KlankleerEerste hoofdstuk
|
| idg. e | lt. | got. | ndl. | (hgd.) |
| sex | saihs | zes | sechs | |
| pellis | (þruts-)fill | vel | Fell | |
| nebula | - | nevel | Nebel |
ook in het praesens van de sterke w.w. van de 4de en 5de klasse:
| edere | itan | eten | essen | |
| clepere | hlifan | (stelen) | - | |
| niman | nemen | nehmen | ||
| giban | geven | geben | ||
| bairan | (vgl. geboren) | |||
| idg. i | lt. | got. | ndl. | (hgd.) |
| piscis | fisks | vis | Fisch | |
| vidua | widuwo | weduwe | Witwe |
ook in het praet. pl. en part. praet. van de st. ww. van de 1e klasse:
| bĭtum, bĭtans, | bēten, | gebēten gebissen | ||
(lai um, lai ans) |
In gemeengerm. tijd ontstaan combinatorische varianten voor sommige klinkers van de volgende zwakbetoonde lettergreep en voor nas. + cons.: 1. vóór a) i, j; b) n + cons. vindt men i; 2. vóór a vindt men e (onverschillig telkens of idg. ĭ dan wel ĕ ten grondslag ligt):
| lt. | got. | ndl. | |
|---|---|---|---|
| 1. a) | medius | midjis | midden |
| est (< *esti) | ist | is | |
| neptis ‘kleindochter’ | - | nicht |
| b) | of-fendi-mentum ‘kinband aan de priestermuts’ | bindan | binden |
| sentire ‘voelen’ | sinþs | gezin, mnl. ghesinde | |
| (oorspr. ‘aan de geest een richting geven’) | ‘keer’, oorspr. ‘reis’ | (oorspr. ‘reisgezelschap’) | |
| 2. | vir (< *wiros) | wair (< *weraz) ‘man’ | (vgl. weer-wolf, weer-geld) |
| nidus (< *nizdos) | - | nest (< *nestaz) | |
| - | (heg noch) steg (< *stegaz < *stigaz bij stijgen |
De overgang van ĕ tot ĭ vóór nas. + cons. is van gewicht voor de st. w.w. van de 3de klasse, waar een idg. ĕ stond vóór nas. of liquida + consonant; men kreeg daar dus een splitsing in twee groepen, b.v. binden, dringen, drinken, vinden, winden, zinken (got. bindan enz.) tegenover helpen, schelden, zwelgen, werpen, sterven, werven (got. hilpan, waírpan enz.).
De overgang van ĕ tot ĭ vóór i, j bracht vaak een scheiding tussen twee verwante woorden, indien het ene oorspronkelijk een i of j in de laatste syllabe had; in onze taal echter is dit verschil - vaker dan in 't hgd. - verdwenen, bijv. door analogiewerking, maar bewaard in ndl. (ook hgd.) recht - richten; vgl. hgd. Berg - Gebirge, Wetter - Gewitter, Stern - Gestirn, Erde - irdisch, geben - Gift (ook ndl. gift), geschehen - Geschichte, sprechen - er spricht.
De overgang van ĭ tot ĕ vóór a (misschien ook vóór e, o) is niet altijd bewaard, doordat analogieformaties de oorspronkelijke toestand sterk veranderd hebben. De opmerkelijkste afwijking biedt het part. praet. van de st. w.w. van de 1e klasse, met ĭ vóór ă; dus ndl. gebēten (got. bĭtans) uit ogm. ĭ, zoals uit de owgm. vormen blijkt (os. gibĭtan).
Opm. De overgang van ĭ tot ĕ vóór ă noemt men a-umlaut (zie voor deze term § 42). Het got. vertoont er geen directe sporen van (immers, ĕ wordt in 't got. i). Men zou dus kunnen denken, dat deze a-umlaut niet algemeen germaans is geweest, en dat de klankovergang eerst later in de owgm. en oudnoorse periode heeft plaats gehad. Maar hij kan toch ouder zijn: de ē2 (indien via *ĕĕ < ei vóór a: § 6) zou er een bewijs voor zijn.
3. ŏ / ŭ
De oorsprong van oerg. ŭ is van tweeërlei aard: a.
idg. ŭ; b. het sonantisch element van de idg. liquida of nasalis
sonans:
,
,
,
. De ggm. ŏ heeft zich uit de oergerm.
ŭ / u / ontwikkeld (nadat de idg. ŏ in germ.
ă was overgegaan) onder dezelfde omstandigheden waaronder de
ĭ ĕ wordt, dus door a-umlaut; alleen heeft hier de
analogie de oorspronkelijke verhoudingen niet zo sterk verstoord.
In 't got. vindt men, evenmin als bij de ĭ, sporen van
deze overgang; daar verschijnt iedere oergerm. ŭ als
ŭ, behalve vóór h,
en r (dan
ŏ, geschr. au, in handboeken aú. In 't ndl.
vindt men in gesloten syllaben ŏ of u / ^ / , maar in open
bekl. syllaben ō of eu / ø: / (§ 40).
B.v.:
a. idg. ŭ, lt. ŭ: got. juk, ndl. juk - lt. iŭgum; got. kustus ‘onderzoek’, ndl. kust (te kust en te keur) - lat. gustus ‘smaak’. Ook in het praet. pl. en part. praet. van de w.w. van de 2de klasse, waarbij in 't part. de ŭ door a-umlaut ŏ werd, b.v. got. bŭdum, bŭdans, taúhum, taúhans, owgm. *bŭdum, *gibŏdan, ndl. bōden, gebōden.
b. idg. liqu. of nas. sonans, lt. ŏl, ŏr, ĕm, ĕn: got. maúrþr, ndl. moord (vgl. § 57 e) - lt. mortuus; got. sums, mnl. som, ndl. sommig - lt. sĕm-el ‘eenmaal’; got. gŭma ‘man’, ndl. (bruide-)gom - lt. nemo ‘niemand’ (<*nehĕmo; olt. hĕmo = klassiek lt. homo ‘mens’); got. hund, ndl. hond(erd) - lt. centum; ndl. dun - lt. tĕnuis. Ook in 't praet. pl. en part. praet. van de st. w.w. van de 3de klasse en in 't part. praet. van die van de 4de klasse; in 't owgm. werd de in § 2 besproken scheiding tussen de st. w.w. van de 3de klasse verscherpt, daar de a-umlaut in 't part. praet. niet werkte, indien nasaal (en niet liq.) + cons. op de u volgde. In 't ndl. is deze scheiding weer opgeheven, daar ŭ en ŏ beide in ŏ samenvielen [vgl. voor een verschil bij de w.w. van de 3de klasse (gebonden: geworden) § 79]. Dus:
| Kl. III: | mndl. | holpen, geholpen uit * hulpum, *giholpan; got. hulpum, hulpans (waúrþum, waúrþans); |
| ndl. | bonden, gebonden uit *bundum, *gibundan; got. bundum, bundans; | |
| Kl. IV: | ndl. | genōmen uit *ginŏman; got. nŭmans (baúrans). |
Opm. De,
,
,
kan men zich denken als ongeveer dezelfde klanken, die men in 't ndl. kent, vooral in de Saksische dialecten: vōg
, ak
, lōp
, wandel
.
4. Eerst in ggm. tijd komt een ā
(genasaleerd) voor, en wel alleen in de verbinding āχ,
āh, die zich uit ă
χ heeft ontwikkeld; got. ā. B.v. got.
brāhta, þāhta, praet. bij briggan,
þagkjan (in 't ndl. met jongere verkorting bracht, dacht);
got. fāhan, hāhan, mnl. vaen, hoen.
Opm. 1. Ndl. vangen, hangen ontstonden onder invloed van andere werkwoordsvormen, waar de χ vroegtijdig stemhebbend werd en dus de nasaal bleef (§§ 24, 25); omgekeerd drong in 't got. het āh-type in alle vormen in.
Opm. 2. De ă van oergerm. aχ kan, behalve op idg. ă, óók op idg. ŏ teruggaan, daar de overgang van idg. ŏ tot ogm. ă ouder is dan het verlies van de nasaal; b.v. got. þāhta bij þagkjan - lt. tŏngēre ‘weten’. Daar de ā van āh niet ō wordt (zoals de idg. ā: § 8), is de overgang van idg. ā tot ogm.ō: ouder dan het ontstaan van deze ā.
5. /
: / got. ē (gesloten), in 't
(niet-ingvaeoonse) owgm. (en ngm.) gedepalataliseerd tot ā (dus
ook ndl. â, uit idg. ē, b.v.
got. mēna en mēnōþs, ndl. maan en maand - lt. mēnsis ‘maand’; got. mana-sēþs ‘wereld’, oorspr. ‘mensenzaad’, ndl. zaad - lt. sē-men. Vgl. ook got. -blēsan, ga-dēþs, grēdags, jēr, lētan, mērjan ‘verkondigen’, andanēms, nēþla, slēpan met ndl. blazen, daad, graag, jaar, laten, mare, aangenaam, naald, slapen.
Ook in 't praet. pl. van de w.w. van de 4de en 5de klasse, b.v. got. qēmum, ndl. kwamen - lt. vēnimus; got. ētum, ndl. aten - lt. ēdimus.
Opm. Zie voor 't ndl. echter ook § 80.
*
6. In een veel jongere periode van het
Germaans heeft zich een tweede lange ē ontwikkeld in condities
waarover de meningen nog verdeeld zijn. Die ē, genoemd
ē2, is in enkele woorden ontstaan uit germ. e
(zie beneden) en komt voorts vaak voor in lat.
leenwoorden: ē2 moet dus beschouwd worden als een
verzamelbegrip. De ē2 wordt in het ndl. ie.
In 't got. (waar oergerm. /
: / en ē2 in een gesloten vocaal
ē zijn samengevallen) bestaan slecht vier woorden met
ē2, n.l. hēr ‘hier’,
fēra ‘zijde, flank’, en de twee leenwoorden
mēs ‘tafel’ (< vulg. lt. mēsa < lt.
mensa) en Krēks ‘Griek’.
In 't wgm. (ndl.) is het aantal veel groter; behalve in hier, Griek (en kriek, oorspr. [prunum] graecum ‘Griekse pruim’), schier, Fries(land) en enkele andere vindt men de ē2:
a. in 't praet. van een aantal verba, die in 't got. redupliceren en daar in de infinitief ái, ē, of ă + dubbele cons. hebben, b.v. mnl. hiet, ndl. liet, hield bij heten, laten, houden = got. haíháit, laílōt, haíhald bij háitan, lētan, haldan;
b. in een aantal leenwoorden, (na de 6de eeuw) met ofra. ie (< open ē), b.v. ndl. brief, spiegel, Piet(er), priester uit lt. brēve, spēculum (waaruit ook mnl. spēghel met uit ē gerekte ē), Pētrus, prēsbyter; ndl. biet, riem uit lt. bēta (waaruit ook door jongere, herhaalde ontlening beet), rēmus.
Opm. 1. De germ. ē2 geeft dus de lt. (rom.) ĕ en bij zeer vroege ontlening de lt. ē weer; in de regel echter verschijnt de lt. ē, die zeer gesloten was, als germ. ī (mnl. ī, ndl. ei, geschr. ij), b.v. ndl. ijken, krijt, mijt, ‘stapel’, pijn, prij (mnl. pride, prië, pri) ‘kreng’, spijs, tijk, zijde ‘stof’, uit lt. (ex-) (a)equare (eig. = gelijkmaken), crēta, mēta, pēna (poena), pr(a)eda ‘buit’, spēsa < lt. expensae ‘levensonderhoud’ (bij expendĕre ‘uitgeven’), thēca (maar hgd. Zieche), s(a)eta; evenzo vieren (owgm. ī, in 't ndl. vóór r niet gediftongeerd) uit lt. fēriari. Beide vormen in wijl ‘sluier’, mnl. wile, naast mnl. wiel(e), uit lt. vēlum (zie voor mnl. widel § 37). Een veelheid van vormen, met differentiëring van betekenis, bij tegel (uit lt. tĕgula, tēgula): mnl. tiegele; tichel (§ 46), teil (§ 64). Ten dele parallel hiermee regel: richel: mnl. rigel (uit lt. rĕgula, rēgula), desgelijks met differentiëring van betekenis.
Over 't algemeen is dus de ē2 van veel
jongere datum. Waar hij oud is, wisselt hij af met de ĭ en
ī, b.v. got. hēr: pronominale stam hī -
(got. hĭmma daga ‘op deze dag’, und hĭna
dag ‘tot op deze dag’, und hĭta ‘tot
nu’, mnl. hĭ, hī); ndl. schier
(ē2): got. skeirs (ī)
‘helder’. Op grond hiervan neemt Van Coetsem aan, dat de
germ. ē2 < ĕĕ in ggm. tijd door
a-umlaut (§ 2 Opm.) uit idg. oergerm. e
(§ 7) ontstaan is.
Opm. 2. Doordat ĕi met ai en i (§ 10) afwisselt (vgl. § 14) hangen nog de volgende woorden samen: ndl. scheef (ai) en hgd. schief (ē2), wellicht ndl. wieg (ē2) en ohd. wiga, ofrie. widse ‘wieg’.
7. ī, got ī (geschr. ei), mnl. ī:
a. uit idg. ī, lt. ī, b.v. got. swein, mnl. swijn - lt. suīnus (adj. bij sūs ‘zwijn’); mnl. sî (aanv. wijs van sijn) - lt. sīt.
Opm. 1. Ook in een aantal leenwoorden uit het Latijn, als got. wein, mnl. wijn uit lat. vīnum; mnl. scrīven, indien uit lt. scrībere (§ 141). Vgl. ook § 6 Opm. 1.
b. uit idg. e
, lt. ī (monoftong geworden), b.v. got.
-teihan ‘verkondigen’, mnl. tiën
‘beschuldigen’ - lt. dīcĕre ‘zeggen’
(olt. deicerent = lt. dīcerent). En zo in alle st. w.w. van
de 1e klasse. De idg. e
blijkt hier niet uit 't ogm. of 't gewone lt., maar uit
andere idg. talen (b.v. 't grieks). De (in ggm. tijd plaatshebbende) overgang
van idg. oergerm. ei tot ī is te vergelijken met de in
§ 2 besproken overgang van idg. ĕ tot ogm. ĭ
vóór i (j): vermoedelijk werd ei eerst
ii en had daarna contractie tot ī plaats: vgl. §
10.
Door Ausgleich drong ī (< ei in persoonsvormen vóór i, j § 142) door in de infinitief: vgl. got. -teihan.
c. in de verbinding īh die uit ĭ
χ ontstond op dezelfde wijze als āh uit
ă
χ (§ 4); b.v. got. þeihs
‘tijd’ naast ndl. ding; got. þreihan naast ndl.
dringen (vgl. got. fāhan naast ndl. vangen).
Opm. 2. Daar iχ in de genoemde voorbeelden uit idg. ĕ
k ontstaan is, is de overgang van ĕ tot ĭ vóór nasaal + consonant ouder dan het verlies van de nasaal.
* 8. ō, got. ō (gesloten), owgm. ō, in 't ndl. tot oe geworden; uit:
a. idg. ā, lt. ā, b.v. got. brōþar, ndl. broeder - lt. frāter; got. bōka (f.) ‘letter’ of misschien ‘schrift’ (vgl. hgd. Buchstabe), ndl. boek (n.), boekweit - lt. fāgus ‘beuk’; got. sōkjan, ndl. zoeken - lt. sāgīre ‘speuren’. Ook in 't praet. van de st. w.w. van de 6de klasse, b.v. got. drōg, ndl. droeg bij got. drăgan, ndl. drāgen, vgl. lt. lāvi bij lăvo ‘wassen’.
b. idg. ō, lt. ō, b.v. got blō-ma, ndl. bloe-m - lt. flō-s. Ook in 't praet. van de got. reduplicerend-ablautende verba, b.v. got. laílōt bij lētan ‘laten’.
Opm. De idg. ā is waarschijnlijk over a[:] tot ō geworden.
9. ū, got. ū / u: / , mnl. / y: / (geschr. uu, u):
a. uit idg. ū, lt. ū, b.v. got. fū-ls ‘rot’, mnl. vuu-l - lt. pū-tēre ‘rotten’ en pū-s ‘etter’; mnl. muus - lt. mūs; mnl. crume - lt. grūmus ‘aardhoop’ (‘brokkelige aarde’).
Opm. Ook in een aantal leenwoorden uit het Latijn, als mnl. muul ‘muilezel’ uit lt. mūlus; plume uit lt. plūma. Ook mnl. cluuster uit lt. clōstrum (bijvorm van claustrum); mnl. crune uit lt. corōna, waartegenover mnl. crone enn jongere ontlening is; vgl. het in § 6 Opm. 1 over de ē - ī opgemerkte.
b. in de verbinding ūh ontstaan uit ŭ
χ (vgl. āh en īh:
§§ 4 en 7), b.v. got. hūhrus naast ndl. honger
(ŏ uit ŭ) en got. huggrjan (w.w.); got.
jūhiza, comparatief van juggs, ndl. jong; got.
þūhta (mnl. dochte met ŏ uit
ŭ, verkort uit ū) naast þugkjan (ndl.
dunken).
De diftongen: ai, ei, au, eu zijn alle dalend, d.w.z. 't accent rust op de eerste component; de tweede component is de semivocaal j of w.
* 10. 1. ai, got. ai, ndl. ê of ei, uit:
a. idg. a
, lt. ae (monoftong geworden), b.v. got.
áiws ‘tijd’, ndl. eeuw - lt. aevum
‘leeftijd’; got. áiz ‘erts, geld’ - lt.
aes ‘koper’; got. gáits (i - st.), ndl.
geit - lt. haedus ‘bok’; got. háihs
‘eenogig’ - lt. caecus ‘blind’; got.
wái, ndl. wee - lt. vae.
b. idg. o
, lt. ū (monoftong geworden), b.v. got.
áins, ndl. een - lt. ūnus; got.
ga-máins, ndl. ge-meen - lt. com-mūnis (vgl.
voor de anlaut § 196); ndl. zweet - lt. sūdor (uit
swo
d-). Ook in 't praet. sg. van de st. w.w. van de 1e
klasse, b.v. got. báit bij got. beitan.
't Is onzeker, of ndl. beet direct aan got. báit beantwoordt; sommige dialecten schijnen erop te wijzen, dat 't vocalisme van de pluralis in de singularis is ingedrongen.
Opm. De ontwikkeling van het eerste element van de diftong is dus volkomen dezelfde als die van de ă, ŏ, welke niet met i verbonden was.
2. ei, got. ī (geschr. ei), mnl. / i: / , in het oergerm. nog ei: teiv- (§ III), in ggm. tijd gemonoftongeerd (§ 7b).
11. au, got. au, ndl. ô, uit:
a. idg. a
, lt. au, b.v. got. áukan
‘vermeerderen’ - lt. augēre; got. áuso,
ndl. oor - lt. auris; got. *fáus (alleen de
verbogen vormen fawai enz. komen voor) ‘weinig’ - lt.
paucus.
b. idg. o
, lt. ū (gemonoftongeerd), b.v. got.
ráuþs, ndl. rood - lt. rūfus (uit
*ro
dhos). Ook in 't praet. sg. van de st. w.w. van de 2de
klasse, b.v. got. báuþ bij got. biudan.
Voor ndl. bood geldt hetzelfde, wat in § 10 b over ndl. beet is opgemerkt.
Opm. Zie voor 't eerste element van de diftong de opm. bij § 10.
12. eu, in geen van de ogm. dialecten
meer bewaard, in 't got. steeds iu geworden (vgl. de overgang van
ĕ tot ĭ: § 2), uit idg. e
, lat. ū, b.v. got. tiuhan
‘trekken’ - lt. dūcĕre. Dus in 't praes. van de
st. w.w. van de 2de klasse.
13. Onder ablaut, intermutatie of klankwisseling verstaat men de quantitatieve of qualitatieve afwisseling van klinkers in verschillende vormen van hetzelfde woord of met elkaar verwante woorden, welke in verschillende idg. talen optreedt en op de idg. tijd teruggaat.
Opm. De term ‘ablaut’ is van Grimm afkomstig; de ndl. term ‘klankwisseling’ geeft licht aanleiding tot verwarring.
Onder quantitatieve ablaut verstaat men vermeerdering of vermindering van de quantiteit van de klinker, waarbij de klinker ook geheel kon verdwijnen.
Vgl. b.v. lt. pĕdem acc. sg. bij pēs ‘voet’ (uitval van de stammedeklinker vóór de s van de nominatief); rĕgĕre ‘besturen’: rēx (g. sg. rĕgis) ‘koning’; sĕdēre ‘zitten’: sēdēs ‘zetel’; es-t ‘hij is’: s-unt ‘zij zijn’.
Onder qualitatieve ablaut verstaat men afwisseling van qualiteit van de klinker. Deze afwisseling is in 't idg. in de eerste plaats die tussen ĕ en ŏ, ē en ō.
Vgl. b.v. voor de ĕ: ŏ lt. prĕcāri ‘bidden’: prŏcus ‘vrijer’; tĕgĕre ‘bedekken’: tŏga ‘kledingstuk’; terra ‘aarde’: ex-torris ‘verbannen’; nĕcāre ‘doden’: nŏcēre ‘schaden’; dĕcēre ‘passen’: dŏcēre ‘onderwijzen’ (oorspr. ‘pasklaar maken’).
De quantitatieve en de qualitatieve ablaut vormen in 't idg.
één systeem. Zo kan dus b.v. een wortel of basis - zoals men de
ablautende wortels ook wel noemt - idg. pĕr- in de volgende vormen
verschijnen: pĕr-, pēr-, pŏr-, pōr-, pr- (voor
voc.), p
- (voor cons.). Men onderscheidt dus in 't idg.
ĕ - ŏ - nul (Schwundstufe), terwijl de e
en o ook lang kunnen voorkomen (ē - ō)
(Dehnstufe); soms wordt de klinker sterk gereduceerd zonder geheel
te verdwijnen (reductietrap). Deze hoofdklanken komen gecombineerd
met sonanten voor: e
- o
- ĭ, e
- o
- ŭ, el - ol -
, enz. M.a.w. er zijn verschillende
ablautreeksen.
In het germ. verschijnt de ablaut het duidelijkst in de verschillende tijden van de sterke w.w., die, naar gelang ze tot de ene of tot de andere ablautreeks behoren, in 7 verschillende klassen verdeeld worden. Men onderscheidt bij iedere klasse vier vormenreeksen: 1. die van 't praesens (part. praes., infin.), 2. die van 't praeteritum indic. sg., 3. die van 't praeteritum indic. pl. en 't gehele praeteritum optat., 4. die van 't particip. praeteriti. Als vertegenwoordigers van deze 4 groepen kunnen gelden: 1. de infinitief, 2. 't praeterit. indic. sg. 1e pers., 3. 't praeterit. indic. pl. 1e pers., 4. 't particip. praeteriti. Waar in 't volgende slechts drie vocalen genoemd worden, is de derde vocaal die van de 3de en 4de groep. Wanneer men klasse VI terzijde laat, is de meest voorkomende verdeling deze, dat de 1e groep de e-trap, de 2de de o-trap, de 3de en de 4de de Schwundstufe vertonen, maar er zijn, vooral voor de twee laatste groepen, gewichtige uitzonderingen.
*
14. I. e
+ cons.
| idg. | e
- o
- ĭ: |
quantit. e
- ĭ; qualit. e
- o
. |
| ogm. | ī - ai - ĭ - ĭ. | |
| got. | ei - ái - ĭ (ai): | beitan - báit - bitum - bitans (lei an -
lái - laí um - laí ans). |
| mnl. | î - ê (ē?) - ē: | bīten - beet - beten - ghebeten. |
| nndl. | ij - ê (ē?) - ē: | bijten - beet - beten - gebeten. |
Opm. 1. In 't owgm. geen a-umlaut in 't participium (§ 2). In 't ndl. is de 2de categorie met de 3de en 4de samengevallen (§§ 10, 63 en 141 Aant.).
II. e
+ cons.
| idg. | e
- o
- ŭ: |
quantit. e
- ŭ; qualit. e
- o
. |
| ogm. | eu - au - ŭ -ŭ, later ŏ: | in de 4de categorie a-umlaut (§ 3). |
| got. | iu - áu - ŭ (aú): | biudan - báuþ - budum - budans (tiuhan - táuh - taúhum - taúhans). |
| ndl. | ie - ô (ō)? - ō: | bieden - bood - boden - geboden. |
Opm. 2. In 't ndl. is de 2de categorie met de 3de en 4de samengevallen (§ 13).
Opm. 3. Afwijkende praesensvoc. in got. - lūkan: reductietrap met lange vocaal (vgl. § 138). In 't ndl. vindt men meer van dgl. w.w.: mnl. lûken / y: / , slûten / y: / e.a. (§ 67).
III. a) vóór liquida + cons. { te scheiden wegens de verschillende behandeling van de ĕ en deels ook van de ŭ (niet in 't got.), zie §§ 2 en 3.
b) vóór nasaal + cons. { te scheiden wegens de verschillende behandeling van de ĕ en deels ook van de ŭ (niet in 't got.), zie §§ 2 en 3.
a) idg. ĕl, ĕr - ŏl, ŏr -
,
: quantit. ĕl, ĕr -
,
; qualit. ĕ - ŏ.
ogm.
ĕl, ĕr - ăl, ăr - ŭl, ŭr - ŭl,
ŭr, later ŏl, ŏr (a-umlaut).
got. {
ĭl - ăl - ŭl: hilpan - halp - hulpum - hulpans.
got. { aír - ăr - aúr: waírpan - warp -
waúrpum - waúrpans.
mnl. ĕl, ĕr -
ăl, ăr - ŏl, ŏr: helpen - halp - holpen - gheholpen
(werpen -warp - worpen - gheworpen).
nndl. ĕl, ĕr -
ŏl, ŏr, resp. iel, ier - ŏl, resp. iel, ier -
ŏl, ŏr: delven - dolf - dolven - gedolven, bergen - borg - borgen -
geborgen; helpen - hielp - hielpen - geholpen, werpen - wierp - wierpen -
geworpen.
Opm. 4. In de 2de categorie verschijnt reeds in 't jongere mnl. de ŏ (holp) onder invloed van de 3de en 4de categorie (andersom hgd. half - halfen); mnl. hielp, stierf, wierp komen vnl. in het Vlaams sedert het midden der 14de eeuw voor. De oorzaak is wel vernieuwing onder invloed van scheppen - schiep, heffen - hief en dgl. w.w. met ĕ in infinitief; afwijkend nog werd (§57 Opm. 2), waarnaast archaïstisch, maar ook dialectisch wierd.
In het ndl. samenval van de klinker in cat. 2, 3 en 4 in klasse I, II en III, reeds op het einde van de 16de e., in Holland voor twee derde van de st.ww.; vgl. ook Opm. 5.
b) idg. ĕn, ĕm - ŏn, ŏm -
,
: quant. ĕn, ĕm -
,
, qualit. ĕ - ŏ.
ogm.
ĭn, ĭm - ăn, ăm - ŭn, ŭm (geen
a-umlaut: § 3).
got. ĭn, ĭm - ăn,
ăm - ŭn, ŭm: bindan - band - bundum - bundans.
mnl.
ĭn, ĭm - ăn, ăm - ŏn, ŏm: binden - bant
- bonden - ghebonden.
nndl. ĭn, ĭm - ŏn,
ŏm, - ŏn, ŏm: binden - bond - bonden - gebonden
Opm. 5. Het owgm. onderscheid tussen IIIa en b is in de 1ste categorie in 't ndl. het verschil tussen e en i / I / geworden, in de 4de categorie verdwenen, afgezien van een eventueel verschil van uitspraak van ŏ vóór l en vóór n. Mnl. bant werd langs analogische weg bond: sporadisch in de 15de e., in Brabant en Holland in toenemende mate in de 16de e.; ook later bestond de a-vorm nog: naar Weijnen ons meedeelt, vermeldt Hoeufft nog vand, als door hemzelf bij buitenlieden gehoord, ook in het Zuidoostvlaams zijn vormen als band, sprang, vand en dgl. nog in gebruik naast gewoner o.
Vgl. ook hgd. band - banden, waar de vorm van de singularis het heeft gewonnen. In tegenstelling met het in Opm. 4 over halp - holp - hielp opgemerkte ontbreken hier de ie-vormen, doordat het taalgevoel een scherpe scheiding tussen praesens / I / en praeteritum verlangde.
Opm. 6. Mnl. infinitieven als begonnen, ronnen zijn eerder dialectische bijvormen dan vormen met Schwundstufevokaal in 't praesens, daar ze in 't ogm. niet voorkomen.
IV. Vóór enkele liquida of nasaal. Zeer opvallend is de lange vokaal in de 3de categorie, die men ook in 't lt. vindt, b.v. lt. vēnimus = got. qēmum ‘wij zijn gekomen’ (in 't lt. ook in de sg. vēni ‘ik ben gekomen’).
| idg. | ĕl, ĕr, ĕn, ĕm - | ŏl enz. - ēl enz. -
,
,
,
: quantit.ĕl enz. - ēl enz. - enz., qualit. ĕ - ŏ. |
| ogm. | ĕl, ĕr, ĕn, ĕm - | ăl enz. -
l enz. - ŭl enz., later ŏl
enz.(a-umlaut). |
| got. | ĭl, aír, ĭn, ĭm - | ăl enz. - ēl enz. - ŭl,
aúr, ŭn, ŭm: stilan - stal - stēlum - stulans (baíran - bar -bērum - baúrans). |
| ndl. | ē - ă - â - ō: | stelen - stal - stalen - gestolen. |
Opm. 7. Hierbij ook enige werkwoorden, waar een andere consonant dan liquida of nasaal volgt, maar waarbij een r voorafgaat: got. brikan - brak - brēkum - brukans (ndl. gebroken, niet naar kl. V gebreken), ndl. spreken, wreken. Een Schwundstufevocaal in 't praes. vindt men in got. trŭdan, waartegenover vermoedelijk onoorspronkelijk is ndl. treden, dat bovendien naar kl. V gaat (part. praet. getreden); voorts waarschijnlijk in ndl. komen tegenover een onoorspr. got. qiman.
V. Vóór enkele consonant, mits niet liquida of nasaal. In de 3de categorie ook hier de lange vocaal; vgl. lt. ēdimus = got. ētum (in 't lt. ook in de sg. ēdi; in de 4de categorie een met die van de 1e categorie overeenstemmende vocaal.
| idg. | ĕ - ŏ - ē - ĕ: | quantit. ĕ - ē, qualit. ĕ - ŏ. |
| ogm. | ĕ - ă -
- ĕ. |
|
| got. | ĭ(aí) - ă - ē - ĭ(aí): | giban - gaf - gēbum - gibans (saí an - sa - sē um - saí ans). |
| ndl. | ē - ă - â - ē: | geven - gaf - gaven - gegeven. |
Opm. 8. De afwijkende praesensvocaal in ndl. bidden, liggen, zitten berust op indirecte invloed van een eertijds volgende j; vgl. § 52b en vgl. got. bidjan (maar afwijkend ligan en sitan).
VI. Deze klasse is lastig te beoordelen en kan, zonder uitvoerige bespreking van Indogermaans standpunt, niet behoorlijk behandeld worden; vandaar dat er hier niet nader op kan worden ingegaan.
| idg. | ă (of e?) - ā - ā - ă (of e?). | |
| ogm. | ă - ō - ō - ă. | |
| got. | ă - ō - ō - ă: | drăgan - drōg - drōgum - drăgans. |
| ndl. | ā - oe - oe - ā: | dragen - droeg - droegen - gedragen. |
Opm. 9. Ondër invloed van de j, die hier in 't praes. bij veel w.w. voorkwam (got. hafjan, -skapjan e.a.), vindt men hier meermalen afwijkende praesensvormen als ndl. heffen, scheppen (§ 39 en 52b). In 't praet. (vgl. Opm. 4) verschijnt zeer vaak ndl. ie (b.v. reeds mnl. hief, sciep, wiesc) onder invloed van de redupl. w.w. (§ 140).
Opm. 10. Hiertoe behoort van germ. standpunt ook got. standan, mnl. standen (nu alleen staan), met n-versterking in 't praes. (§ 138).
VII. Hiertoe behoren de reduplicerend-ablautende w.w., die alleen in 't got. als zodanig bewaard zijn. Daar in 't wgm. de reduplicatie en de (oorspronkelijk idg.) ablaut verdwenen zijn, worden hier de got. vormen genoemd.
| idg. | ē - ō - ō - ē: alleen qualit. ablaut. |
| ogm. |
- ō - ō -
. |
| got. | ē (vóór klinker ai =
) - ō - ō - ē (ai):
lētan - laílōt - laílōtum - lētans
(saian - saísō - *saísōum - saians). |
Opm. 11. In het type got. saian is een j weggevallen, die in 't wgm. bewaard is: ndl. zaaien, waaien enz. (§ 80).
* 15. Van idg. standpunt heeft men dus in kl. I-V éénzelfde qualitatieve ablaut ĕ - ŏ, in kl. VII ē - ō; daarbij komt in kl. I-V de quantitatieve ablaut. Kl I en II hebben zich van kl. III-V afgescheiden, doordat de op de klinker volgende semivocaal zich met die klinker tot een diftong verbond. Kl. III-V vormen van idg. standpunt één klasse, maar in 't germ. is hier (meestal) differentiëring ontstaan tengevolge van klankwetten, die op zich zelf met de ablaut niets hebben uit te staan. In kl. VI, die in 't idg. door quantitatieve ablaut gekenmerkt was, ontstond op dezelfde wijze in 't germ. daarnaast een qualitatieve ablaut. Zo ontwikkelde zich, uit een oorspronkelijk eenvoudig verschil, in 't germ. een vrij ingewikkeld systeem, waarop de indeling van de st. w.w. is gaan berusten. In jongere tijd, in 't ndl., is dan dit systeem vereenvoudigd, doordat de verschillen tussen enk. en meerv. in 't praeteritum verdwenen of althans verkleind zijn; daardoor echter is het verschil in klinker nog in meerdere mate het typische onderscheidingskenmerk tussen praesens en praeteritum van de st. w.w. geworden.
* 16. Ook buiten de vormen van de st. w.w. vindt men in 't germ. nog de ablaut, zij het in mindere mate. Een belangrijke groep vormen de causatieven (§ 138), die de o-fase hebben, dus dezelfde vocaal als 't praeterit. sg. van de primaire st. w.w., b.v. got. -raisjan (caus.): -reisan (primair st. w.w.; praet. ráis). Zo ook - drausjan: driusan; kausjan: kiusan; wandjan: windan; dragkjan: drigkan; lagjan: ligan; satjan: sitan; -nasjan: -nisan; -atjan: itan; -brannjan: brinnan. Vgl. ndl. wenden, drenken enz. (ĕ uit ă vóór j: § 39) naast winden, drinken enz.
Dan tal van verbale substantieven; b.v. ndl. beet: bijten,
kneep: knijpen, reet: rijten, schrede: schrijden,
snede: snijden (alle met ē uit ĭ in
oorspr. open syllabe); boog: buigen, goot: gieten, scheut:
schieten, reuk: ruiken (alle met ō, resp. eu uit
ŭ in oorspr. open syllabe); bond: binden, dronk:
drinken, braak: breken, spraak: spreken, wraak: wreken,
maat: meten, waag: wegen, got. hăna, ndl.
haan: ndl. hoen (bij lt. can-ere); staan:
stoel. Voorts verschillende participia necessitatis met van ouds lange
vocaal; b.v. got. andanēms: and-niman, andasēts:
and-sitan; ndl. aangenaam, bekwaam, gaaf, -baar. Vgl. verder:
got. niutan, ndl. ge-nieten: ndl. ge-noot (uit
-au-): got. nŭta ‘visser’, ndl. ge-not,
nut; got. baíran ‘dragen’: barn
‘kind’: bērusjōs ‘ouders’:
baúr ‘de geborene’, ga-baúr
‘maaltijd, belasting’, ga-baúrþs
‘geboorte’; got. fraþjan ‘begrijpen’,
frăþi ‘verstand’: frōþs, ndl.
vroed; got. lētan, ndl. lâten: got.
lăts, mnl. lăt (daarnaast, met rekking uit het
bijwoord lāte, ndl. laat). Buiten de w.w. en van w.w.
afgeleide woorden komt de ablaut nog in resten voor, b.v. ndl. heet
(ê uit ai): hitte; hiuh-ma ‘hoop,
menigte’: háuhs ‘hoog’; ndl. tinne (idg.
*dent-nā-): ndl. tand: got. tunþus (lt.
dentem,
); got qino, mnl. quene: got.
qēns; got. hăna, ndl. haan: ndl. hoen;
got. asts, mnl. ast, hgd. Ast: ndl. oest
(noest [znw.]); eng. hat: ndl. hoed. Ook nog in
buigingsuitgangen, b.v. got. dagis: dagam, anstais: anstim,
sunus: sunaus, gumin: guman, fadar: fadr, nimis:
niman.
* 17. Daar de ablaut in alle idg. talen voorkomt, mag men aannemen, dat die al in de idg. grondtaal aanwezig was en dus in een vroegere periode van het idg. ontstaan is; vandaar dat de oorzaken ervan ons niet helder zijn.
Het ontstaan van de ablaut valt dus in voorhistorische idg. tijd; in 't germ. kan men slechts de nawerking constateren; de ablaut is er over 't algemeen niet meer produktief. Maar voor het germ. taalgevoel hebben de st. w.w. zich in reeksen gerangschikt, waarbij de ablaut het criterium was, en dit systeem is tot nu toe gebleven, zelfs in het Engels, dat anders met zo weinig vormen volstaat. Echter hebben er in de loop van de tijd veel verschuivingen en veranderingen plaats gehad, zodat van 't standpunt van de nieuw-ndl. grammatica de indeling vrij wat anders is.
Opm. Niet iedere afwisseling van klinker is ablaut. Indien b.v. ndl. nacht naast lt. noctem staat, is de afwisseling van klinker het gevolg van de klankwet, volgens welke idg. ŏ germ. ă werd; dus geen ablaut. Evenmin rekent men ertoe formaties, die op klanknabootsing berusten, b.v. tiktak, klinkklank. Maar als ndl. tand naast lt. dentem staat, dan komt dit, doordat eens hier ŏn metafwisselde; die wisseling gaat op de idg. oertijd terug en we spreken hier dus wel van ablaut.
* 18. Samenvatting: fonologische veranderingen in het systeem van de klinkers.
In 't germ. kan men veronderstellen, voor een oudere periode:
| a | œ: | : |
|||||
| e | ō | ||||||
| i | u | ī | ū |
voor een jongere periode:
| a | ā | ||||||||
| e | o |
: |
|||||||
| i | u | ē | ō | ||||||
| ī | ū |
Men beschouwe die tabellen als een overzicht bij de voorgaande paragrafen; de oudgerm. foneemsystemen zelf kent men eig. niet.
Over 't algemeen zal, wanneer door verandering van een foneem het
(χ) (§ 4), welke ā in 't
wgm. en ngm. zeer sterk kwam te staan door de overgang van
tot ā (§ 5). Voorts ontstond een
nieuwe ē, de zgn. ē2 (§ 6), welke in
't got. een stevige positie kreeg door de overgang van
tot ē (§ 5).
19. Een aantal idg. consonanten zijn in 't germ. niet noemenswaard veranderd; zo de nasalen, de l en de r. Bij de j en de w beperkt zich de verandering tot een geleidelijke omzetting van semivocaal in spirant. Daarom wordt hier volstaan met een bespreking van de klankverschuiving en de wet van Verner.
20. Onder de germ. klankverschuiving verstaat men een reeks van ingrijpende veranderingen, die de idg. explosieven in het germ. hebben ondergaan; men spreekt van germ. of eerste klankverschuiving in tegenstelling tot de hgd. of tweede (zie de inleiding). Het betreft drie verschijnselen:
a. De idg. stemloze explosieven p, t, k, kv worden in 't oergerm. stemloze spiranten f, þ, χ, χv;
b. De idg. stemhebbende geaspireerde explosieven bh, dh, gh,
gvh worden in 't oergerm. stemhebbende spiranten,
,
ð, γ, γv;
c. De idg. stemhebbende explosieven b, d, g, gv worden in 't oergerm. stemloze explosieven p, t, k, kv.
Opm. 1. De term ‘Lautverschiebung’ is van Grimm afkomstig.
Opm. 2. De kv, kvh, χv, gvh, γv, gv zijn labiovelaren, velaren met lipronding, (b.v. kv niet = ndl. kw enz., maar een enkele consonant, waarbij tegelijk met het zeggen van de k de lippen gerond worden). In het got. gebruikte Wulfila dan ook voor de kv en de χv nog een teken, dat men in de regel door q resp.weergeeft.
Opm. 3. Het idg. kende, behalve de stemloze explosieven, ook stemloze geaspireerde explosieven ph, th, kh, kvh; deze hebben zich, evenals de niet-geaspireerde, tot germ. stemloze spiranten ontwikkeld; daarom worden ze niet afzonderlijk besproken. Daarentegen hebben de stemhebbende geaspireerde explosieven een geheel andere ontwikkeling gehad dan de niet-geaspireerde; vandaar dat de stemhebbende explosieven boven in twee groepen gescheiden zijn.
* 21. De ontwikkeling van de stemloze explosieven tot stemloze spiranten. Bij de uitspraak van de stemloze explosieven zijn er twee mogelijkheden:
a. Gedurende de tijd dat de afsluiting duurt, zijn de stembanden vernauwd, zodat er geen lucht meer toestroomt in de mond; en zodra de explosie heeft plaats gehad, beginnen de stembanden te trillen wanneer een vocaal volgt. Zo b.v. in de Romaanse talen en, over 't algemeen, ook in het Nederlands.
b. Gedurende de periode van afsluiting zijn de stembanden geopend, zodat er voortdurend lucht toestroomt in de mond; als dan de explosie plaats gehad heeft, ontsnapt nog een ogenblik daarna de in de mond verzamelde lucht, m.a.w. men hoort iets van een blaasklank, vóór de vocaal inzet; zulke explosieven zijn min of meer geaspireerd. Zo b.v. in 't Engels, in Noord-Duitsland, ook in de Duitse ‘Bühnensprache’ en vooral in Denemarken; bij ons in noord-oostelijke dialecten en voorts in de interjectie phoe; verder in verbindingen als 'k heb, 't heeft.
Bij de tweede wijze van spreken ontwikkelt zich het blaaselement gemakkelijk tot een afzonderlijke consonant. Uit het feit dat de idg. geaspireerde stemloze explosief dezelfde ontwikkeling doormaakt als de niet-geaspireerde, kan men besluiten, dat de idg. stemloze explosief, die vermoedelijk een van de eerste soort was, al in 't alleroudste germ. een van de tweede soort werd; m.a.w. idg. p werd ph en viel dan samen met idg. ph (evenzo t, k). Vermoedelijk werd daarna ph tot pf, dan tot ff, daarna tot f; tenminste bij de oudhgd. klankverschuiving zijn de tussentrappen pf en ff werkelijk overgeleverd; doordat de geaspireerde explosief zwakker gearticuleerd werd dan de niet-geaspireerde, ging de volledige sluiting verloren.
De ogm. stemloze spiranten zijn in 't got. bewaard; alleen werd de
χ (steeds geschr. h) in de anlaut vóór klinker
en tussen vocalen blaasklank. In 't wgm. hadden de f en de
þ neiging stemhebbend te worden: in 't ndl. vindt men dan ook
v, behalve in de geminatie, in verbinding met een stemloze consonant en
in de auslaut, en d (<
< þ), maar in de auslaut t. De
χ verzwakte in 't wgm. hoe langer hoe meer; vandaar in 't ndl.
h in de anlaut vóór vocalen; verdwijning in de anlaut in
hl en hr, in de inlaut tussen vocalen en na l, r;
χ (geschr. ch) vóór t en in de auslaut.
De χv verloor in 't wgm. het labiale of het velare
element; in 't eerste geval viel de klank dus samen met de χ, in 't
tweede geval werd die tot ndl. w; tussen klinkers verdween χ
geheel: got. a
a; ndl. -a (Goud-a).
B.v. lt. pĕcu ‘vee’ - got.
faíhu ‘geld’, ndl. vee; lt. păter
- got. fădar (vgl. voor de d § 24), ndl. vader;
lt. pellis ‘huid’ - got. þrūts-fill
‘melaatsheid’,
lt. tăcēre ‘zwijgen’ - got. þăhan; lt. trēs - got. þreis, ndl. drie (vgl. voor de ie § 129); lt. tu - got. þu, mnl. du; lt. frāter - got. brōþar, ndl. broeder; lt. vertĕre ‘keren’ - got. waírþan, mnl. werden; lt. dentem (acc. sg. van dens) - got. tunþus, ndl. tand (ablaut: § 16).
lt. cornu - got. haúrn, ndl. hoorn; lt. cănĕre ‘zingen’ - got. hăna, ndl. haan; lt. centum - got. hund, ndl. honderd; lt. spĕcio ‘zien’ - mnl. spien (ndl. spieden met onoorspr. d: § 37, 1); lt. tacēre ‘zwijgen’ - got. þăhan; lat. dūcĕre - got. tiuhan, mnl. tien.
lt. quŏd - got.
a, ndl. wat, hoe (uit
*χvō); lt. quĭēs
‘rust’ - got.
eila, ndl. wijl; lt.
ăqua - got. a
a, ndl. Aa; lt.
linquĕre ‘verlaten’, perf. līqui - got.
lei
an ‘lenen’.
Opm. 1. Soms wisselde in 't idg. reeds een labiovelaar met labiaal; zie § 129.
Na stemloze spirant bleef de verschuiving achterwege, ook als die spirant eerst in 't germ. uit een idg. stemloze explosief ontstaan was, dus idg. sp, st, sk = germ. sp, st, sk (= ndl. anl. sch, anders s); idg. pt, kt = germ. ft (ndl. cht), χt. B.v. lt. spĕcio ‘zien’ - mnl. spien; lt. spuĕre - got. speiwan, ndl. spuwen; lt. stare - got. standan, ndl. staan; lt. est - got. ist (voor ndl. is zie men § 147); lt. hostis ‘vijand’ - got. gasts, ndl. gast; lt. piscis - got. fisks, ndl. vis; lt. captus ‘gevangen’ - got. hafts ‘behept’; lt. neptis ‘kleindochter’ - ndl. nicht (uit *nifti-); lt. octo - got. ahtau, ndl. acht; lt. nŏctem (acc. sg. van nox) - got. nahts, ndl. nacht.
Opm. 2. Men moet echter met de mogelijkheid rekening houden, dat idg. sp enz. eerst wel verschoven zijn, maar dat die verschuiving later weer ongedaan is gemaakt.
Een eigen ontwikkelingsgang had de idg. tt (soms door assimilatie uit dt ontstaan), die in 't germ. ss, na lange vocaal s werd; vgl. 't lt. (b.v. sessus bij sĕdeo ‘zitten’) en 't keltisch (zie Inl. § II).
B.v. got. us-standan (n van stand- door
praesensversterking: § 138): us-stass ‘opstanding’;
got. wait: wissa (praet.), *un-wiss, ndl.
(ge)wis: got. un-weis (pl. -weisai), ndl.
wijs; got. qiþan: ga-qiss ‘afspraak’;
got. ĭtan, ndl. ēten: ndl. aas (uit *
sa- uit idg. *ēd-tó: gerekte trap);
got. măts ‘spijs’: ndl. moes (uit
*mŏsa- uit idg. *mād-to-); got. maidjan (met
d, niet þ, volgens § 26) ‘veranderen’:
misso ‘elkaar’, missa- (uit idg. *mitto-),
ndl. mis-; got. *-
atjan, ndl. wetten: got.
assaba ‘scherp’ (adv.) (uit idg. d-t).
Opm. 3. Got. atta heeft een emfatische t(t); 't is een woord uit de kindertaal.
* 22. De ontwikkeling van de stemhebbende geaspireerde explosieven tot stemhebbende spiranten.
De idg. stemhebbende geaspireerde explosieven zijn in geen andere
idg. taal dan 't oind. bewaard. In 't lt. vindt men ze op de volgende wijze
terug: idg. bh = lt. anl. f, inl. b; idg. dh = lt.
anl. f, inl. d; idg. gh = lt. h. De ontwikkeling in
't germ. kan men zich aldus voorstellen: bh > b
>

>
, maar geen van de
tussentrappen is overgeleverd. In de verschillende germ. dialecten vindt men de
stemhebbende spiranten in bepaalde posities als stemhebbende explosieven terug.
In 't got. vindt men ze als zodanig in de anlaut en na consonant (voor de anl.
γ is dit niet zeker); de schrijfwijze is steeds b, d, g,
ook waar ze spirant waren. In 't ndl. bleef de b <
in de anlaut, na m en in de geminatie; de verbinding mb werd
echter geassimileerd tot m;
werd steeds d; γ vindt men in 't ndl.
steeds als spirant, behalve in de verbinding
g die geassimileerd is tot
(geschr. ng). In de auslaut vindt men natuurlijk de
stemloze consonant.
Opm. 1. Voorzover de overgang tot explosief got. en wgm. is, valt hij vermoedelijk in gemeen-germ. tijd; d.i. dus na nasaal en in geminatie; voorzover het deen
betreft, ook in de anlaut. Bij de g is dus de overgang van spirant tot explosief in de geminaat in onze taal weer gevolgd door de overgang van explosief tot spirant.
Opm. 2. Een eigen ontwikkeling had de ogm. γv, die alleen in 't got. na nasaal tot twee fonemen geworden is (b.v. siggwan, ‘zingen’: ggw = ngw). Over 't algemeen is of het eerste of het tweede element verloren gegaan; b.v. got. magus ‘knaap’: mawi ‘meisje’; got. hneiwan: ndl. nijgen.
B.v. lt. fĕro (praes. sg. 1) - got. baíran, ndl. (ge)boren; lat. fāgus ‘beuk’ - got. bōka, ndl. boek; lt. frāter - got. brō þar, ndl. broeder; lt. fĭber - ndl. bēver; lt. amb- - ndl. om (< omme < *umbi: ablaut); lt. nĕbula - ndl. nēvel; lt. orbus ‘beroofd van’ - got. arbi, mnl. erve, nndl. erf; ndl. weven: webbe.
lt. fŏris - got. daúr, ndl. deur; lt. fē-ci ‘ik heb gemaakt’ - ndl. doe-n (ablaut); lt. offendimentum ‘kinband aan de priestermuts’ - got. bindan, ndl. binden; lt. mĕdius - got. midjis, ndl. midden; lt. vădem (acc. sg. van vas ‘borg’) - got. wădi, ndl. wedde; lt. vĭdua - got. wĭduwo, ndl. wēduwe.
lt. hostis ‘vijand’ - got. gasts, ndl. gast; lt. hŏmo (vgl. voor de eerste ŏ § 3b) ‘mens’ - got. gŭma, ndl. (bruide-)gom; lt. helvus - mnl. gele; lt. haedus ‘bok’ - got. gaits, ndl. geit; lt. vĕhĕre ‘voeren’ - got. gawĭgan, ndl. be-wēgen.
23. De ontwikkeling van de stemhebbende explosieven tot stemloze explosieven.
Het aantal woorden met idg. b = germ. p is in 't germ. gering. Het lt. heeft de idg. klanken bewaard, behalve dat de gv in de anlaut als v / w / verschijnt. In 't ndl. is de q tot kw (twee klanken) geworden.
B.v. lt. lăbium (ă uit ĕ) - ndl. lip; lt. scăbĕre ‘krassen, beitelen’ - got. skapjan, ndl. scheppen; lt. vĭb-rāre ‘trillen, zwaaien’ - got. weipan, mnl. wipen ‘bekransen’.
lt. dūcĕre - got. tiuhan, mnl. tien; lt. dŏmāre - got. -tamjan, ndl. temmen; lt. dĕcem - got. taihun, ndl. tien; lt. ĕdĕre - got. ĭtan, ndl. ēten; lt. sĕdēre - got. sĭtan ndl. zitten (uit *sittian: § 52b); lt. vĭdēre ‘zien’ - got. witan, ndl. weten.
lt. gustus ‘smaak’ - got. kustus, ndl. (te) kust; lt. gĕnu - got. kniu, ndl. knie (ablaut); lt. gĕna ‘wang’ - got. kinnus ‘wang’, ndl. kin; lt. ăger - got. akrs, ndl. akker (geminatie: § 52b); lt. augēre - got. aukan; lt. iŭgum - got. juk, ndl. juk.
lt. vĕnio - got. qĭman; lt. vīvus ‘levend’ - got. qĭus (ablaut), vgl. ook mnl. quic ‘vee’ (‘levende have’) en, hiermee identiek, 't ndl. adj. kwik.
Opm. Soms vindt men germ. vormen met p(p), t(t), k(k) naast verwante met, ð, γ, b.v. ndl. dop: deuv-ik; schoppen: schuiven; greppel: graven; pit: peddick (Kil.); eng. hat: ndl. hoeden (plur. znw.; in de ausl. in 't ndl. verscherping) (ablaut); ndl. lekken, likken: got. bi-laigōn (ablaut) en talrijke andere intensiva (b.v. bukken: buigen, hikken: hijgen, nikken: nijgen, wikken: wegen).
* 24. Volgens de in § 21 besproken ontwikkeling beantwoorden aan de idg. stemloze explosieven ogm. stemloze spiranten. Dit is echter niet altijd het geval; daarnaast komen stemhebbende spiranten voor, die dan samenvallen met de volgens § 22 ontstane stemhebbende spiranten en evenals deze zich in bepaalde gevallen (na nas. en liq.) tot stemhebbende explosieven ontwikkelen. Ook de idg. s., die in 't ogm. bewaard bleef, werd op dezelfde wijze soms tot z. Niet alleen doet zich dit verschijnsel voor in afzonderlijke woorden (b.v. got. fădar = lt. păter tegenover got. brōþar = lt. frāter), maar ook vindt men zeer vaak van eenzelfde woord of woordstam vormen met stemloze en met stemhebbende spirant (b.v. got. frăþi ‘verstand’ naast frōdei ‘wijsheid’); zulk een wisseling noemt men met een hgd. term grammatische wechsel (of ook consonantische intermutatie). In 1875 gelukte het de Deen Verner dit verschijnsel te verklaren uit het accent. In tegenstelling n.l. tot het historische germ., dat het accent op de eerste syllabe heeft, bestond, als erfenis van het idg., in het vóór-historische germ. binnen het paradigma van een woord wisseling van accent, en deze wisseling van klemtoon veroorzaakte het verschil tussen stemloze en stemhebbende spiranten; d.w.z. de stemloze spiranten, die na de klankverschuiving in 't germ. aanwezig waren (f, þ, χ, s), werden - behalve in de anlaut - verzacht, wanneer volgens de oorspronkelijke idg. accentuatie het expiratorisch accent niet op de onmiddellijk voorafgaande syllabe lag.
Feitelijk is deze overgang van stemloos tot stemhebbend een soort van assimilatie aan de naburige vocalen, welke bij slappe uitspraak begrijpelijk is; daarentegen bleef bij voorafgaande betoonde vocaal, dus bij energiek spreken, de onderscheiding van stemhebbende vocaal en stemloze consonant bewaard. Men lette op de correlatie tussen de verschillende fonemen.
Opm. 1. Boer Neophil. 1, 110 en Handboek 122 v.v. zoekt de oorzaak van de verzachting in het muzikale accent van de volgende syllabe. ‘De spanning der stembanden, die voor eene lettergreep met hooge toon noodig was, begon reeds bij den voorafgaanden medeklinker.. en maakte dezen tonend’ (Oergermaansch Handboek blz. 124).
Aan de idg. stemloze explosieven kunnen dus germ. stemloze en
stemhebbende spiranten beantwoorden, n.l. idg. p = ogm. f (got.
f; ndl. v, maar in de auslaut f) en
(got.
; ndl. v, maar in de ausl. f); idg.
t = ogm. þ (got. þ; ndl. d, maar in de
ausl. t) en
(got.
; ndl. d, maar in de ausl. t); idg. k =
ogm. χ (got. h; in 't ndl. verdwenen, maar in de gemin. en de
ausl. ch) en γ (got. γ; ndl. γ,
maar in de ausl. ch); idg. kv = ogm.
χv (got.
; in 't ndl. verdwenen, maar in de
ausl. ch) en γv (got. ndl. γ, w:
§ 22, Opm. 2); idg. s = ogm. s (got. s) en z
(got. z); in 't owgm. werd de z tot r (hgd. mir, wir,
dir); de s is in 't ndl. over 't algemeen z geworden.
Opm. 2. Daar het hier de wet van Verner betreft, zijn de ndl. representanten in anlaut niet genoemd; bijzonderheden komen later ter sprake.
Meermalen is het verschil langs analogische weg opgeheven, indien
vormen met stemloze en met stemhebbende spiranten naast elkaar voorkwamen. Dat
is in sterke mate het geval in het got. geweest, dat in 't algemeen een
opvallende neiging tot gelijkmaking vertoont en zodoende hier zeer
onoorspronkelijk is; vandaar dat de gramm. wechsel beter te zien is in het
wgm., ook in 't ndl. Echter is het met het oog op de hierboven vermelde
verandering van de ogm. consonanten duidelijk, dat men de gramm. wechsel in het
ndl. niet meer bij de ogm. f en
en de ogm.
þ en
kan aantonen, wel echter bij de ogm. χ
(χv) en γ (γv) en de
ogm. s en z. Echter bewijst een ch in de ausl. niets; b.v.
mnl. teech (bij tiën) zou evengoed op een ogm.
γ als χ kunnen wijzen. Overigens heeft ook in 't ndl.
de analogie het verschil vaak doen verdwijnen (zo b.v. bij 't w.w.
genezen, waar reeds in 't mnl. de r-vormen verdwenen zijn).
* 25. De gramm. wechsel vindt men het duidelijkst bij de st. w.w. Daar rustte n.l. in 't idg. 't accent in de vormen van de 1e en de 2de categorie (vgl. § 13) op de wortelsyllabe, daarentegen in die van de 3de en de 4de categorie op de uitgang; als gevolg daarvan kreeg men in de eerstgenoemde vormenreeksen geen verzachting, in de laatstgenoemde wel. B.v. 1)
| a. ogm. s-z: | {mnl. kiesen - coos - coren - ghecoren; |
| {nndl. kiezen - koos - [kozen] - [gekozen]; (uit)verkoren; | |
| {hgd. erkiesen - [erkor] - erkoren - erkoren. | |
| {mnl. verliesen - verloos - verloren - verloren; | |
| {nndl. verliezen - [verloor] - verloren - verloren; | |
| {hgd. [verlieren] - [verlor] - verloren - verloren. | |
| {mnl. vriesen - vroos - vroren - ghevroren; | |
| {nndl. vriezen - [vroor] - vroren - gevroren; [bevrozen]; | |
| {hgd. [frieren] - [fror] - froren - gefroren. | |
| {mnl. wesen - was - waren - [ghewesen]; | |
| {nndl. wezen - was - waren - [adj. gewezen]; | |
| {hgd. subst. Wesen - [war] - waren - [gewesen]. | |
| b. ogm. χ-γ: | {mnl. diën - (deech) - deghen - ghedeghen; |
| {(ge)dijen, ouder [dijgen] - zwak geworden - adj. gedegen; | |
| {hgd. ge-deihen - gedieh - [gediehen] - [gediehen], adj. gediegen (ook zwak). | |
| {mnl. tien - (teech) - teghen - geteghen; | |
| {nndl. [tijgen] - (teeg) - tegen - getegen. | |
| {mnl. tien - (toech) - togen - ghetoghen; | |
| {nndl. (be)tijen, [tijgen] - (toog) - togen - getogen; | |
| {hgd. ziehen - [zog] - zogen - gezogen. | |
| {mnl. plien - (plach) - plaghen - gheploghen, ghepleghen, [gheploen], [gheplien]; echter ook reeds zwak; | |
| {nndl. [plegen] ‘gewoon zijn’ - (placht) - [plachten] - -; in de betekenis ‘bedrijven’ zwak; | |
| {hgd. [pflegen] - gepflogen; in andere bet. zwak. |
| {mnl. slaen - (sloech) - sloeghen - ghesleghen, [gheslaen]; | |
| {nndl. slaan - (sloeg) - sloegen - geslagen; | |
| {hgd. [schlagen] - [schlug] - schlugen - geschlagen. | |
| mnl. dwaen - (dwoech) - dwoeghen - ghedweghen, [ghedwaen]. | |
| {mnl. haen - [hinc] - hingen - ghehangen; | |
| {nndl. hgd. [hangen] - [hing] - hingen - gehangen. | |
| {mnl. vaen - [vinc] - vinghen - ghevangen; | |
| {nndl. [vangen] - [ving] - vingen -gevangen; | |
| {hgd. [fangen] - [fing] - fingen - gefangen. | |
| {mnl. lachen - (loech) - loeghen - [ghelachen]; | |
| {nndl. lachen - zwak geworden - [gelachen]. | |
| c. ogm. χv-γv | er ontbreken hier duidelijke voorbeelden. |
Afgezien van de bovenvermelde voorbeelden, won bij genezen, lezen, niezen (oorspr. sterk), rijzen, bevelen (got. filhan), vlijen (nu zwak) de oorspr. stemloze spirant het; bij rijgen (mnl. riën), zijgen (mnl. siën), zwelgen, gewagen (nu zwak) (tegenover hgd. erwähnen) daarentegen de stemhebbende spirans. In 't got. vindt men slechts bij twee w.w. gramm. wechsel, nl. bij de praeterito-praesentia þarf ‘nodig hebben’, pl. þaúrbum en áih ‘hebben’, pl. áigum (naast analogisch áihum); voorts, indien uit idg. t, tot op zekere hoogte bij standan (*stað-), waar het gehele praeteritum (stōþ-stōþum) de scherpe spirant heeft; en bij 't adj. fulgins ‘verborgen’, dat in oorsprong een participium is bij filhan (§ 135 Opm. 2). Overigens is door gelijkmaking overal het verschil verdwenen, gewoonlijk ten koste van de stemhebbende spirant; b.v. bij waírþan ‘worden’, -leiþan ‘gaan’, tiuhan ‘trekken’, driusan ‘vallen’, þreihan (= ndl. dringen) e.a., die de stemloze spirant in alle vormen hebben.
Opm. 1. Zie voor tiden naast tien § 37, 1.
Opm. 2. Placht: toevoeging van -t onder invloed van onmiddellijk volgend te + infinitief (vandaar ook omgekeerd pleeg met wegval van t). Bovendien kwam uit hoofde van de betekenis vermenging van praesens en praeteritum gemakkelijk voor. Verder kan bracht invloed geoefend hebben, al ligt dit semantisch verder af. Voor het middeleeuwse Limburgs, waarin plaght reeds op het eind der 13de eeuw voorkomt, kan men ook denken aan hypercorrectisme (immers, - cht is er tot -ch geworden).
Opm. 3. Het zwakke werkwoord slagen, in de tegenwoordige betekenis eerst na Kiliaan aangetroffen, heeft zich eerder uit het bovengenoemd verl. deelw. geslagen ontwikkeld dan dat het een denominatief is van slag ‘kans’.
* 26. Ook buiten de st. w.w. vindt men gramm. wechsel. Bij de causatieven kon de verzachting plaats hebben, daar hier de klemtoon op het in onze taal verdwenen, in 't got. nog als j bewaarde suffix lag (§ 138 b). B.v. got. fra-wardjan ‘te gronde richten’: fra-wairþan ‘te gronde gaan’; ndl. ge-neren (hgd. nähren): genezen (hgd. ge-nesen), maar in 't got. door gelijkmaking ga-nasjan: ga-nisan; oostmnl. reren ‘laten vallen’: ndl. rijzen, maar got. ur-raisjan: ur-reisan.
Vgl. verder o.a. got. af-lifnan ‘overblijven’:
bi-leiban ‘blijven’: þarf ‘ik heb
nodig’: þarba ‘gebrek’; - got.
náuþjan ‘dwingen’: náudibandi
‘boei’; sinþs ‘gang, keer’: sandjan
‘zenden’ (‘doen gaan’); - got. jūhiza,
compar. van juggs ‘jong’; tunþus
‘tand’: aí
a-tundi ‘doornstruik’ (eig.
= paardetand); hūhrus ‘honger’: huggrjan
‘hongeren’; taíhun, ndl. tien: got.
*tigus ‘tiental’, ndl. twin-tig (in de ausl. scherp
uitgespr.); tien ‘trekken’: teugel, hertoghe; mnl.
sweer ‘schoonvader’, hgd. Schwäher: mnl.
swēgher ‘schoonmoeder’, hgd. Schwiegermutter,
en met lange ablautvocaal mnl. swâgher, hgd.
Schwâger, maar in 't got. door gelijkmaking swaíhra
‘schoonvader’ en swaíhro ‘schoonmoeder’;
waarschijnlijk ook oostndl. schra ‘schraal’: schraag
‘schuins’; - got. sai
an ‘zien’: siuns
‘gezicht’; a
a, ndl. A(a): ndl.
(land)ouw (beide volgens de wet van Sievers, waarbij
w in de plaats van γw treedt, dus: Verner
*seγv-ni-, Sievers *sew-ni- >
got. siuns; V.: *aγv-jô, S.:
*aw-jô en (§ 52b) *auuiō > ndl. ouw,
ooi § 54.5); - got. wisan ‘zich verheugen’:
wizōn ‘zwelgen’; got ahs (gen. ahsis):
ndl. aar (uit *ahaz); ndl. kiezen: keur (maar
secundair ook keuze); got. raus ‘riet’, zuidndl.
Roos-beek (fra. Rou-baix), voorts plaatsnamen Roosendaal,
Roosevelt, Rozevenne: 't Roorenstuk, hgd. Rohr en in 't ndl.
met afwijkende vocaal roer ‘pijp’, roer-domp (Kil.
ros-domp fris.); ndl. vaars: var.
Opm. Het vocalisme stemt niet altijd overeen met het consonantisme; b.v. in got. tunþus vindt men de vocaal in de Schwundstufe (un uit idg.), de consonant echter onverzacht (þ). Het eerste wijst op accentuatie van de 2de syllabe, het tweede op accentuatie van de 1e syllabe. De tegenstrijdigheid is aldus te verklaren, dat door analogiewerking al zeer vroeg verschuivingen zijn opgetreden. B.v. de nom. sg. had een ander accent dan de casus obliqui; deze verschillende vormen konden dan invloed op elkaar uitoefenen. Vgl. speciaal voor 't vocalisme van tunþus lt. dentem, ndl. tand. - In het got. heeft men in verschillende vormen van guþ ‘god’ vermoedelijk een voorbeeld bewaard van gramm. wechsel binnen het paradigma van eenzelfde woord: sg. guþ, guþs, guþa: pl. guda, gudē, gudam, in composita guda-.
* 27. Chronologie en oorzaken
Moeilijk is het, de absolute chronologie vast te stellen. Alleen is
het zeker, dat reeds vóór de overlevering van germ. namen bij
klassieke schrijvers het proces volledig had plaats gehad; vandaar dat de
klankverschuiving het meest typische kenmerk van 't ogm. is. Hoeveel eeuwen men
echter
Duidelijk spreekt uit de klankverschuiving de neiging om de afstanden tussen de fonemen te handhaven. Immers de drie rijen van medeklinkers die het idg. kende, veranderden alle, maar - in 't algemeen gesproken - zo, dat ze kenbaar bleven als drie verschillende groepen. Zo, in tabel A (richting van de pijl):
| Tabel A | ||||||
| idg. | → | germ. | ||||
| p | t | k | f | þ | χ | |
| bh | dh | gh | (b) |
(d) |
γ (g) | |
| b | d | g | p | t | k |
De relatieve chronologie heeft men zich als volgt voorgesteld: in de
eerste fase verschoven de stemloze explosieven (p > f, enz.),
in de tweede fase verschoven de stemhebbende geaspireerde explosieven
(bh >
, b, enz.). in de derde fase verschoven de
stemhebbenden explosieven (b > p, enz.). De eerste en de tweede fase
van de klankverschuiving zijn min of meer parallelle processen en begonnen dus
vermoedelijk ongeveer gelijktijdig; dan volgde de wet van Verner; daarna, ook
na de overgang van
n tot 
tot
bb, maar vóór de overgang van
tot
b, de derde fase. Daarna de accentverschuiving, waardoor 't idg. vrije
accent verloren ging.
In het teken van de structurele taalwetenschap stelt men thans een andere verklaring voor. Zie tabel B:
| Tabel B | ||
| idg. | → | germ. |
| p - b - bh (via ph-p-b) | f - p - (b) |
|
| t - d - dh (via th-t-d) | þ - t - ð(d) | |
| k - g - gh (via kh-k-g) | χ - k - γ(g) |
In plaats van een successieve verschuiving van de series (bijv. in
tabel A: eerst p > f, dan bh >
,
tenslotte b > p, waarna
> b) kan
men een simultane opschuiving zien, d.i. (tabel B) p-b-bh worden in
eenzelfde periode resp. ph-p-b: hierin wordt de afstand tussen de leden
van de orde p-b-bh bewaard in de leden van de orde ph-p-b.
Hetzelfde geldt gelijktijdig voor resp. de dentalen en de velaren.
De klankverschuiving berust op een ingrijpende verandering in de
wijze van articuleren. Dergelijke diepgaande omzettingen hebben vooral plaats,
als een ander volk de betreffende taal gaat spreken; het past dan z'n