in het diepst van zijn gevoelens. Veel onverdraagzaamheid zoals die in ons land in de laatste tien jaar vooral door de televisie naar boven is gespit, moet te herleiden zijn tot de moeilijk te torsen gedachte dat bepaalde mensen niet voor hun daden en pleziertjes zullen worden gestraft bij gebrek aan een hiernamaals.

Ook het Kamerlid Van der Sanden gaat uit van die merkwaardige macht van de televisie: een werktuig van Satan? Men mag volgens hem niet zomaar een parallel trekken tussen televisie en andere communicatiemiddelen. Televisie is een ander medium dan welk medium ook, zegt de omroepdeskundige van de Katholieke Volks Partij. ‘Daarom heb ik grote moeite met argumenten als: wanneer u niet wilt kijken draait u de knop maar om. Dat is een dooddoener’. De krant en het museum kunnen zich tot elites richten. Tijdens de mei-oproeren in Parijs, 1968, bleef het kwaliteitsblad ‘Le Monde’ de gebeurtenissen verslaan en van commentaar voorzien zonder de regering te sparen: generaal De Gaulle liet het blad rustig zijn gang gaan. De televisie daarentegen werd volstrekt aan banden gelegd, zond alleen nog maar oude speelfilms uit en naderhand werden meer dan

[p. 12]

honderd tv-journalisten ontslagen. De televisie bereikt het hele volk en daardoor wordt het hele volk weer tot christenen in Augustijnse zin. Zie de opvattingen van Van der Sanden. Daarom dient de televisie in handen te zijn van betrouwbare machten, die weten waar het volk de streep trekt. In de meeste landen is de televisie inderdaad in handen van volkse streeptrekkers en volgens Stuart Hood, huisfilosoof van de BBC, zal de staatsinvloed op het medium overal nog toenemen. Ook daar, waar hij thans nog door een gelukkige constitutie beperkt is. Voor onze eigen ogen zien wij het verschijnsel dat vertegenwoordigers van de parlementaire democratie de Staat smeken de vrijheid van de televisie in te perken. Wie het spoor terug volgt komt terecht bij de Nederlandse samenleving anno 1920, volop negentiende eeuw dus nog. Onverhoeds werd de radio op die samenleving losgelaten. De eerste wereldoorlog waar wijzelf doorheengezwijnd waren, had de technologie een enorme impuls gegeven. Net zoals de vliegerij, kreeg de radio van het Europese krijgsbedrijf de wind in de zeilen. Radio en vliegtuig zouden ook de - naderhand geperfectioneerde - apparaten zijn waarmee de Duitsers wraak namen op hun overwinnaars. Daarvoor werd Hitler terzijde gestaan door specialisten als, respectievelijk, Goebbels en Goering. Bij ons in Holland kreeg het vliegtuig een nationale gestalte in de figuur van Albert Plesman, de oprichter van de KLM. De radio in Willem Vogt, schepper van de AVRO. Het vliegtuig is aan de verzuiling ontstegen. De radio niet.

De radiotechniek werd in de twintiger jaren ontwikkeld bij de Nederlandse Seintoestellen Fabriek (NSF) in Hilversum. Vogt gewaagt in zijn mémoires van een groepje fabrieksemployé's, dat zich met dit commerciële onderdeel bezig hield en dat ‘ervaren had dat het toepassen van een nieuw communicatiemiddel een geprikkelde sfeer bracht bij een aantal maatschappelijke instellingen en in de kringen van ambitieuze persoonlijkheden, die een kans zagen, met dit middel een rol te spelen in de samenleving.’3

[p. 13]

Het ideaal van elke dictator is een betrouwbare gezinsstructuur waarin zijn bevelen handzaam verpakt terecht komen. Via radio en televisie, de huisaltaren van de industriestaat. Willem Vogt: ‘Regeren betekende namen noemen van Kuyper, Talma, Colijn, De Wilde, Schouten, Van der Vegte, Van Dijk, om er maar enkele te noemen. In die sterke coalitie-regeringen van de politieke representanten van de gelovigen heerste discipline en het besef, dat voor de zaak waarvoor men stond, waakzaamheid vereist was tegenover een veranderende wereld. (...) Radio was een middel dat de verkondiging werkzaam en doeltreffend kon dienen. Daarom zou deze uitvinding binnen de belangstellingssfeer van het actieve christendom moeten komen; en voorzover de Staat hierbij regelend moest optreden behoorde hij - bij het vaststellen van de regels - rekening te houden met de gevestigde orde’. Kerk en Staat: de Civitas Dei stond model voor herzelfde omroepbestel, waarop een kwart eeuw later de televisie zou worden geënt.

De VPRO die in 1968 de banden met het officiële Christendom verbrak, deed zulks na een beeld-crisis. De verbale traditie van het vrijzinnig protestantisme heeft het nooit erg moeilijk gehad met de eigenschappen en mogelijkheden van het medium radio. De VPRO-voorvaderen gaan terug tot de tijd van de Reformatie en de Renaissance. Figuren als Menno Simonsz en Erasmus waren VPRO-voormannen lang avant la lettre. De Doopsgezinden (Simonsz) vertegenwoordigen een exclusieve, introverte, min of meer utopistische groep van het Protestantisme. Ze mochten geen zwaarden dragen en geen ambten bekleden: pacifistisch en antiautoritair. Het humanisme van Erasmus was een geleerdenhouding, al evenzeer exclusief: Erasmus moest niets van het vulgus hebben. Tot op de huidige dag, onlangs het weglopen van de Kralingse vedette Haya van Someren-Downer met een aanzienlijk deel van de elite-groepering voor wie de kerkelijke vrijzinnigheid een statussymbool was, is een naar

[p. 14]

verhouding hoog aantal VVD'ers lid van de VPRO. Ook al hebben de initialen hun oorspronkelijke betekenis verloren en staan zij nu, volgens sommige briefschrijvers, nog slechts voor namen als Vieze Piele Rukkers Omroep.4

Tot de VPRO-voorvaderen behoorden verder de Remonstranten: deftige Patriciërs, niet-Oranjegezind - in tegenstelling tot de latere ‘kleine luyden’ van Abraham Kuyper, contra-remonstrant en politiek-orangistisch georiënteerd. En dan de Muiderkring van Hooft en de zijnen, een tolerante gemeenschap van humanistisch-stoïcijns georiënteerden. Zowel protestanten als katholieken konden zich daar thuis voelen, hoewel strengere calvinisten als Constantijn Huygens er meer distantie tegenover innamen.

Een gezelschap van beschaafde, geleerde, klassiek opgevoede universalisten, op zoek naar een soort synthese tussen de stoa en het evangelie met de nadruk op het tweede gebod, ‘de naastenliefde’. Artistiek gesproken waren al deze voorvaderen van de tegenwoordige VPRO'ers weinig georiënteerd op het gebied van de beeldende kunst. De schilderkunst als uiting van barok leven was geen specialiteit van dit deftige, dichtende, musicerende gezelschap en bij alle speelsheid en vrij vèrgaande erotiek bleef steeds een duidelijke moraliserende tendens hoofdkenmerk van hun geestelijke houding (men denke ook aan de stukjes van VPRO-programmaleider Jan Blokker in de Volkskrant).

In de negentiende eeuw belichaamde de predikant Petrus Augustus de Genestet het latere VPRO-levensgevoel. De volgende regels in het vers ‘Gij en Wij’ zouden een stellingname kunnen inhouden tegenover de Evangelische Omroep - op het andere net - alsmede een beginselverklaring over de eigen programmatische intenties.

 
Naar uw eng, fantastisch Hemelpoortje
 
Strumpelt gij op 't afgebakend pad,
 
En uw reisweg schijnt u woord voor woordje
[p. 15]
 
Uitgeschreven op een heilig blad.
 
 
 
Op des Geestes breede, diepe stroomen
 
Drijven, zwerven, zoeken, lijden wij;
 
Nachten dalen, hooge waatren komen...
 
En - we zijn zoo rustig niet als gij!
 
 
 
Toch vooruit steeds streven wij en staren
 
Als Columbus, 't hoofd omhoog gericht,
 
Reizen we op de wentelende baren,
 
In 't geloof dat ginds een wereld ligt!

Ruud van Hemert, een van de Servetmakers, tegen HP: ‘Wij willen ontroering opwekken, de mensen kunnen zichzelf herkennen en hun denken en doen opnieuw aan de orde stellen. Is poep altijd vies? Mag je iedereen beledigen behalve de koningin? Dan hoor ik mensen zeggen: ja, maar een blote pik op de buis. Dan zeg ik: Waarom niet? En wat is obsceen eigenlijk? Al die gedragspatronen waar de mensen zo onder lijden, die blijken helemaal niet zo vast te hoeven liggen. Dat stellen wij aan de orde, dat kan bevrijdend werken en de basis vormen voor menselijk geluk.’5

De VPRO-dominees - nog heden ten dage zijn zij woordkunstenaars in de vijf minuten vóór acht uur als het Nederlandse volk verwikkeld is in scheerzeep en havermout - wisten traditiegetrouw geen raad met het beeld toen de televisie haar opwachting maakte. De tv-sectie viel in handen van een stelletje ongelovige experimentators sterk georiënteerd op het culturele gebeuren in Amsterdam. De stormen van 1966 sloegen over naar het VPRO-scherm. Bestuur en provinciale achterban reageerden verschrikt. Hoepla (1967) vormde het breekpunt. In de openlijke strijd die volgde, delfden de dominees het onderspit. ‘De tijd van Nicolette Bruining en ds. Spelberg is voorgoed voorbij’, constateerde P.W.J. Steinz, lid van de groep-De Smit in het

[p. 16]

‘revolutiejaar’ 1968. ‘Het belangrijkste probleem is wat de VPRO in de toekomst voor de televisie zal moeten brengen. Gezien zijn geschiedenis zal hij een verkennende en experimenterende groep dienen te zijn, die de functie gaat vervullen in het tv-bestel van hetgeen Sandberg maakte van het Stedelijk Museum in Amsterdam. Het Stedelijk dat kunstenaars en beschouwers heeft gestimuleerd de eigen tijd te herkennen, zelfs iets te verstaan van de wereld van morgen’. Deze visie, vertaald in de vormgeving van de beeldbuis, zag Steinz als mogelijke toekomst voor de tv-uitzendingen van de VPRO-nieuwe stijl.6

Wim T. Schippers, centrale figuur in het team van Servetmakers, leegde in 1961 een flesje limonade in de Noordzee bij Petten en kreeg prompt van Sandberg een tentoonstelling in het Stedelijk aangeboden voor zijn kunst, door hemzelf gekenschetst als ‘a-dynamisch’. ‘Dat a-dynamische, dat hele lulligheidsbeginsel ben ik toen een beetje gaan ontwikkelen. Gewoon saaie en oninteressante dingen maken.’

Dit laatste is dan weer een van de trekken van de Barend Servet show die veel kijkers tot woede brengt. Voor velen is het medium televisie heilig zolang het maar alles bevestigt waar men zelf in gelooft, zolang het niet aanzet tot denken of uitnodigt tot bewuste verandering van levenskeuzen. Op de beeldbuis moet je Gevestigde Autoriteiten zien, Bekende en Beroemde Persoonlijkheden, die dingen doen en zeggen zoals dat van hen mag worden verwacht. Die verwachting wordt opgebouwd en in stand gehouden door een heel pakket van samenwerkende krachten. Dank zij het KVP-Kamerlid Van der Sanden kunnen wij dat alles nu gebundeld zien in de discipline van Augustinus.

De onttovering van het professionele gebruik van het medium televisie door de Servetmakers richt zich zowel op de vorm (opzettelijke stunteligheid ten aanzien van alle gladde beroepsmatigheid in cameragebruik, kleurtoepassing, de-

[p. 17]

corvormgeving en van het stereotiep gedrag van zangers, sprekers, acteurs, dansers, omroepers) als op de inhoud: sex, koningschap, religie, eet- en uitwerpselencultuur, hitwezen, kortom: autoriteit. Zij verkleinen de afstand tot het Schitterend Professionalisme van Hilversum, van nederig schepsel tot de Godheid. Zij brengen die terug tot menselijke proporties.7

Maar men vergisse zich niet. Zulke programma's zijn alleen te realiseren vanuit een zeer strikte, vakmatige conceptie en met een ijzeren discipline. Welke autoriteit ook in twijfel moet worden getrokken, niet die van de Servetmakers zelf. Het ‘amateurisme’ dat zij zo therapeutisch in de huiskamers overbrengen is het programmatisch resultaat van groot vakmanschap.

Juist dat maakt de tegenstanders - die de eersten zijn om het vakmanschap te ontkennen - zo woedend. Zij voelen het gevaar, dat niet het gevaar is dat zij onder woorden kunnen brengen en onder aandacht van de minister. Sommige Servetmakers voelen zelf dat gevaar ook en dan zijn zij de nieuwe priesters, zoals Van Hemert die ik al citeerde, maar ook Jaspars wiens ideologie eveneens door HP werd opgetekend: ‘Aan het eind van de laatste Haché-show, vorig jaar, zat een lange kantoorscène waarin we met z'n allen plus 40 figuranten zaten te typen. Dat ging zo lang door, dat men zich afvroeg: is de show nu klaar of komt er nog wat? Later hoorden we van kantoormensen dat ze zich de volgende dag afvroegen: zitten we nou te werken of is dit hele kantoor een immense Haché-show? Daarin wordt de kern verschrikkelijk geraakt, we laten het leven zien, men ziet zichzelf en begint verwonderd om zich heen te kijken. Als je dat niet herkent zit je letterlijk tegen een hoop stront aan te kijken.’

Trouwens, wij beschikken over uitspraken van de verantwoordelijke programmaleiders Arie Kleijwegt en Jan Blokker die er niet om liegen. Kleijwegt: ‘Er is heus niet zo'n verschil tussen de VPRO van vroeger en die van nu. Alleen de

[p. 18]

vorm en de problemen zijn veranderd. Zo vrijzinnig als de VPRO vroeger was is ze nu nog.’ Blokker: ‘Nog net zo vrijzinnig als op de Spelberg en over tien jaar zien ze niet eens meer het verschil tussen een dagopening en de Barend Servet show.’ Nader toegespitst op de deconditionering, een elitair VPRO-woord voor het wakker schudden van de natie uit haar Augustijnse bewustzijnsdiscipline: ‘Met Barend Servet is wel degelijk iets aan de hand: hij tast de dubbele moraal aan. Dat merk je aan de reacties, men vindt het wel een leuke voorstelling voor een avond van de personeelsvereniging, maar als die blote meiden op het scherm verschijnen raakt men volledig in de war en komt de verontwaardiging los. Het ráákt de persoon in kwestie.’8

Met Kerstmis 1972 schrijft J. Noordmans, hoofdredacteur van de Leeuwarder Courant, in een commentaar onder het kopje ‘Bevrijding’: ‘Over tien jaar zal men het verschil tussen een dagopening en een Barend Servet show niet meer zien, zo verkondigen de hogepriesters van de VPRO. Omdat dit doel, de bevrijding van de mensen, zó hoog is, zijn middelen als het schoppen tegen schenen, het kwetsen van gevoelens en het uitdelen van schokeffecten niet alleen geoorloofd, maar zelfs geboden.(...) Het ellendige is, dat hun “bevrijdingswerk” niet alleen op een onbenullige, knullige, smakeloze en onvolwassen wijze gebeurt, maar vaak ook liefdeloos. De “bevrijders” wekken sterk de indruk, dat zij het lak niet alleen aan de gevoelens van in hun ogen achterlijke, verkrampte en onvrije mensen hebben, maar dat zij ook het lak aan die mensen zèlf hebben. Er spreekt weinig menselijke barmhartigheid uit hun bevrijdingsprogramma's. Zo dreigen deze “bevrijders” meer de kant van de maatschappij-vernieling op te gaan dan van de maatschappij-vernieuwing, meer de kant van geestelijke vervuiling dan van geestelijke verschoning. Wat zij doen is noch vrijzinnig, noch vrij, noch zinnig.’

Jacques Ellul, de Franse specialist op het gebied van de geschiedenis en de sociologie der instituties, vreest dat men

[p. 19]

het grote publiek door de desacralisatie-wat historisch gezien een vollediger term is dan deconditionering - tot een uitzichtloze versombering veroordeelt. Het gevaar dat de onttovering met zich meebrengt is dat van een hulpeloos om zich heen slaan, of de agressie te richten op kwetsbare zondebokken en zich in het stof te buigen voor een Nieuwe Leider die Gods wil ten uitvoer brengt. De onttoveraars zouden er een effectief levensmotief voor in de plaats moeten stellen, zegt Ellul. Een antwoord moeten geven, tegelijk bevredigend en verhelderend. Wie die verheldering niet kan verschaffen moet de rest van het mensdom - geciviliseerd, modern, verwetenschappelijkt, chinees of westers - maar liever in vrede laten slapen in zijn religieuze droom.9

Pollens! Ik word niet goed. Bovendien ben ik ook maar een gewone boer-Ellul. Hoewel...