[p. 179]

Woordvorming

Zevende hoofdstuk

Woordvorming heeft plaats door samenstelling of afleiding. In het eerste geval worden twee zelfstandige woorden met elkaar verbonden tot een hogere eenheid, in het tweede geval wordt een niet op zich zelf bestaand element verbonden met een zelfstandig woord door voorvoeging. Tussen beide wijzen van woordvorming is geen scherpe scheiding mogelijk; immers een bestanddeel van een samenstelling kan verzwakken tot voor- of achtervoegsel. In het Germaans wordt de verzwakking tot achtervoegsel in sterke mate bevorderd door het begin-accent, en zo ontstaat telkens een nieuwe toevoer van suffixen, te meer welkom, omdat de bestaande suffixen door dezelfde oorzaak meermalen afslijten tot onbruikbaar wordens toe. De gestadige toevoer van steeds nieuwe samenstellingen wordt bevorderd door de vaste woordorde; uit een stereotiepe volgorde van b.v. adjectief en substantief ontwikkelt zich gemakkelijk een nieuw compositum. Op het grote gemak waarmee zodoende ook in onze taal nieuwe samenstellingen kunnen worden gevormd, wees reeds Vondel in zijn Aenleidinge (V 484): .... en middel om noch maghtigh in nieuwe koppelwoorden (waer in onze spraeck niet min geluckigh dan de Griecksche is) aen te winnen....

I. Samenstelling

* 148. Samenstellingen ontstaan uit syntactische verbindingen; ze onderscheiden zich van dergelijke verbindingen, doordat het geheel ten opzichte van de afzonderlijke delen in een of ander opzicht geïsoleerd is. Echter zijn de meeste composita niet door isolering uit een woordgroep ontstaan, maar gevormd naar analogie van eenmaal bestaande typen. De isolering begint in de regel daarmee, dat de betekenis van de verbinding niet meer dezelfde is als die van de afzonderlijke delen, maar heeft vaak tevens betrekking op het accent, op de wijze van verbinding, op de vorm (klankverandering), op de functie of op het niet meer voortbestaan van een der delen als afzonderlijk woord. B.v. hoge-school, zoute-vis; booswicht, vergezicht, groot-vader, Groot-jan, Kort-muller, Nederland, Hoog-kerk, Oudburg; Nie-meijer, wie-rook, arg-list, te-vreden; of-schoon, in-plaats van; weer-wolf, maar-schalk, dee-moed, ee-ga, in de war.

De grens tussen samenstelling en woordgroep is niet altijd scherp

[p. 180]

te trekken; vandaar ook de vaak weifelende schrijfwijze. In 't bijzonder geldt dat van de grote groep van samenkoppelingen, die men als juxtapositie van de eigenlijke compositie kan onderscheiden, in zoverre dat hier de delen van de samenstelling ook nog los naast elkaar kunnen voorkomen; b.v. hoge-schóol, hoge hóed, bij-de-hánd. De isolering betreft hier gewoonlijk de betekenis en 't accent; vaak heerst hier 't finale eenheids-accent (§ 90).

Samenkoppelingen ontstaan naar de syntactische gewoonten van elke periode; later, als die syntactische gewoonten zich wijzigen, worden ze echte samenstellingen, waarbij dan nieuwe woorden naar analogie van de reeds bestaande worden gevormd. B.v. in de tijd, dat een genitief voorafging aan het woord waarbij hij behoorde, kon zo'n verbinding een samenkoppeling worden: got. baúrgswaddjus. Op dezelfde wijze ontwikkelden zich in 't mnl., waar de plaatsing van een genitief tussen artikel of pronomen en substantief nog mogelijk was, daaruit samenkoppelingen; b.v. die coninx crone > die coninxcrone, die lants here > die lantshere; als protype van godsdienst vindt men nog bij Van Maerlant (Vanden lande van Oversee, 46): Daer is Gods dienste ghescoert. Later, toen de volgorde genitief + regerend woord niet meer in de levende taal voorkwam, werden zulke woorden echte samenstellingen, evenals de naar analogie daarvan ontstane, waar de s oorspronkelijk niet thuis hoorde (vgl. § 150); b.v. regerings-maatregelen, stads-muur.

Een soortgelijke ontwikkeling vindt men bij de werkwoorden; oorspronkelijk bestond een woordorde, waarbij 't adverbium aan 't verbum voorafging. Daaruit ontwikkelden zich in 't got. (ogm.) de samengestelde werkwoorden, waarbij die met af-, miþ enz. evengoed onscheidbaar zijn als die met bi-, us- enz.; b.v. af-máit (imperat. sg. 2: Mc. 9:43); de klemtoon rustte op het verbum (§ 88). Alleen was het mogelijk tussen adverbium en verbum een encliticum in te schuiven, dat zich bij 't adverbium aansloot, waardoor dit dan waarschijnlijk de bijtoon kreeg; b.v. got. mìþ ni qám (Joh. 6:22). Eerst in een jongere periode ontstonden naast deze werkwoorden de samenkoppelingen met de klemtoon op 't eerste lid, b.v. ná-doen, thúis-laten; zie § 88.

Deze, de scheidbaar samengestelde werkwoorden, zijn zgn. distantie-composita, d.w.z. de delen ervan kunnen door andere woorden van elkaar gescheiden worden; als zodanig staan ze tegenover de contact-composita. Ook buiten de w.w. treft men ze aan; b.v. wat-voor-een (wat is dat voor een weer); al.... ook; mnl. en....niet; fra. ne....pas. Vaak verandert in de loop van de tijd een distantiecompositum in een contactcompositum, doordat het gevoel voor het bijeenbehoren van de delen sterker wordt; b.v. elkaar (nog in de 16de eeuw sy saghen elck op

[p. 181]

anders aensicht), mekaar (mnl. manlijc .... ander); ofschóon (in de 17de eeuw en nog dialectisch afzonderlijk het voegwoord of en het bijwoord schoon); vanaf, tegenover, vanwege tegenover mnl. te .... waert (b.v. te Spaengien wert: Roelandsl. vs. 767): eng. towards. Vgl. ook fr. j'aimerai (amare habeo).

Doordat de grens tussen samenstelling en groep van woorden vaak niet scherp te trekken is, kunnen verbindingen die nog geen samenstellingen zijn, toch wel tot grondslag voor afleidingen dienen: zgn. samenstellende afleiding, die vooral in de tegenwoordige taal veel voorkomt; b.v. mnl. hierlantsc, vriwillich; ndl. dubbelhartig, vrijgevig, tweedehands, trommelslager, onderzeeër, inbeslagneming, onderonsje. Door ‘Rückbildung’ konden bij zulke woorden samenstellingen ontstaan; b.v. driehoek, almacht, weemoed, eenvoud, veelvoud, eerbied (znw.), die jonger zijn dan driehōekig enz. (veelvoud: de oudste vindplaats is van 1793, veelvoudig: Plantijn 1573).

Een merkwaardige groep van samenstellende afleidingen vormen die woorden, welke in 't os. met het achtervoegsel -ōdi ‘voorzien van’ gevormd werden en waarvan resten in onze taal bewaard zijn. Zij doen zich bij ons voor als adjectieven op -(e)de (na apocope -t), b.v. mnl. (owvla.) driehoekede, buulruggede ‘gebocheld’, oudnndl. rootschilde ‘roodgeschubd’, driebochelde, krombient; ndl. geel- en goud-pelde ‘met gele, resp. goudachtige vlekken’, blauwoogde e.a. Het zijn in de eerste plaats vormen, die in de kustdialecten thuis horen; zo wvla. bruinvelde, kromrugde, vierbeende; drechterlands tweibiend ‘tweebenig’, ienoorde en tweioorde ‘een, resp. twee oren hebbende’. Bij Bredero vindt men bovengenoemd rootschilde, driebochelde, krombient; bij hem en anderen: weersoord-ig ‘dwars, gemelijk’ (= met een wars oor, afwijzend). In de ode aan Linschoten door Taemsz uit Hoorn komen voor: grijshaerde, blaeuverfde, en, niet samengesteld, sternde. Ook het Gronings kent ze: twijbaind, ainoogd e.a. In streken als Holland ten noorden van het IJ, waar men 't participium zonder ge- (§ 136) kent, zijn ze, vooral als ze niet samengesteld zijn, niet of moeilijk van participia praeteriti te onderscheiden; zo b.v. noordholl. kleurde (vgl. een kaneelkleurd jasje: Cam. obsc.), suikerde, naast karnde(melk); in Den Haag zijn platboomde en driewielde(wagen) de enig bekende vormen van dit type. De d is aan de voorafgaande n geassimileerd in komijne(kaas), ouder komijnde; oudnndl. gekomijnde is hypercorrect. Overigens kan men in 't algemeen zeggen, dat het hier besproken type het heeft moeten afleggen tegen het jongere type breedgeschouderd (§ 136) en tweebenig.

Opm. 1. In mnl. viervoete e. dgl., waar de stam op dentaal uitgaat, is het moeilijk te zien, of hier een ja- suffix dan wel het bovengenoemde -de ten grondslag ligt.
Opm. 2. Vgl. voor de samenstellende afleidingen op -ig § 89, voor w.w. als plukharen § 161.


[p. 182]

* 149. Het is mogelijk, dat composita weer tot simplicia worden. Dit gebeurt door afslijting, indien het gevoel voor de betekenis van de afzonderlijke delen verloren gaat; men krijgt dan zgn. verholen samenstellingen. B.v. mnl. vuylst ‘hulp’ uit vol-leest (*full-laisti-); oudnndl. schoester uit mnl. scoe-sutter (uit lt. sutor ‘schoenmaker’; vgl. hgd. Schuster); ndl. adel-aar en sperw-er, jonker, juffer, schout (mnl. scoutet, vgl. hgd. Schult-heiss naast Schulze: § 60), laars (*lederhose), elf, twaalf (§ 128), honderd en duizend (§ 129), effer (: avegaar) en elger (: aalgeer: § 65), vent (: venoot < *veem-noot), bakkes, lei(d)sel, lerp (leder + reep) ‘zweep’, wereld (hgd. Welt; vgl. got. waír en alds ‘leeftijd’), wingerd, bongerd, wimper (: wenkbrauw: wenk- volksetymologisch; oorspr. wind- bij winden), wortel (§ 185 Opm. 2), mes (uit *mati, bewaard in met-worst, te vergelijken met got. mats ‘spijs’, + sahs ‘mes’; vgl. hgd. Messer), oom (vgl. hgd. O-heim, met onzekere etymologie), enter en twenter ‘dier dat één, resp. twee jaar oud is’ (*een-, *twee-winter), verrel (mnl. verndel: vierendeel, hgd. Viertel), zeldzaam (§ 162), echt (uit owgm. ē-haft) (§ 184), (n)iet(s) (uit (n)io-wiht: § 123), misschien. immer (*ie-mēr); ook zeer talrijke namen (Wouter, Dirk enz.). Vgl. hgd. Adler, Jungfer, Kiefer (Kien + föhre) e.a.

Voorts ontstaan simplicia uit composita door ‘verdichting van betekenis’ (Wundt); aanvankelijk blijkt de betekenis voldoende uit de situatie, later wordt de korte vorm de gewone. Naast de vele bekende voorbeelden uit nieuwe tijd (kaartje, boord, bankje enz.) behoren hiertoe uit oudere tijd o.a. bes(t)je, min(ne), baker (alle drie uit -moe(de)r), baai(tabak), loods (mnl. lootsman), snor(baard), zorg(stoel), misschien kapel ‘vlinder’ (mnl. capellen-vogel), vermoedelijk ook tor (Kil. tor-wevel ‘mest-kever’); uit het hgd. kachel(oven) (bij Kiliaan in vernederlandste vorm: kaeckel-oven). Daarentegen heeft men in woorden als schimmel (Kil. schimmel-peerd) eerder met oude vormen, die soms later verlengd zijn, te doen; vgl. herte-beest e.a. (§ 154).

In composita, die uit een samenstelling + een ander woord zijn ontstaan, wordt meermalen het tweede deel van 't eerste lid onderdrukt, c. quo wordt de kortere samenstelling gevormd, zonder dat de logisch te verwachten verbinding ooit gezegd behoeft te zijn; b.v. boots(mans)-maat, hulp(onderwijzers)-acte, stieren(houders)-vereniging, atoom(bom)-be-scherming en dg., bastaard[woord(en)] woordenboek; fri. snjeon ‘zaterdag’, d.i. sinne-joun, = hgd. Sonn(tag)-abend (eig. = de avond vóór de zondag); eng. news(paper)-boy; vgl. ook bisdom (mnl. ook nog bisschop-doem met zwakbetoonde tweede syllabe). Desgelijks in plaatsnamen, b.v. Oes(t)geest uit Osgeres-gest (§ 29c). Hetzelfde gebeurt ook met andere onderdelen, b.v. Utrecht < Ute-trecht, mnl. heilegeest < heilige-geest, lievrouwe < lieve vrouwe (men spreekt in al zulke gevallen van haplologie). Omgekeerd

[p. 183]

kan ook het eerste lid weggelaten worden: isme, pl. heiden (bij Potgieter). Hiermee staan we voor ‘woordwording van affixen’: een prae hebben (lt. prae: vooraan, voorrang), hij is stapel(gek). Daarentegen bevat het recente schap ‘publiekrechtelijk orgaan met verordenende bevoegdheden’ de verlevendiging van een zelfstandige term schap, als tweede lid in de samenstelling waterschap (houtschap, jacht-, weg-, haven-, strandschap) te vinden.

Samenstellingen met een substantief als tweede lid

* * 150. De composita met een substantief als tweede lid hadden in 't ogm. vaak een ander buigingstype dan het grondwoord. Deze vorming is zeer oud blijkens de overeenstemming met 't Latijn, zoals het 't duidelijkst bij de -stammen in 't oog springt; vgl. b.v. lt. nox: aequi-noctium, verbum: ad-verbium, annus: bi-ennium, en daarnaast got. nahts: anda-nahti, waúrd: anda-waúrdi, aþn: at-aþni.

Het eerste lid van samengestelde substantieven kan zelf ook een substantief zijn. Naar de vorm onderscheidt men dan verschillende typen:

 

a. Stamcomposita. Oorspronkelijk was zo'n eerste lid de nominale stam. Dit is een zeer oud type, dat ontstaan moet zijn, toen zo'n vorm nog geen ‘stam’, maar het woord zelf of een bepaalde woordvorm was. In het ogm. vindt men nog zeer duidelijke voorbeelden, b.v. got. hunda-faþs, mati-balgs, fōtu-baúrd, sigis-láun. Maar reeds daar breidt een bepaalde vocaal, de a, zich uit over stammen waar hij oorspronkelijk niet thuishoort; m.a.w. de a wordt van stam- tot verbindingsvocaal; b.v. got. aírþa-kunds (ō-st.), guma-kunds (n-st.). Doordat men de betekenis van de stamvocaal niet meer voelde, kwamen daarnaast reeds vormen zonder stamvocaal op, vooral bij de ă-stammen; b.v. got. wein-drugkja naast weina-basi, gud-hūs naast guda-faúrhts.

 

b. Casuscomposita. Naast de stamcomposita komen casuscomposita op; reeds in 't got. vindt men de genitiefvorm op -s: baúrgswaddjus. In 't owgm. bestaan beide typen nog, maar ze zijn al minder duidelijk te onderscheiden tengevolge van de apocope- en syncopewetten en de verzwakking van de auslaut. De Oudgentse bronnen leveren een verward beeld, waaruit moeilijk conclusies zijn te trekken.

In 't ndl. nam, mede als gevolg van de verzwakking van de auslaut, het aantal composita met een eerste lid zonder uitgang sterk toe; in die mate, dat ze thans de meest gebruikelijke zijn. Het gevoel voor de genitief, die, behalve op -s, ook op -e en op -en kon uitgaan (enkelv. en meerv., st. en zw. verbuiging), ging verloren, toen de volgorde genitief + regens in

[p. 184]

onbruik raakte. Naast een meervoudsuitgang -e(n) kwam in bepaalde groepen -er voor. Het gevolg van deze verschillende factoren was, dat tal van analogieformaties nu eens naar de ene, dan weer naar de andere groep ontstonden (onverbogen vorm, verbindings-e of -s, soms -er), zonder dat de functie van het eerste lid (enkel- of meervoud, naamvalsverhouding, genus) daarop van invloed was. Veelal gaven welluidendheid en ritme de doorslag; ook heeft men met dialectische en individuele verschillen rekening te houden; zo is op Frankisch gebied -en vrij ongebruikelijk, op Saksisch gebied daarentegen niet; de sterke toeneming van de vormen met de verbindingsklank s houdt misschien met hgd. invloed verband.

Wat het mnl. betreft, daar treft men composita met een eerste lid zonder uitgang ondanks pluralisbetekenis, b.v. duuf-huus, dief-hanger, wolf-jager, hont-voeder ‘opzichter van jachthonden’. Naast elkaar vindt men er b.v. dage-, maar vaker dach- in b.v. dageloon / dach-loon, dage-raet / dach-raet; ganse- naast gans- in b.v. ganse-cule, ganse-recht naast gans-bradere, gans-ei het is moeilijk uit te maken, in hoeverre in de consonantisch auslautende vormen soms nog de oude stamcomposita voortleven. Zwakke genitieven zijn bewaard in b.v. mnl. vrouwen-persone naast vrou-persone, nu vrouws-persoon naar manspersoon; sonnen-dach en manen-dach (naast sondach en maen-dach, misschien uit de eerstgenoemde ontstaan). De verbindings -s komt in het mnl. soms reeds bij vrouwelijke woorden voor, b.v. leits-man naast lei(de)man (bij leide vr. [in de betekenis ‘weg’]), scheides-man (bij scheide ‘beslechting van een geschil’ vr.), segs-man (bij segge vr.), taels-man naast tael-man (bij tale vr.); nu behoren de eerste leden van leids-man, scheids-rechter, zegs-man voor 't taalgevoel bij de werkwoorden leiden, scheiden, zeggen.

 

Meermalen verandert het type in de loop van de tijd; vgl. b.v. mnl. honger-noot, hont-dage, calf-vel, coninc-crone met ndl. hongers-nood, honds-dagen, kalfs-vel, konings-kroon. Daarentegen vindt men de s niet meer in paarde-huid (mnl. ook perts-huut), leeuwe-huid (bij Vondel ook leeushuit), Donder-dag (mnl. ook donres-dach). Dodonaeus geeft op peerdtsbloemen, Kiliaan kent peerdbloeme, bij ons luidt het woord paardebloem. Etenslust (Dodonaeus) is thans ongewoon voor eetlust, maar etenstijd, -uur zijn nog in gebruik. Een zekere voorkeur schijnt te bestaan voor de s in composita, waarvan het eerste lid zelf een samenstelling is, b.v. zevenmijls-laarzen: mijl-paal, zevenmaands-kind: maand-geld; pannekoeks-pan: koeke-pan. De n blijft meermalen vóór h, b.v. ‘s Graven-hage, herenhuis, waarnaast echter in Holland ook here-huis (hoewel zwak znw.) (evenals brillehuis, vossehol; penne-houder naast penhouder). Vgl. verder voor het nndl. schaapherder (waarin schaap een oude pluralisvorm kan zijn: vgl. § 103): schaaps-kooi:

[p. 185]

schape-stal (maar koe-stal); raads-heer: raad-huis; kippe-ei: hoender-ei; kievits-ei; rund-vee (waarnaast ouder ook rundervee): rund-vlees (en soms runder-vlees, zuidelijk ndl. ook runds-vlees): runder-haas (vgl. kalfsvlees, schape-vlees), vgl. ook rund-vet naast runder-vet; Vondels-park, nu Vondel-park; rijste-brij naast rijsten-brij (n als m gesproken vóór b); boek-wurm (vgl. eng. bookworm en ook oudnndl. boekwolf, boekzwelger): in jongere tijd meest boeke-wurm; (vgl. ook hgd. Bücherwurm); kinder-meisje: kinder-stoel: (van) kindsbeen; eier-schaal: eier-dopje en ei-dopje. Met differentiëring van betekenis: land- man: lands-man; stad(s)-húis: stáds-huis; water-nood: waters-nood. Voorts b.v. lievelings-boek, tweelings-broeder, smidsbaas (naar smids-knecht), varensman (uit varents-man uit varend man, naar bootsgezel).

In woorden als mnl. en oudnndl. ( Kiliaan) bercken-, eicken-, linden-boom kan men aan invloed van de stoffelijke bvnw. op -en (§ 185) denken. Samenstellingen met znw., welke op -s, -e, -er uitgingen (b.v. loods-, gids-, beurs-; horloge-, groente-; broeder-, visser-) kunnen het gebruik van vormen op -s, -e, -er bevorderd hebben, terwijl de vormen op -e bovendien konden toenemen onder invloed van samenkoppelingen met een adjectief op -e als eerste lid (b.v. hoge-school, platte-land, dolle-man).

 

* 151. Samenstellingen met een znw. als tweede, maar een adjectief als eerste lid vindt men reeds in 't got., b.v. midjun-gards ‘wereld’. In het ndl. kan het bvnw. zowel in verbogen als onverbogen vorm staan, zoals voor de hand ligt (vgl. § 125). De verbogen vorm vindt men in b.v. mnl. beste-moeder, blinde-man, quicke-noot ‘vee’ (eig. = levende have), soete-lief, vroede-vrouwe (nu vroed-vrouw), wilde-man, ndl. wilde-bras, wittebrood (mnl. wit-broot); veel in eigennamen, b.v. Bonte-koe, Goede-waagen, Groene-boom, Korte-weg. Voorbeelden van de onverbogen vorm zijn mnl. blau-bloeme ‘korenbloem’, ga-doot ‘plotselinge dood, pest’, groot-meester, hooch-altaer, jonc-frouwe, jonc-man, cort-wile, nieu-mare, wijs-man (naast wise-man), ndl. blauw-bes, edel-man, hoog-leraar, Rooms-koning. Ook in eigennamen als Nieuw-markt, Nij-kerk, Hoog-kerk, Oud-burg (vgl. daarnaast Oude-water, Ouden-dijk, Ouds hoorn). Ten dele zijn zulke vormingen navolgingen van het Frans, b.v. groot-vader, schoon-zoon; andere, vooral jongere, zijn onder Duitse invloed ontstaan, b.v. groot-handel, ideaal-toestand, privaat-les.

Opm. 1. Zie verder § 157 voor de oude groep van de possessieve composita (type wit-kiel). Een datiefvorm treft men aan in woorden als Nieuwer-sluis, midder-nacht; zie daarvoor § 125.
Opm. 2. Ook adverbia kunnen als eerste lid voorkomen, oorspronkelijk vóór nomina actionis, dan ook vóór andere substantieven; b.v. voor-rang, mede-burger (met de vorm van 't adverbium; tegenover met-gezel), na-zomer.


[p. 186]

* 152. Voorts kan het eerste lid een verbale stam zijn; zelfs is dit type in onze taal zeer produktief: het eerste lid kan dan zowel actief als passief zijn; vgl. b.v. was-vrouw, werk-man tegenover vul-pen, hak-hout. In 't ogm. (got.) kwamen ze nog zo goed als niet voor; wel zulke, waarin 't eerste lid een nomen actionis was. Daar de vorm van het nomen actionis vaak samenviel met de stam van 't werkwoord, kon het als zodanig worden opgevat, en zo werden naar analogie van woorden als roof-vogel, rust-bed, slaap-kamer, dans-lust, reis-vaardig nieuwe composita met de stam van 't w.w. gevormd. Wanneer het nomen actionis in stamvocaal verschilde van de praesensstam van 't w.w., bestond de neiging tot gelijkmaking aan de werkwoordelijke stam; vgl. b.v. mnl. wage-scale: ndl. weeg-schaal, mnl. stege-reep: ndl. stijg-beugel; vgl. ook mnl. lijf-tocht naast leef-tocht.

Het eerste lid kan in 't ndl. eenvoudig de stam van 't werkwoord zijn, maar daarnaast is een verbindingsvocaal -e- mogelijk, hoewel niet veelvuldig voorkomend in de jongere taal; b.v. huile-balk, jokkebrok, lache-bek, krabbe-kat, vage-vuur, dwinge-land; ook in glij-baan, krui-wagen, lei-band (§ 36). Het al of niet gebruiken van de e hangt niet samen met de aard van 't w.w. in 't ogm., maar schijnt afhankelijk van verschillende factoren als invloed van de volgende consonant, ritme e.dgl.

In 't mnl. is bij een aantal woorden de verbindingsvocaal e, die gevaar liep te verdwijnen, bij wijze van reactie verzwaard tot el. Het uitgangspunt vormden daarbij de vele werkwoordelijke stammen (en een enkele keer de bvnw.), die op -el uitgingen; dus b.v. mnl. boossel-bane ‘kegelbaan’ (bij boosselen), dukel-dam ‘lage dam’ (bij dukelen), en - met een adjectief - oudnndl. vergetel-nat (-vliet) ( Vondel 3, 207; 252). Typerend zijn gevallen als mnl. bedel-dach, (misschien) ersel-maent ‘oktober’, beide met een werkwoordelijke stam gevormd, en middel-tijt, met een bvnw. als eerste lid; typerend inzoverre dat bij de analogievormingen de composita met woorden als -dag, -jaar, -tijd opvallend talrijk zijn. Voorbeelden met een werkwoordelijke stam als eerste lid, zijn: mnl. scrickel-jaer en, synoniem hiermee, lopel-jaer en scoudel-jaer (vgl. eng. leap-year, hgd. Schaltjahr), sittel- en werkel-dach, scorsel- en scortel-woensdach, woedel-maendach ‘Koppermaandag’ (bij woeden), proevel-jaer; voorts b.v. drogel-doec, cnoppel-doec, drinkel-bier, strooyel-gelt, ontseggel-brief ‘dreigbrief’. Een overgang tot een substantief als eerste lid vormt mnl. rustel-dach; naar 't voorbeeld van dergelijke woorden ontstonden mnl. asscel-dach, crucel-dach, sidel-muer, en, met dissimilatie van n tot l, vastel-avont; voorts nndl. schortel-doek. Invloed van middel- kan men aannemen in endel- (mnl. endel-darm, -vers e.a.). Dialectisch komt de vorming nog veelvuldig voor, b.v. drechterlands skaidel-vet, overijsels Woensel-dag, gron. lopel-dag, slachtel-baist, waskel-dag, twents waskel-dōk, evenzeer op 't gehele ndd. taalgebied. In sommige

[p. 187]

gevallen zal de verzwaring van de e bevorderd zijn door de neiging om te voorkomen, dat te veel consonanten samenstieten bij wegval van de e; b.v. werkeldag in plaats van (en naast) werkdach.

De verhouding in betekenis tussen de beide delen.

* 153. De nominale composita zijn in hoofdzaak determinatieve composita, d.w.z. het tweede lid wordt door het eerste op de een of andere wijze nader bepaald. Daarbij kan in ieder afzonderlijk geval de verhouding niet altijd scherp omschreven worden, en juist die vaagheid is het eigenaardige van de samenstelling: we hebben voor ons gevoel niet nodig, de verhouding scherp te analyseren en geven daarom aan het compositum in zo'n geval de voorkeur boven de aanduiding met preciezere middelen als voorzetsels (b.v. koningskroon = ‘kroon van of voor een koning’ enz.).

 

* 154. Een overgang tot de gecoördineerde composita vormen de appositionele composita, waarvan beide leden eenzelfde persoon of zaak aanduiden, maar waarvan het eerste lid de appositie, het tweede lid het soortaanduidende woord is. In verschillende van deze gevallen wordt de samenstelling bevorderd, doordat het simplex een homoniem heeft, c.q. onbegrijpelijk is (b.v. dam, muil, wal, wind; ren, tortel); het simplex heeft dan de neiging buiten gebruik te raken. Voorbeelden zijn: got. þiu-magus; mnl. man-persone, vrouwen-persone, coe-beest, eent-vogel, lint-worm ‘draak’, struys-voghel; ndl. dam-hert, herte-beest, muil-dier, ren-dier, tortel-duif, wal-vis, wind-hond, burger-man, vrouw-mens, weduw-vrouw, wees-kind, vlier-struik; toponiemen als Mij-drecht (Mije naam van een water), Rijn-stroom, Gelder-land, Grieken-land. Bekend zijn ook de aldus gevormde persoonsnamen, samengesteld uit een eigennaam en een verwantschapsnaam of een daarmee op één lijn gesteld substantief, b.v. Dirk-zwager, Jan-baas, Kees-om (< oom). In de oudere taal en nog vooral in dialect bestonden en bestaan ze als samenkoppelingen, waarbij het tweede lid een vriendelijk accent aan 't geheel geeft, b.v. Janneman, Janmaat, Pieterbaas, Marijke-meu, en in de literatuur Thomasvaer, Thijsbuur; bij Bredero e.a. vindt men Jan-neef, Truitje-nicht e.a.; mnl. reeds Jan Neve e.a.

 

* 155. Daarnaast bestaan copulatieve samenstellingen, waarbij het geheel aanduidt, dat een persoon of zaak zowel het een als het ander is; daarbij zal voor het taalgevoel het ene deel wel eens ondergeschikt zijn aan het ander, zoals dan ook uit het accent blijkt. Wij treffen zowel ontleende als niet ontleende voorbeelden aan. Van het laatste zijn de oudste - maar nauwelijks meer als zodanig gevoelde - voorbeelden de telwoorden dertien

[p. 188]

tot negentien. Andere gevallen zijn: god-mens en moeder-maagd (beide naar 't Grieks); koningin-moeder, rechter-commissaris, meesterknecht (alle drie naar 't Frans), prins-gemaal (naar 't Engels); mnl. weer-wolf; ndl. here-boer (naast heer-boer), meid-huishoudster.

 

156. Naast de appositionele en de copulatieve samenstellingen staan de tautologische, waarin beide leden dezelfde betekenis hebben. Zo reeds got. mari-saiws. Vgl. verder mnl. lier-wange; bij Vondel (VII 82) broeck-moerasch; ndl. mee-krap (mnl. mede en crappe; ook crap-mede), heir-leger, nood-druft, in diefstal is de tautologie in het hgd. ontstaan (waaruit ontleend). Hiertoe behoort ook het tegenwoordig niet meer als zodanig gevoelde kers-vers, oudnndl. kars inne vars (Warenar vs. 819). Andere voorbeelden betreffen de samenvoeging van een Frans woord met zijn vertaling, b.v. fret-boor, rooi-lijn, toer-beurt.

 

* 157. Een zeer oude groep vormen de possessieve composita, ook wel met een term uit de sanskriet-grammatica bahuvrîhi genaamd (bahuvrîhi eig. ‘veel rijst’, dan = ‘veel rijst hebbend’, d.w.z. ‘rijk’). Zij duiden het bezit van het door de samenstelling uitgedrukte aan; naar de vorm samenstellingen (samenkoppelingen), beantwoorden zij naar hun betekenis meer aan wat wij tegenwoordig meestal door een samenstellende afleiding uitdrukken. B.v. lt. miseri-cors ‘medelijdend’, capri-cornus ‘steenbok’ (gesternte), oorspr. ‘met bokshoorns’; got. twalib-wintrus (beide adjectieven). De discrepantie tussen het substantivisch karakter van het tweede deel en de adjectivische verbuiging maakte, dat men neiging had, er een adjectivisch suffix achter te voegen; vgl. b.v. got. háuh-haírts: ndl. hooghart-ig. Of ook, het tweede deel verzwakte tot een suffix, doordat men er niet meer het substantief in voelde: got. -leiks, ndl. -lijk (§ 164). In got. háuh-haírts, armahaírts ‘barmhartig’, waíra-leiks ‘mannelijk’ is de -s immers een suffix ter vorming van adjectieven; dgl. formele middelen vinden we voorts nog in n-, ja- en jan-stammen (§ 175): got. uswena ‘hopeloos’, ohd. filo-liohto ‘zeer helder’, diomuoti ‘deelmoedig’, elilenti ‘in een ander land zijnd’ (vgl. ook § 148). Weer een andere mogelijkheid was, dat de adjectieven tot substantieven werden, en dit type is bij ons produktief geworden, b.v. ndl. wit-kiel, drie-voet, negen-oog (niet onzijdig).

In onze taal komen ze veelal voor in schertsend of spottend gebruik ter aanduiding van personen (b.v. kaal-kop, dik-buik), maar ook met vriendelijke gevoelswaarde (b.v. blauw-oog). Dezelfde dubbele gevoelswaarde vindt men terug in de eigennamen. Tegenover gunstig bedoelde namen als Hilde-brand, Koen-raad staan min of meer spottende bijnamen, die men

[p. 189]

van de oudste tijden af tot op heden in de volkstaal aantreft; b.v. owvla. Griele Quadenuese, Hannin Groothoefde, Willem Langhebene; bij 17de-eeuwse blijspelschrijvers ( Bredero e.a.) sottebol, botmuyl, Lampoot, Bouwen Langlijf, in Querido's Jordaan Matje Scheef-duim, Riet kop-zonder-kies. Vandaar ook familienamen als Kort-hals (reeds mnl. vlaming cortals), Hoog-hart, Kroes-kop. Vgl. nog diernamen als Cort-steert (de haas: Vondel I 673).

 

* 158. Hiermee verwant zijn de zinwoorden, die voor een groot deel in hetzelfde milieu thuisbehoren als de bovengenoemde schertsend of spottend bedoelde bijnamen. Het zijn meermalen imperatieve samenstellingen, zoals duidelijk blijkt uit familienamen als Stavast, Zijtregtop, mnl. Slachdiewolle (Grafelijkheidsrekeningen Holland en Zeeland; vgl. voor de imperatief slach § 143). Andere hebben het verbum in de 1e sg. praes.; bewijzend daarvoor is b.v. mhd. Niclos ich ach czin nicht = Niclos Achczinnicht (d.w.z. ‘ich achte seiner nicht’) (a. 1393). Ook in de vorm van relatieve zinnen kwamen dergelijke bijnamen voor, b.v. mhd. Lenhart, der am slage hudt (= hütet), en talrijke benamingen zou men op dergelijke wijze kunnen omschrijven (b.v. hancdief = hij, die de dief hangt). Verder zijn er onder, die door volksetymologie van vorm of betekenis veranderd zijn. Zo kan Stortenbeker oorspronkelijk iemand aanduiden, die aan een stortbeek woont; of ook een scheldnaam zijn voor een kerkdief, die bekers en kelken steelt en ze kapot in de smeltkroes werpt, tot de naam tenslotte wordt opgevat als ‘sterke drinker’ of, om het met Ter Laan te zeggen: hai haitte nou noa zien grode beker, dij e in ainmoal leegdrinken kon, en din anderste boven op toavel zette.

 

De vormingen komen dus niet alleen in 't ndl., maar evenzeer in 't hgd. voor - waar volgens Schröder ze volstrekt niet in alle streken even geliefd waren - en in 't eng.; vgl. b.v. hgd. Bleibtreu, Habenichts, Hassenpflug, Haueisen; eng. Gotobed, Gathergood en Scattergood (vgl. voor deze drie de ndl. vbb. hieronder), Shakespeare (= hgd. Schüttespeer), en als appellatief b.v. pick-pocket.

 

Wat de verhouding van het eerste tot het tweede lid betreft, onderscheiden wij twee soorten:

 

a. die met het tweede lid als object: mnl. dwingelant, gadergoet en de tegenstelling quistegoet; in de grafelijkheidsrekeningen van Holland en Zeeland Droghebeker, Houwescilt, Scandeviand; owvla. Jorijs Gaderpenninc; owvla. Gilebertus Terebrot ‘verkwister van brood’; oudgron. Johannes dictus Pluckerose [Okb. Gr. Dr. no. 167 (a. 1284)]; oudnndl. schuddebol, muegheveel, schentekueken, teuterkwaad, als familienaam Legtse te bedth

[p. 190]

(a. 1614); ndl. brekespel (vroeger en nog zuidndl. breekspel), waaghals, stokebrand, spilpenning; noordholl. veegtebalie ‘potig wijf’, meugebet; wvla. sleept-de-falie ‘trouweloze vrouw’. Ook familienamen als Garegoed, Quistecorn, Schimmelpenninck.

 

b. die met het tweede lid in andere dan objectverhouding: mnl. Blijfhier, Spring int goed (beide in de grafelijkheidsreken.), owvla. Janne Stec in die Zee; ndl. kijk-in-de-pot, spring-in-'t veld, sta-in-de-weg, wip-van-'t stoeltje; schreeuwlelijk; en zonder bepaling haal-in ‘inhalig persoon’, haal-over ‘twistzieke vrouw’, slok-op, flap-uit.

Ook familienamen als Smijtegelt, Weetniet, Kreukniet, Kijk in de Vecht, Kom-te-bed.

Ook zijn, en vooral waren, er schrijvers, die hun personen graag dergelijke benamingen gaven: Quistgoed, Kwistgoed in de 17de en 18de eeuw ( Langendijk e.a.), Preekgraag als naam van een predikant (Oosterwijk Bruyn), Roelof-Sla-der-op en Joost Steek-maar-toe als namen van soldaten (V. Lennep, Pleegzoon). In Querido's Jordaan ontmoet men Madame Roer-me-nie en Raak-me-nie. S. Kloosterman noemt in haar Friese roman ‘ It Jubeljier’ (1927) onder ‘it âldermalste gespûs fen Ljouwert’ in de Franse tijd een zekere Kaeije Klapdermarop.

Bedoelde samenstellingen komen echter niet uitsluitend ter aanduiding van personen voor: vgl. oudnndl. ruimstraat ‘ruim de straat’, d.w.z. een gebod om de straat te ruimen; schuddebeurs als oude naam voor herbergen, nog als plaatsnaam en ook als familienaam bewaard; ndl. (kruidje-)-roer-mij-niet (Kil. kruydeken roert my niet; en, met andere betekenis, kruydeken loopt my nae), vergeet-mij-niet; wvla. Onze-Lieve-Vrouw-Schud-de-panne (Roer-de-panne) ‘feestdag van O.L.V. Lichtmis’. Zonder bepaling: hang-op, klim-op. Behalve 't reeds genoemde Schuddebeurs komen nog andere als plaatsnamen voor, b.v. Kijkduin, Kijkover, Kijkuit, Pasop, Valom: alle echte, oorspronkelijk meest schertsende of spottende volksbenamingen.

Opm. Behalve de hier genoemde zinwoorden, die van de oudste tijden af in de volkstaal thuis behoren, zijn er ook, die in de letterkunde, veelal onder klassieke invloed, min of meer kunstmatig gevormd zijn, b.v. die met hate- en lieve- (b.v. bij Spieghel hate-dronkaard en lieve-kunst; maar ook reeds mnl. hate-buer). Andere berusten op navolging van fra. composita, b.v. doe-niet (: fainéant), waarnaar dan weer deug-niet gevormd kan zijn.

De hier besproken composita hebben invloed ondervonden van en ook uitgeoefend op een andere groep, waarbij het laatste lid identiek schijnt met de stam van een werkwoord, terwijl het eerste lid in de regel het object hierbij is en waarmee zij gewoonlijk in ongunstige gevoelswaarde

[p. 191]

overeenkwamen. Aardig komen beide typen naast elkaar voor in het mhd. gedicht Meyer Helmbrecht als namen van rovers: Lembir-slint, Slick-en-wider (‘Schluck den Widder’), Küe-frâz.

In de oudere taal gering in aantal, komen zij vooral voor met al- als eerste lid; vgl. mnl. al-bedrijf, Kil. al-bedille, al-beschick, al-bewind naast ndl. bedil-al, weet-al, durf-al, mnl. Coop-al (familienaam te Brugge). Andere voorbeelden zijn: owvla. Jan Couke-bac, Kil. bijsitte ‘concubina’, oudnndl. bij-slaap (vooral gezegd van vrouwen) tegenover slaep-bije ( Vondel), lichte-schoy ‘zij die lichtzinnig schooit, zwerft’ (Vondel I 319); ndl. zoetekauw (Soetekauw: Starter); misschien ook mnl. huus-sitten (pl.) ‘huiszittende armen’ (uit huus-gesitten?). De oorsprong van deze samenstellingen zijn de ogm. zwakke nomina agentis, waarvan in 't ndl. resten aanwezig zijn (§ 107 en § 175); vgl. ook simplicia als een zeur, teut, zanik, schrok. Bij deze woorden sloten zich andere aan als nacht- (schild-)-wacht, huis-plaag, die oorspronkelijk nomina actionis waren, en woorden als beeldjes-(olie-)koop, scharesliep, die op de straatkreet van de koopman berusten.

 

Men kan zeggen, dat de jongere tijd in plaats van aan beide soorten de voorkeur geeft aan afleidingen op -er; b.v. spelbreker (: brekespel), piskijker (: mnl. kijcpisse), schareslijper (: scharesliep), koekebakker (: owvla. Coukebac); vgl. ook de Amerikaanse naam Eisenhower met bovengenoemd hgd. Haueisen.

 

* 159. Het eerste lid van een compositum dient soms alleen nog ter versterking: hondeweer, hondebaantje (= zeer slecht), mnl. haghe (oorspronkelijk = van buiten af) in hagemunt, Kiliaan haeghclerck, haeghpape, haegh-cole (dus pejoratief), vgl. nog puikdichter, puikschilder, puikjuweel, bij Vondel puicksteen (dus melioratief; mnl. puuc ‘laken van de beste soort’); reeds ohd. magansūl ‘grote pijler’ (magan ‘kracht’), thiotburg ‘grote stad’ (thiot ‘volk’), vgl. Dieweg, mnl. diedeweg ‘hoofdweg’.

 

* 160. Samenstellingen met een adjectief als tweede lid.

 

Samenstellingen van substantief + adjectief komen van ouds voor. Daarbij kan het tweede lid oorspronkelijk een zwak participium zijn; b.v. got. aíírþa-kunds, guda-faúrhts (beide woorden met participia, die als zodanig reeds versteend zijn), maar dezulke zijn schaars in 't ogm. Daarnaast komen vormingen met een sterk participium voor, b.v. mnl. gode-gelaten ‘zich aan God overgevende’ (uit 't hgd.?), gode-volen; ngl. ook huus-backen e.a. (§ 136b). In jongere tijd, sedert de renaissance, treft men er in de literatuur (bij Vondel, Bilderdijk e.a.), aanvankelijk onder klassieke, sedert de

[p. 192]

19de eeuw onder hgd. en eng. invloed; b.v. maan-beschenen, bloed-bevlekt; vgl. hgd. mondbeglänzt, zornentbrannt; eng. sunburnt, windblown. In 't bijzonder komen samenstellingen met god- voor, b.v. god-bemind ( Vondel) en 't sterk verbreide god-geklaagd. 17de-eeuws is ook reeds noodgedwongen, vermoedelijk naar hgd. model gevormd; waarnaast tegenwoordig noodgedrongen. Ook van vormingen met een participium praesens als tweede lid vindt men resten in 't mnl., b.v. gode-schouwende, hert-snident. In de jongere taal neemt hun aantal toe; meest zijn ze direct uit samengestelde w.w. gevormd (b.v. belang-stellend, deel-nemend), zelden in ander verband (b.v. zee-varend). Uit zucht tot taalverkorting ontstaan in de jongste tijd, in vakbladen en in de aanprijzende taal der ambachten, vele formaties van het type slachtrijp, stootvast, wasecht, stofvrij.

De samenstellingen met een adjectief als tweede lid hebben meermalen de neiging, in afleidingen over te gaan. Zo zijn die, welke met -hafts (oorspr. een zwak participium) en -laus zijn gevormd, in 't got. nog composita, in 't wgm. niet meer (vgl. §§ 184 en 163); zie ook -zalig (§ 190).

Wat de vorm betreft, valt op te merken, dat meermalen onder invloed van de composita met een substantief als tweede lid analogisch een s als verbindingsmedeklinker indringt; b.v. levens-groot (naar levens-grootte), hemels-blauw en hemels-breed naar hemels-naam; misschien ook invloed van 't adjectief hemels); doods-bleek (naar doods-angst; invloed van 't adjectief doods?); mans-hoog (naar mans-hoogte, of oude genitiefbepaling?); waarheids-lievend (naar waarheids-liefde, dat zelf een analogische s heeft, daar waarheid een femininum was).

 

* 161. Samenstellingen met een werkwoord als tweede lid.

Vgl. voor de scheidbaar en onscheidbaar samengestelde w.w. § 88.

 

Soms vindt men als eerste lid de stam van een in betekenis en vaak ook in klank met het tweede lid verwant werkwoord. Voorbeelden van dergelijke copulatieve samenstellingen zijn: hoeste-proesten, roezemoezen, rinkel-rooien, ruile-buiten, hutse-klutsen; oudnndl. bochtjachten (Moortje vs. 1037).

Een andere groep van samengestelde werkwoorden vormen die verba, welke ontstaan door de verbinding van een werkwoordelijke stam met een substantief, ze zijn speciaal aan het ndl. (en ndd.) eigen. Men kan verschillende soorten hierbij onderscheiden:

 

a. denominatieven, b.v. Kil. kortooren naast kortoore, blaeskaecken naast blaeskaecke, vleydbaerden naast vleydbaerd, ndl. schuddebollen naast schuddebol, druiloren naast druiloor. Voorzover hier het substantief ouder is, heeft

[p. 193]

men dus niet met samengestelde w.w. te doen: in elk geval bestaat er een zeker verband met de in § 158 besproken zinwoorden; ook zijn ze niet altijd met zekerheid te onderscheiden van de onder b genoemde;

b. samenstellende afleidingen, waarbij het eerste lid een werkwoordelijke stam is en het tweede een znw., dat een lichaamsdeel aanduidt; b.v. mnl. plucharen (synoniem met het geheel anders gevormde haerplucken), criseltanden, clappertanden, daesbollen, blaecogen, labbermulen, wipsterten; Kil. knarseltanden, kortvlerken, kortvloghelen, treckbecken; ndl. glarieogen, knipogen, klapwieken, stampvoeten. Sommige zijn alleen bewaard in participiale vorm. b.v. schoorvoetend, druipstaartend. Bij enkele schijnt het eerste lid een znw. te zijn, b.v. mnl. (en nndl.) schuumbecken, traenoghen.



[p. 194]

II. Afleiding

* 162. Afgeleide woorden zijn gevormd met affixen, ook wel formantia genoemd, waarvan het eigenaardige is, dat ze niet zelfstandig kunnen voorkomen. Men onderscheidt de affixen in praefixen of voorvoegsels en suffixen of achtervoegsels; de met eerstgenoemde gevormde woorden behoren tot dezelfde woordsoort als het stamwoord.

Opm. 1. De term formantia (sg. formans) is van Brugmann afkomstig. Naast prae- en suffixen staan infixen: zie b.v. voor een ingevoegde nasaal § 138 c.
Opm. 2. Onder de praefixen vervullen een eigen functie die, welke voorkomen in praefixdenominatieven, d.w.z. verba, die, van nomina afgeleid, alleen met praefix voorkomen, b.v. bevolken, ontbloten, onthoofden, overbruggen. Men verwarre hiermee niet de verba, waarvan het simplex wel bestaan heeft, maar verloren is gegaan; bv. be-ginnen, got. du-ginnan: ver-liezen, got. fra-liusan; ver-geten, got. bi-gitan (: eng. to get).

Een suffix heeft in de regel geen scherpomlijnde betekenis; vandaar dat het, wanneer het in verschillende in betekenis nauw samenhangende woorden voorkomt, licht voor het taalgevoel de kleur van die woorden aanneemt en aan nieuwvormingen dezelfde schakering van betekenis geeft: op deze wijze kunnen suffixen b.v. een pejoratieve betekenis krijgen. In 't algemeen kan men zeggen, dat in betekenis nauw verwante woorden vaak met hetzelfde suffix gevormd zijn. Het is geen toeval, dat b.v. vader, moeder, broeder, dochter alle idg. -tr- stammen zijn en dat zich later in 't germ. daar zuster bijgevoegd heeft (§ 108); of dat b.v. de adjectivische aanduidingen van kleuren dikwijls idg. w-stammen zijn, b.v. lt. fulvus, flavus (vgl. ndl. blauw), helvus (vgl. ndl. geel). ravus (vgl. ndl. grauw), ndl. vaal e.a. (zie § 55).

Produktiviteit van een suffix gaat gewoonlijk samen met sterke gevoelswaarde; deze leidt ertoe, het suffix aan te wenden ook buiten zijn oorspronkelijke grenzen. Deze voortwoekering van het suffix leidt allengs tot overproduktiviteit, waardoor alle karakteristieke betekenis verdwijnt, en dit brengt op zijn beurt gevaar voor een afsterven van het suffix met zich mee. Als voorbeelden van overproduktiviteit van suffixen in onze tijd mogen gelden -ling en in mindere mate -(n)aar. Het zijn vaak ogenbliks-vormingen, van zeer verschillende gevoelswaarde, maar ze bewijzen het gemak, waarmee dergelijke woorden gemaakt worden.

Een tweede oorzaak van het in onbruik geraken van een suffix is de verschrompeling van vorm; immers achtervoegsels zijn uiteraard sterk aan afslijting onderhevig. Ze kunnen dan door hun kortheid ongeschikt worden

[p. 195]

voor de vorming van woorden, en vaak worden ze dan, mede door hun improduktiviteit, als zodanig niet meer herkend in de eenmaal ermee gevormde woorden; wij kunnen in dat geval spreken van relictsuffixen. Behalve door vervanging van het suffix kan men aan het streven naar duidelijkheid ook voldoen door opeenstapeling (conglomeratie) van suffixen; b.v. -el-kijn (§ 185), -ned-inne en -n-ege (§ 189).

Indien een suffix tijdelijk produktief is, zij het ook binnen de grenzen van een semantisch beperkte woordgroep, kan het in bestaande, met een ander achtervoegsel gevormde woorden indringen; men heeft dan suffix-substitutie.

Zo komt -er in plaats van -e in b.v. mnl. herder, schenker, scutter, voresater, vredebraker, wedersaker inplaats van ouder mnl. herde, schenke, scutte, voresate, vredebrake, wedersake, terwijl visscer (reeds owgm.) en borger het oudere type (got. fiskja, baúrgja) reeds geheel verdrongen hadden (vgl. § 175; voor burger ook ald. Opm. 3); op dezelfde wijze staat ohd. choufo < lt. caupo naast mnl. coper ‘handelaar’ en coopman. Zo treedt geboorte (reeds mnl.) in de plaats van mnl. ghebort (gheborde); vgl. hgd. Geburt, got. gabaúrþs, met een idg. -ti suffix (§ 167). Woede (§ 105 Opm. 1; vgl. § 190a) is een jongere vorm naast mnl. woet, hgd. Wut. Buurt en gehucht staan voor oudere vormen met -te- suffix (§ 196). Klacht, reeds mnl. clacht(e) (vgl. § 167a 3), vervangt mnl. clage; ketting (reeds mnl.) mnl. ketten(e) (< ket'ne?) < lt. catena; waard-ij (mnl. waerdie) mnl. waerde (vgl. § 181 Opm. 3). Speek-sel (reeds laat-mnl.) staat in plaats van mnl. spekel (hgd. Speichel). Het compositum mnl. selt-siene wordt vervangen door selt-saem; mnl. cossate ‘keuterboer’ door koss-aard. Naast mnl. blixen(e), droesen(e) staan reeds mnl. blicseme, droeseme, thans bliksem en droesem, waarbij de neiging om het suffix voor apocope van de n te behoeden de suffixvervanging in de hand kan hebben gewerkt. Het leenwoord mnl. organe (< lt. organum) werd mnl. orgale, orgele, nu orgel.

Verder heeft men voor de ontwikkeling van een affix in ruime mate rekening te houden met de invloed van vreemde talen; parallellen tussen Grieks en Latijn aan de ene, Gotisch en Oud-hoogduits aan de andere kant, verder tussen Frans en Nederlands, vindt men telkens; vgl. b.v. het over er-(her-) opgemerkte (§ 183). Een sterkere vorm van vreemde invloed is de zgn. ontlening van affixen; vgl. § 173.

Sommige suffixen worden in de loop van de tijd tot buigingsuitgang; b.v. ndl. -en (§ 107); -er (§ 103). Omgekeerd kan een buigingsuitgang tot suffix worden, b.v. de adverbiale s (§ 194).

Ter juiste waardering van de affixen heeft men rekening te houden met het milieu, waarin zij opkwamen; dit kan nog eeuwen later nawerken op de stijl, waarin zij gebruikt worden; vgl. b.v. -ster (§ 177); -heid (§ 166).

[p. 196]

Behalve stijlverschil is er ook dialectische verscheidenheid; vgl. b.v. -ster: -egge (-igge) (§ 178); -ke: -tje (§ 185 v.v.).

Het is niet altijd gemakkelijk, het grondwoord te onderscheiden. Een woord als strijd-baar (§ 165), afgeleid van strijd, kon opgevat worden als een afleiding van strijden; gelov-ig (§ 169), afgeleid van geloof, kon voor het taalgevoel gelden als behorend bij geloven, en zo konden nieuwe vormingen van werkwoorden ontstaan.

Daar het formans geen zelfstandig bestaan leidt, worden de daarmee gevormde nieuwe woorden niet gemaakt door samenvoeging van stam en formans, maar naar analogie van reeds bestaande woorden. Van vele affixen kan men bewijzen, dat ze langzamerhand uit eerste of tweede leden van samenstellingen ontstonden, doordat ze in een aantal woorden in dezelfde betekenis voorkwamen. Vervaagde dientengevolge de betekenis, dan ging daarmee verzwakking van klemtoon en vaak ook verandering van klank gepaard; ook indien het grondwoord als zelfstandig woord niet verloren ging, werd de isolering zo sterk, dat de samenhang niet meer gevoeld werd. Een scherpe grens is dan niet altijd te trekken; wat in oudere tijd nog samenstelling is, is vaak in jongere tijd afleiding geworden.

Zo kan men bij de verbale composita twee groepen onderscheiden: een oudere laag met gereduceerde praeposities (be- enz.), die, van tegenwoordig standpunt beschouwd, afleidingen zijn, en een jongere laag, waarbij de praepositie nog zelfstandig voorkomt en die dus uit (scheidbare) composita bestaat (§ 88 en § 148). Op dezelfde wijze zijn of schijnen in 't tegenwoordige ndl. de woofden met dood-, reuze-, stik-, stom- (alle vier geworden tot versterkende praefixen), -rijk > r k, -vol, -boer, -goed e.a. op weg om afleidingen te worden. Er zijn echter ook veel suffixen, waarvan men het ontstaan niet meer kan nagaan, omdat ze reeds bij 't eerste optreden, soms reeds in 't idg., als zodanig verschijnen; het is evenwel waarschijnlijk, dat hier vaak eenzelfde ontwikkelingsgang in vóórhistorische tijd heeft plaats gehad.

Nieuwe suffixen kunnen ook ontstaan door verschuiving van de grenzen. Indien een aantal grondwoorden, waarvan met éénzelfde achtervoegsel nieuwe woorden zijn gevormd, op dezelfde klank(en) uitgaan, kunnen die slotklanken voor het taalgevoel een deel van het suffix gaan uitmaken; het gevolg hiervan kan zijn, dat een nieuw achtervoegsel ontstaat. Zulk een oorspronkelijk ‘verkeerde’ ontleding van een woord, waardoor suffix-varianten ontstaan, die in hun nieuwe vorm produktief worden, noemt men met een aan 't Grieks ontleende term metanalyse. Dergelijke grens-verschuivingen hebben in alle taalperioden plaats; voorbeelden ervan zijn -igheid (§ 166e), -st (§ 167a), -(e)naar en -(e)laar (§ 175), -erij, -nij, -ernij, -dij (§ 181), -(e)nist (§ 179b), -aarster (§ 177), -ares, -erse (§ 180), -in

[p. 197]

(§ 189), -el / -er (§ 191). Een enigszins afwijkend geval is ndl. -ēren, dat op de Franse uitgang van de infinitief berust; het wordt veelvuldig verbonden met ndl. grondwoorden (vgl. § 173). In het mnl. vindt men -ieren naast -ēren, doordat werkwoorden op -ier in het Oudfrans zeer talrijk zijn. Maar als in het Frans van de 16de eeuw -ier plaats maakt voor -er, verdwijnt bij ons ook -ieren, zelfs bij die w.w., die in 't Frans nu nog -ir hebben. In 't hgd. daarentegen, dat minder in contact was gebleven met het levende Frans, handhaaft zich -ieren. Dus b.v. mnl. hanteren, hantieren (fra. hanter), ndl. hanteren (met onder invloed van hand gewijzigde betekenis), hgd. hantieren. Andere voorbeelden zijn: mnl. floreren (-ieren), joesteren (-ieren), viseren (-ieren); oudnndl. voeteren, hoveren; ndl. regeren, offreren; waarderen, kleineren, halveren, trotseren. Het uitgangspunt van de ontlening vormden vermoedelijk woorden, in de riddersfeer thuishorend, als joestieren, tornieren.

Suffixen

Van samenstelling tot afleiding

* 163. Voorbeelden van suffixen, die zich in historische tijd in 't germ. uit zelfstandige woorden hebben ontwikkeld, zijn, behalve het later te bespreken -haft / -acht(ig) (§ 184) en het voorvoegsel wan- (§ 195):

 

a. Ndl. -loos, ablautend met ver-liezen, got. fra-liusan. In 't got. is laus ‘los van, leeg, vergeefs’ een zelfstandig woord; akrana-, andi-, guda-, witoda-laus zijn vermoedelijk nog composita. In 't hgd. schijnt het gevoel voor de samenhang met 't adjectief nog niet geheel verloren; vgl. uitdrukkingen als: sein Geld los sein. In 't mnl. is -loos reeds suffix; slechts zelden komt het nog in de betekenis ‘los, vrij van, zonder’ voor, b.v. Den wive, die sceen eren (genit.) loos; daarnaast van den live los (= levenloos). En dit geldt nog sterker voor 't nndl., waar de betekenis van 't bvnw. veranderd is en die van ‘beroofd, ontdaan van’ niet meer voorkomt. Evenzo in 't eng., waar de vormen verschillen (-less: loose [onder noorse invloed]).

Terwijl in onze oudere taal -loos meest een gemis uitdrukt, verzwakt in de laatste halve eeuw onder hgd. invloed de betekenis tot zonder, b.v. geruis-loos, draad-loos, pijn-loos, rook-loos; gevallen die in de oudere taal vrij zeldzaam zijn: mnl. boet-loos, broke-loos, coste-loos; oudnndl. breek-loos, reuke-loos (reukelooze tulp) (beide bij Six van Chandelier), vreughde-loos ‘zonder vreugde, zonder pleizier’ (Costelick Mal 483) e.a. Met deze verzwakking van betekenis gaat een verzwakking van de klemtoon op -loos gepaard, tengevolge waarvan de voorafgaande , die vooral na beklemtoonde syllabe voorkomt (gewoonlijk niet na l, r), hoe langer hoe meer gaat ver-

[p. 198]

dwijnen. Het zgn. verschil tussen belangloos en belangeloos, werkloos en werkeloos, bestaat alleen op papier. Soms springt onder invloed van de erbij behorende znw. op -heid het accent op -loos; zo hoort men vaak goddeloós, trouweloós, werkeloós; vaker schuift bij meersyllabige grondwoorden het accent één syllabe op, b.v. voorbeéldeloos, meedógenloos. Oorspronkelijk stond -loos achter substantieven; doordat echter verschillende van die znw. nomina actionis waren en dus opgevat konden worden als werkwoordelijke stammen (b.v. hope-loos, werk(e)-loos) en doordat de betekenis van -loos zich wijzigde, komen ook werkwoorden als grondwoorden voor (b.v. roerloos), vaak met passieve betekenis (b.v. reddeloos ‘niet te redden’; bij Vondel reeds heelloos ‘niet te helen’). Bewusteloos is ontleend aan 't hgd.; het ndl. kende geen znw. bewust = bewustzijn, in tegenstelling tot het vroegnhd.

Opm. 1. Doordat -loos oorspronkelijk een gemis uitdrukte, werd het soms pejoratief gebruikt, zonder dat men zich de eigenlijke betekenis bewust was: zo b.v. wvla. flenteloos ‘flentachtig, slap als een flente (flarde)’, goeloos ‘al te goed, sulachtig’, noord-ndl. scha(de)-loos ‘zwaar beschadigd’. Misschien moet men bij dit laatste woord ook aan invloed denken van mnl. en oudnndl. schandeloos, dat, ontleend aan lt. scandalosus, kon opgevat worden als een afleiding van schande.
Opm. 2. De verzwakking van betekenis brengt met zich mee, dat men ook comparatieven gaat gebruiken, b.v. lustelozer.

* 164. b. Ndl. -lijk (hgd. -lich), got. -leiks. Vgl. got. silda-leiks, missa-leiks = ndl. misse-lijk (met veranderde betekenis), sama-leiks, ga-leiks ‘gelijk’ enz. Het suffix is in oorsprong identiek met het znw. ndl. lijk, got. leik ‘lichaam’; een woord als got. liuba-leiks betekende oorspronkelijk ‘een lief uiterlijk hebbend’, dan ‘liefelijk’. Aanvankelijk dus possessieve composita (§ 157), waren ze in 't ogm. (got.) reeds afleidingen geworden; got. -leiks was reeds een suffix. Dientengevolge verzwakte de toon hoe langer hoe meer: -lik- werd tot -l k, waarbij het, althans voor Noord-Nederland, niet noodzakelijk is, een tussentrap met diftong aan te nemen; immers in sommige mnl. dialecten was reeds de vocaal verzwakt blijkens de spellingen -lic, -leke (-leec).

Meermalen ging en gaat een vooraf, wat aanvankelijk een kwestie van ritme was, dan een van gewoonte werd; indien deze ontbrak, werd de voorafgaande consonant verscherpt (§ 48). Tussen n en -l k werd soms een t als glide in de ‘silbenauslaut’ ingevoegd, een proces dat alleen mogelijk was in een tijd, dat de n nog krachtig werd uitgesproken; b.v. mnl. eigentlijc, loventlijc, minnentlijc; nog soms (maar ongewoon) eigentlijk, opentlijk, wezentlijk, gezamentlijk; vgl. hgd. eigentlich, öffentlich, wesentlich, sämtlich, hoffentlich, namentlich; zwe. egéntlig, offéntlig, väséntlig, ordéntlig.

[p. 199]

Dezelfde verspringing van accent, die men in 't Zweeds waarneemt, treft men ook in ndl. ordéntelijk (hgd. órdentlich) naast het in betekenis gedifferentieerde ordelijk (vgl. § 89 Opm.). Niet alle ndl. vormen met t zijn inheems; sommige zijn onder Duitse invloed ontstaan; zo b.v. mnl. samentlike, wonnentlik (beide in der Minnen Loep) naar mhd. samentlîche, *wunnentlich; zo 't jonge erkentelijk (met secundaire ) naar hgd. erkenntlich. Deze t kan bevorderd zijn door 't deelwoord: vgl. de talrijke ohd. vormen, bestaande uit part. praes. + -lich, b.v. wësentlich, minnôntlich. Tegenover deze invoeging van t na een in zwak beklemtoonde syllabe staande n staat de invoeging van d tussen n en -lijk, indien dat niet het geval was, b.v. mnl. mindelijc (§ 56).

Het zeer produktieve suffix komt na znw., bvnw. en bijw. voor, b.v. ordelijk, redelijk; liefelijk, openlijk; achterlijk, innerlijk; dan ook, doordat sommige verbaalsubstantieven als werkwoordstammen werden opgevat (b.v. schadelijk), ook na w.w.; in 't laatste geval zowel met passieve als actieve betekenis (beide betekenissen o.a. in aandoenlijk, onbegrijpelijk, verachtelijk). Soms is het grondwoord verloren gegaan, b.v. in bil-lijk, lieder-lijk, vro-lijk, o-lijk; soms is het grondwoord alleen vervormd, b.v. goe-lijk, kwa-lijk, le-lijk; soms wordt het afgeleide woord alleen met on- gebruikt, b.v. onbeschrijfelijk, onherroepelijk, onmetelijk, onuitputtelijk, onvergetelijk, onvermijdelijk. Het suffix is in betekenis nauw verwant met -baar (§ 165); waar beide adjectieven naast elkaar voorkomen (b.v. onuitputbaar: onuitputtelijk, verkiesbaar: verkieselijk, onuitspreekbaar: onuitsprekelijk, onmeetbaar: onmetelijk), daar hebben die op -baar over 't algemeen een meer letterlijke betekenis.

Zoals alle bvnw. kunnen ook die op -lijk gebruikt worden als bijwoorden (oorspronkelijk -like(n): § 194), maar doordat een groot aantal ervan zonder veel verschil van betekenis naast bvnw. zonder -lijk stonden (b.v. mnl. vro: vrolijc, mnl. en nndl. open: openlijk, rijk: rijkelijk, ziek: ziekelijk, gewoon: gewoonlijk [nu bijw.]), ontwikkelde zich al vroeg een nieuw verschil, waarbij -lijk als bijwoordelijk suffix gevoeld werd. In de 17de eeuw vindt men veelvuldig dergelijk bijwoordelijk gebruik (uitgangspunt zinnen als: Een over rock die .... was miraculeuselijck). Vandaar soms nog ganselijk, lichtelijk, respectievelijk, valselijk, vuriglijk, voorspoediglijk, waarlijk, zekerlijk enz.; meest worden deze ironisch-deftig gebruikt, waarbij men wellicht aan invloed van de Statenbijbel te denken heeft, die ze gaarne aanwendt. Vgl. eng. -ly (uit ags. -líce naast 't adjectivische -líc), dat vooral adverbiaal is.

Van de adjectiva op -lijk zijn te scheiden vormen als dage-lijk-s, waar lijk- (onfrk. dagauuelikis ‘quotidie’) is ontstaanuit (h) wilîk (vgl. got i-leiks en ndl. welk): mnl. elker dagelike < elker dage (ge)like, d.i. op iedere van alle dagen, dagelijks; evenzo b.v. alre dage gelike = ohd. allero tago

[p. 200]

gelīches. Naar analogie daarvan jaarlijks, wekelijks enz. (alle met genitief -s als in 't ohd.; vgl. voor deze s ook § 194), en naar 't voorbeeld daarvan nauwelijks e.a. (in kanselstijl b.v. zwaarlijks, grotelijks).

Het suffix -lijk is natuurlijk niet aanwezig in 't znw. huwe-lijk, waar -lijk, evenals in mnl. feeste-lijc ‘feest’, vechte-lijc ‘gevecht’, weder-lijc ‘weerlicht’, uit -leec = mnl. leec ‘lied’, got. laiks ‘spel’ ontstaan is; vgl. eng. -lock (wed-lock ‘huwelijk’).

 

* 165. c. Ndl. -baar (hgd. -bar), een owgm. suffix *-bāria-, dat, als behorend bij got. baíran ‘dragen’, oorspronkelijk een verbaaladjectief met lange vocaal was (vgl. § 16); vgl. het verwante lt. -fer, b.v. fructifer ‘vruchtbaar’. Aanvankelijk vormde het dus samenstellingen met znw.; dan, daar deze meermalen verbaal-substantieven waren (b.v. weer-baar, strijd-baar, gruw-baar: mnl. gru(w) ‘afkeer’), zeer vaak met w.w. In dit laatste geval stond -baar eerst achter transitieve w.w. in passieve betekenis, b.v. drink-baar, eet-baar, lees-baar; dan leidden vormingen als breek-baar, brand-baar tot afleidingen met intransitieve w.w., b.v. vloei-baar, wankel-baar, bestaan-baar, bloeibaar. Mnl. sienbaer is vervangen door zichtbaar, dat eerst bij Kiliaan voorkomt. Zelden staat -baar achter bvnw. en bijwoorden, b.v. middel-baar, zonder-baar, oudnndl. leeg-baar, mnl. vore-baar (nu met nieuw achtervoegsel verlengd tot voorbarig; vgl. mnl. -barig § 169); daarentegen zijn dier-baar en open-baar waarschijnlijk met de gesubstantiveerde adjectieven gevormd. In open-baár is onder invloed van openbáren, openbáring de klemtoon versprongen, vermoedelijk reeds in 't mnl. blijkens de spelling oppenbare naast openbare; vgl. ook hgd. offenbár naast óffenbar. Verschillende adjectiva op -baar worden alleen met on- gebruikt, b.v. onmiskenbaar, onloochenbaar, ontwijfelbaar, onuitstaanbaar.

 

d. Ndl. -zaam (hgd. -sam); mnl. -sam en daarnaast reeds, uit de casus obliqui, -saem (§ 32); got. *-sams, alleen in lustu-sama (de zwakke vorm), oorspronkelijk = ‘met lust verbonden’, dan = ‘begeerd’. Vgl. ndl. zamelen; got. sama ‘dezelfde’, eng. same. Aanvankelijk na substantieven en adjectieven (b.v. vreed-zaam, gemeen-zaam), werd het suffix dan ook, evenals -lijk en -baar, onder invloed van woorden als arbeid-zaam, werk-zaam na werkwoorden gebruikt om geneigdheid uit te drukken; b.v. gehoor-zaam, waak-zaam, volg-zaam. Langzaam is waarschijnlijk, reeds in 't mnl., ontleend aan 't hgd.; zie voor zeldzaam § 162.

 

* 166. e. Ndl. -heid (pl. -heden: § 63), hgd. -heit, eng. -hood (-head), berust op een owgm. suffix, dat in 't got. nog alleen als znw. voorkomt: haidus ‘wijze’. Het suffix, dat abstracta vormt, hoorde - blijkens 't ohd.

[p. 201]

- aanvankelijk in de taal van de geleerden thuis, maar drong langzamerhand in de algemene omgangstaal door: dank zij de zwaarte van klank, wist het zich geleidelijk uit te breiden naast en ten koste van -ida en vooral van -ī (§ 190a); men vergelijke b.v, mnl. hoge: hogede: hoocheit; thans alleen hoogte: hoogheid (met differentiëring van betekenis). Het stond aanvankelijk achter substantiva (in onze taal zelden meer: mens-heid), maar dan in 't ndl. ook en vooral achter adjectiva; soms ook achter pronomina, b.v. mnl. wat-heid ( Ruusbroeck; in navolging van mlt. quidditas); vgl. ook mnl. sonderheit (nog inzonderheid), tegenheit. Met zijn zwaar accent leende het zich bijzonder voor gebruik achter een minder zwaar beklemtoonde syllabe, dus achter meersyllabige stammen, en daardoor kwam het veel achter bvnw. op -ig voor (bezig-heid, naarstig-heid, treurig-heid enz.). Zo ontstond een nieuw suffix -igheid, nu meest met kleinerende betekenis, b.v. fraaiigheid, gladdigheid, lievigheid, malligheid, mooiigheid, valsigheid, zoetigheid; vgl. reeds mnl. hardicheit, claricheit, cleinicheit, swaricheit, vremdicheit en in 't bijzonder de rederijkerstijd, die trouwens ook veel -heid gebruikt (bevroedheid, overvloedheid enz.). In 't Afrikaans ontstond zodoende -geid naast -heid, b.v. naar-geid naast naar-heid; vgl. hgd. -keit, dat, op dezelfde wijze in Z.W. Duitsland ontstaan, eerst in de taal van de mystici uitbreiding heeft gekregen en dan tot een algemeen Hoogduits suffix geworden is, b.v. Süssigkeit, Wahrhaftigkeit, Ehrlosigkeit, Lustbarkeit.

Woorden als onwetendheid, welsprekendheid bevorderden de inlassing van een t in de ‘silbenauslaut’ in b.v. ervarentheid, gelegentheid, (reeds mnl.) (vgl. § 134). Van geheel andere aard is de invoeging van de s in kindsheid (vgl. hieronder bij -dom).

 

f. Ndl. -dom, hgd. -tum, eng. dom, berust op een owgm. suffix, waarnaast het znw. (oudnndl. doem) in verschillende ogm. talen voorkomt in de betekenis ‘(toe)stand’; de klinker van het achtervoegsel is tengevolge van de bijtoon verkort. Oorspronkelijk masculina, zijn de substantieven thans goeddeels neutra. Het suffix staat zowel achter znw. als bvnw.; ook achter als bvnw. opgevat deelwoord: geschapen-dom (naast het meer en in meer betekenissen voorkomende geschapenheid). Sporadisch komt een s als overgangsklank voor, doordat woorden met het zware -dom voor het taal-gevoel niet zo ver van samenstellingen afstonden; b.v. ballings-, konings-dom (Vondel).

 

g. Ndl. -schap; mnl. -scap, -scepe, -scip (§ 106 Opm. 4). De vorm -scip, die De Bo (s.v. schepe) nog als wvla. kent, Teirlinck als zuidoostvla., is Ingvaeoons; vgl. eng. -ship, fri. -skip (os. -skepi, ags. -scipe); dus b.v. wvla. gezelschip, eng. friendship, fri. selskip. Naast ndl. -schap staat hgd. -schaft, met bijvoeging van een -ti- suffix.



[p. 202]

Het berust op een ogm. suffix, dat oorspronkelijk een vrouwelijk nomen actionis bij got. -skapjan, ndl. scheppen was en in 't got. nog alleen als znw. verschijnt: ga-skafts ‘schepping, schepsel’. De betekenis vervaagde tot die van ‘gestalte, vorm, geaardheid, toestand’ en maakte zodoende het woord geschikt voor een suffix, dat dient ter vorming van (oorspr.) vrouwelijke, maar dan vooral onzijdige znw. (abstracta en collectiva), b.v. de blijdschap; de vroedschap; het bondgenootschap; het gezelschap. Het staat achter znw. en bvnw. (b.v. manschap, landschap; blijdschap, gramschap; mnl. haetscap, viantscap, nutscap, joetscap, paepscap), dan soms ook achter w.w. wetenschap, reken-schap (in plaats van *rekenen-schap), zeggen-schap (alle drie reeds in 't mnl.); wellicht ook ndl. wedden-schap, naláten-schap.

Opm. Een zeldzaam, thans niet meer produktief mnl. suffix -tocht (vnl. wvl.) vindt men nog in borgtocht, (verouderd) lijftocht, voorts mnl. besegeltocht, belooftocht, meentocht, enz.

* 167. Relictsuffixen

Als zodanig kunnen van ndl. standpunt o.a. gelden:

 

a. idg. -ti-, dat nomina actionis vormde, b.v. lt. menti- (nom. sg. mens), morti- (nom. sg. mors). Het is een van idg. standpunt waarschijnlijk jongere vorming van vrouwelijke abstracta bij samengestelde w.w. naast de oudere mannelijke -tu- abstracta, die bij de simplicia behoorden; vgl. b.v. got. uswahsts (f. i- st.) naast wahstus (m. u- st.) bij wahsjan, gakusts (f. i- st.) naast kustus (m. u- st.) bij kiusan. Terwijl echter in 't germ. het -tu- suffix reeds zeer op de achtergrond getreden is en het in 't wgm. tengevolge van de verzwakking van de auslaut nauwelijks meer te herkennen is (vgl. § 172), is het -ti- suffix nog in duidelijke resten bewaard. Echter, door de klankwetten in drie verschillende vormen gesplitst, werd het daardoor reeds zeer verzwakt; immers men voelde het onderling verband niet meer. De drie vormen zijn:

 

1. germ. -þi-, b.v. got. ga-baúr-þs, ga-qum-þs, ga-taúr-þs, bij ga-baíran, ga-qiman, ga-taíran;

 

2. germ. -ði-, b.v. got. -dē-þs(d), -sē-þs(d), sta-þs(d); ndl. daa-d, zaa-d, sta-d (met in de auslaut verscherpte consonant), bij doen, zaaien, staan; ndl. gloe-d bij gloeien, schul-d bij zullen (§ 146 IV). Soms werd in 't ndl. de t vast (§ 47 Opm. 2), b.v. vaar-t, pl. vaarten, bij varen.

Opm. 1. Zie voor geboorte § 162. Mnl. ghebort (gheborde) kan zowel op -þi- als -ði- teruggaan.

3. germ. -ti-, ndl. -t, na germ. f (ndl. ch: § 83), χ, s; b.v. got. -gif-ts, saúh-ts, mah-ts, lis-ts = ndl. gif-t (§ 83), zuch-t, mach-t, lis-t, bij got. giban, siukan, magan, lais; got. -skaf-ts bij -skapjan; ndl. vluch-t, gewich-t, tuch-t, drif-t, kluch-t (: klieven), drach-t, boch-t, biech-t (: mnl. be-gien).

[p. 203]

Bij deze woorden sloot zich aan schrift uit lt. scriptum. Zie voor klacht § 162.

Opm. 2. Een vierde vorm ontstond volgens § 21, indien de werkwoordelijke stam op een dentaal uitging; vandaar b.v. got. usstass (bij standan).

Een nieuwe vorm van dit suffix ontstond in 't germ. door uitbreiding met -s, waarbij vermoedelijk woorden als dors-t, vors-t, lis-t, opgevat als dor-st, vor-st, li-st het uitgangspunt waren; vgl. b.v. got. an-sts, ndl. g-un-st bij g-unnen; got. -brun-sts, hgd. Brun-st (waaruit ndl. bronst) bij got. brinnan; ndl. kom-st tegenover got. ga-qum-þs; ndl. vond-st naast mnl. vont, hgd. Fund; ndl. last uit *χlað-sti-, bij laden; ndl. worst, indien uit *wurþ-sti, bij worden, lt. verto ‘draaien’; ndl. dien-st, win-st, kun-st, vang-st. Vgl. ook ern-st naast got. arn-iba (bijwoord; ablaut).

 

b1. idg. -m- (-mo(n)-, -men-, -mi-), dat diende tot vorming van abstracta en concreta bij werkwoorden, in enkele resten in 't germ. bewaard. B.v. got. mal-ma, mnl. mel-m (ablaut), ndl. mol-m (hgd. Mulm) (ablaut): got. malan, ndl. malen; got. skei-ma: skeinan; got. blō-ma, ndl. bloe-m: bloeien, bloe-sem; got. bar-ms: baíran; got. hil-ms, ndl. hel-m: ndl. helen; ndl. kie-m (oude n-stam): got. kei-nan (§ 138 Opm. 2); ndl. gal-m: mnl. galen, ndl. nachte-gaal; ndl. wal-m: walen; ndl. zoo-m: vgl. got. siujan ‘naaien’; ndl. doe-m, -dom (§ 166f) bij doe-n. Daarnaast staan vormingen, die niet direct bij een werkwoord behoren; b.v. ndl. roe-m: got. hrō-þ-eigs; ar-m (znw.) = lt. ar-mus; zwer-m, bezem, adem, vadem.

 

b2. idg. -n- (-no- en -ni-), dat diende tot vorming van verbale adjectieven. B.v. ndl. vol (§ 135 Opm. 1), eigen (§ 135 Opm. 2), groen (: groeien). schoon (: schouwen); nog: klein, rein, dial. kreen, mnl. gedane (: doen), Een ander middel om verbale bvnw. te vormen, was het achtervoegsel idg. -t- (-tĕ / -tŏ); vgl. recht, licht, dood, koud e.a. (§ 135 Opm. 1). Vgl. onder d.

 

c. idg. -ro- en -lo-, die dienden tot vorming van bvnw., b.v. lt. ruber; macer = ndl. mager; credulus, querulus, tremulus; agilis. In 't germ. behoren hier o.a. toe: got. gáurs, hlūtrs, báitrs (ablautend met ndl. bitter; of baítrs?), fagrs (naast -fahjan), ook sáir (alleen gesubstantiveerd, maar vgl. ndl. zeer); fūls (ndl. vui-l; vgl. vui-g: § 169a Opm. 1) en, met tussenvocaal, ubils, leitils, mikils; sakuls, skaþuls; slahals. In 't mnl. zijn ze veel talrijker dan in onze tegenwoordige taal; b.v. mnl. bitter, wacker (beide met geminatie: § 52), lekker (bij lekken: likken), duuster, deemster, donker, dapper, weiger, direct na de wortelvocaal zuur (vgl. hierboven zeer); snodel, idel, wankel, scamel, screpel, vergetel, behagel, vermetel, verstandel, versumel, wantrouwel, wrakel, crepel, corsel, costel, stotel, wandel, aenhangel, nagingel,

[p. 204]

schuwel, midel, middel (ndl. middel-), nosel (ndl. on-nozel), crigel (met ablaut ndl. kregel), ndl. dartel, direct na de stamvocaal geil (vgl. got. gailjan), vuil (zie boven), dol, heel, kil en koel, smal, snel, z(w)oel. Hierbij ook steil uit *steigel (ohd. steigal)? Soms wisselt l met r af, b.v. mnl. donkel (hgd. dunkel) naast donker. De hier besproken adjectiva worden meermalen verlengd met het synonieme suffix -ig, b.v. kregelig, korzelig, poezelig (§ 169a). Ook worden ze vaak vervangen door bvnw. op -lijk (§ 164); vgl. b.v. mnl. aentreckel, begripel, verstandel, stotel, vergetel met ndl. (meest reeds in 't mnl. voorkomend) aantrekkelijk, begrijpelijk, verstandelijk, aanstotelijk, onvergetelijk; vgl. § 169 Opm. 2.

Opm. 3. Ook praefixen staan aan 't zelfde proces bloot; vgl. b.v. got. at- (naast 't bijwoord got. at = lt. ad) in at-augjan met ndl. t- in mnl. (nog vla.) t-oghen (te scheiden van togen ‘trekken’, bij tien § 25) naast de parallelle formatie ndl. t-onen (stam augi- naast augn-). Vgl. nog ndl. g-unnen, b-ang enz. (§ 93).

* 168. d. Andere resten van suffixen zijn vroeger besproken: idg. -tr- (verwantschapsnamen: § 94 en 162), idg. -nt- (§ 94 en 135: part. praes.), idg. -nĕ / -nŏ en -tĕ / tŏ (part. praet.: § 135). Het suffix bij de w.w. op - ĕ- / - ŏ- en dat van de causatieven -ĕ ĕ-\-ĕ ŏ- zijn bijna geheel verdwenen (zie § 138, waar ook resten van andere suffixen in praesensvormingen zijn besproken); alleen verraden umlaut en geminatie soms nog de vroegere aanwezigheid. Tengevolge daarvan is het onderscheid tussen de sterke werkwoorden met die zich direct bij de wortel aansluitende nomina actionis enerzijds en de naamwoorden met de daarvan afgeleide zwakke denominatieven anderzijds verdwenen; er is voor het taalgevoel geen verschil in de verhouding van b.v. bijten: bijt, beet; vallen: val; vlieten: vliet, vlot, vloot; en vlot: vlotten; haat: haten; tam: temmen enz. Vandaar dat men nu niet alleen van de naamwoorden rechtstreeks werkwoorden afleidt, maar evengoed van de werkwoorden naamwoorden door weglating van de uitgang, b.v. wenk, druk, duur, haal, offer, handel en de talrijke znw. met praefixen als be- en ver- (b.v. bericht, bestuur; verzoek, vervolg). Zulke naamwoorden, die de schijn wekken, alsof ze de grondwoorden van de werkwoorden zijn, terwijl ze in werkelijkheid ervan gevormd zijn, noemt men nomina postverbalia.

Substantieven (qua nomina actionis) zijn heel vroeg van (meest sterke) werkwoorden afgeleid met geen ander kenteken dan de declinatieklasse: got. slēps ‘slaap’ van slēpan, ohd. ruof ‘roep’ van ruofan, got. slahs (i-stam) ‘slag’ van slahan, - ook met ablaut: ohd. scōz ‘schoot’ en scuz ‘schot’ van sciozan (vgl. § 16). Van zwakke werkwoorden bestonden reeds got. *þagks, ohd. dank naast þagkjan ‘denken’, ohd. gruoz ‘groet’, ohd. druck ‘druk’.



[p. 205]

Vaak kan men echter niet uitmaken wat primair is: het zwakke werkwoord of het substantief; vast staat dat b.v. hgd. Geiz uit geizen is ontstaan: vgl. mhd. gīt(e)sen en subst. gīt ‘hebzucht’, omgekeerd ernten uit Ernte: ohd. arnod < arnon. Zo zijn ndl. dromen, galmen duidelijk afgeleid van droo-m, gal-m (vgl. § 167 b1). Afleiding uit het w.w. kan te allen tijde gebeuren: slēps ‘slaap’ is reeds got., ndl. slaap kan de ononderbroken voortzetting zijn van het oudgerm. woord, maar ook in jongere tijd uit slapen zijn gevormd; zo komt zuidndl. verhuis nog niet in het mnl. voor, in de plaats daarvan heeft men verhusing.

Dgl. oude nomina actionis worden vaak door jongere afleidingen vervangen: ohd. lēra, mnl. lere en leringe; ohd. meina, mnl. mene en meninge; maar got. bōta, ohd. wacha zijn nog mnl. boete, wake. Daarentegen is hgd. Besuch jonger dan Besuchung.

In het mnl. bestonden reeds keer, klop, make, vat; van samenstellingen: besoec, bewijs, onderhoud, invoer; sommige woorden zullen wel ontleend zijn: glans, indruk, inkeer, tweespalt; andere komen pas voor na de 16de eeuw: bloei, groei, blos (17de eeuw: bloos), bereik, duur, veeg (a. 1561), zet.

Verschuiving van de grenzen van het suffix

* 169. a. Idg. -k(o)- diende tot vorming van adjectieven, b.v. lt. civi-cus bij civis, amni-cus bij amnis. De aan het suffix voorafgaande vocaal, die de stam van het grondwoord aangaf, kon als zodanig verschillend zijn, doch op den duur werd die vocaal als deel van 't suffix opgevat. In 't got. vindt men -ags en met een door spirantendissimilatie veroorzaakte, maar door analogiewerking onregelmatig geworden wisseling -ahs, -eigs (-igs?) en zelden -ugs; b.v. man-ags, mōd-ags, unhunsl-ags; ain-ahs, stain-ahs, unbarn- -ahs; maht-eigs, andanēm-eigs, sin-eigs; gab-igs (-eigs?); hand-ugs (bij handus? maar afwijkende betekenis ‘wijs’). In 't wgm. vindt men alleen de -g- (niet de -h- vormen), dus ndl. - χ (geschreven -ig), hgd. -ig, eng. -y ‘hebbende wat in 't grondwoord is uitgedrukt’. Het suffix stond oorspronkelijk achter znw.; maar doordat in woorden als got. grēd-ags, ndl. honger-ig, dorst-ig, gelov-ig, tier-ig, toorn-ig het grondwoord evengoed als een werkwoordelijke stam (got. grēdus en grēdōn enz.) kon opgevat worden, kreeg het bvnw. ongeveer de betekenis van een tot adjectief geworden deelwoord, en kwam, met verschuiving van de groepering, het suffix ook achter werk-woordelijke stammen te staan, b.v. nalat-ig, beger-ig, bevall-ig, vrijgev-ig, oudnndl. lez-ig ‘leeslustig’. Anderzijds kwam het vaak achter bvnw., soms achter telwoorden of bijwoorden (b.v. en-ig, neder-ig); vermoedelijk is deze vorming uitgegaan van gesubstantiveerde adjectieven (b.v. nut: nutt-ig, vocht: vocht-ig, zoet: zoet-ig). Meestal is er verschil van betekenis tussen

[p. 206]

't ten grondslag liggende adjectief (participium) en 't afgeleide; vgl. b.v. goed: goed-ig, nat: natt-ig, waard: waard-ig, zoet: zoet-ig, best: best-ig, levend: levend-ig. Vaak ook is 't oudere adjectief verdrongen, b.v. reeds mnl. behend-ig, droev-ig, gier-ig, scorfd-ig, standvast-ig, gestad-ig, onderdan-ig, zodan-ig, naast ouder behende, droeve, gier, scorft, standvast(e), gestade, onderdaen, so(-ghe)daen (oorspronkelijk verleden deelwoord); ndl. deft-ig (bij Vondel nog deft), zal-ig (: got. sēls); vgl. ook kregel-ig e.a. l(§ 136c). De vorming komt reeds in 't got. voor: andanēmeigs: andanēms.

Opm. 1. -ig ook in graag (Teuth. gredych): got. grēdags ‘hongerig’; vuig, mnl. vūdich (vg. vui-l: § 167c); zie § 36 III 4.
Opm. 2. Naast -ig staan meermalen woorden met -lijk in min of meer verschillende betekenis (b.v. tijdig: tijdelijk, verstandig: verstandelijk, wettig: wettelijk, geestig: geestelijk, statig: statelijk, schendig: schandelijk); vandaar dat soms een vorm op -ig in de plaats kwam van een oudere op -lijk, b.v. akelig, oudnndl. akelijk (bij mnl. akel ‘leed, schade’ (dissimilatie); eerbiedig, oudnndl. eerbiedelijk; gebrekkig, mnl. gebreckelijc.
Opm. 3. Onder invloed van de wisseling van adjectiva met en zonder -ig heeft men vooral sedert de 17de eeuw in de poëzie (Bilderdijk) meermalen kunstmatig adjectiva zonder -ig gemaakt, wanneer een substantief ten grondslag lag, b.v. bloed, gift, lafhart, roemrucht, vaard.

Doordat verschillende grondwoorden in 't ndl. op -er uitgingen (b.v. honger-ig, stumper-ig, water-ig, etter-ig, ijzer-ig, schemer-ig), ontstond een nieuw suffix -erig, gewoonlijk met pejoratieve betekenis; b.v. drad-erig, hout-erig, strep-erig, plekk-erig, wind-erig, zand-erig, vlekk-erig, zwet-erig, Kil. weld-erigh (naast mnl. en Kil.) we(e)ldich, bij weelde; waarnaast bij de aan weelde ten grondslag liggende vorm *wele: mnl. welich). Aangezien het grondwoord soms een tweevoudige interpretatie (znw. en werkwoordelijke stam) toelaat (ijver-, etter-, honger-) kon het suffix -erig ook achter werkwoordelijke stammen staan: kraken / krakerig, klagen / klagerig, vitten / vitterig, bedillen / bedillerig, zoenen / zoenerig; vgl. vlagerig eer van vlagen dan van vlaag WNT. XXI, 1367. Vooral in 't Afrikaans is dit suffix produktief.

Doordat verschillende grondwoorden samenstellingen met -maat waren (b.v. middelmatig [reeds mnl.], evenmatig bij mnl. evenmate ‘gelijke verhouding’), ontstond onder invloed van de hgd. woorden op -mässig (bij [ge-]mäss, bij meten) een nieuw suffix -matig ‘overeenkomstig’, b.v. schriftmatig ( Coornhert e.a.), riddermatig, waarheidmatig (beide bij Hooft), doelmatig, gelijkmatig, kunstmatig, plichtmatig, stelselmatig, toneelmatig, regelmatig (en daaruit regelmaat).

Als langere vorm is ontstaan -voudig: twee-, menigvoudig naast de oudere, kortere vormen tweevoud, menigvoud (oorspr. adj. en dan gesubstantiveerd), maar ook reeds mnl. anxtvoudich (nu vervormd tot angstvallig), sorch-voudich (-vuldich).



[p. 207]

In 't mnl. en nog in 't wvla. vindt men ook vaak -barig en -samig naast -baer en -sa(e)m, b.v. dancbarich, vruchtbarich, eersamich. Zie voorts -achtig (§ 184), -zalig (§ 190b).

 

Van de adjectiva op -ig werden werkwoorden gevormd; in 't got. heeft men er twee voorbeelden van: gabigjan en audagjan; vgl. ndl. heilig-en, zondig-en e.a., vooral de vele met het praefix be- (be-moedig-en, be-krachtig-en, be-veilig-en enz.). Doordat men verschillende van die werkwoorden ook kon opvatten als afleidingen van znw. (b.v. zondigen, bemoedigen, beangstigen: zonde, moed, angst), ontstond in 't jongere wgm. een nieuw suffix -ig(en) tot vorming van werkwoorden, b.v. reeds mnl. be-gift-igen, end-igen, sten-igen, huld-igen, pin-igen, cruc-igen, rein-igen, naast ouder begiften, enden, stenen, hulden, pinen, crucen, reinen.

Opm. 4. Hierbij niet verdedigen, mnl. verdadigen (bij dading, mnl. dage-dinc).
Opm. 5. Veelvoudig (sedert Plantijn, 1573) is analogisch gevormd naar het model van mnl. menigvoudig; veelvuldig (1637) naar ouder eenvoudig: eenvuldig, enz.

* 170. A. Het suffix idg. -ko- kwam meermalen achter een n-stam te staan, en daaruit ontwikkelde zich een nieuw suffix idg. -nko-; vgl. lt. longinquus, propinquus naast longus, prope; iuvencus (< *iuvincus) ‘jonge stier’ naast iuvenis, vgl. germ. ju ga- (< idg. * u- -), got. juggs, ndl. jong. In 't germ. vindt men van dit suffix twee met elkaar ablautende vormen: ing- en -ung- (in 't ndl. bijna alleen -ing; vgl. echter mnl. vierdonc ‘naam van een munt en van een gewicht’ naast vierdinc, mnl. samanunga ‘verzameling’, Gentse persoonsn. 11de e. Morunc, 13de e. Gerong, en de plaatsnaam Amerongen); aanvankelijk in de betekenis ‘behorend bij het door 't grondwoord uitgedrukte’ en dan vooral - maar geenszins uitsluitend - patronymisch gebruikt. Vgl. oostgot. Greutungi; mhd. Nibelunge; ndl. Merovingen, Karolingen; Vlamingen, Thuring(ers); Wulpingi ‘homines de Wulpia’, Scaldingi (bij Schelde); Oudgents Eninga (accra), Voveninga; koning (bij kunne), edeling; geslachtsnamen op -ing (-ink: § 49); landnamen op -ingen, b.v. Lotharingen, Thuringen (oorspronkelijk dat. pl. van de volksnaam).

Doordat in verschillende van de met -ing gevormde woorden een l aan 't suffix voorafging (b.v. edel-ing, Karol-ing), ontstond een nieuw suffix ndl. -ling, na beklemtoonde syllabe meest - ling (niet na l en r). Hetzelfde gebeurde in 't hgd. en - minder veelvuldig - in 't eng. (b.v. found-ling, dar-ling: dear); het oudste voorbeeld vindt men misschien reeds in 't got.: gadi-liggs ‘neef’ (vgl. ndl. gade). Vgl. verder b.v. mnl. arme-linc (naast arm-inc), inboor-linc, jonge-linc, camerlinc, keizer-linc, income-linc,

[p. 208]

nacome-linc, ooster-linc, hovet-linc (naast hoved-inc), dien-linc (naast dien-inc), leer-linc (naast ler-inc), ouderlinc (naast ouder-inc), versteke-linc ‘verschoppeling’; Kil. aenkomelinck; oudnndl. aanhange-ling, bezete-ling, Hage-ling ‘Hagenaar’ (alle drie bij Hooft), hate-ling ( Antonides); vla. boor-ling, eeuwe-ling ‘honderdjarige’, Brugge-ling. Terwijl -ing in 't ndl. niet produktief is, is -(e)ling dat in sterke mate ter vorming van gemeenslachtige persoons- (en dier)namen; b.v. liste-ling, eeenzaam-ling, naar-ling, slimme-ling, hartstochte-ling, verplege-ling, dichter-ling; Hate-ling ( Camera Obscura); vgl. ook namen als Muur-ling, Hesseling. Vandaar dat woorden als hemeling (hemelling), enkeling (enkelling), die eerst sedert de 17de eeuw voorkomen, als vormingen met -ling moeten opgevat worden.

In de loop van de 19de eeuw ontstonden, door de behoefte om vrouwelijke personen van mannelijke te onderscheiden, vormen op -linge, die parallel lopen met andere aanduidingen op -e (echtgenote, erfgename enz.), b.v. leerlinge. Hoewel opzettelijk gevormd, wellicht naar Frans voorbeeld (étudiante, Française enz.), veroveren ze zich allengs een plaats, vooral in de geschreven taal.

Het grondwoord van de woorden op -(e)ling was oorspronkelijk een adjectief, b.v. lammeling, stommeling, beroerling (vermoedelijk uit beroerdeling, welke vorm in feite op de Zuidholl. eilanden en in het Zeeuws voorkomt ( Van Haeringen]); een enkele keer ook een rangtelwoord, b.v. oudnndl. tiendeling ‘soldaat van het tiende legioen’. Ook kon het een substantief zijn, b.v. stedeling, hemel(l)ing; oudnndl. tochteling ‘deelnemer aan een tocht’. Tenslotte kon het ook een werkwoord zijn, in welk geval de betekenis vaak verwantschap met die van het verleden deelwoord vertoont; b.v. dopeling, beschermeling, zendeling, oudnndl. proeveling ‘iemand die beproefd wordt, een proef aflegt’. Soms is ook de stamklinker die van het verl. deelw., b.v. onderworpeling, mnl. verworpelinc (maar ook mnl. verwerpelinc ‘ontijdig geboren vrucht’), overwonneling, bedorveling (naast bederveling). Andere staan in betekenis dichter bij het tegenwoordig deelwoord: leerling, loteling, volgeling, zwerveling, drenkeling (van drenken ‘verdrinken’), afhangeling ‘die afhangt van een ander’, oudnndl. aanhangeling ‘aanhanger’. Het suffix is niet meer produktief ter vorming van adjectieven, als b.v. bij Kiliaan blevelinck ‘reliquus’, vondelingh o.a. = ‘repertitius’, ndl. zonder-ling.

Soms dient -ling als verkleiningssuffix; de begrippen afstamming en verkleining zijn nauw verwant en worden vaak door éénzelfde suffix uitgedrukt (vgl. § 185). B.v. Kil. knapelinck / knepelijn, oudnndl. kruimeling ‘kruimpje’. Vandaar vormt -(l)ing vaak namen van kleine dieren (vooral vissen), planten, munten en andere dingen. B.v. Oudgents frisingiam (uit friscingam = mnl. verscinc ‘jong varken’), geldindas (uit *geldingas ‘gecastreerde dieren’, verwant met het hieronder genoemde gelling); ndl.

[p. 209]

har-ing, wijt-ing, bokk-ing, bunz-ing, hout-ing ‘soort van zalm’, spier-ing (mnl. spier-inc naast spier-linc); tal-ing, pal-ing, grondel-ing; hokke-ling, enger-ling, serpe-ling ‘voorn’, schachte-ling ‘soort van paling’, nebbeling ‘nebaal’, neste-ling ‘jonge vogel, of vis’, stroom-ling ‘soort van haring’; zur-ing; pipp-ing en pippe-ling; mnl. dries-linc ‘eetbare paddestoel’, ndl. zaai-ling, zilver-ling, mnl. hal-linc ‘halve penning’ en ster-linc; mnl. vinger-linc, ndl. ruime-ling ‘kleine takkebos van afgehakte takken’.

Meermalen heeft assimilatie tussen grondwoord en suffix plaats gehad; b.v. ndl. balling: banneling (mnl. ballinc: banlinc, spalling ‘jong varken’, bij span (waarnaast speen), gelling ‘mannelijke hennepplant’ < *geld-ling; misschien ook schelling (met secundaire ĕ), got. skilliggs < *skild-liggs bij schild, got. skildus. Vgl. ook penning bij pand (?) en dit misschien uit lt. pondo. Voorts beroer-ling < beroerdeling. Eindelijk mnl. sceerlinc, hgd. Schierling, gedissimileerd uit *skernink bij mnl. scarn ‘mest’; ndl. teerling, mnl. terlinc naast ouder terninc.

 

B. Naast het hier besproken suffix -ing komt in 't germ. (niet in 't got.) een vrouwelijk suffix -ing- / -ung- voor, dat nomina actionis vormt, in owgm. tijd (b.v. in 't ohd. proza; niet in de poëzie) reeds zeer produktief werd en dat nog is. Indien het zich op dezelfde wijze als 't bovenbesproken -ing ontwikkeld heeft, moet het oorspronkelijk achter nominale n-stammen gestaan hebben, waarvan echter maar weinig voorbeelden in 't ogm. te vinden zijn. In 't ndl. vindt men -ing tegenover hgd. -ung (zitting: Sitzung, verbanning: Verbannung enz.). De bijzondere geschiktheid van dit suffix om abstracta te vormen, toont zich b.v. in het veelvuldig gebruik in de mnl. vertalingen van het Nieuwe Testament; b.v. argeringe, berechtinge, bewisinge, heileginge. Bepaalde vormen van deze woorden werden als adverbia gebruikt; vandaar met de adverbiale uitging -ō (§ 193) got. un-wēn-iggō ‘onverwacht’. Hieruit ontwikkelde zich op de boven bij -ing aangegeven wijze naast mnl. -inge (b.v. var-inge ‘snel, weldra’; stol-inge ‘ongemerkt’, al-inge ‘geheel en al’) een adverbiaal suffix mnl. -linge, ndl. -ling; b.v. mnl. arme-linge ‘met de armen’, hande-linge ‘met de hand, aanstonds’, monde-linge, halve-linge, duuster-linge, corte-linge, onder-linge; ndl. monde-ling, plotse-ling, onder-ling, meestal echter met toevoeging van -s (§ 193): beurte-lings (ouder beurt-ling), korte-lings, schrij-lings, rugge-lings, blinde-lings e.a., vermoedelijk ook ijlings (*ijl-lings). Vele ervan worden dan ook als bvnw. gebruikt. Intussen is het niet onmogelijk, dat men voor een deel van deze vormen een andere oorsprong moet aannemen; daarop schijnen ablautende vormen als mnl. onderlange, sonderlange (naast -linge) te wijzen. In het gebruik stonden de bijwoorden op -linge naast die op -like (§ 164): mnl. haestelinge: haestelike, cortelinge: cortelike, mondelinge: mondelike.



[p. 210]

* 171. Een andere uitbreiding van 't suffix idg. -ko- had in 't idg. plaats door voorvoeging van -(i)s-, b.v. lt. prīscus < *pri-iscus; misschien is dit suffix, germ. -iska-, uitgegaan van comparatieven op -is (vgl. § 127). In 't germ. werd dit -iska (ndl. -s [§ 82], hgd. -isch) vooral achter znw. veelvuldig gebruikt, in de eerste plaats tot aanduiding van de herkomst; b.v. got. judaiw-isks, fynik-isks, gud-isks, mann-isks, barn-isks; doordat een woord als judaiw-isks (net w uit de u-stam Judaius) werd opgevat als judai-wisks, ontstond in 't got. een nieuw suffix -wisk-: haiþi-wisks ‘wild’ oorspr. ‘van de “heide” (got. haiþi, vr. - stam) afkomstig’. In 't ndl. staat -s niet alleen achter znw. (o.a. heus: hoofs: § 40b), maar ook achter w.w. (b.v. steel-s, waak-s, speel-s, kleum-s; mnl. woeker-sc; bij Spiegel krib-sch ‘kribbig’) en bvnw. (b.v. groot-s; stuur-s met verdringing van 't oudere adjectief mnl. stuur); zeer zelden achter bijwoorden (aafs); soms achter een vreemd suffix (b.v. Italiaan-s).

In de 17de eeuw wordt het ruimer gebruikt dan bij ons in de betekenis van ‘gesteld op’; b.v. goed kroeghs, goed kercks ( De Brune) (nog ndl. kerks), haats ( Vondel e.a.); vgl. ook: ben jij huppels, ick ben sprinks (Rommelpot str. 35). De toenmalige produktiviteit blijkt ten duidelijkste uit Warenar vs. 1354: ick bin wel te helfte beter Claertjes as Vaers. Vgl. dial. de zegswijze hij is kerks lijk een hond klippels.

Op zich zelf staan mnl. mals ‘overmoedig’, got. -malsks (untilamalsks ‘onbezonnen’; te scheiden van mals ‘zacht’); mnl. vers; in deze woorden ontbrak van ouds de tussenvocaal. Ndl. vals heeft een geheel andere oorsprong; 't is ontleend aan lt. falsus. Vgl. nog wvla. hers(ch) ‘hersteld in z'n vorige staat’ bij her.

In adjectieven, van plaatsnamen afgeleid, heeft het zich van Vlaanderen uit uitgebreid ten koste van -er (§ 175 met Opm. 3); b.v. Gouds, Hilversums, Larens, Gronings naast Groninger, Haarlems naast Haarlemmer (olie, -hout).

Bij substantivering wordt het suffix -s in 't ndl. in 't bijzonder tot aanduiding van de herkomst van vrouwelijke personen gebruikt, b.v. 'n Groningse.

Opm. Zie voor de verdere ontwikkeling van dit suffix -se § 180.

Het naast -s voorkomende -isch is aan 't hgd. ontleend. Men vindt zulke vormen sedert de 16de eeuw, b.v. afgodisch (Bijbel van Deuxaes, 1562), eerdisch ( Marnix), geschiedisch ( v. Mander), bij Vondel barbarisch (II 76 en vaker), heldisch (I 490 en vaker), Iodisch (II 82), lentisch (II 784) (naast lentsch), poëtisch (I 499). Wij kennen nog afgodisch, nieuwmodisch, wettisch, maar gebruiken het voorts veelvuldig in afleidingen uit vreemde woorden en uit namen, in navolging van lt., resp. fra. adjectiva op -icus, resp. -ique

[p. 211]

(b.v. historisch, komisch, chemisch; Semitisch, Indisch) of van lt. adjectiva op -(ar)ius (b.v. vegetarisch); ook in nieuwvormingen als Israëlisch (met differentiëring van betekenis tegenover Israëlitisch).

Met de bovenbesproken bvnw. op -s uit -(i)sk- zijn samengevallen die bvnw., welke als bijvoeglijke vormen bij adverbia op -s (§ 164 en § 194b) gevormd zijn; b.v. hedendaags (oudnndl. heden-daegs, huydens daaghs als tijdsbepaling; bij Hooft reeds hedendaegsch als adj.); rechts, links, overlangs, schriks ‘scheef, schuin’, vergeefs. Ook kunnen er soms samenstellingen uit ontstaan, b.v. tweeloops (geweer) uit tweeloops-(geweer).

 

* 172. b. Idg. -tu- diende tot vorming van mannelijke verbaalabstracta, b.v. lt. cantus (: cano), quaestus (: quaero), eventus (: evenio). Hieraan beantwoordt germ. (got.) -þu- / -ðu- (-tu- na f en s), b.v. got. dáuþus (: diwan), flōdus (: vloeien); met veranderde betekenis hliftus ‘dief’ (: hlifan); zie voor aanraking met de -ti-stammen § 167. In 't ndl. bleef alleen de consonant (-t) over, b.v. dood, vloed, (te) kust (en te keur); maar: vrede (vgl. § 106).

Door aanvoeging van de vocaal van 't werkwoord, indien dit een idg. ā had (vgl. b.v. lt. ornā-tus bij ornā-re), ontstond een nieuw suffix idg. -ātu-, b.v. lt. magistr-ātus, sen-ātus, princip-ātus. Hieraan beantwoordt germ. -ōþu- (got. -ōþus, -ōdus), b.v. got. *gaunōþus (: gaunōn), wratōdus (: wratōn); en, afgeleid van een adjectief, got. manniskōdus. In 't ndl. is de klankwettige vorm armoed (bewaard in armoedzaaier); er zijn enkele resten, waar de vocaal door de zware bijtoon bewaard bleef: arm-oe-(de), (met secundair suffix: vgl. geboorte § 162; armoe is secundair t.o.v. armoede), klein-ood; vgl. dezelfde eigenaardige afwisseling van vocaal in hgd. Arm-ut, Klein-od (daarbij, met uitgestoten vocaal, hgd. Gegen-d = mnl. jegenode); uit 't hgd. ndl. sier-aad (met dezelfde ontwikkeling van vocaal die men ook aantreft in 't evenzo gevormde hgd. Heimat).

Het suffix germ. -þu- kwam vaak achter werkwoorden, eindigend op (got.) -atjan (hgd. -zen, b.v. blitzen, schluchzen), waarbij dan -at-þu- werd tot -assu, b.v. got. ibn-assus (bij *ibn-atjan). Dit -assu- werd dan ook achter andere werkwoorden gevoegd; vandaar b.v. got. gudjin-assus (: gudjinōn), fraujin-assus (: fraujinōn), hōrin-assus (: hōrinōn), lēkin-assus (: lēkinōn); ook achter andere woorden: got. ufar-assus. Doordat men gudjin-assus enz. opvatte als gudji-nassus (bij gudja enz.), ontstond een nieuw suffix -(i)nassus, b.v. got. blōtinassus (: blōtan), waninassus (: wans). Dit suffix verschijnt in 't owgm. met een tengevolge van de zwakke toon verzwakte vocaal; vandaar de onzekerheid in schrijfwijze in b.v. 't ohd. (-nassi, -nessi, -nissi, -nussi). Uit het owgm. ontwikkelde zich ndl. -nis (mnl. -nisse, -nesse, hgd. -nis, eng. -ness), dat niet meer produktief is. Meestal gaat tegenwoordig, behalve na l en r, na beklemtoonde syllabe een aan -nis vooraf, dat dan een vrij

[p. 212]

sterke bijtoon krijgt; is de onmiddellijk voorafgaande syllabe sterk beklemtoond, dan heeft -nis zwakke toon (b.v. vonn s; holl. vull s, tegenover 't officiële vuílnìs). Terwijl sommige van de woorden afleidingen zijn van nomina (b.v. van subst.: beeltenis, van adj.: droefenis), behoren andere bij werkwoorden, b.v. mnl. kennisse, lavenisse, en het jongere ndl. belijdenis. Een aantal van de met -nis gevormde woorden zijn van verleden deelwoorden afgeleid, b.v. gevangenis, vonnis (< mnl. vontnisse; vgl. § 48 Opm. 1; zonder ge-, vgl. § 136); bekente-nis, gebeurte-nis; bij begrafenis (§ 48) kan men ook aan de infinitief denken: vgl. verbintenis. Geschiede-nis is in de plaats van mnl. gescienisse gekomen (vg. § 48 Opm. 1).

Opm. 1. De got. werkwoorden op -inōn behoren oorspronkelijk bij n-stammen; een w.w. als hōrinōn (: hōrs) is naar 't voorbeeld hiervan gevormd.
Opm. 2. Als een uitzondering op het gebrek aan produktiviteit doet aan: belevenis ‘wat men beleefd heeft’, een contaminatie van beleven en hgd. Erlebnis, die snel carrière maakte in onze tijd.

Ontlening van affixen

* 173. Indien de inheemse suffixen door verschrompeling niet meer in staat zijn, hun functie voldoende te vervullen, ontstaat de behoefte aan ontlening van suffixen met volle klank. Men neemt zo'n achtervoegsel natuurlijk niet in abstracto over, maar ontleent aan de vreemde taal bepaalde woorden, die met dat suffix zijn gevormd, en voegt dan in navolging van deze achter inheems materiaal hetzelfde achtervoegsel, en eerst dan kan men spreken van een ontleend suffix. De kans op produktief worden bestaat vooral, indien de ontleende woorden door de betekenis, die het suffix aan 't geheel geeft, worden bijeengehouden. Men ziet dan in de regel dat, althans aanvankelijk, men bij de nieuw gemaakte eigen woorden blijft in dezelfde betekenissfeer. Is er geen eenheid van betekenis in de ontleende woorden, dan is de kans op produktiviteit gering; vgl. b.v. -eel, dat, hoewel in onze taal een groot aantal woorden op -eel < fra. -el zijn overgenomen, niet produktief geworden is; immers reeds in 't fra. is er weinig eenheid onder de hiermee gevormde woorden, zoals met 't oog op de verschillende herkomst (lt. -ellum en -alis) begrijpelijk is.

In het volgende worden alleen die suffixen - en praefixen - besproken, waarvan het belang in de ontwikkeling van de vorm ligt, niet die welke uitsluitend of bijna uitsluitend voor de semantiek van gewicht zijn; vooral de jongere, maar ook enkele oudere (b.v. -ioen, -ment, -teit) zijn dus terzijde gelaten.

Opm. Verschrompeling is niet altijd de aanleiding tot ontlening: -ier was ‘luxe’ naast het oudere (weliswaar ook ontleende) -aar, -es(se) evenzo naast -in(ne).


[p. 213]

I. Uit het Latijn

174. a. Ndl. aarts- uit vulg. lt. arci- (lt. archi-).

Terwijl in 't got. met dit praefix alleen het leenwoord ark-aggilus voorkomt, werd lt. gri. archi- in de Romaanse vorm arci- in 't owgm. opgenomen; vandaar ndl. aarts- < *ertsi- (§ 57c), vóór substantieven (bijna alleen persoonsnamen), en later ook vóór adjectieven; met versterkende betekenis (aarts-slim enz., bij Vondel aarts-hemelsch); in 't bijzonder in verbinding met woorden die iets ongunstigs aanduiden, produktief (aarts-dom enz.).

Opm. Ndl. arts uit hgd. Arzt, 't zelfde woord als mnl. arsater, uit mlt. arc(h)iater ‘eerste geneesheer’. In jongere woorden vindt men vaak archi-, deels met gri., deels met fra. uitspraak; hier is echter niet het praefix, maar het gehele woord overgenomen. Mnl. ertsc (b.v. ertsce, aertsce bisscop) behoort in de literaire taal.

* 175. b. Ndl. -aar, -er uit lt. -ārius.

 

In 't ogm. was het achtervoegsel -an- produktief geworden ter aanduiding van nomina agentis, b.v. got. nuta ‘visser’; mnl. hertōge; ndl. bōde enz. (vgl. § 107). In 't bijzonder werd -jan- voor dit doel gebruikt (vgl. b.v. got. fiskja ‘visser’, timrja ‘timmerman’, arbinumja ‘erfgenaam’); kempe ‘kampvechter’ (nog als familienaam Kempe); schenke ‘schenker’ (nog als familienaam Schenk, Wijnschenk); scutteschutter’ (nog oostndl. schut ‘boswachter’; en de familienaam Schut), hgd. Schütze. Hier kan men nog aan toevoegen mnl. herde ‘herder’, hgd. Hirt, dat echter een -ja- stam is. Toen echter dit suffix -e door de afslijting van de uitgangen geen voldoende aanduiding meer was, ontstond de behoefte aan een nieuw achtervoegsel, en dit werd gevonden, reeds in 't ogm., door de ontlening van lt. -ārius; in plaats van herde, schenke, scutte traden mnl. herder, schenker, scutter (vgl. § 162).

Reeds in 't got. wordt -areis - maar nog slechts in geringe mate - gebruikt tot vorming van mannelijke persoonsnamen, aanvankelijk achter substantieven, waarschijnlijk ook reeds achter werkwoorden; b.v. bōkareis (: bōka), mōtareis (: mōta), wullareis (: wulla); sōkareis (: sōkjan; eerder dan bij een hypothetisch *sōka). Dit -areis (vermoedelijk -ăreis) is ontleend aan lt. -ārius: woorden als bōkareis, wullareis zijn gevormd naar 't voorbeeld van lt. librarius, lanarius. In 't owgm. is lt. -ārius ook overgenomen: ndl. -er (-der: § 56) en -aar; zo b.v. uit lt. molinarius ndl. molenaar: mulder; uit lt. monetarius ndl. munter, uit lt. cellarius mnl. kelre (nog als geslachtsnaam Keller, naast Kelder), waarnaast uit lt. cellenarius mnl. kelnare (uit 't hgd. ndl. kellner); uit lt. ru(p)tarius ndl. ruiter; uit lt. tolonarius ndl. tollenaar; naar lt. carpentarius mnl. wagenaer, naar lt. sellarius mnl.

[p. 214]

sadelaer. In tweesyllabige woorden verzwakt -aar gemakkelijk tot -er door de zware klemtoon op de eerste syllabe; beter blijft -aar bewaard in drie-syllabige, dus b.v. -enaar. Voor de tegenwoordige taal kan de regel aldus geformuleerd worden: ‘het suffix heeft de vorm -aar na n, l en r, als een onbeklemtoonde syllabe voorafgaat. In alle overige posities heeft het de vorm -er, behalve in leraar, minnaar, (over)winnaar, dienaar, en zondaar’. Vgl. b.v.: molenaar, regelaar, peuteraar, enerzijds, en anderzijds: bakker, bestuurder, gieter (tweesyllaba), prediker, verkondiger, vonnisser (drie-syllaba). De dissyllaba leraar enz. zijn archaïsche vormen, tevens behoren ze tot de hogere stijl, waartoe ook beoordelaar nog te rekenen is. Het Zuidnederlands schijnt -er te verkiezen boven -enaar; vandaar dat in de mnl. overlevering deze vorm meer op de voorgrond treedt. Vgl. b.v. noordndl. metselaar: zuidndl. metser (zo in hoofdzaak reeds verdeeld in 't mnl.); ndl. leugenaar: mnl. lieger. Andere mnl. vormen zijn: camerare, predicare, toverare, molenare; sondare, lerare: rid(de)re, recht(e)re, jaghere, sanghere, sondere, lerere. Het suffix is zeer produktief ter vorming van nomina agentis; men vindt het ook in talrijke persoonsnamen (b.v. Lecker [Warenar], eig. = smuller; Tichelaar enz.). Secundair vormt het zaaknamen, oorspronkelijk doordat men daarin ook het begrip van agens voelde, b.v. gieter, klapper ‘register’, klopper, loper, wekker, wijzer, meter, (ijs)breker, waaier, (kurke)trekker. In verschillende van de genoemde voorbeelden ligt de passieve betekenis niet ver af, zoals die alleen mogelijk is in b.v. twijfelaar ‘een kledingstuk, waarbij getwijfeld wordt, of het lang of kort is’, aflegger, rokertje; dial. voor ‘aardappels’: eters, poters, schelders, zetters; ‘een kaart die gewend wordt om de troef aan te geven’: wender. Augmentatieve waarde (vgl. -en § 185) wordt (Antwerpen en Leuven) gevoeld in Rikker (bij Rik < Hendrik), Frenner (: Frans), Flupper (: Filip), in appellativa beners ‘dikke benen’, ne grote poller ‘hand’.

Naast -aar ontwikkelde zich door de in § 162 besproken verschuiving -e-naar. Reeds in de ontleende woorden ging soms een n vooraf, b.v. molenaar, kelnare, tollenaar (zie boven); vgl. voorts o.a. wagen-aer (Wage-naar), leugen-aar, winn-aar, dien-aar, Antwerpen-aar, Leiden-aar; verder enkele andere woorden, waar -naar door dissimilatie ontstaan was: mnl. tovenare, woekenare en misschien mordenare (naast tover-are, woeker-are, mord-are; mordenare bij 't w.w. mnl. morderen?); 16de-eeuws cloestenaer (: mnl. cloesteraer). Onder invloed van genoemde en dergelijke woorden ontstonden b.v. mnl. sculdenaer, constenaer, grondenaer, pachtenaer, trompenaer naast sculder, conster, gronder, pachter, tromper; oudnndl. provisenaar ‘plaatsvervanger van een ambtenaar’, tiendenaar (bij Hooft als vertaling van lt. decumanus), tochtenaar ‘vruchtgebruiker’; nndl. ambtenaar, bultenaar, harpenaar; vla. landenaar. In 't bijzonder ter aanduiding van bewoners

[p. 215]

van een plaats, b.v. Hagenaar, Luikenaar, Deventenaar; vgl. ook Hoog-stratenaar ( Cam. Obsc.: Gerrit Witse).

Opm. 1. Een andere dissimilatie in martel-aar. Geen dissimilatie in laster-aar. Gemoveerd masculinum: weduw-naar, mnl. wedewer, wedewaer (wvla. wedewaar). Geheel anders baker (§ 149).
Opm. 2. Misdadiger en reiziger (reeds mnl. reiziger, maar nog in de betekenis ‘ruiter’; later is de betekenis onder invloed van reizen gewijzigd) staan in de plaats van ouder mnl. misdader en reiser, vermoedelijk onder hgd. invloed; vgl. de adj. missetätig en reisig (ndl. rijzig met een onder invloed van rijzen gewijzigde spelling en betekenis), die -er als buigingsuitgang konden krijgen.
Opm. 3. Met -er is een ander -er samengevallen, dat in 't ogm. -varii (in bij de klassieken overgeleverde namen) luidde en tot het vormen van samenstellingen, in 't bijzonder in volksnamen, gebruikt werd; b.v. Angri-varii, oorspronkelijk = ‘weidebewoners’, Baioarii ‘Beieren’. Zo is ook een woord als burger, ohd. burgari, ontstaan uit *burg-wari ‘stadbewoner’, (vgl. ags. pl. burg-ware). Hetzelfde -er leeft ook voort in Amsterdam, ouder Amstelre-dam. Zie voorts § 171.
Opm. 4. Door middeleeuwse ontlening verschijnt het suffix in aansluiting aan een ofra. dialectische vorm als mnl. -arijs (-aris), nu -aris; b.v. notaris, secretaris, falsaris, rudarijs.

In 't hgd. ontwikkelde zich, onder invloed van woorden als Bettl-er, Gürtl-er, Sattl-er, Ziegl-er een nieuw suffix -ler, b.v. Künst-ler, Tisch-ler.

Formeel kan men hiermee vergelijken de ontwikkeling van -elaar, zelden -laar, uit -aar als suffix voor boom- en struiknamen, desgelijks op het lt. suffix -arius berustend. Aan gallo-romaanse vormingen als pirarius ‘pereboom’, pomarius ‘appelboom’, nucarius ‘noteboom’ (ook overgenomen als okker-: § 52b) en vooral mespilarius ‘mispelboom’, nuclearius ‘noteboom’ beantwoorden mnl. mispel-aer, appel-aer, via okelaar, oudnndl. hazel-aar, en onder invloed hiervan ontstonden dan met het suffix -elaar mnl. perelaer, roselaer, kerselaer, criekelaer, notelaer, prumelaer. Het is een typisch zuidndl. vorming; slechts het woord hazelaar is ook in 't noorden ingedrongen; de overige slechts in de literaire taal. 't Zijn alle namen van cultuurbomen (vruchtbomen) en -struiken; eerst in jongere tijd vindt men dichterlijke uitbreiding tot andere boomnamen, b.v. oudnndl. eeckelaar, kastanjelaar (beide bij Vondel), iepelaar. Ook toponymisch wordt het in 't zuiden veel gebruikt, b.v. De Hazelare, De Kerselare, De Mispelaere.

 

* 176. Het hierboven behandelde suffix lt. -ārius is nog op een andere wijze en in een andere vorm in onze taal gedrongen, n.l. door middel van het Frans. Lt. -ārius > fra. -ier, waaruit ndl. -íer (achter znw.), b.v. reeds mnl. officier, bankier, barbier; herbergier, afgodier; oudnndl. flessier ‘iemand