[p. 26]

Tweede hoofdstuk
De ontwikkeling van de ndl. klanken uit de ogm. in syllaben met hoofdtoon

28. De hier te bespreken veranderingen vallen in drie perioden; de oudste zijn reeds in de owgm. bronnen zichtbaar en hebben dus in 't oudere ownfrk. plaats gehad (owgm. periode); dan komen die, welke in 't jongere ownfrk., maar toch nog vóór de overlevering van 't oudste mnl. hebben plaats gehad (ownfrk. periode); tenslotte volgen die, welke sedert de overlevering van 't oudste mnl. hebben plaats gehad (ndl. periode). In het volgende overzicht worden de verschijnselen echter niet chronologisch gegroepeerd, maar praktische redenen geven de doorslag bij de wijze van groepering. Daarbij worden vocalen en consonanten niet altijd streng gescheiden; immers beide groepen oefenen voortdurend invloed op elkaar uit. Maar terwijl in sommige talen de articulatie van de consonanten sterk afhankelijk is van de omringende vocalen (mouillering enz.), neemt men in 't ndl. waar, dat de vocalen over 't algemeen minder weerstand bieden dan consonanten.

Rekking, verkorting en samensmelting van vocalen.

* 29. Lange vocalen, ontstaan uit korte + nasaal vóór scherpe spirant.

 

a. In 't ogm. hadden zich dergelijke vocalen al vroegtijdig vóór de χ ontwikkeld; b.v. got. brāhta, þreihan, þūhta; zie daarvoor §§ 4, 7, 9.

 

b. In tegenstelling tot dit alle Germaanse dialecten omvattend en dus in gemeen-germ. tijd vallend verschijnsel had hetzelfde vóór f plaats in 't owgm. behalve in 't ohd. Het bekendste voorbeeld hiervoor is: ndl. vijf, eng. five (oorspr. de verbogen vorm), fri. fiif: got. fimf, hgd. fünf. Evenzo b.v. os. hāaf ‘lam’ bnw.: got. hamfs; ndl. zacht (met cht < ft: § 83, en vocaalverkorting: § 31; mnl. sachte, waarnaast nog brab. saechte, Kil. sa(e)ft, saecht), eng. soft (zie voor de ŏ hieronder en vgl. mnl. sochte: § 31 Opm. 1): hgd. sanft. Voor mogelijk mnl. lucht(er) ‘linker’ < *lumfti, vgl. 83 Aant.

 

c. In tegenstelling tot het onfrk. en het ohd. verdwijnen de nasalen in 't os., ofri. en ags. (dus in de Ingvaeoonse dialecten) ook vóór þ en s

[p. 27]

onder rekking van de voorafgaande vocaal; vandaar b.v. eng. mouth, other (fri. oar), tooth; us (fri. ús), goose (fri. goes) tegenover ndl. mond, ander, tand; ons, gans en hgd. Mund, ander, Zahn (uit ohd. zand); uns, Gans.

 

Ook buiten het eigenlijke nasaalloze gebied vindt men echter soms vormen zonder nasaal, en dat reeds zeer vroeg. Zo kennen de oonfrk. psalmenfragmenten reeds dergelijke vormen, b.v. suītho ‘nimis’, farkūtha ‘abominabiles’, en natuurlijk ook sūthon ‘austro’ tegenover b.v. uns, cundo. Algemeen verbreid is zuid (ook misschien - uit het ndl. - hgd. süd); alleen in enkele plaatsnamen is de oude vorm Zonder- vermoedelijk bewaard, b.v. Zonderwijk en Zonderveld in N.-Brabant; vgl. hgd. Sundgau in de Boven-Elzas, maar vooral Kalten-Sundheim naast Kalten-Nordheim in de Rhön. Verder ndl. duist ‘stuifmeel’, eng. dust ‘stof’, fri. dúst ‘hoofdschilfer’ tegenover mnl. donst, ndl. dons, hgd. Dunst.

Andere in dialecten, soms alleen in toponymica bewaarde, van ouds nasaalloze relict-vormen leveren gewichtig materiaal tot het herkennen van een Ingvaeoonse onderlaag op Frankisch gebied. Zo in de eerste plaats uus (uis), uze (uisze) (tegenover ons, onze: pr. pers. en possess.), dat o.a. in de Zaanstreek en op Marken, hier en daar in Zeeland en in de Vlaamse kuststreek uit vroeger of later tijd is overgeleverd. Maerlant b.v. gebruikt uus in rijmen, Melis Stoke kent use, Bredero uys. Voorts noord- en zuidholl. mui (gron. moe, meestal geschr. mude) en het toponymisch o.a. uit Holland, Zeeland en Zuid-Nederland bekende Muiden. -muiden. Dan de dialectische, een enkele maal ook in het westmnl. voorkomende vorm mnl. swide en de Oudgentse naam Engel-suit, owvla. Edel-swid, noordholl. Ric-swi(i)t, vgl. te Gent (9de - 10de eeuw) Ricsuinda, en de in de Hollandse kuststreek voorkomende plaatsnaam Suithardeshaga, tegenover gezwind, got. swimþs; vgl. nog za. swiet ‘buitengewoon, voordelig’. Mnl. stide ‘sterk’ (ags. stîð, oudfries stîth ‘streng’), nog wvla. (< *stenþa-, *stenþia).

Opm. Dat het verlies van de n alleen zou plaats gehad hebben, als de n + scherpe spirant oorspronkelijk tot dezelfde syllabe behoorden, dus dat b.v. oos - onze een klankwettige tegenstelling in dezelfde dialecten zouden gevormd hebben, lijkt met het oog op de overlevering niet waarschijnlijk.

In de verbinding ans werd de ă in de Ingvaeoonse dialecten tot ŏ gerond, vóór de nasaal verdween; de hieruit ontstane ō moet men dus bij ons terugvinden als oe (§ 68). Inderdaad vindt men relicten met oe: zuidholl. boes ‘deel van de koestal’: ndd. banse ‘korenschuur’: fri. boas, eng. (dial.) boose, on bāss, verwant met mnl. banste = got. bansts ‘schuur’, dat alleen met een ander suffix is gevormd. Goes ‘gans’ is bewaard in Westvlaamse en Zeeuwse plaatsnamen (Goesvoorde, de Goeshoek e.a.), in de Hollandse jagerstaal van de 17de eeuw, in Junius' Nomenclator en elders. Kiliaan kent de oorspronkelijke pluralisvorm gheese nog als singularis. Een derde voorbeeld van de oe is Oes(t)geest bij Leiden, gewoonlijk ten onrechte Oegstgeest gespeld; oudtijds Osgeres-gest, bij de persoonsnaam Os-gēr = frank. Ans-gēr; vgl. gron. Ezinge (met fri. ês- < ōs-) en Oesingeweer. De ō is bewaard in Oosemundskerke (eens in de huidige Oranjepolder bij Oostburg gelegen), bij de persoonsnaam O(o)s(e)-mund uit *Ans-mund; vgl. ook de persoonsnaam Os-dei. Tot lat. ansa kunnen herleid worden fri. oes ‘lus aan de strengen van het paardetuig’, ‘zuidholl.-utr.-veluws oos-(hout)’ ‘dwarshout aan paardetuig’.

Iets soortgelijks als in de genoemde voorbeelden, maar dan met syncope van de d en umlaut van de lange vocaal (§ 41, c) vindt men in Zeeuws smieë (smieïg) ‘zacht’ (< *smēþi - vgl. ags. smêðe - < *smôþi < owgm. *smanþi) naast Zeeuws smoeë (< smoede = eng. smooth < ags. smôð < owgerm. *smanþ-).



[p. 28]

* 30. Intussen hoede men zich, elke vorm waaruit de nasaal verdwenen is, als oud en Ingvaeoons te verklaren. Heeft men zijn gegevens alleen uit de tegenwoordige dialecten, dan is het zeer goed mogelijk, dat men met jonge syncope te doen heeft, daar telkens in allerlei tijden en allerlei dialecten de neiging voorkomt om in de verbinding korte vocaal + nasaal + spirant de nasaal in de voorafgaande klinker op te lossen (§ 4). Zo klinkt in 't Fries minske ‘mens’ veelal met lange nasale vocaal, soms reeds als mēske (met verdwenen nasalering); zo is in 't Afrikaans in woorden als gans, wens het stadium van de lange nasale vocaal bereikt. Op Duits taalgebied treft men hier en daarover in 't zuiden nasaalloze vormen aan, b.v. us ‘ons’ in 't alemans, maar het zou verkeerd zijn, hier van ingvaeonismen te spreken; men heeft aangetoond, dat ze van jonge datum zijn.

 

Bij gron. gaazn wijst reeds de klinker op jonge syncope; onzeker is ook arnemuidens Weusdag uit Weunsdag (§ 41). Jong is ook de assimilatie in dial. spidder (Hellevoetsluis), dat ontstaan is uit het in de kuststreek meer verbreide spinder, koppespinder = eng. spider ‘spin’. Datzelfde geldt van werkwoordsvormen als coste, begoste (§ 146). De klinker en het feit, dat in 't mnl. de samentrekking nog zeer ongewoon is, wijzen erop, dat niet aan oude Ingvaeoonse syncope toe te schrijven is: ndl. -aar ‘ander’ in pronominale verbindingen (elkaar en, meer gemeenzaam, mekaar; d'n een en d'n aar) en in enkele samenstellingen (b.v. zaans aarf ‘anderhalf’, aarfs ‘anderwerfs’; bij Streuvels aarnaam ‘bijnaam’). De vormen horen in de eerste plaats in de kuststreek thuis en hebben zich vandaar verder verbreid; het is dus een soort van herhaling van de oude syncope, met sterke reductie van de oorspronkelijke vormen, zoals te begrijpen is bij veel gebruikte verbindingen; spreekt men daarentegen met nadruk - zo wordt voor 't Katwijks geconstateerd - dan gebruikt men den ander, mekander. Andere voorbeelden zijn 17de-eeuws plat-Haags haatje en taatje uit handetje en tandetje ( Huygens); ndl. maatjespeer, indien uit *mandetjespeer ontstaan. Ook plaatsnamen zijn uiteraard in sterke mate aan dergelijke reducties onderhevig, b.v. Rarep (plaatselijke uitspraak) naast Ransdorp (Waterland); ouder Randorp, Randerdorp, waarnaast sedert de 16de eeuw Raederdorp, Ra(e)rop. Evenzo het oude Opael ende Neerael, tegenwoordig officieel Op- en Neerandel (N.-Br.) geheten. Een soortgelijk voorbeeld, maar met andere klinker, is de oudnndl. pluralis kijeren (keijeren); de vorm is in de kinder- en huistaal ontstaan uit *kijnderen (kīnderen), pluralis van kijnt, ouder en nog dial. kīnt, met een vóór n + dentaal gerekte en later gediftongeerde ī. Daar kind nooit een þ gehad heeft, is een verklaring als ingvaeonisme bij dit woord buitengesloten. Op dezelfde wijze Bijlmermeer (onder Weesperkarspel) uit Bindelmeer; Muieveld (bij Loosdrecht) uit Mijndenveld.

Opm. Wat betreft de rekking van kind tot kīnt, dus vóór n + dentaal, deze komt reeds in 't mnl. voor blijkens rijmen als kint, wint: pijnt, schijnt; spellingen als twiintich. Vgl. ook mnl. lijnde ‘touw’ bij linde; ndl. pijnt naast pint; rekking komt nog in zuid-oostel. dialecten voor. De diftong is officieel geworden in Schijndel uit Scinle. Het Engels is veel verder gegaan met deze rekking; vgl. blind, to find enz.

Afzonderlijk staat mnl. dijs(sen)dach, dat regelmatig uit *þīhs- uit *þi χs- ontstaan was (met assimilatie van hs tot s(s): § 81); naast mnl. Dinx(en)dach uit *þingis- (§ 103 Opm. 1); de vorm dijssendach heeft zijn -en te danken aan invloed van mnl. sonnendach, manendach.



[p. 29]

* 31. Verkorting van vocalen

 

De volgens § 29 a en b ontstane, lange vocalen werden, indien de ch of f onmiddellijk gevolgd werd door een t (dus in de verbinding owgm. cht of ft, beide = mnl. cht: § 83), in 't ownfrk. verkort; b.v. ndl. bracht: got. brāhta, ndl. dacht: got. þāhta; ndl. dicht: eng. tight, ndl. licht ‘niet zwaar’: hgd. leicht (beide met ogm. ī); ndl. docht: got. pūhta, ndl. ochtend: got. ūhtwō, ndl. vocht: hgd. feucht (alle drie met ndl. ŏ uit ŭ uit ū); - ndl. zacht: hgd. sanft. De verkorting vóór deze zware consonant-verbinding had evengoed plaats, indien de lange vocaal niet op de genoemde wijze ontstaan was, b.v. vracht (§ 65); zuchten: hgd. seufzen; gerucht (vgl. ohd. gehruafti, met i-umlaut): roepen; zocht: zoeken (got. sōkjan); kocht: kopen; verknocht: knopen (vgl. voor de drie laatstgenoemde vormen § 92 Opm. 3); licht (bvnw. ‘niet donker’ en znw., uit ogm. eu, vgl. got liuhaþ; hierbij ook verluchten en 't znw. luchter).

Opm. 1. In bovenstaande woorden, waarin ă uit ā uit ă [χ] (ăn[f]) is ontstaan, is de ā vooral in het dialectgebied van westelijk Nederland veelal in ŏ overgegaan (-āχ- > -ōχ- > -ŏ-). Het meest verbreid is deze ronding in brocht en docht (mnl. brochte en dochte) bij brengen en denken, terwijl van 't geïsoleerde zocht = ‘zacht’ (mnl. sochte; met cht uit ft) slechts resten bewaard zijn. In 't algemeen ndl. is uit die dialecten slechts overgegaan achterdocht (: gedachte). Vgl. voor dit in de eerste plaats Ingvaeoons verschijnsel § 29.

Afgezien van de bovengenoemde verkorting, bestond in 't algemeen de neiging, in 't ene dialect meer dan in 't andere, om vóór consonant-verbindingen (ook zgn. geminaten) de vocaal te verkorten; zodoende herkreeg dan de syllabe z'n normale lengte. Zo vindt men de korte vocaal reeds in 't mnl. bij elf (got. ainlif), vet (uit de casus obliqui, waar *fētides eerst *fēttes en dan *fĕttes werd: § 92 Opm. 1), stond (bij staan), lichaam (vgl. got. leik ‘lichaam’, ndl. lijk; vgl. ook mnl. lijcteken, lijcdorn naast litteken, likdoorn); soms ook reeds in 't mnl. bij vriend (mnl. vrient, vrint, oudnndl. vrunt: 16de en 17de eeuw, Amsterdam), bongerd (mnl. boomgaart, bongart), vent (a. 1437) < *vēnt < venit < venoot (< *veem-noot). Vgl. ook ndl. linnen: lijnkoek, wingerd: wijngaard, most (ŏ < ō § 68): moest, Dirk: Diederik.

In 't ndl., althans in sommige ndl. dialecten, had ook vaak verkorting van de vocaal plaats vóór m, b.v. bloem (§ 68): blom (got. blōma), doemen: (ver)dommen (got. dōmjan), dommekracht (dom = doem = duim: § 71), mnl. jâmer: jammer, immer (uit *ie-mer), kom(m)en.

Opm. 2. Bij de, op andere wijze te verklaren (§ 32), korte vocaal van de verbogen vormen van gram, lam, tam kan ook de m van invloed zijn geweest.
Opm. 3. Vennoot heeft zich uit vent ontwikkeld, onder aansluiting bij de oude schrijfwijze venoot.


[p. 30]

* 32. Rekking van vocalen in open, behoofdtoonde syllaben.

 

In de ownfrk. periode zijn de korte vocalen met hoofdtoon in open syllaben gerekt en zodoende later in 't algemeen beschaafd met de vanouds lange vocalen samengevallen. Daarbij werden ĭ en ŭ, die korter zijn dan e en o, bij verlenging tot ē en ō, zodat de owgm. ĕ en ĭ tot ē, ŏ en ŭ tot ō samenvielen (§§ 2 en 3): dagen, wegen, schepen, goden, genomen.

In 't mnl. is de rekking reeds een voldongen feit; in de oudste Gentse en andere bronnen schijnt echter nog hier en daar de oorspronkelijke vocaal bewaard te zijn. De ouderdom van het verschijnsel blijkt ook uit het feit, dat in 't mnl. woorden met gerekte vocaal op die met vanouds lange vocaal kunnen rijmen (maar zie Opm. 2); is een syllabe na de rekking van open tot gesloten geworden, dan blijft de gerekte vocaal (naam, smaak, (ik) geef; beeld, maagd, voogd enz.).

Indien naast elkaar vormen met ongerekte en gerekte vocaal voorkwamen, verdween dit verschil vaak door gelijkmaking; zo drong de korte vocaal van de nom. acc. sg. in de casus obliqui in bij b.v. bisschop, glad, lek, mak, gemak, nat, rad (adj.), slap, smal, straf (adj.), tam, vlak, vlot, vrek, wak, wrak, zwak. Vgl. ook hol: subst. pl. holen (oorspr.): adj. holle (onoorspr.); getal: pl. getallen, maar ten getale van; doubletten als bar: baar, spit: speet, staf: staaf (met differentiëring van betekenis); laat, oorspr. de vorm van 't bijwoord late, dan ook adj. (vgl. got. lats ‘traag’, mnl. lat); va(at)doek, de vaat wassen; veldnamen als 't Smal, De Smallink: 't Smaal, Smaling; vaak (mnl. vake[n], bijw.): vak (znw. ‘tijdvak’); verkleinwoorden als lootje, daagje (uit de plur.) naast lotje, dagje; 't achtervoegsel -zaam (mnl. -sam: -saem); schipper i.p.v. *scheper. Het afrik. kent pluralis-vormen als dakk , ratt ‘raderen’, slott ; naast led , smed , skep , god vindt men litt , smitt , skipp , gott . Soortgelijke vormen komen in ndl. dialecten voor, b.v. gron. schip , smid .

Opm. 1. Zie voor de verbogen vormen van gram, lam, tam ook § 31; voor zat § 47. Vormen als mnl. belde naast beelde, helt naast heelt, kelc naast keelc wijzen op owgm. dubbelvormen zonder en met zwak betoonde middenvocaal.
Opm. 2. De mnl. ē rijmt in vele teksten niet met de ê (uit ogm. ai), niet als gevolg van een quantitatief, maar van een qualitatief verschil (§ 63). Zie voorts voor de ā § 80, voor de rekking van ŭ § 40b; voor de ronding § 43.
Opm. 3. Ook in de andere germ. talen vindt men dezelfde rekking; zo ook in 't hgd., waar echter het verschijnsel veel later optreedt (in 't mhd. vindt men nog de korte vocalen); hier heeft, vaker nog dan in 't ndl., gelijkmaking plaats gehad (b.v. Tāl, Wēg tegenover ndl. dal, weg; minder vaak omgekeerd: Gott, glatt enz.). De oorzaak van de rekking zoekt men in de zware accentuering van de stamsyllaben.
Opm. 4. In niet-beklemtoonde open syllaben ging de ĭ niet in ē over; vgl. mnl. (got. mis), (uit , got. weis), nu m , w . Vgl. § 110.


[p. 31]

De gerekte vocalen zijn in onze taal dus geheel samengevallen met de van ouds lange. De lengte van al deze vocalen is echter slechts betrekkelijk; men zou ze beter halflang kunnen noemen. Het meer of minder lang aanhouden hangt ten eerste van de qualiteit van de vocaal af (ie, oe, uu duren wegens hun geslotenheid minder lang dan b.v. aa, ee, oo); ten tweede van de positie: vóór r verkrijgen de vocalen hun volle lengte (§ 56) en kan men dus met recht van lange vocalen spreken. Van fonologisch standpunt is het verschil in lengte vóór r van geen betekenis; het betreft hier alleen een extra-fonologische variëteit van een foneem, dat in bepaalde condities verschillend wordt gerealiseerd. Ook worden de aa, ee, oo aan 't eind van een woord gewoonlijk iets langer aangehouden, en daarbij ontstaat dan de neiging tot diftongering, b.v. bij de ē van zee en de ō van (vgl. § 62). Met het quantitatief onderscheid gaan qualitatieve verschillen gepaard; zo zijn in 't ndl. de korte vocalen dof, de (half)lange helder.

In het mnl. bestond een dgl. timbre-verschil tussen korte en verlengde vocaal vermoedelijk niet in even sterke mate als in het moderne Ndl.: de vocalen van dach en daghe, sprec en spreken, god en gode lagen articulatorisch nog niet zo ver uiteen als tegenwoordig (de korte ă kan in een groot - ingvaeoons, ook brabants - gebied palataal geweest zijn); verschil is ook waargenomen tussen de gerekte ē resp. ō en de uit ogm. diftongen ontstane lange ê en ô (§§ 63, 66): breken en bênen, goten en grôte.

 

* 33. Samensmelting van vocalen

 

Door syncope van een consonant vloeiden soms twee vocalen samen. In 't ownfrk. gebeurde dit in 't bijzonder door de syncope van h; waren de vocalen aan elkaar gelijk, dan ontstond een lange vocaal; bij ongelijkheid echter ontwikkelde zich een diftong. Zo werd ĕhă, ĕhŏ > ea > ia > i (geschr. ie) > ī (geschr. ie) (§ 68), b.v. zien (uit *sĕhan, got. saian), mnl. plien (nu plegen: § 25), (ge)scien en spien (nu geschieden en spieden: § 37), het telwoord tien. Zo ontstond mnl. vie (nog de Viestraat in Utrecht en de geslachtsnaam Vie-weg) uit *fĕhŏ (got. faihu), maar uit de gen. dat. sg. *fĕhes, *fĕhe ontstond de dan ook in de nom. ingedrongen vorm vee.

 

Zeer verbreid is A(a) uit ăha (got. ăa: § 1a), welke vorm nog in de oudste Gentse bronnen voorkomt (Laraha); daarnaast vindt men -ee, Ee, -ie, -ij, IJ, ter aanduiding van wateren of ook van aan die wateren gelegen plaatsen. Wijd verbreid is de Ingvaeoonse vorm -ee (Ee) met de daaruit voortgekomen, secundaire vormen, die voorkomt van Groningen en Friesland langs de gehele kust tot in Vlaanderen, maar die zijn hoofdverbreidingsgebied in Zeeland vindt. Enige voorbeelden zijn: in Groningen Scharmster Ee: in Friesland Dokkumer Ee; in Noord-Holland E-dam, genoemd naar de vroegere Purmer Ee; in Zuid-Holland de Ee (gem. Heenvliet) en Overflakk-ee; in Zeeland mnl. Sierix-ee, Duiven-ee,

[p. 32]

Vernouts-ee en vele andere; in Zeeuws-Vlaanderen oudtijds Dipene naast Dipena; Lare naast bovengenoemd Laraha (Lara). Intussen is de typisch Friese vorm niet het meestal slechts geschreven ee, maar ie, d.w.z. ie (i met naslag), die zich uit de ee heeft ontwikkeld; bv. Ie, Wide-Ie, Alde-Ie, Soere Ie; terwijl in Groningen de uitspraak ij (met auslautsdiftongering) overheerst (zo, bijv. bij 't bovengenoemde Scharmster Ee). Op dezelfde wijze als in 't Fries ontstond in 't Noordhollands uit die ee een ie (maar zonder naslag), b.v. Krommenie (ouder: Crommenee), Middelie (genoemd naar dezelfde -ie, waaraan E-dam ligt, dat bij Kiliaan ook vermeld wordt als IJdamum, IJedamum); de Die (ouder de IJe) in Waterland. Later heeft de spelling ye (b.v. - behalve in 't zo-even genoemde IJedamum - in dat IJe, Crommenye) geleid tot een ‘spelling-pronunciation’, die in IJ (mnl. Hi) algemeen is geworden en bij Krommenie tot de plaatselijke uitspraak (de) Krommenije heeft geleid ( Weijnen echter meent dat ie in pausapositie gediftongeerd is: vgl. § 7e opm. 1). Terecht merkt Kloeke op: ‘Ik zou het van groot belang achten, wanneer de namen van alle a's, ao's, ee's, ie's uit het gehele Nederlandse taalgebied eens verzameld en (met aanduiding van de volksuitspraak) op kaart gebracht werden.’ Het is daarbij nodig, dat men zich niet laat misleiden door de schrijfwijze, maar de namen uit de levende taal optekent.

Opm. 1. 't IJ is van genus veranderd onder invloed van sandhivormen (§ 41) als op 't IJ (uit: op d'IJ); men kan min of meer vergelijken 't Sloe bij mnl. femin. sloe(de) ‘goot’. Zo spreken Antwerpenaars van Het Scheld. Misschien kan ook invloed van synoniemen als het water, het diep meegewerkt hebben?
Opm. 2. Zie voor de hypercorrecte vormen Ade, Ede § 37. Een ie uit ê van andere oorsprong wordt behandeld in § 65c en § 80 Opm. 1.
Opm. 3. Niet behoren bij bovengenoemde namen de Vlaamse plaatsnamen Coxijde (ter plaatse: / kksid / ), Raversijde: zij zijn met hīde = ags. hyþ ‘haven’ (§ 73) samengesteld op dezelfde wijze als b.v. eng. Rother-hithe, ndd. Stein-hude. Zo vindt men b.v. voor Coxijde als oude vorm Coxhyde (a. 1270). Ook in Zeeland was ditzelfde woord waarschijnlijk bekend blijkens het eens op Schouwen gelegen Palvoetzide (a. 1351), ook tot Palevoetsheide en Paelvoetseinde verbasterd.
Opm. 4. Op dezelfde wijze als Aa is te verklaren ra, waarnaast tot in de 18de eeuw ree, dat thuis hoort in Holland, Zeeland, West-Vlaanderen.

Samensmelting van vocalen door syncope van d.

* * 34. I. Fonetisch overzicht

 

Het vraagstuk van de syncope van de d is zeer ingewikkeld. Deze klank onverschillig of die uit ogm. þ dan wel uit ogm. zich ontwikkeld had, bleef soms bewaard, maar werd in andere gevallen tengevolge van slappe articulatie na betoonde lange vocaal (ook na diftong) en vóór zwakbetoonde vocaal gesyncopeerd; of er kwam een j in de plaats van de d. Welke omstandigheden de doorslag gaven, is in ieder afzonderlijk geval moeilijk te zeggen; een belangrijke factor vormden in elk geval de omgevende klanken.



[p. 33]

1. Syncope

 

a. Syncope met verlies van de syllabe, doordat de -e aan het woordeinde stond en dan in de stamsyllabe opging, b.v. scha, sla; slee, snee, gedwee (§ 41a); kou; hei, wei, zij, blij, (ge)tij (§ 94); reu (mnl. reude); lui ‘lieden’; hou (en trouw) (mnl. houde bij hout: § 40); Sloe (mnl. sloede ‘goot’: § 33 Opm. 1). De ontwikkeling kan geweest zijn: 1) b.v. schāde > schā- > schā, of 2) schāde > schāje > schāj > schā > schā; het tweede proces heeft in Zuidbrab. en Limburgse dialecten werkelijk plaats gehad, het eerste kan Vlaams geweest zijn.

 

b. Syncope met verlies van de syllabe, in die gevallen, waarin op de een consonant (meest liqu. of nas., maar ook gutt.) volgde, b.v. vaar, vaam, blaar (uit blâder, naast bladder: § 52b); veer, leer (naast ladder: § 65a), Leer-dam (: Lederdamme; vgl. Huis Ter Lede), weer (ook het homoniem mnl. weer: weder ‘ram’), Peel (mnl. pedel ‘veenland’), kwelen (: mnl. quedelen); beul (: oudnndl. beudel, mnl. bodel, bij bieden), oudnndl. schreur ‘kleermaker’ (: mnl. scroden, screuden); buil (: buidel), kuil ‘visnet’ (: mnl. cudele), graag (: os. grâdag, vgl. Eng. greedy), leeg (: ledig), dial. zndl. nijg ‘zeer’ (: nijdig), preek (ontleend aan middellatijn predica), sneeg (: snedig), staag (: stadig); roer (mnl. roeder), moer, boel; oudnndl. en dial. ting (: tijding); vlier (mnl. vlieder), slieren (mnl. slideren ‘glijden’); Zuur-(dijk) (: zuider-); Rhoon (Zuidh.; ook in Drente, waar echter de schrijfwijze Roden is). Opvallend zijn Meeldijk, Meelzwin naast Middel- (ook mnl. Mijeldiek, ndl. Mieldijk).

 

c. Syncope zonder verlies van de syllabe, b.v. snijen, rijen, breien; beduien, luien, kruier, kuieren (vgl. mnd. koderen), ruien en 't misschien hiermee in oorsprong identieke opruien (oudnndl. opruiden), luier (naast luur), uier (naast dial. uur). Men hoort hier, na ei en ui, een overgangsklank j, die het moeilijk maakt, deze gevallen van de beneden te behandelen gevallen met j te scheiden. Op dezelfde wijze als zich hier in geval van volledige syncope van d een overgangsklank j moest ontwikkelen, ontstond tegelijk met de syncope van de d na ou vóór volgende e een overgangsklank w, b.v. gouwe (plant, bij goud), gouwenaar, ouwe en ouwers, kouwe (: koude), houwen ‘houden’, vouwen (mnl. vouden), spouwen, mnl. schouwe ‘pont’ naast scoude; nu met verlies van de tweede syllabe schou[w]); Schouwen (§ 39); de leenwoorden mnl. kersouwe naast kersoude ‘madelief’ (uit ofra. cassaude); ndl. rabauw ‘appel’ (uit fra. ribaud).

Opm. 1. Zie voor kijeren § 29c.


[p. 34]

2. Optreden van j in de plaats van d.

 

Van het optreden van een j in de plaats van de d zijn twee soorten van verklaringen gegeven: a) overgang van d in j, b) hiaatvulling door een overgangsklank (glide) j na totale syncope van de d.

 

a) Het begin van de overgang kan geweest zijn opening van de explosief d tot de spirant , uit welke zich dan een j kan ontwikkeld hebben, op dezelfde wijze als in het plat kopenhaags (b.v. gaje uit gad [d= ð] ‘straat’). B.v. kwaaie, plaaieren (naast pladeren en plaren) ‘klapperen’, ooievaar (mnl. odevare), rooien (mnl. roden), dooier (: door), schrooien (mnl. scroden I. ‘snijden’ [vgl. boven schreur], II. ‘vaten voortrollen’); poeier, goeie, broeien naast broeden (mnl. broeden, zelden broeyen). Dgl. vormen met j komen in westelijke dialecten (b.v. het Vlaams) (haast) niet voor.

 

b) Bij totale syncope van de d werd de hiaat door een overgangsklank gevuld, b.v. in snijen, luien; biejen ‘bieden’, brejer ‘breder’ (vgl. drieën, zeeën); doordat nu een overgangsklank j na a, o oe niet te verklaren is (baaien, rooie, hoeien), is aan invloed van de e in de natoon gedacht, welke toen nog als een volle e (b.v. in bed) zou geklonken hebben.

Een dergelijke totale syncope van d kan gebeurd zijn in de tijd toen d uit þ nog stemhebbend spirantisch klonk en de ogerm. occlusief d (§ 22) door de druk van het systeem van de oppositieparen -bb- ≠ -v-, -cg- ≠ -g- in het oppositiepaar -dd- ≠ -d- zelf spirantisch was geworden (§ 86). De syncope van intervocalische - - gebeurde dan in het vroegmnl. parallel met die van intervoc. -g- en -v- (bij - - regelmatig, bij -g- en -v- sporadisch). Deze hypothese van bewaarde (< ogm. þ) en van (ogm.) d > kan ook ten grondslag liggen aan de overgang tot j vermeld sub 2a.

Samenvattend kunnen we, naar de tegenwoordige stand der onderzoekingen, zeggen dat in het Westen (b.v. Vlaams, Zuidhollands) d totaal gesyncopeerd werd (zowel in het type schade: scha, d.i. met e in de auslaut, als in inf. laden: [Oostvl.] laan, d.i. met gedekte e), terwijl in het Oosten (Brabant, Limburg, ook ten oosten van het Zuidholl.) de d in beide posities, of totaal gesyncopeerd werd (weder: weer, beneden: beneen, bodem: boom), of door een j vervangen werd (schaai, roei; dooier, benēje, bojem), zij het zo, dat d in j overging (via , de meest waarschijnlijke hypothese), of gesyncopeerd werd, hoewel met frequente (gelijktijdige of latere) hiaatdelging door j.

Opm. 2. Merkwaardig is de zndl. vorm ruiven ‘ruien’, ontstaan vóór de diftongering (§ 69) uit ruwen met w als overgangsklank.


[p. 35]

* 35. II. De verbreiding en datering van het verschijnsel.

 

Buiten het ndl. taalgebied vindt men de syncope in Neder-Duitsland en ook in Denemarken. Frings beschouwt de syncope van de d dan ook onder het gezichtspunt ‘Niederländisch-rheinisch-westfälische Neuerungen’, waarvan het Keulse land de zuidgrens vormde. Het is opvallend, dat j-vormen al vroeg in het ndd. voorkomen: raye, vayr (a. 1596): Altmark; desgelijks in 't begin van de 17de eeuw in Hamburg. In het Deens vindt men vormen als far, mor, bror; vgl. ook het boven over 't Kopenhaags opgemerkte.

Voor het ndl. taalgebied is het denkbaar, dat de neiging tot syncope in het zuiden versterkt werd door invloed van het Frans, waar eveneens de intervocalische d gesyncopeerd werd, en dat al zeer vroeg. Uitgangspunt zou dan zijn West-Vlaanderen, waar, juist als in 't Frans, de d bewaard bleef na oorspr. l; vgl. lt. audire > fra. ouïr; lt. sedere > fra. seoir tegenover b.v. lt. calida > fra. chaude; lt. sol(i)dare > fra. souder. Desgelijks in 't wvla., waar men over 't algemeen zegt broer, braan, rijen, zaal (‘zadel’), maar houden, oude, koude, voude (‘vouw’) met d (vgl. voor de ou uit al, ol § 60). Buiten 't wvla. schijnt dit onderscheid niet te bestaan; er is dus grond om aan te nemen, dat in 't wvla. de d tussen vocalen al zeer vroeg verzwakte, n.l. toen de l nog bestond - welke l dan het proces verhinderde. Maar toen van West-Vlaanderen uit de syncope van de d zich verbreidde, was elders de l reeds gevocaliseerd, zodat geen onderscheid meer gemaakt werd tussen b.v. goude(n) en goede. De Oudgentse namen geven nog geen voorbeeld van syncope; onzeker is de waarde van de 11de-eeuwse (hypercorrecte?) Oostvlaamse vorm (zie daarvoor § 37) Odeka in plaats van 10de-eeuws Hoica, thans Ooike (bij Oudenaarde); let op de gesyncopeerde vorm a. 1201 - silinge ‘zijdeling’ te Oudenburg (W.-Vl.). Talrijke voorbeelden van de syncope geeft het mnl., waarbij men voor de juiste beoordeling van de verschillende gevallen rekening heeft te houden met de op de d volgende klanken.

 

De syncope is het oudst en het meest verbreid, wanneer op de achter de d staande consonant (in 't bijzonder r of l) nog een of meer klank-groepen volgden; b.v. mnl. vlerc < vlederik; Boclo, Bokele (nu Boekel onder Heilo) < Bodokenlo; lelijc, qualijc, goelijc, seware < sedeware ‘een wortel’, het leenwoord (uit het rom.) mnl. boling (ndl. beuling) < bodeling. Misschien is het juister hier van assimilatie te spreken, die plaats had na de syncope van de tussenvocaal. Soortgelijke gevallen vindt men in 't hgd., b.v. Ulrich, mhd. Uolrich < ohd. Uodalrîch. Een gedateerde bewijsplaats is: 1125 Nerisca = 1140 Netherisca (thans Neerijse bij Leuven); te Leuven zelf werden in een Latijnse vertaling van 1248 ledig en laag

[p. 36]

met elkaar verward. Daartegenover is de syncope van jongere datum en komt ze op meer beperkt terrein voor, wanneer de op de d volgende consonant aan 't eind stond of wanneer het woord op de na de d komende (n) eindigde: in mnl. dialecten, waarin b.v. vlerc en bevaert voorkomen, vindt men vader, bede, en nog tegenwoordig zijn de gewone vormen bode, genade, hoede, schade (vgl. § 93). Daarbij moet natuurlijk rekening gehouden worden met een taaie schrijftraditie; zeker tot de tweede helft der 14de eeuw behoren in Zuid-Brabant me = mede, huvetter = huidevetter, Pe = Pede (een plaatsnaam). Voorts heeft men gevallen, waarin de - werd geapokopeerd vóór de syncope van d: vgl. b.v. zaans spreie ‘spreiden’ tegenover weid ‘weide’. Vgl. ook de hypercorrecte vormen (§ 37), die nader over de tijd van de syncope kunnen inlichten.

Het gebied van de totale syncope is groter dan dat van j: terwijl de syncope ook over een groot deel van het nederduitse taalgebied voorkomt, gaat de j, behalve aan de Nederrijn, de Rijksgrens niet over. In het mnl. vindt men reeds j-vormen sedert de 14de eeuw, b.v. 1383 te Leuven raymarct = rade(ren)markt (§ 103), 1385 in Belgisch-Limburg -roy = rode ‘gerooid land’ (in plaatsnamen); ook in Holland en Utrecht sedert de 15de eeuw b.v. roeien ‘roeden’, hoymaker ‘hoedemaker’; vgl. ook gehoersamheien, gerechtigheien. Valcooch, wiens taal echter voor 't grootste deel Zuidnederlands is, kent gayslaan en goey. Eveneens uit de 16de eeuw zijn amst. oyevaers, delfts doyeren, utr. wayen ‘lekken in een dijk’ enz. Echter blijkt uit het materiaal bij de grote schrijvers van de eerste helft van de 17de eeuw en bij de kluchtspeldichters van die tijd niet, dat de echte j-vormen in Holland, met name in Amsterdam, talrijk zijn, al kent b.v. Bredero gay, Cats laykens ‘laatjes’, Vondel raeybraecken (naast oudnndl. rabraken = radbraken) en waeyen ‘kuiten’, Hooft spoeyen. Talrijker zijn ze, wanneer deze schrijvers Brabanders sprekende invoeren: in de Sp. Brab. b.v. spreekt Jerolimo van vayer en moeyer, terwijl Robbeknol het over z'n vaar (of vader) en moer heeft. Ook vindt men er ettelijke bij Huygens, wiens moeder een Antwerpse was; b.v. raeye ‘raden’ (w.w.), noyen ‘nodigen’. En zeer gewoon zijn ze bij de Antwerpenaar Van der Noot. Onderzoekt men de plaatsnamen in Noord-Nederland, dan vindt men op een vrij groot, samenhangend gebied de j-vormen bij de namen op -rade en met wade: b.v. in Limburg Venraai, Leverooi, St(r)amprooi, Hobbelrade (a. 1447 Hobbelroie); in Noord-Brabant Gijzenrooi, Wanrooi; in de Betuwe Wadenooien (a. 1513 Wayenoyen), Wajestein, Ravens-waai. Ook de familienamen zijn illustratief, b.v. Bo(o)de: (De) Booy: De Bo; Smedink: Smeenk; Rademaker: Raaymakers: Ramaker.

De overgang van d tot j vindt men dus in verschillende dialecten, maar in veel sterkere mate en veel vroeger in 't Brabants dan in 't Hollands.

[p. 37]

Het oorspronkelijke j-gebied is dus vermoedelijk in Brabant en Limburg te zoeken; van hier uit verspreidden zich de vormen enerzijds in oostelijke, anderzijds in noordelijke richting; ze kwamen in de Betuwe en bereikten Utrecht, dat zelf op zijn beurt invloed oefende op 't Zuidhollands. Noord-Holland, met name Amsterdam, wordt meegesleept, als, vooral sedert 1585, veel zuiderlingen uitwijken naar 't noorden. Het parallellisme met de ij- en ui-vormen (§ 72 en 77) verhoogt de waarschijnlijkheid van deze hypothese. Thans loopt een isoglosse tussen (westl.) laai ‘lade’ en (oostel.) laa van de Zuiderzee tot en langs de Oude IJsel.

 

Het proces van de overgang van d tot j was dus overal in gang, maar het kreeg onder zuidelijke invloed zijn beslag. Daar de oorzaak ligt in verslapping der articulatie, is men echter vele van deze j-vormen als minder beschaafd blijven voelen en heeft men ze uit het schrift gehouden, respectief teruggedrongen. Men vergelijke schaai, baaien, braaien, laaien, raaien, booien, brooien, hoeien, bloeien e.a. (tegenover b.v. poeier, ooievaar); velen hebben nog bezwaar om b.v. kwaaie, rooie, goeie te schrijven. Indien het juist is, dat een deel van de j-vormen ontstaan en verbreiding te danken zou hebben aan ‘ontaarding’ in de gevoelssfeer (b.v. ooievaar, rooien), dan is dit in elk geval slechts van ondergeschikt belang, daar het ten hoogste enkele woorden betreft.

 

* 36. III. De strijd tussen de verschillende vormen.

 

Door fonetische oorzaken en dialectische verschillen ontstonden dus verschillende vormen; de strijd hiertussen is echter in menig geval nog niet volstreden, en daarbij hangt het van verschillende factoren af, welke vorm voorlopig of definitief de overwinning behaalt. Afgezien nog van die gevallen waar de vorm met d is verloren gegaan (b.v. beul), heeft de gesyncopeerde vorm de zege behaald, wanneer in samenstellingen voor het taal-gevoel het verband met het simplex is verloren gegaan, b.v. laars en lerp (: leder: § 148), bomschuit (: bodem). Als krachten die van invloed zijn, kunnen genoemd worden de in de loop der tijden wisselende invloed van de dialecten; de invloed van het schrift en de strijd tussen hogere en lagere, deftige en dagelijkse of alledaagse taal; een differentiëring van betekenis; de functionele betekenis van de wegvallende - (n) (vgl. § 93 a na γ); de analogie en de invloed van verwante woorden; het streven om homonymie te vermijden.

 

1. De syncope van de d had veelal vroeger en meer algemeen plaats dan uit het schrift blijkt. Bij de mnl. teksten moet men, behalve met schrijftradities, in 't bijzonder ermee rekening houden, dat zij ten dele

[p. 38]

tot de niet-syncoperende dialecten behoren; vandaar dat meestal eerst in 't jongere mnl. de syncope zichtbaar wordt. Voorts kan het ritme van invloed zijn (b.v. hei: heideveld; z'n beide zakken: bei z'n zakken); verder het spreektempo, waardoor eenzelfde persoon nu eens de ene, dan weer de andere vorm gebruikte en gebruikt (allegro- en lento-vormen). Een andere factor vormen de tegenstellingen tussen stad en land, tussen hogere en lagere kringen; vgl. de ndd. zegswijze: Wat up dem dorp heet broor, heet in de stadt heer broder.

 

2. Zo werden dan de d-vormen vaak geschreven, ook waar ze niet werden gesproken; meermalen drongen ze dan uit het schrift, of ook uit de niet-syncoperende dialecten, weer in de gesproken taal, meest als de ‘deftige’ vormen. Zo is onder invloed van het schrift de d in 't holl. hersteld of vastgehouden in minder gemeenzame woorden als aanbieden, gebieden, verluiden en strijden, terwijl verbie(d)en weifelt en de familiare woorden luien en opstrijen geen d hebben. Zo noemt Kiliaan boomerije rectius bodemrije [nu bodemerij ‘het verstrekken van geld op (de bodem van) een schip’]. Voor de Statenbijbel werd bepaald: vergaderen, spoeden, verblijden, bevrijden, scribendum. non vergaren, spoeyen, verblyen, bevrijen. Tegenover broer staan vader en moeder, die eerbiediger zijn dan vaar (bestevaar, praatvaar) en moer (beste-moer; moer-vos; en geïsoleerd moer van een schroef, moer-riool, parel-moer); va en moe zijn vleivormen uit de kindertaal, nagesproken van vader en moeder, en bewijzen hier dus niets. Vgl. ook het stijlverschil bij baden: baaien, raden: raaien, edel: eel, Goede Vrijdag: goeie, Gode: goospenning, dode: op z'n dooie gemak, rode: rooie kool, moede: moe, weduwe: weeuwtje; en het verschil in familiariteit tussen de woorden broer: broedermoord; vrede (de gebruikelijke vorm, tegenover vree): tevree, tevreje: tevredenheid; benee, beneje(n): benede(n), benede(n)huis; neer: nederig maar Nederland: Neerland, nederlaag: neerlaag; veer, windveren: vederwolk; schrijlings: schrijden; vouwen: enkelvoudig; weer, weerszijden, weerspannig: wederzijds, wederkerig, wederwaardigheid; mee: me(de)lijden: medeklinker, medeplichtig; omgekeerd zadel: zaal; de d-vorm won het ook in zede, rede, reden, redelijk e.a. Soms ontstond differentiëring van betekenis, b.v. boel: boedel, bode: booien, broer: broeder, vergaren: vergaderen, ijl: ijdel, teer: teder, scheel ‘deksel’: schedel. Iets soortgelijks in b.v. afrik. kwaad (dat een tijdelijke toestand uitdrukt): kwaai, dood (praedicatief): dooi; vgl. ook leier ‘voorman’: lijder ‘een zieke’.

 

3. Indien de volgende toonloze syllabe een bepaalde functie had, legde de korte vorm het in de regel af; zo b.v. de buigingsvorm van het adjectief goede, goeie; kwade, kwaaie tegenover syntactische verbindingen als genavond,

[p. 39]

ge(n)dag en koppelingen als oudnndl. goevrouw, vroemoer, robiet, (voor de) rodeur (komen) ‘voor het gerecht k. (rood = de kleur van het gerecht)’, ndl. de goegemeent, kwajongen, Kwadijk, koukleum. Evenzo in meervoudsvormen als broden, bladers (naast blaren), leden (bij lid); in infinitieven van w.w. als raden, woeden enz.: vormen als liên, doôn, goôn, raân, woen zijn, althans wanneer ze in jongere tijd voorkomen, kunstmatige, zgn. dichterlijke vormen. De imperfecta van zw. w.w. houden de d; vgl. luidden: lui(d)en, scheidden: schei(d)en enz.; evenzo de participia praet., indien verbogen, b.v. geklede, gelode; alleen waar het praeteritum in stamvorm van het praesens verschilde, verviel vaak -de, b.v. wou, zou, zei, en ook lei. In samenstellingen, waarin het eerste lid een znw. of een werkwoordelijke stam is, overheerst de neiging tot de gesyncopeerde vorm; vgl. b.v. reeds mnl. smee-cole naast smede-cole; ndl. lee-water, glijbaan, krui-wagen, lei-boom, rij-broek, schei-kunde.

 

4. De onder 3 genoemde factor kan samengaan met de invloed van de analogie. Zo kan in de w.w. de d behouden zijn onder invloed van b.v. de enkelvoudige persoonsvormen: schaden, laden, waden, baden, raden tegenover zelfst. naamwoorden als scha; het omgekeerde kan echter ook gebeuren, vgl. b.v. reeds bij Huygens braeyt. In de verbogen vormen van znw. en bvnw. kan de d onder invloed van de onverbogen vormen (met de auslaut verscherpte klank) bewaard blijven, b.v. broden, draden, bladers, luide, goede, dode, rode. Bij schelden gebruikt Hooft (Ned. Hist.) het verl. deelw. geschouwen (< geschouden), dat echter niet kon standhouden. Verder node onder invloed van nood. Bij de tweesyllabige bvnw. op -ig verdween de d klankwettig alleen in de geflecteerde vormen, daar in de onverbogen vormen -ig bijtoon had; analogisch werden dan beide typen door elkaar gebruikt met verschil van stijl, soms met verschil van betekenis, of ook ging een van beide vormen te gronde; b.v. sneeg: snedig (differentiëring van betekenis), staag: gestadig, leeg: ledig; graag (got. grēdags ‘hongerig’), vuig (mnl. vudich ‘lui, vadsig’); nederig, nodig, moedig, bloedig, tijdig; het gevoel voor samenhang met 't grondwoord kwam ten voordele van de d-vorm. In de woorden op -lijk werd de d klankwettig gesyncopeerd, indien er een op volgde; dus in b.v. mnl. goelijc uit goedelijc, naast goetlijc; vgl. nu goelijk, kwalijk, lelijk, olijk (mnl. odelijc ‘gering’).

 

5. In sommige gevallen kan men het behoud van de d toeschrijven aan een onbewust streven om homonymie te vermijden; b.v. bij adel, bodem, vermoeden.



[p. 40]

* 37. IV. De hypercorrecte vormen.

 

Doordat vormen met en zonder d lange tijd naast elkaar stonden en die met d vooral in de taal van meer ontwikkelden voorkwamen, konden naar het voorbeeld daarvan bij andere woorden hypercorrecte vormen met d ontstaan. Dergelijke mnl. vormen bewijzen, dat het proces van de syncope van d heel wat verder gevorderd was dan uit het schrift blijkt. Wij onderscheiden twee groepen:

 

1. In enige w.w., die vanouds geen d hadden, vindt men soms een d, die later, althans in het schrift, normaal is geworden: spieden (mnl. spien), belijden (mnl. belien: zwak w.w., later sterk geworden), wijden (mnl. wien: vgl. wie-rook), bevrijden (mnl. bevrien); het leenwoord kastijden (mnl. castien); niet in het volkswoord vrijen (mnl. vrien). Ook in geschieden (mnl. gescien), een sterk w.w., dat zwak werd; en - als papieren vorm - in het altijd sterke vlieden (mnl. vlien). Vgl. reeds mnl. liden ‘bekennen’, castiden, gescieden, vlieden e.a., ook tiden ‘gaan’ en tiden ‘beschuldigen’ (vgl. tien en tiën: § 25).

Echter kan men hier niet overal van hypercorrecte vormen spreken; ongetwijfeld immers heeft de vorm van de 3e ps. enk. praes. en bij de zw. w.w. analogie naar 't praeteritum en 't participium perfecti mee gewerkt.

 

2. Andere oude voorbeelden zijn: mnl. diede = die ‘dij’, clydere = cliere ‘klier’, lijde = lie ‘lij’, ader ‘korenaar’, seede ‘zee’, sweeder = sweer ‘schoonvader’; Teuthon. crade = cra, craeye (§ 80 Opm. 3); widel = wiel ‘sluier’ (uit lt. velum: § 6 Opm. 1); uit het fra. mnl. cade = ca, caye (fra. quai), leide = leye ‘-lei, soort’ (mlat. lege ‘manier’). Waarschijnlijk is de d ook Nederlands in de eveneens aan 't fra. ontleende woorden mnl. corweide = corweye ‘karwei’ (fra. corvée), valeide = valeie ‘vallei’ (fra. vallée). Soms ook in het achtervoegsel -ie, b.v. mnl. woekerijde = woekerie.

Bij Kiliaan reeds paertijdig (: mnl. partiich), puide (: pui). Nog rade (a. 1646). Ook in namen komt de hypercorrecte d herhaaldelijk voor, b.v. Terheyde in plaats van Die Hey; Noirtzeede; (Hollandsche) Rading; misschien Zadelstraat (te Utrecht) in plaats van Zaalstraat (d.w.z. straat, aanlopend op de zaal, het paleis van de bisschop); Ade, Ede (reeds bij Kil. Aade, A[a]da, Eda) = Aa, Ee (§ 33), Ammerzoden = Ammers-ooi (§ 46), Schaderdam en Schaderwoude in plaats van Schardam en Scharwoude.

Opm. Nader bij na zal wel geen hypercorrecte d bevatten, die dan ontstaan zou zijn naar voorbeelden als blo - bloder, maar het is vermoedelijk voortgekomen uit een comparatief naarder (§ 56) door aanpassing aan na.


[p. 41]

Umlaut

38. Onder umlaut, ook wel in tegenstelling tot de a-umlaut (§ 2 Opm.) en o-umlaut (§ 44) i-umlaut genoemd, verstaat men sedert Grimm het verschijnsel, dat in 't owgm. (ook in 't on., niet in 't got.) onder invloed van een j of i van de volgende zwakbetoonde syllabe de stamvocaal de plaats van articulatie in de richting van een i wijzigde. Dit had plaats in de owgm. periode, in 't ene dialect vroeger dan in 't andere; de tendens tot de wijziging is gemeen-wgm., maar de wijziging zelf niet. In 't ownfrk. had de umlaut vooral bij korte vocalen plaats, dus bij ă en ŭ; immers de ĕ was reeds in 't ogm. vóór j, i tot ĭ geworden (§ 2) en een ogm. ŏ vóór j, i bestond niet (§ 3). Daarbij bedenke men, dat de umlaut ouder is dan de rekking van de korte vocalen (§ 32), zodat deze, ook wanneer zij in open, behoofdtoonde syllaben stonden, erdoor werden getroffen. De umlautsfactor zelf is in 't mnl. al verdwenen, doordat i ; werd en de j uitviel; echter vindt men in de Oudgentse bronnen soms nog de postconsonantische j als rest in de schriftelijke overlevering bewaard, b.v. Flaniasfelda, Hanriaaccara en in de meeste afleidingen op -(w)erja-.

 

* 39. ă > ĕ. Aanvankelijk was de ĕ misschien een variant van de ă, maar al heel vroeg ontwikkelde hij zich tot een eigen foneem (gesloten ĕ). Later viel hij in 't A.B. samen met de ogm. ĕ (open ĕ en zo) verloor hij weer zijn karakter van zelfstandig foneem. Reeds in 't mnl. (behoudens in bepaalde dialecten, waar het verschil tot op de dag van heden bewaard is) verschilde hij vermoedelijk niet meer van de ogm. ĕ; in open syllabe werd de ĕ gerekt tot ĕ.

B.v. bij de vroeger op -jan uitgaande w.w. denken (got. þagkjan, ndl. dank), heffen (got. hafjan), kennen (got. kannjan), leggen (got. lagjan, ndl. gelag), letten (letsel: got. latjan, lats), ge-neren (got. ga-nasjan), rekken (rek, reeks: got. - rakjan; ndl. rak), scheppen (got. - skapjan), temmen (got. - tamjan, ndl. tam), wekken (got. -wakjan; vgl. waken = got. wăkan), weren (got. warjan), zenden (got. sandjan), zetten (got. satjan); betten (uit *baþjan naast baden: vgl. voor de tt § 50), dekken (deken: dak), dempen (: damp), (om)helzen (: hals), ge-hengen (hengel, hengsel: hangen), krenken (: krank), lengen (leng, lengte: lang), mesten (: mnl. mast ‘varkensvoer’, hgd. Mast), redden (: bvnw. rad), reppen (: rap), schenden (: schande), (ver)sperren (: spar), strekken (: strak), stremmen (: stram), tellen (: tal), vellen (: vallen), wenden (inwendig: wand), zeggen (: gezag). Voelde men een nauw verband tussen w.w. en naamwoord, dan trad soms analogisch de ă weer in plaats van de ĕ; vgl. b.v. verlammen: lam, tegenover belemmeren, leemte, die in betekenis veel waren gaan verschillen; belanden: land tegen-

[p. 42]

over belenden(d); natten naast netten (got. natjan): nat; kammen: kam; kampen: kamp, maar kemphaan.

Buiten de w.w. b.v. bed (got. bădi), bes (got. -băsi), beter en best (got. bătiza en bătists), delling (mnl. delle: dal), elders (mnl. el: got. ăljis en aljar; vgl. ellende uit *ăli-landi, oorspr. ‘ballingschap’), eng (uit *angi, naast bang uit *bi-ango, oorspr. 't bijwoord), erf (got. arbi), grebbe (: grāven), heer ‘leger’ en her-tog (got. harjis), heg (: haag), hel (got. halja), helft (: half), hen (uit *hănj - naast haan, got. hăna), behendig (: hand), lest (uit *letst, naast jonger laatst), meer (got. mărisaiws), mens (got. adj. mannisks, bij man, got. manna), rede (got. raþjō), schepel (: mnl. scap ‘rek, kast’), slenk ‘laagte, geul’ (: slank), snebbe (: snavel), stempel (: stampen), be-stendig (: stand), steng en stengel (: stang), veen (got. făni) en ven (< nnj < nj der casus obliqui), veer (: vāren), ge-vest en veste (: vast), wedde (: got. wădi), gezel (uit *sălj- naast zaal); mnl. mender ‘aandachtig’ (ablautend met got. mundrei ‘doel’); toponymisch het leenwoord zuidndl. belle (Schelle-Belle, Dender-Belle e.a.; uit lt. ballium ‘omsloten terrein’).

 

In de flexie, waar men het verband tussen de verschillende vormen sterk voelde, werden over 't algemeen de umlautsvormen door de andere verdrongen; zo b.v. bij de i-stammen (gasten, krachten als pl. van gast, kracht enz.; vgl. voor steden bij stad § 106) en bij de st. w.w. waar oorspr. de 2de en 3de ps. sg. een uitgang met -i had (§ 142) (hij draagt bij dragen enz.). Soms echter ontstonden uit een paradigma twee vormen, b.v. mnl. ghewout (uit *giwald, oorspr. nom. acc.: § 60) naast ghewelt (uit *giwaldi, oorspr. gen. dat.); tenslotte zegevierde hier de umlautsvorm, evenals bij helft en Schelde (tegenover Schouwen, d.i. *Schouden [vgl. § 34 I 1 c en § 60]). - Vgl. ook ndl. den, es, esp, in welke drie boomnamen de e vermoedelijk is ingedrongen uit het erbij behorend bvnw. op - en (ouder - ijn). Het omgekeerde vond plaats in mnl. vlassijn, wassijn (-en) e. dgl., waar de ă onder invloed van vlas, was hersteld is (de vormen met ĕ zijn zeldzaam). Mnl. coude (onder invloed van 't adj.) in plaats van een zeldzamer mnl. kelde (uit *kaldī; hgd. Kälte) (zie voor -ou- uit -ald- § 60). Naast een analogisch mnl. en wvla. oude staat een klankwettig wvla. elde ‘leeftijd’; vgl. ook veluws Elspeet < *Elden-spete (bij got. alþeis), tegenover Nunspeet < *Nuwenspete.

De umlaut werd verhinderd door oude hh en ht, b.v. lachen (got. hlahjan); 't suffix -achtig, mnl. gemachte (uit -i) en geslachte (uit -i).

Opm. 1. Machtig, krachtig, verkrachten (uit -jan), drachtig bewijzen niets, daar de a hier onder invloed van de substantieven kan hersteld zijn. Mnl. vormen als gheslechte, mechtig enz. horen thuis in het Limburgs-Brabants, waar de ht in jongere tijd de umlaut niet verhinderde; daaruit drong in 't alg. ndl. a-mechtig (mnl. ook


[p. 43]

amachtig), waar door het verschil in betekenis het verband met macht niet meer gevoeld wordt.
Opm. 2. In sommige, vooral holl., maar ook zuidndl. dialecten werd de umlauts-e (overigens ook e van andere herkomst: § 78) tot i vóór nasaal + cons. of vóór l[l]; vandaar in 't alg. ndl. verminken (: mank, uit lt. mancus), bil (: bal), blinken (vroeger zwak) (: blank), schil (: schel, got. skalja ‘dakpan’), kil (: koud uit *kald); vermoedelijk ook snik ‘vaartuig’ en misschien zilt (: zout uit *salt). Bezwaarlijk dezelfde i in de naam van de rivier de Linge (: lang), oudtijds het Lange Water genoemd. Misschien behoort bij zuidndl. belle (zie hierboven) de familienaam Van der Bil, waarnaast Van der Bel voorkomt. Van der Vinne (naast Van der Venne) zal wel in de eerste plaats Fries zijn (fri. finne ‘weide’). Zie voor vormen als einde § 64.
Opm. 3. Als de i in de 3de syllabe stond, had er geen umlaut plaats, b.v. dagelijks, schadelijk. Edel (bij adel) is uit *ăðili te verklaren; op dezelfde wijze vreemd, dat dus niet direct met got. frămăþeis is gelijk te stellen, en wellicht wetering (: water). Ook kwam geen umlaut voor in de verbinding ăr + dentaal; zie daarvoor § 57.

* 40. a. ŭ > in gesloten syllabe / ^ / (palatale beneden-, soms middenklinker; geschr. u), b.v. dunken (got. þugkjan), kunne (got. kŭni), vullen (got. fulljan). Vgl. ook brug, dun, geluk, grut, hullen, rug, stuk met hgd. Brücke, dünn, Glück, Grütze, hüllen, Rücken, Stück. Vandaar ook gulden, vergulden: goud (uit *gold); hulde: hou (en trouw), mnl. hout (de vorm zonder dentaal is uit de verbogen vormen ingedrongen, vgl. § 34 I 1a). Met ghewelt: ghewout (§ 39) staan op één lijn mnl. ghedult, scult: ghedout, scout (§ 106); vgl. ook mnl. hulten en analogisch houten bij hout; gouden bij goud (§ 60).

Opm. 1. Zie voor de ontronding van / ^ / tot ĭ, ĕ § 45.

b. ŭ > in open syllabe / ø: / . Deze klank wordt sedert het einde van de middeleeuwen geschreven met eu, een spelling die aan het Frans ontleend is.

 

Voorbeelden: euvel (got. ŭbils), heup(e) (vgl. got. hups: i-st.), keuken (uit *kŭkina uit lt. coquīna), Keulen (uit lt. Colonia), te-leur (< *lŭzi-, tegenover te-loor < *lŭza-). Vgl. ook breuk, keur, reuk, scheur, teug (uit *brŭki enz., vgl. § 16), bij de w.w. breken, kiezen, ruiken, scheren, mnl. tien. Zo ook vleugel, beugel, sleutel, teugel, heuvel, keuvel, kreupel, deur, steur, gebeuren, jeuken, reu, heus (uit *heuves bij *hufa- > hof, waarnaast onder invloed van hof mnl. hovesch, ndl. hoofs).

 

Hoever de werking van deze umlaut zich heeft uitgestrekt, is moeilijk te zien; immers in sommige dialecten, in 't bijzonder van de kuststreek (Hollands, Zeeuws, Westvlaams) is de ŭ, ook zonder dat er van een umlautsfactor sprake was, tot eu geworden; b.v. deur (voorzetsel), keugel, meugen, veugel, weunen, zeumer, steunen ‘stutten’. Misschien dat de oorzaak hier te zoeken is in de palataliserende tendens eigen aan de Ingvaeoonse dialecten. Een typisch voorbeeld van dit soort palatalisatie levert zeug, waarvan de eu- vormen vooral

[p. 44]

westelijk liggen, terwijl Brabant en Limburg aan zog, zoog de voorkeur geven. De 17de-eeuwse volkstaal van de Hollandse kluchten heeft een overvloed van dergelijke eu-vormen, maar reeds dan dringt onder invloed van Brabant, dat dit Ingvaeoonse verschijnsel niet kent, de ō op. De Brabander Huygens geeft aan de ō de voorkeur; de eu-vormen legt hij vooral de boeren in de mond. Het is mogelijk dat in Delft in het begin van de 17de eeuw, in de gewone omgangstaal, koning, vogel, voor, woon, zomer een ō hadden. Ten Kate kent de eu naast de ō nog, ‘niet alleen op 't land, dog ook in de steden, en zelf veel al in Schrijftael’; onder de door hem genoemde woorden vindt men voor-veur; bogel-beugel; molenmeulen; logen-leugen; toog-teug.

 

Uit deze voorbeelden blijkt, dat de wisseling van ō en eu overgeslagen is op vormen met umlauts-eu, die allengs verdeftigd werden tot ō-woorden; we halen Kloeke aan: ‘Ik zie de antithese oo / eu eerder als een tussen stad en platteland (en vooral leestaal versus gewone omgangstaal), dan als een tussen beschaafd en geprononceerd vulgair.’ Vandaar kreeg over 't algemeen de beschaafde omgangstaal een voorkeur voor de ō; men vergelijke b.v. door, goot, koning, mogen, voor, zoon, of de leenwoorden boter (< lt. butyrum), Jood (< lt. Judaeus). Soms zijn nog beide vormen bewaard, zij het dan met verschil in stijl of betekenis; b.v. logen: leugen, sproke: spreuk, noot: neut (‘console waarop een balk rust’). Toch is het gehele probleem van de verdeling van eu: ō nog niet opgelost; zo kent b.v. 't noordhollands molen (< lt. molīna) en niet meulen; grotendeels ook vool (got. fula, dus zonder umlautsfactor): veulen (- en uit - īn: § 185). Naast zoon is zeer verbreid zeun, dat niet overal uit verbogen vormen met umlautsfactor (§ 106) kan verklaard worden. Zie voorts § 79.

Opm. 2. Toon naast Teun is vermoedelijk een latere ontlening aan lt. Antonius. De geslachtsnaam De Ro(o)de - voorzover niet bij rood of bij rode, rade behorend - kan een wisselvorm van De Reu (bij reu, mnl. ruede en rode) zijn. In sommige dialecten ontstonden vormen met oe, b.v. voegel en vooral koegel, dat dus niet altijd een ontlening aan 't hgd. zal zijn. Een Saksische ao, geschreven a, uit o in open syllabe, vindt men in oostmnl. cater, naast keuter-boer (mnl. coter, kueter): een afleiding van mnl. cote ‘hut’, saks. cate, bewaard in talrijke eigennamen (zuidndl. Zevecote: geld. Mole-caten, overijsels Rolle-cate, Colmschate; familienamen als Ten Kate, Ten Bruggencate (en dgl.); in ndl. havezate (: hof), plnn. Havelte (: hof - veld), Avereest (over-reest).
Opm. 3. Zie voor ontronding van eu tot ē § 45.

* 41. Het Algemeen Beschaafd kent geen umlaut van de lange vocalen (zie voor de ū § 69 v.v.).

Vgl. b.v. ndl. onderdanig, gaaf, haring, be-kwaam, voor-naam, schaar, zalig, zwaar tegenover hgd. untertänig, (gang und) gäbe, Hering, be-quem, vornehm, Schere, selig, schwer. Of men vergelijke ndl. groen, voeten met eng. green, feet, fri. grien, (archaïstisch) fiet, en ook hgd. grün, Füsse.



[p. 45]

Daarentegen kennen het noorden en de oostelijke helft van ons land (niet alleen het Saksisch, maar ook het Oostnederfrankisch) wel de umlautsvormen; wie b.v. de taalkaart van zoeken opslaat, wordt dadelijk getroffen door de scherpe tegenstelling tussen het westen, waar bijna iedere umlautsvorm ontbreekt, en het oosten. Dat intussen de grenzen tussen oost en west niet steeds scherp zijn te trekken en dat in de loop van de tijd daarbij verschuivingen hebben plaats gehad, blijkt o.a. uit de zuidelijke dialecten: het Brabants b.v. kent nog gruun en treeg. Een onderzoek van het Oud-Zuidwestbrabants toonde aan, dat eens op vrij grote schaal vormen voorkwamen als bleesen ‘blazen’, genede ‘genade’; later week de umlaut terug, doordat dit dialect meer onder Vlaamse invloed kwam. Het is zeer opvallend, dat in deze zaak de dialecten van Vlaanderen, Zeeland en Holland niet samengaan met 't ags. en 't fri. en evenmin met 't hgd. Het is niet zo zeker, dat hier in vroeger tijd ook umlaut van lange vocalen is voorgekomen; wanneer voor kaas in 't Zeeuws kees voorkomt, zal deze ‘èè’ / ε: / allicht evenmin op umlaut berusten als de klank van noordholl. kees; ook bij laag vindt men op de Zuidhollandse en Zeeuwse eilanden slechts schijnbare umlautsvormen (vgl. § 80). Niettemin zijn er uit het kustwestvlaams (12de-14de eeuw) vormen met umlaut van lange vocalen opgetekend: neest, drossete vgl. ‘drossaard’ (â), met ontronding Wenesdag ‘woensdag’ (ē < , uml. van ō), hide (§ 33 opm. 3), hiden ‘verbergen’ (eng. to hide), a. 1187 hyrlant ‘huurland’ (vgl. eng. to hire, uit û § 73), waarbij nog te voegen is (vnl. Hollands) kreen (§ 41, 2).

 

Intussen volgt uit het bovengezegde, dat vormen met umlaut van de lange vocaal, die in 't algemeen ndl. zijn overgegaan, niet steeds uit de oostelijke dialecten behoeven te zijn gekomen, al zal dat veelal wel het geval zijn. Wij noemen hier de voornaamste voorbeelden:

 

a. ê i.p.v â: bedeesd (: dâzen, mnl. daes), gedwee (mnl. ghedwâde, ghedwêde), beweren (mnl. bewâren, bewêren, hgd. bewähren, bij waar), dwepen (mnl. dwâpen, dwêpen; vgl. mnl. dwaep ‘nar’, Kil. dwaep, dweep), geeuwhonger (uit geē- door volksetymologie; vgl. mnl. , hgd. jäh; gauw is een analogische vorm: § 54 Opm. 2), scheper (: schaap), strelen (: Kil. straelen en streelen, hgd. strählen); vgl. voorts plaatsnamen als Leeg- (: laag); persoonsnamen als Kremer (: Kramer). Steeds (oudnndl. stedes) kan ontleend zijn aan hgd. stets < mhd. staetes (met bijwoordelijke s; vgl. mnl. stâde ‘bestendig’). Ook bij ongeveer (Kil. onghevaer vetus Sax.) (: gevaar, oorspr. = zonder list, bij toeval) is aan hgd. invloed (ungefähr) te denken, maar men vergelijke ook in 't Gronings van de 16de eeuw ongeveerlick = te goeder trouw.

 

b. eu als umlaut van germ. ô (ndl. oe). In de oostelijke dialecten vindt men, naast zeuken, in die streken waar de overgang van ô; tot oe plaats had vóór de umlaut, zuken. Sommige oostelijke vormen met eu zijn in 't Hollands van de 17de eeuw doorgedrongen, maar later weer verdwenen; b.v. seut ‘zoet’, teuven ‘toeven’, veugen ‘voegen’. Andere daarentegen handhaafden zich en verdrongen zelfs in de algemene taal de oe-vormen, b.v. beuk (: boekvink, boekweit), waar de neiging om homonymie met boek te

[p. 46]

vermijden, invloed zal hebben gehad; geneugte (: genoegen), dat men op dezelfde grond distancieerde van genoeg; verouderd meu (: moei). In het toponiem Neude te Utrecht is bewaard een owgm. Hnôdi (a. 855); een soortgelijke eu heeft Breukelen < Brōk[-leede] (vgl. Brooklyn in Amerika). Moeilijk te verklaren is de umlaut die voorkomt bij broer; ongeveer op dezelfde wijze als de umlautsvormen bij groen, zijn breur en bruur inheems in 't oosten van ons land. De vorm breur is ook ingedrongen in Holland, waar hij in de 17de eeuw bij Bredero e.a. zeer gebruikelijk is.

Andere eu-vormen ontstonden door umlaut van germ. au, nadat deze ô was geworden: bleu (: blo[de]), sneu (: snood); ouder holl. beus (: boos). Onzeker kreunen (: mnl. crônen). Nog een andere oorsprong heeft de eu van smeu (zie de Aant.).

Opm. 1. Van geheel andere aard daarentegen is vermoedelijk de wisseling van oe en eu in Woensdag, waarvoor in de kuststreek van Zeeland en Holland tot op de Waddeneilanden hier en daar nog Weun(e)sdag voorkomt. Bij dit woord kent immers juist het oosten van ons land geen umlautsvormen, zoals te begrijpen is, daar in de wgm. vorm de umlautsfactor ontbrak: Wodan (tegenover on. Oðinn); vgl. ook ofri. wônsdei = nfri. Woansdei; ags. Wódnesdaeg (afwijkend eng. Wednesday). De eu komt bij dit woord juist in die dialecten voor, waar de ogm. ô lang was bewaard gebleven (§ 68); misschien sloot deze ô zich dan aan bij de ō; uit ogm. ŭ en maakte de overgang tot eu (§ 40b) mee (maar vgl. boven § 40a). Zie voor Weusdag § 29c.
Opm. 2. Naast roekeloos vindt men vooral in de 17de eeuw vaak reukeloos; daar de umlautsfactor ontbrak, ligt het voor de hand, hier volksetymologische navolging van hgd. ruchlos aan te nemen.
Bruur: Frings veronderstelt, dat de diminutiefuitang hier de umlauts-factor is geweest; V. Ginneken ziet de oorzaak in de beide r's; Heeroma onderstelt een grondvorm *brōþir naast brōþar.

c. Soms vindt men ī, in 't holl. door vernauwing uit ofri. ē; (> nfri. ie) ontstaan (vgl. § 65c). Deze ofri. ē was ontstaan als umlaut van:

1. germ. ō, ndl. oe: mnl. ongedieve ‘onbehoorlijk’ (ofri. unidêve ‘gruwelijk’, ags. ungedêfe) en, met gewijzigde betekenis, oudnndl. on-dieft (: mnl. vla. on-ghedoeve, got. gadōbs ‘passend’; vgl. ook deftig: § 83). Vgl. verder Kil. (en nog noordholl., gron., fri.) kiem ‘schimmel’ (: ndl. kaam; met fri. umlaut van ō uit ā vóór nasaal). Vgl. ook nog mnl. (Yperman) ww. gesmieden ‘smijdig, zacht worden’, afl. van een adj. = Zeeuws smieë § 29 c). Zeer onzeker is vliering, dat naar veler opvatting een noordholl. -fri. vorm is bij vloer; eerder echter is het woord identiek met zuidndl. fliering ‘gording’ (als bouwterm), in welk geval men met een aan het Frans ontleend woord filère te doen heeft. Hiel kan, daar het in het tegenwoordige Fries niet voorkomt (men kent daar alleen hakke), bezwaarlijk als een Fries woord beschouwd worden; de verbreiding in het westen tot in het zui-

[p. 47]

delijke mnl. toe laat echter de mogelijkheid open, dat het een Ingvaeoons woord is, met umlaut van ā uit ă χ: grondvorm *χila- (vgl. § 29a).

 

2. germ. au, ndl. ô: zaans opdiemen: mnl. doom, wvla. opdomen ‘opdampen’ (met afwijkende vocaal ndl. opdoemen: § 66 Opm. 3); zaans stiemen: ndl. stômen. Daarentegen is de ê bewaard in noordholl. bêken (§ 66 Opm. 2); noord- en zuidholl. kreen ‘gevoelig, bederfelijk’ (indien verwant aan mnl. crônen).

 

3. germ. ū;, ndl. ui: 't znw. kies (Kil. ku(y)se en nog dialectisch kuze, kuus). In het mnl. Westvl. wordt umlaut van ū; ontrond in ī: hide (§ 33 Opm. 3), hiden (§ 73), hyrland (§ 73), wellicht zndl. klijster ‘bos van bolgewassen’ (< *klû-s-istra, vgl. noors klūs ‘massa’, ags. clūster, eng. cluster).

* 42. De umlaut is een veelomvattend verschijnsel, dat alom in germ. talen sporen heeft nagelaten. In het Engels zijn reeds vroeg alle vocalen die ervoor in aanmerking kwamen, erdoor aangetast, en het proces is vroeg voltooid, reeds vóór de tijd van de oudste bronnen. Wat Duitsland aangaat, heeft hij in 't Noord- en Oostzeegebied krachtig gewerkt, in 't zuiden minder. Ook het oosten van ons land onderging ten volle de werking ervan; het westen daarentegen werd in veel mindere mate erdoor geraakt. Het westndfrk. immers kent vooral de umlaut van de korte vocalen; in 't opperduits wordt aanvankelijk de umlaut ook door andere consonantverbindingen dan ht verhinderd (b.v. door l + consonant), maar werkt hij langer na. De grotere betekenis van het verschijnsel voor het hgd. dan voor het ndl. blijkt b.v. hieruit, dat de umlaut daar als differentiëringsmiddel wordt gebruikt. B.v. in de flexie van de i-st. had de pl. de umlaut, maar terwijl in 't ndl. de vormen zonder umlaut algemeen werden, bleef niet alleen de umlaut in 't hgd. (Gast - Gäste, Kraft - Kräfte), maar werd die zelfs voor 't taalgevoel karakteristiek voor de pl. en drong dan ook bij andere stammen in (Wolf - Wölfe, Nagel - Nägel). Terwijl in b.v. ndl. belanden: belendend de ă en de ĕ; tot twee verschillende fonemen zijn geworden, hangen in hgd. gast: gäste de a en de ä samen wegens de morfologische functie van de umlaut. Vgl. ook bij de w.w. (tragen: du trägst, er trägt), de diminutiva (Baum - Bäumchen, Hund - Hündchen), de comparatieven (grosz - grösser, arm - ärmer). Dgl. functionele umlauten komen in het zuidoosten van ons taalgebied voor.

In de ohd. bronnen wordt de umlaut van de ă sedert de 8ste eeuw in het schrift aangeduid (in de oudste bronnen nog niet). De Oudgentse bronnen tonen, dat de umlaut daar in de 10de eeuw reeds een afgelopen proces was.

Er is veel meningsverschil over de vraag, of de inwerking van de j, i rechtstreeks heeft plaats gehad dan wel of eerst de tussenliggende consonant(en) gepalataliseerd werd(en) en deze weer op zijn (hun) beurt de voorafgaande vocaal palataliseerde(n). Dat in elk geval

[p. 48]

ook de consonanten gemouilleerd werden, is gebleken uit de onderzoekingen van Rooth en - voor het Nederlands taalgebied - van V. Ginneken en Heeroma. Daar, waar de mouillering van de gutturalen het intensiefst was, d.w.z. op Anglo-fries gebied, is ook de umlaut het intensiefst geweest. In overeenstemming met de veronderstelde palatalisatie door de consonanten is, dat sommige (zo de sterk velare ht) de umlaut verhinderden.

De umlaut kwam tot stand bij wijze van reactie op het dreigend verdwijnen van functioneel belangrijke i, j (zoals V. Loey heeft aangetoond): de stoot immers tot deze wijzigingen ligt in de beginaccentuatie van het woord, wat tot gevolg het verdoffen en verdwijnen van de functioneel belangrijke i, j had en, als reactie hiertegen anticipatie van de palatale articulatie; daardoor werden de klinker (van de beginsyllabe) en, in minder realiseerbare mate, de erop volgende medeklinkers gepalataliseerd. De mouillering van de consonanten verdween over 't algemeen geleidelijk weer, maar is tot op heden waar te nemen in verschillende, vooral zuidndl. dialecten. Aldaar bestaan daarenboven allerlei overgangsstadia (in de vocaal en in de consonanten) thans nog van vormen waarin mouillering door andere factoren dan i is verwekt; vgl. ook in de jongere taal die gevallen, waarbij de klinker gevolgd wordt door dentaal (of dentaalverbinding) + j: met vrij sterke mouillering mandje, klontje, zoentje; minder sterk: latje, botje, zoontje; zeer zwak laatje, bedje, grootje (vgl. § 186).

Ronding en ontronding van vocalen

* 43. Klinkers die zich van elkaar onderscheiden alleen door al of niet ronding van de lippen, gaan gemakkelijk in elkaar over. Tijdelijke spreek-gewoonten, stamverschil, streek-, misschien klimaatverschil, kunnen leiden tot ronding (labialisatie) of ontronding (delabialisatie), zonder dat men aan biologisch verschillende articulatiebases behoeft te denken; de overgang kan zowel van zeer oude als van jonge datum zijn. Zo kan men de ontronding ‘als de uiterste consequentie van de i-umlaut zien, waarbij niet alleen de articulatieplaats [§ 38] in de richting van de i opschoof maar ook de i de oorzaak was van het niet gerond zijn’: hier zijn alleen de voormondvocalen (als umlautsprodukt) u (put) en eu (euvel) bij betrokken; ook de achtermondvocalen (oe, ō) kunnen met minder ronding en (daardoor?) gemedialiseerd worden gearticuleerd (b.v. in het Beiers-Oostenrijks en in zuidndl. dialecten).

Ontronding is waargenomen in het Zuid- en Middelduits, in het IJslands en Noors, in het Engels (ook oudengels); in Frankrijk alleen in het noordwesten en in het oosten.

Dit alles kan zeer oud zijn; ontronding van eu / ø: / kan men in Leuven in de 13de-14de eeuw aanwijzen. Daarnaast kan in sommige dialecten een jongere, weer actieve ontronding bestaan (van ui § 69, van ui2 § 75), wat de scheiding tussen geïsoleerde nieuwe pogingen en relicten (als gevolg van terugdringing) niet gemakkelijk maakt. Zelfs zijn er gebieden, waar tengevolge van ontronding het verschil tussen beide soorten van vocalen uit het spraakbewustzijn verdwenen is: zo bijv. in Leuven, waar dienten-

[p. 49]

gevolge de bewoners bij een poging om de algemene omgangstaal te gebruiken, gemakkelijk hypercorrecte vormen als ontgunnen gebruiken.

In het volgende worden (met het oog op de algemene taal) de ronding van ē tot eu en van ĕ / ĭ tot ŭ, en de ontronding van eu tot ē; en van ŭ tot ĕ ĭ, behandeld. In dialecten is van uu (bewaard voor r § 69), van ui en van ui2 (§ 75) (Wvl., Ovl, Groningen, Hollandse kust, de Meierij van 's-Hertogenbosch), van / oe / (< or + cons.), van ou (Ovl., Meierij) ontronding waargenomen. Voor de wisseling van ie en uu zie men § 67. Vgl. ook § 41c, § 65d.

 

A. Ronding van ē tot eu van ĕ / ĭ tot ŭ

* 44. a. De ē, die in open syllabe uit korte vocaal was ontstaan (§ 32), rondde zich in sommige dialecten tot eu; dit was het geval in Holland, Utrecht, Noord-Brabant, maar evenzeer-in aansluiting bij 't aangrenzende ndd. gebied - in 't oosten van ons land. Men schrijft de oorzaak daarvan vaak toe aan een oorspronkelijke o van de uitgang en spreekt van o-umlaut; dus b.v. leunen zou uit lenen ontstaan zijn, doordat de oorspronkelijke vorm was *hlĭnon; anderen denken aan invloed van de aangrenzende consonanten (labialen, labiodentalen b.v.). De verbreiding van de afzonderlijke woorden is zeer verschillend; enkele hebben het tot opneming in 't Algemeen Beschaafd gebracht. Men vindt de meeste vormen met eu reeds in 't mnl., vooral in de Hollandse teksten; sommige echter eerst sedert de 17de eeuw. Wij noemen hier:

 

reus, dat als literair woord het monopolie heeft verkregen (mnl. rese en ruese); leunen, dat lenen bijna geheel heeft verdrongen, waarschijnijk door homoniemenvrees en dank zij 't rijmende steunen (mnl. lenen en luenen); waarschijnlijk ook: keuvelen (: kevel ‘kaak’) en besmeuren, dat als dichterlijke vorm voorkomt naast besmeren; heur: mnl. here, uit *hiro (§ 117), waarnaast haar de officiële vorm bleef door de Statenbijbel. Een vrij grote verbreiding vinden ook: zeuven, dat door telefoon en radio een goede kans heeft gekregen om in de beschaafde taal te worden opgenomen (mnl. seven: sueven); speulen (mnl. spelen: spuelen); veul (mnl. vele: vuele).

Nog enkele andere voorbeelden zijn: geune (mnl. gene: guene, gone), deuze en teugen (beide eerst sedert de 17de eeuw), teulen: telen, beuzem: bezem; zeer onzeker het eerst in jongere tijd overgeleverde steunen ‘zuchten’ (naast stenen).

 

b. Onder invloed van een voorafgaande of volgende l werd de ĕ; of ĭ meermalen gerond tot ŭ / ^ / . Komen beide vormen in 't Algemeen Beschaafd voor, dan gaat dit gepaard met differentiëring van betekenis of verschil

[p. 50]

in stijl. B.v. blussen (met 't praefix be-; vgl. hgd. löschen) (: lessen), lus (: lis), schulp (: schelp; vgl. ook de familienaam Schilpzand), spul: spel, mnl. sculfer (: schelf en schilfer; vgl. ook de familienaam Van Schilfgaarde), zeeuws dulve (ook in de Schouwense geslachtsnamen Van Dulven en Overdulve) (: mnl. delve ‘gracht, sloot’), holl. zeeuws utrechts zulver (: zilver) = afrik. sulver, afrik. skulpad naast skilpad. Dezelfde invloed kon een voorafgaande w oefenen, b.v. wuft (Kil. wift); Warenar vs. 329 (mit een) wup (: wip). Beide factoren (l en w) werkten samen in wulp en wulps (: welp); verwulfsel (vgl. hgd. Gewölbe) (: gewelf); mnl. wulge (: wilge). Ook vóór n vindt men deze ronding; b.v. -munt (peper-, kruize-), mnl. munte (vgl. hgd. Münze): mente, minte (vgl. hgd. Pfefferminz), uit lt. mentha. Waarschijnlijk ook (indien geen oude ablaut) in run, mnl. runde: rinde, rende (vgl. hgd. Rinde); misschien ook in bun (: ben ‘mand’). Zwakke klemtoon bevorderde deze overgang: mnl. sunte (vóór eigennamen zwak betoond); vgl. ook hun (§ 117), dat aanvankelijk zich in zwakke positie uit hen had ontwikkeld. Bij run zou men ook aan invloed van de r kunnen denken; zo komt in de oude Hollandse volkstaal rubben voor naast ribben; men vergelijke ook familienamen als (wvla.) De Rudder (: De Ridder); (fries) Durks (: Dirks, Derks).

Opm. Indien de w niet in de absolute anlaut stond, ging hij met de volgende ĕ, ĭ soms op in de u; vgl. § 53. Zie ald. ook voor de overgang van ĕ tot ŏ; na w.

B. Ontronding van eu tot ē en van ŭ tot ĭ, ĕ.

* 45. a. In sommige dialecten, in de eerste plaats in het Westvlaams, had ontronding van de eu, die door umlaut in open syllabe uit ŭ ontstaan was (§ 40b), plaats. Vandaar in de algemene omgangstaal peluw (mnl. ook peuluwe; uit lt. pulvīnus) en knekel (: verkneukelen). Zo vindt men in de oudere taal (vooral, maar geenszins alleen in 't Vlaams) crepel (o.a. bij Cats; in de middeleeuwen een noordholl. Crepelfliet; nog wvla. zeeuws zuidholl. krepel) en evel; mnl. resel, ruesel (nog; za. rezel); oostvl. nees ‘neus’.

Opm. Zie voor stenen: steunen § 44.

b. De / ^ / , die door umlaut in gesloten syllaben uit ŭ ontstaan was (§ 40a), werd in bepaalde dialecten ontrond tot / 1 / , welke / 1 / soms verwijd werd tot ĕ. Deze ontronding, die in dialecten van Holland, Zeeland en Vlaanderen optreedt en althans langs de gehele kust inheems was en grotendeels nog is, is een Ingvaeoons verschijnsel, dat men ook vindt in 't Anglo-

[p. 51]

Fries. In het Algemeen Beschaafd hebben deze vormen zich geen plaats veroverd; de oostelijke ŭ, die de ontronde vormen ook in de dialecten, vooral in 't Zuidhollands, heeft teruggedrongen, heeft het gewonnen. Reeds in de 17de eeuw werden de ontronde vormen gevoeld als minderwaardig: het zijn de boeren bij Huygens en Bredero, die van stik praten, en in de 18de eeuw wordt de volkstaal van Den Haag erdoor gekarakteriseerd. Zo staat dus alg. ndl. put, dun, rug, brug, mug tegenover eng. pit, thin, ridge, bridge, midge; ndl. put, knuppel, dun, brug, rug tegenover fri. pet, kneppel, ofri. thenne, bregge, hregg. Daarnaast ziet men in 't Fries ook de i, b.v. mich (: ndl. mug), stik (: ndl. stuk), zo goed als omgekeerd het oud-Kents de e kent. Van onze kustdialecten kan men zeggen, dat over 't algemeen meer naar het zuiden de ĭ overweegt, meer naar het noorden de ĕ; de grens ligt zo ongeveer ten noorden van de Zuidhollandse eilanden, maar was en is aan verschuiving onderhevig. Bovendien bedenke men, dat beide klanken zo dicht bij elkaar liggen, dat ze meermalen in elkaar overgaan (vgl. voor de uit umlaut van ă ontstane ĕ § 39 Opm. 2, en zie voorts § 78). In casu is het verschil vaak zo gering, dat zelfs een geoefend oor soms moeite heeft, ze te onderscheiden; zo constateert Kloeke voor West-Friesland en Enkhuizen: mig of eigenlijk meer: meg. Bijna nergens vindt men alleen ĭ- of alleen ĕ-vormen. Terwijl De Bo voor het Westvlaams noemt: din, hille (en, met differentiëring van betekenis, hul ‘uitstekende groep van bijeenstaande dingen’), knippel (klippel), krik(ke), pit, rik, stik, vindt men daarnaast in dit dialect pet en rek. Het Katwijks kent krik en stik, maar pet; bregge en regge; het Zaans mig; stik (stek), krek (krik); reg, pet, breg, kneppel; het Drechterlands mig, maar breg, krek, pet. De verbreiding van elke vorm is verschillend; dit hangt samen met de aard van de woorden, waarvan een deel een zakelijk karakter heeft, een ander deel met affect geladen kan zijn.

 

Het is opvallend, dat van de woorden met umlauts-ŭ (§ 40a) slechts een beperkt aantal deze ontronding vertoont; voor het grootste deel zijn het monosyllaba, welke een door vroegere j zgn. gegemineerde consonant (§ 51) vertonen; het schijnt, dat deze soort van consonant het best de mouillering vasthield. Voorbeelden zijn: brug, dun, hul, kruk, mug, put, rug, stuk; voorts knuppel; dunken; ticht (van de zee) ‘trekking’; dial. zunde. Een ander voorbeeld is himpe ‘bult, geringe hoogte’, bewaard in Impe, naam van een vrij oostelijk gelegen dorp in Z.-Nederland (onder Aalst), a. 1123 Himpe; vgl. eng. hump ‘bochel’, fri. himpe naast hompe, ndl. homp. Als zeer onzeker laten wij terzijde: sellen ‘zullen’ (en daarnaar dan analogisch sel ‘zal’) (vgl. § 146 IV), kennen = kunnen; lettel, littel (: luttel), dat ook op lîtel (got. leitils) kan berusten; risp (: rups) met zijn veelheid van

[p. 52]

vormen (ruip, rijp e.a.) waarvan de onderlinge verhouding weinig helder is. Bij enige andere woorden (belt: bult, wensen: hgd. wünschen, greppel: Kil. en dial. gruppe) doet de algemene verbreiding van de ĕ eerder aan oude ablaut denken; misschien is dit ook het geval bij mnl. rint (: runt, ndl. rund).

 

* 46. De meeste van de in § 45 genoemde woorden vindt men reeds met i en e naast u in het mnl.:

 

1. Mnl. brugghe: ovla. brig(ghe) (o.a. owvla. Quad-brigge, wvla. Brigghe, gents [1288-] brigghe en de wvla. persoonsnaam Van der Brigghe), walchers Brigdamme; tegenover mnl. holl. bregge (o.a. mnl. die Horenbregghe, nu de Hoornbrug bij Den Haag; Terbregge en Vanderbreggen in Zuid-Holland a. 1338 heeft Leiden bregghe, maar a. 1268 Delft brigghe).

 

2. Mnl. hul: ovla. hil(le) (o.a. owvla. Galg-hille, Stal-hille), oud-zeeuws en oud-hollands hil(le), in oorkonden = vliedberg, duin, eiland, boven 't water uitstekende gronden; nu nog vooral in toponiemen gebruikt (Den Hil o.a. op IJselmonde; Piershil ‘Pietersheuvel’ in de Hoekse Waard); ook in familienamen als Vreugdenhil; over 't algemeen moet het toponiem hel hiervan gescheiden worden: in dit verband beoordele men talrijke hil toponiemen in Noord-Brabant.

 

3. Mnl. put: ovla. pit (o.a. steeds bij Maerlant; in de Reinaert Criekenpit: Criekenputte); tegenover mnl. (noordel, holl.) pet (Kil. pet; a. 1595 petten ‘veenputten’ [als in 't fri.]), dat vermoedelijk bewaard is in Petten (tegenover geld. Putten).

 

4. Mnl. rugge: ovla. ric, rigge (oud-gents Crumb-righa [a. 960] = Crombrugge onder Merelbeke); tegenover mnl. (noordel, holl.) reg(ghe).

 

5. Mnl. stuck: ovla. stic(ke), oud-leids stik, Kil. stick Fland. Holl. De vorm stik is nog wijd verbreid in de betekenis van ‘boterham’.

Mnl. -skitte (12de e., onder Gent) = mnl. schutte ‘wat tot afsluiting dient’ (nieuw-Westvl. schette).

Mnl. dunne: dinne (vgl. eng. thin); dunken: dinken; crucke: cricke; cluppel: clippel, cleppel (cneppel); sonde (sunde): sende (sinde) (vgl. eng. sin).

Een zeer oude vindplaats van de ontronding is: 9de eeuw Warmelde (vroegere vorm van Warmond, bij Leiden) < * -muldjō ‘vat’ of ‘droge grond’.



[p. 53]

Stemloos en stemhebbend worden van spiranten en explosieven; assimilatie-verschijnselen

* 47. De correlatief met elkaar verbonden stemhebbende en stemloze medeklinkers vallen aan het eind van een woord samen, doordat de stemhebbende spiranten en explosieven daar stemloos worden; men spreekt in dit geval van neutralisatie van fonologische opposities. Het verschijnsel bestaat al in de 10de eeuw.

 

Ook op andere plaatsen dan aan 't eind van een woord komen neutralisaties in de ene of in de andere richting voor. Immers, indien een stemhebbende en een stemloze consonant samenstoten, krijgt men assimilatie, hetzij door spraakvoorbarigheid proleptische of door spraaktraagheid analeptische assimilatie; d.w.z. de eerste consonant past zich aan de tweede aan of de tweede aan de eerste. Men heeft daarbij te onderscheiden de assimilatie binnen een woord en die in de doorlopende rede tussen twee woorden welke onmiddellijk achter elkaar worden uitgesproken. In 't laatste geval behoort de assimilatie tot de zgn. sandhi-verschijnselen. Principieel is er weliswaar geen verschil tussen de klankverbindingen in de twee genoemde gevallen, maar in de praktijk blijkt, dat de meerdere of mindere vastheid van verbinding van invloed is en dat ligt voor de hand. De een verbindt de woorden steviger dan de ander, en vooral, de ene keer is de verbinding steviger, terwijl de andere keer er enige aarzeling is tussen de woorden: dat hangt af van allerlei omstandigheden. Zo zal men wel eens zeggen: dat iz me te bar, maar socialisme. Er is in de sandhi veel verschil van uitspraak, veel minder regelmaat; de streek van het land, de graad van nadruk van de betrokken syllabe of het affect waarmee deze geladen is, de persoonlijke uitspraak, de invloed van verwante vormen, zijn alle belangrijke factoren. B.v. tegenover dat is te vraag, op te hoogte, of het goet is zeggen sprekers uit het noorden van het land (ook in Z.-Ndl.) meestal iz de, ob de, goed is, maar Kloeke deelt ons mee, dat hij in zijn beschaafd-Haarlems zegt: iz de, ob de tegenover goet-is. Voor het accent vergelijke men b.v. je kunt op te man rekenen tegenover: je kunt ob die man niet rekenen (stemhebbend, doordat 't accent onmiddellijk volgt). Invloed van verwante vormen, n.l. van stoffen en gassen, heeft men b.v. in: die stof is mooi, het gas is duur (maar Van Haeringen deelt ons mee, dat hij in dergelijke gevallen zegt: stov, gaz), tegenover: de raav is zwart, het huiz is nieuw (: raven, huizen). Aardige voorbeelden vindt men reeds bij L. ten Kate, b.v. lo-v en dank: lof krijgen; kaa-z eten: kaas koopen; maar stra-f aanzien en straf sien. Vgl. ook mettertijd, uitermate, nochtans e.a.; verder gevallen als: op-en-top (op ende op). Men heeft hier veelal met rechtstreekse voortzetting

[p. 54]

van oude toestanden te doen, zoals in het mnl. ook vaak uit het schrift blijkt, b.v. mnl. optat, mitten, harentare enz.

Indien men met een owgm. stemloze consonant te doen heeft, kan men, indien de consonant vanouds in de auslaut staat, niet van stemloos worden spreken, maar is hij stemloos gebleven. Dat geldt ook van verbindingen als tfuur, tfolk, tsand, tsuur, waarin de f en s de oorspronkelijke toestand bewaren tegenover de jongere v en z van vuur, volk, zand, zuur (vgl. § 50).

De onregelmatigheid van de sandhi-verschijnselen wordt bevestigd door de dialectgeografische onderzoekingen. Men lette erop, dat klanken, die oorspronkelijk een morfologische functie hadden, soms met of zonder verlies van die functie sandhi-waarde kunnen krijgen; bv. de n van 't lidwoord in zuidelijke dialecten (§ 96); de n van de pluralis der substantiva en die van de infinitief in Hollandse dialecten (§ 93); de t van de imperatief pluralis (§ 143). Omgekeerd kunnen sandhi-vormen vast worden en dan van karakter veranderen; b.v. verandering van genus teweegbrengen (§ 33 Opm. 1).

Kan men bij de sandhi niet veel verder komen dan tot de algemene regel die voor de assimilatie geldt: l'assimilation obéit à une seule loi: la loi du plus fort (Grammont), met meer vastheid kan men voor het inwendige van een woord enige regels betreffende stemloos of stemhebbend opstellen. Indien explosief en spirant samenstoten, overweegt het karakter van de explosief, b.v. opfangen, avdoen. Bij aanraking van twee spiranten ontstaan twee stemloze klanken, b.v. afseggen, oochsiekte. Bij contact van twee explosieven waarvan de tweede b of d is, hebben we veelal twee zachte klanken, b.v. slaabdrank, voedbal.

Opm. 1. Men pleegt bij de in de ausl. stemloos geworden s en f fonetisch, bij de p en t analogisch te spellen; analogisch schrijft men dan de s en f ook in vormen als raasde, leefde, waar men een z en v spreekt. Als verbogen vormen met inl. d ontbreken, schrijft men gewoonlijk t, b.v. kruit (identiek met kruid), oort (identiek met oord), riet, schroot, omtrent, want (vgw. en znw. ‘scheepstuig’; in de laatste betekenis verwant met ingewanden), vaalt (mnl. vaelde, vaelt), zat (: verzadigen), bint (: binden), ruit ‘schurft’ (zuidndl. rui(de), mnl. rude), ant- (ont-), et- (§ 183), met (: mede), -waarts (got. -waírþs), de 3de ps. p raes. sg. en de 2de ps. praes. pl. (neem-t: § 142).
Opm. 2. Soms verdrong de sandhi-vorm de andere, b.v. toen: mnl. doe (vgl. mnl. nochtoe); vgl. ook te in deste, niettemin (§ 120), sedert (§ 50 Opm. 1). Met differentiëring van betekenis zijn beide vormen bewaard in toch: doch. Het suffix -de moest wijken voor -te, dat oorspronkelijk alleen na stemloze of stemloos geworden consonant voorkwam; vgl. § 190. Bij sommige woorden drong de stemloze klank analogisch in de inlaut in, 't zij in buigingsvormen of in afgeleide woorden; b.v. graten: graat, vaarten: vaart (mnl. genit. sire verde) (§ 167a, 2), zwoerten (en zwoerden): zwoerd, zatte: zat, bijdehante: bijdehand, boute: boud, straffe als verbogen vorm van 't adj. straf (vgl. nog vla. strave), stoffig, stoffen: stof ‘stuivend zand’ (mnl. gen. stoves), groffe (naast grove): grof, rieten (adj.): riet, vla. velten ‘op het veld te roten leggen’: veld > velt, onzeker is pleiten: fra. plaid, boertig (mnl. boerdich): boert (mnl. boerde), oudnndl.


[p. 55]

aartig, mnl. (en nog dial., o.a. in Reewijk naar meded. van Kooiman) dusentich. Bij Huygens vindt men pluralia als gewaeten, cieraten. In de gemeenzame omgangstaal kan men tegenwoordig als mv. van autoped meermalen horen autopetten. Omgekeerd onbesuisde i.p.v. ouder -te.
Opm. 3. Ook bij affectvol spreken worden consonanten stemloos: in de vloek fertomme- tomme-tomme, in vleinamen: Seppen / Jozef, Boudin Poitac (§ 60 Opm. 3 en vgl. § 185); in oostndl. kloeze (en gloeze) ‘gloeiende kool in de stoof’; in ndl. sjonge, sjassus, misschien in tja ‘ja’.

* 48. Verscherping, resp. niet-verzachting van de consonant (vooral van de spirant) vindt men onmiddellijk vóór l, r, n, m, maar vóór vocaal is de consonant stemhebbend geworden of gebleven, b.v. mnl. en dial. nnl. bessem (vgl. os. besmo), waarnaast bezem (vgl. ohd. besamo). Daarbij had dan veelvuldig gelijkmaking plaats. Vgl. bochel (: buigen), schoffel (: schuiven), wafel (: weven), gaffel (dial. gavel, hgd. Gabel), egel en met differentiëring van bet. zuid-ndl. (reeds mnl.) echel ‘bloedzuiger’, gesel, stichel: stegel (bij stijgen), richel (vgl. hgd. Riegel) (: regel, < lt. regula), tichel (< tiegele): tegel < lt. tegula (§ 6 Opm. 1), tafel (via 't rom. < lt. tabula), effen (: even, got. ibns; vgl. neffens, teffens naast nevens, tevens), loochenen (got. laugnjan), oefenen (: mnl. oeven, hgd. üben); bloesem, wasem; dial. ginter (gunter) naast ginder, mnl. en nog dial. soper n. sober (aan 't Frans ontleend), noordbrab. loeter ‘verachtelijk vrouwspersoon’ n. loeder. Voorts mnl. huffel (nog de familienaam Van Huffel; misschien ook hierbij de zuidndl. plaatsnaam Steenhuffel): ndl. heuvel. Een grote groep vormen de bvnw. op -lijk (jonger -elijk), b.v. ijselijk, vreselijk; ongelooflijk, lieflijk; moochlijk, bedriech(e)lijk, behāch(e)lijk naast mogelijk enz.; vergankelijk, koninklijk. In de oudere taal vindt men dit verschijnsel ook bij d, b.v. mnl. entelijc, notelijc, oudnndl. datelijk. Voor de invoeging van een t voor -lijk zie men § 164.

 

Een tweede groep vormen de znw. op -nis v.b. droefenis, erfenis, lafenis, begrafenis; verbintenis, beeltenis, ontsteltenis (: ontstaan, -standen), naast verrijzenis; 17de e. (ont)vankenis, Vl. begankenis ‘processie, bedevaart’; de frequentativa, b.v. schuifelen, snuffelen, drentelen (dial. trentelen; hgd. trendeln) (vgl. ook § 191 Opm. 1).

Opm. 1. Vonnis (mnl. vonnisse) is ontstaan uit mnl. vontnisse, doordat de t tussen twee dentalen niet meer tot explosie kwam; daarnaast mnl. vondenisse. Evenzo schennis. In geschiedenis (mnl. gescienisse) en belijdenis is de d, die deels uit 't part. praet. afkomstig is, deels als hypercorrect is te beschouwen (§ 37 en 172b), na klinker bewaard.

* 49. De auslautende / k / werd onder invloed van de inlaut door de velare nasaal (< / g / : § 84) verdrongen, b.v. lang, jong, koning enz.; nog in de 17de eeuw (bij Vondel b.v.) rijmen langk: klanck en nu dial. en afrik.

[p. 56]

lank, jonk enz.; vgl. ook geslachtsnamen als Bijvanck (mnl. bivanc ‘afgepaald stuk land’, oudnndl. bijvang) en vele namen op -ink van oostelijke herkomst (saks. Hesselink; frank. Hesseling) (§ 170). Alleen in samenstellingen en voor het suffix -lijk, bleef de / k / bewaard, b.v. lank-moedig en de geslachtsnaam Lankhout, jonk-heer (jonker) en de geslachtsnaam Jonckbloet, sprinkhaan, konink-lijk, konink-rijk; langzaam bewaart in zijn s nog een spoor van de / k / . Hetzelfde als met de / k / gebeurde, had plaats met de mp in woorden als kam, lam, dom en wellicht klam (adj.) (mnl. soms nog camp, lamp, domp; vla. klamp); vgl. voor de m uit mb § 22 en § 52 vc.

Opm. 1. In verkleinwoorden als woninkje wijst de verscherping er op, dat -je hier uit -tje ontstaan is; zie ook § 186.

* 50. De ogm. stemloze spiranten zijn - voorzover ze niet in de auslaut stonden - (met uitzondering van de χ § 81) over 't algemeen in 't ownfrk. stemhebbend geworden (§ 24). Wat de f betreft, men vindt reeds in de 11de eeuw in 't owvla. spellingen als vogala, in de eerste helft van de 12de eeuw Vogal en Vogalin, in 't Oudgents Velthem e.a.

Voor de tegenwoordige tijd heeft men evenwel te bedenken, dat de anlautende en de inlautende v, z (en g) niet meer dezelfde klanken aanduiden; in de anlaut (ook wel in de inlaut) zijn ze tegenwoordig, in 't Hollands - Beschaafd, ‘half-gestemd’ of vaak zelfs geheel stemloos, wat vermoedelijk aan Amsterdamse, resp. betrekkelijk jonge Friese invloeden is toe te schrijven; ook te Nijmegen bestaat verstemlozing. Die stemloze uitspraak geldt zeker in niet mindere mate voor de g, maar hier kan van Friese invloed geen sprake zijn, daar de Friezen de zachte explosief spreken; maar in 't Hollands werd de g (γ) in de anlaut door de v en z meegesleept, waardoor het fonologisch evenwicht bewaard bleef. Daar de differentiërende functie tussen stemhebbend en stemloos in dezen betrekkelijk gering is, levert, fonologisch gezien, een samenval geen grote moeilijkheden op.

Afgezien van deze jongere, tot een deel van 't land beperkte ontwikkeling, vindt men de oude f in 't ndl. terug als v in de anlaut (vóór voc. en vóór l, r) en in de inlaut tussen vocalen, behalve in de geminatie (heffen enz.). Onder dezelfde omstandigheden werd de s tot z, behalve in de verbindingen sl, sm, sn (slapen, smeken, snijden enz.) en natuurlijk sp, st (speer, stappen enz.). Zie voor de sk § 82. Echter bleven de anlautende f en s meermalen bewaard in een syllabe met korte vocaal, gevolgd door een zgn. geminaat (vooral kk, mm, pp, ff); b.v. flakkeren (: mnl. vlacken) en flikkeren, fok(kemast), frommelen, het leenwoord fakkel; sok(ken), sukkelen (: ziek), sommig, sop (mnl. soppe), be-seffen, suffen, het leenwoord sikkel (: dial. zēkel) (§ 52b). Het is onzeker, of men in de vormen van zak, zakken (w.w.);

[p. 57]

vol enz. aan analogie moet denken (b.v. zak: plur. *sakken > zakken), vgl. ook vos, zes (met s uit hs: § 81), tegenover Sassenheim.

Opm. 1. In sommige gevallen is een algemeen voorkomende uitspraak van de anlautende scherpe spirant uit psychische intensiteit te verklaren, b.v. in vies, vitten, foei, flets, flauw; waarschijnlijk ook in sijpelen, mnl. sipen (: vla. zijpen; ndl. Zijpe); misschien ook in de aan 't fra. ontleende woorden fielt, fooi. In woorden als fladderen, flab, flappen, flakkeren, flikkeren, flodderen, flonkeren, fluisteren, fniezen, floep, fut; sabbelen, sissen, suizen heeft men klanknabootsende of klankschilderende woorden. Overigens gaan anlautende f en s vaak gepaard met vreemde herkomst. Zo b.v. uit het fra. fat, fel, femelen, fiks, fors, fronsen, fruit, (tegenover vrucht); (goede) sier (maken), sla, sikkeneurig, suiker, sjees, sijfelen, sober, soort, soep, sekuur (tegenover zeker); misschien dat in onzijdige woorden als floers, fluweel, waar 't fra. een v heeft, 't voorafgaand ndl. lidwoord op de verscherping invloed had. Uit 't hgd. fidibus, flikken, fluks, foedraal, foezel, folteren, foppen, forel (tegenover ndl. voorn), fratsen, freule, fris (tegenover vers); sabel, (ver)sagen, sage, sarren, sidderen (Kil. tsitteren), sieren, sijsje, sik, sintel; uit 't ndd. wellicht flink. Uit het eng. fitten; sein. Uit het fri. (flik)flooien (: vleien; vgl. § 65b), fnuiken, foefje, fuik, Fries(land) (naast De Vries als geslachtsnaam), wellicht ook fraai; saggelen ‘langzaam voortgaan’, sim ‘hengelsnoer’; vgl. ook soezen naast suizen, die echter als onomatopoeën gevoeld worden. Daarentegen kenmerkt zich door de anlaut als oude ontlening aan 't Fries vracht (§ 65a); waarschijnlijk niet vliering (§ 41). In samen, seffens, sestig (§ 128) e.a. is de s geassimileerd uit ts; de s van sedert en sinds is uit de sandhi te verklaren.

De þ is, na verzachting tot , tot d geworden en dus samengevallen met de ogm. , die ook d werd. Waarschijnlijk had de verzachting vroeger plaats in de inlaut dan in de anlaut, maar in elk geval heeft de overgang tot d in beide posities vóór ± 1100 zijn beslag gekregen. Een vorm als Amuson (Okb. H.Z. no. 27: a. 949) wijst nog duidelijker dan Amutha (t.a.p. no. 82: a. 1057) op de uitspraak met spirant, maar daartegenover staat Amuda (t.a.p. no. 29: a. 953): alle drie vormen voor Muiden. In scherpe tegenstelling tot het ndl. is in 't hgd. het verschil tussen ogm. þ (= hgd. d) en (d) (= hgd. t) bewaard gebleven. Voorbeelden: got. þagkjan: ndl. denken, hgd. denken; got. þaúrstei: vgl. ndl. dorst, hgd. Durst; got. þiubs: ndl. dief, hgd. Dieb; got. brōþar: ndl. broeder, hgd. Bruder; got. waírþan: ndl. worden, hgd. werden. Maar got. dags: ndl. dag, hgd. Tag; got. dragan: ndl. dragen, hgd. tragen; got. biudan: ndl. bieden, hgd. bieten; got. fadar: ndl. vader, hgd. Vater; got. -rēdan: ndl. raden, hgd. raten.

Een eigen ontwikkeling had de in 't owgm. volgens § 52 ontstane þþ, die overging in s(s); b.v. uit þþj: mnl. smisse (nu smidse onder invloed van smid); wisse (vgl. got. kuna-wida ‘boei’); misschien ook klis (naast klit). Waarschijnlijk op dezelfde wijze uit þþm: ndl. asem (naast adem; de vorm werd begunstigd door wasem); mnl. vessemen (naast vadem); hierbij ook wel: zuidndl. pessem ‘peesachtige wortel van sommige grassoorten’ (naast vla.

[p. 58]

peem uit *pedem); ndl. kossem ‘onderkin’ (naast koor, indien uit *koder). Vgl. ook Pesse (Dr.), ouder Pett(h)e.

Opm. 2. In 't Fries werd anl. þ tot t; daaruit ndl. terp (ablautend met dorp); til ‘planken bruggetje of zoldering’, ook in plaatsnamen als Enuma-til (Gr.) (vgl. ndl. deel ‘plank, dorsvloer’). Vgl. voorts fri. teek: holl. deek, ‘ruige aanspoelsels’ (vgl. § 80 Opm. 1). Vermoedelijk niet hierbij ndl. treeft, dat dan gelijk zou moeten gesteld worden met ndl. drievoet; het is eerder een ontlening van lt. tripes (tripedem). Ook de inlautende þþ werd in 't Fries en in Fries getinte dialekten tot tt; daaruit in 't ndl. betten (naast wvla. bessen, uit *baþjan, naast baden) en zwetten (mnl. swette ‘grensscheiding’; vgl. ofri. sweththe; hiernaast mnl. swade ‘landmaat’).

Geminatie

* 51. Onder geminatie verstaat men ‘het op elkander stoten van twee zelfde medeklinkers, met dien verstande dus, dat de ademdruk bij de eerste ophoudt, waar die bij de tweede begint, zonder dat er een pauze tussen beide intreedt, b.v. valluik, huissleutel, bloeddruk’.

Is er geen vermindering van ademdruk in het midden, dan hoort men een enkele medeklinker van dubbele lengte: i.pl.v. l-l, s-s, d-d (val-luik, enz.) krijgt men een lange l, s, d (valluik, enz.). De grens tussen de twee woorden valt midden in de medeklinker. Van de gegemineerde medeklinker hoort het begin tot de voorafgaande syllabe, het einde tot de volgende. Bij vlug of minder zorgvuldig spreken gaat de lange medeklinker over in een korte (valuik, bloedruk), met nauwe aansluiting.

In de tegenwoordige taal vindt men geminaten in samenstellingen (valluik, enz.); ook bij affectvol spreken wordt een medeklinker gerekt: schat-tig, schrik-kelijk: / t: / , / k: / . In vroegere taalstadia zijn geminaten door dezelfde oorzaken ontstaan, daarenboven (en wel meest) door assimilatie (b.v. mnl. omme < *umbi § 2, got. fulls < *fulna-: vgl. lt. plēnus ‘vol’ § 135 Opm. 1).

Toen in het onl. rekking van korte vocaal in open syllabe plaats greep (§ 32): genōmen (got. nŭmans), bleven in de vormen met geminatie de (dus gedekte) klinkers onverlengd: b.v. mnl. ŏmme, (geflecteerd) vŏlle (got. fullai), wŏlle (got. wulla), bĭdden (got. bidjan), tegenover (hol:) hōlen, bēde. Daarna (vermoed wordt in de 10de eeuw of later) werd de gegemineerde medeklinker een korte medeklinker, met nauwe aansluiting: mnl. wol-lijn b.v. werd nndl. wollen (alleen de oude spelling bleef), nog: volle, bidden.

 

* 52. Oorspronkelijk waren er in 't ogm. slechts weinig geminaten, maar hun aantal is sterk toegenomen, eerst vooral in 't owgm., later in onze taal.



[p. 59]

a. De weinige ogm. geminaten zijn meest door assimilatie ontstaan; zo werden door analeptische assimilatie ln en nw tot ll en nn, door proleptische zl en ðl tot ll. B.v. got. fulls, ndl. vol (§ 135 Opm. 1); got. wulla, ndl. wol (vgl. lt. lāna ‘wol’); got. -fill, ndl. vel; got. alls, ndl. al (§ 135 Opm. 1) (alle -ln); ndl. dun (uit -nw-, vgl. lt. tĕnuis [§ 3b]); got. kinnus, ndl. kin (uit nw, vgl. lt. genuīnus ‘tot de wangen behorend’); got. minniza, mnl. minre (uit nw, vgl. lt. minuĕre ‘verminderen’); ndl. krul (uit *krŭzlă-, naast ū in kruis-bes, kruize-munt, kroes: § 71); ndl. stal (uit *staðlă- bij stað-: got. sta-n-dan; vgl. mnl. stadel (stael) ‘plaats, grondslag van een dijk’, hgd. Stadel ‘schuur’); ndl. ril ‘geul’ [< *riðlō(n)-], ook rel, in ndl. waternamen, b.v. de