|
|
|
| |
| | | |
Margraten (Ned. Limburg)
De plaatsnaam Margraten, bij Gulpen in (Ned.) Zuid-Limburg, werd door
S. Corsten
als een regionale vorm van Sancta Maria ad gradus, de
naam van een Keulse kerk, beschouwd(1), maar werd door
P.L.M. Tummers
tot Sente Marien Rod herleid(2). Een onderzoek van de
oudste vormen en hun bronnen heeft ons er van overtuigd, dat het toponiem
Margraten wel uit een regionale vorm van Sancta Maria ad
gradus is ontstaan, maar dat zijn huidige vorm aan een verandering in
interpretatie en/of betekenis moet worden toegeschreven.
De vormen Sente Marien Rod (Nederlands) en Sancte
Marie Rode (Latijn) staan in een origineel document, dat niet uit 1248
dateert, zoals Tummers schreef, maar uit 1284(3). In dat document
verklaarden de priorin en het convent van Sinnich (B.) aan een zekere Symon, die
genoemd werd op Sente Marien Rod, en diens vrouw Margareta
acht bunders, die in territorio de Sancte Marie Rode predicto
bij het huis van genoemde echtelieden lagen, voor 16 jaren verpacht te hebben.
De identificatie van die toponiemen met Margraten werd voor het eerst door
DD. Brouwers
gemaakt(4).
Maar uit niets blijkt enige connectie met Margraten. De vermelding in territorio is te vaag om er met zekerheid iets naders over dit Sente Marien Rod uit af te leiden. De omstandigheid, dat de
pachter Symon op Sente Marien Rod en niet van
Sente Marien Rod werd genoemd, suggereert o.i. eerder een kleine
nederzetting dan een kerkdorp(5). | | | | Uit de contekst valt al evenmin iets
over de localisatie van dat toponiem op te maken, want buiten Sinneke (Sinnich) werd geen andere plaatsnaam vermeld. Het feit, dat
het klooster van Sinnich in 1379 goederen te Epen bezat en in 1614 eigendommen
te Margraten had(6), kan o.i.
niet als een doorslaand bewijs gelden.
Een beroep op het Akense Mariastift, dat ‘met zekerheid goederen had te
Margraten’(7), legt ook geen gewicht in de schaal. De grote binnen
het kerspel Margraten gelegen hoeve, die aan dit stift toebehoorde, werd in 1471
vermeld als ‘Lehn und Gut op den Hoelande’. Zij was reeds
vóór 1458 in leen gegeven aan de Akense schepenfamilie van Raede, van Raed of van Roide. Vandaar
dat ze in 1502 als de ‘Hof van Roide opt Holant’ en in 1508
als ‘Gut(es) op den Hoeland gen. der Hof van Raed’ vermeld
werd. Toen diezelfde hoeve in 1571 aan het geslacht van Merode
of van Meraide werd in leen gegeven, schreef men
‘den Hof von Meraide upt Hoelant’(8). Nadat de hoeve in andere (leen)handen was overgegaan
sprak men van de ‘Hof zu St. Margraeten’ (1634), de
‘Hof Margraten uffen Holant’ (1654) of ‘den
Stocklehn zu Margraten uffen Holandt genannt’ (1716)(9). Daaruit
blijkt, dat Hoelande, Hoelant of Holant een
plaatselijke veldnaam was, maar dat van Roide, van Raed en von Meraide geïmporteerde benamingen voor de hoeve
waren.
Doch zelfs indien de toponiemen Sente Marien Rod en Sancte Marie Rode te Margraten zouden dienen te worden
gelocaliseerd, zou daaruit nog geenszins volgen, dat laatstgenoemde plaatsnaam
uit die oude vormen zou zijn ontstaan. Wij zijn van mening, dat dit niet het
geval is geweest. Vooreerst is het nog een vraag of de ontwikkeling van de
voornaam Maria tot Merge (in het Hoogduits)
eveneens voor het Nederlandse taalgebied gold, zoals Tummers
aan- | | | | nam. Ook komt ons -raten als een
meervoudsvorm van -ra(a)t,
in de betekenis van -rath of -rade, zoals
Tummers voorstond, erg verdacht voor. De ons bekende
meervoudsvormen van rot, root, rat, enz. bevatten een -d-(10). De ontwikkeling van
het enkelvoud Rod(e) tot een meervoud -raten zou trouwens een betekenis-verandering zijn geweest, die
nog een of meer andere Rode's zou omvat hebben.
Bovendien lag er tussen het Sente Marien Rod van 1284 enerzijds
en de vroegste vermeldingen van de plaatsnaam Margraten
(1312-1350)(11) en van de familienaam van Margraten (1334)(12) anderzijds slechts
ongeveer een halve eeuw. Dat lijkt een ontoereikend tijdsspan voor de
ontwikkeling van het eerste tot het tweede toponiem. Die tussenperiode kan zelfs
tot een tiental jaren worden gereduceerd, want reeds in 1294 werd een geslacht
de Sancta Margareta vermeld, dat enige tijd later als van Sent Margraten geïdentificeerd werd(13). Zodoende mogen wij de
ontwikkeling van de plaatsnaam Margraten uit het bovengenoemde Sente Marien Rod wel uitschakelen. Op de bewering, dat Margraten uit
Margaretha-rade zou zijn ontstaan(14) hoeven wij niet verder in te gaan.
In 1075 werden goederen te Montzen (B.), Gemmenich (B.), Valchenburch
(waarschijnlijk Oud-Valkenburg), Epeno (Epen) en Wilere (Wylre) aan de pas gestichte kerk van Sancta
Maria ad gradus te Keulen geschonken(15). De ons bekende Keulse vormen van die naam luidden: Sente Marien cen greden (1263), sente Marien zu den
grieden (1317), sente Marien zu greden (1329), sent Mariengreden
| | | | (1369)(16) en
Sent Margreden (1499)(17). Men verwarre die
vormen niet met Mariengarten (sancta Maria ad
Hortum), de naam van een andere Keulse kerk. Ook te Mainz bestond een
Mariengreden, dat eveneens Sancta Maria ad
gradus betekende(18).
De in 1075 aan de kerk van Sancta Maria ad gradus geschonken
goederen lagen inderdaad ten dele in de streek van (het latere) Margraten. Maar
sedertdien ontbreken alle verdere gegevens over bezittingen van die kerk aldaar.
Er schijnt dus reeds vroeg een overdracht (verkoop) te hebben plaats gehad.
Corsten
schreef: ‘Die Stiftsherren scheinen die zerstreut gelegenen
Güter zu dem heutigen Ort Margraten konzentriert zu haben, indem sie
kauften und tauschten. Noch im 13. Jahrhundert müssen die ihren
Besitz an die Limburger verloren haben’(19).
De hertogen van Brabant verwierven de goederen in en bij Margraten - tesamen met
het hertogdom Limburg en de heerlijkheid 's Hertogenrade - in 1288(20). Het is
evenwel geenszins noodzakelijk om met Corsten te concluderen,
dat de goederen van de Keulse kerk aan de hertogen van Limburg - als voorgangers
van de hertogen van Brabant - zouden zijn gekomen. Het lijkt ons niet
onwaarschijnlijk, dat het Akense Mariastift (een deel van) zijn bezittingen te
Margraten van die kerk overnam. Het vroege voorkomen van een geslacht van Margraten te Aken kan met een dergelijke gang van zaken in
verband hebben gestaan.
De (meeste) eigendommen en rechten van de hertogen van Limburg te Margraten
kunnen op andere wijzen zijn verkregen. In dat geval zouden de oudste bronnen,
waaruit ca. 1312 de verschillende oude vormen van het toponiem Margraten in het
leenboek van de hertog van Brabant gecopiëerd werden, wellicht zelfs
aanzienlijk vroeger dan 1288 kunnen worden geplaatst. Die oudste bronnen over
eigendommen en rechten van de hertogen van Limburg in die streek kunnen best
aangelegd zijn, toen de Keulse kerk nog bezittingen te
‘Margraten’ had of althans vrij kort nadat zij deze
vervreemd had. Daarop | | | | schijnt o.i. de vermelding van Margraten als
Sancta Maria ad Gradus in die bronnen te wijzen.
Al is er dan ook niets bekend omtrent een later bezit der Keulse kerk Sancta Maria ad gradus te Margraten, toch biedt de
schenkingsakte van 1075 een goed uitgangspunt voor de verklaring van dat
toponiem. Vooreerst maakt die akte begrijpelijk, dat op een plaats (4,5
à 5 km) ten zuiden van Valchenburch, (5 km) ten
zuid-westen van Wilere en (7,5 km) ten noord-westen van Epeno, een toponiem ontstond, dat een regionaal equivalent van
het Keulse Mar(ien)greden
was, en dat in het Latijn als Sancta Maria ad Gradus werd
weergegeven. Bovendien lag er tussen die schenking (1075) en de vroegste
vermelding van (van) Margraten (1312-1350 en
1334) voldoende tijd om een ontwikkeling tot laatstgenoemde vorm toe te laten.
Aanvankelijk waren de secretarissen van de hertogen van Limburg zich
klaarblijkelijk van de oorspronkelijke betekenis van dit toponiem bewust.
Derhalve schreven zij in Latijnse teksten, dat sommige goederen van de hertogen
ad Sanctam Mariam ad Gradus, andere apud
Galopiam (Gulpen) et apud Sanctam Mariam ad Gradus,
weer andere juxta Sanctam Maria(m) ad Gradus, en nog andere inter Sanctam Mariam ad
Gradus et Welpesdaele (Welsden) lagen, en dat zij bovendien een decimam (tiende) Sancte Marie ad Degres
genoten; tevens vermeldden zij unum bonarium terre quod fuit
Johannis de Sancta Maria ad Gradus(21). De vorm Sancte Marie(gen.) ad Degres is gedeeltelijk Frans; zo noemde ook Ernst die Keulse kerk: ‘L'église de S(ainte)
Marie-aux-Degrés’(22). De
in die vermeldingen vervatte localisaties en de in verband daarmee genoemde
personen(23) nemen alle twijfel weg, dat hier met
Sancta Maria ad Gradus de (later aldus genoemde) plaats
Margraten werd aangeduid.
Tummers schoof die zes maal vermelde vorm ter zijde met de
opmerking: ‘Diezelfde bron vermeldt dan wel de vorm Sancta Maria ad gradus, maar deze vorm moet concurreren met andere
vormen, die talrijker zijn’. Doch van de 12 andere vermeldingen, die
in het ‘Livre des Feudataires’ staan, luiden er zes Sancta Margareta, twee | | | |
Sainte Margriete en één Sainte Margarete(24), d.w.z. negen vormen, die
door
Tummers
zelf reeds eerder aan ‘etymologiserende
oorkondenschrijvers’ werden toegeschreven en die volgens hem
gediskwalificeerd dienden te worden. De overige drie vermeldingen, nl. Sainte Margerote (2 ×) en Margraten(25), kunnen nauwelijks als concurrenten worden beschouwd.
Laatstgenoemde vorm is trouwens de hedendaagse versie, d.w.z. het eindproduct
van de ontwikkeling, die het onderwerp van deze studie is. Wij zien dan ook geen
enkele reden om aan de authenticiteit en de geldigheid van de vorm Sancta Maria ad Gradus te twijfelen.
Na verloop van tijd schijnt de oorspronkelijke betekenis van de Nederlandse vorm
in vergetelheid te zijn geraakt. Men schreef wel Sainte
Margerote (1312-1350), Sente Margerotten (ca. 1355)(26), Sente Margroten (ca. 1374)(27), Sint
Margraten (1420)(28), Sint
Margroten (1421)(29), St. Margraeten (1479), Sint Margraten (1553) en St. Margraeten (1634)(30), maar tevens beschouwde men
Sancta Margareta (1294)(31),
Sainte Margriete (1312-1350)(32) en Sinte Margaretha (1363)(33) als Latijnse,
Franse en Nederlandse equivalenten.
Deze interpretatie moet reeds vroeg hebben plaats gehad, want in 1294 en 1299
werd het (later aldus vermelde) geslacht van Sent
Margraten(34) in Latijnse teksten de Sancta Margareta
genoemd(35). Hun
‘Rittersitz’ ten noorden van Aken werd sedert 1373 als Margraten
| | | | vermeld(36).
Vandaar de huidige Margratenstrasse te Aken(37). Ook in 1383 werden te Maastricht wonende leden van een familie,
die zich in 1382 van St. Margroeten en in 1394 van sinte Margroten noemde(38), in Latijnse
teksten als de Sancta Margareta weergegeven(39).
Diezelfde interpretatie moet ten grondslag hebben gelegen aan de keuze van
‘Sinte Margreten, die heylge
Jouffrouwe’(40) tot patrones van de
parochiekerk. Wij hebben niet weten te achterhalen wanneer deze laatste gesticht
werd, maar in 1364 was er sprake van ‘den prochien ende kerspell van
Gulpen en van zynte Margereten’(41). Die keuze van patroonheilige versterkte niet alleen de benamingen
van die plaats naar die heilige, maar maakte die benamingen voortaan ook zinvol.
Vandaar, dat men dit kerspel in kerkelijke archieven onder de jaren 1553 en 1558
nog als Sancte Margarete (gen.) vermeld vindt(42).
Merkwaardigerwijze schreef men in 1511 Synt marien grate(43), d.w.z. Synt-marien-grate (niet Synt Mariengrate, zoals Tummers citeerde),
kwam in 1694 de vorm Mariëngrat voor en bevatte de
Ferraris-kaart van 1777 de versie St. Mariengrat(44). Ingeval die vormen noch aan vroegere bronnen ontleend werden,
noch op vergissingen berustten, zien wij een historisch bewustzijn bij de
schrijvers van die documenten als enig alternatief. In dit laatste geval zou dit
allicht aan een lokale of regionale traditie toe te schrijven zijn.
De Duitse vormen van de naam der Keulse kerk Sancta Maria ad
gradus vertonen alle een -d-, terwijl alle Nederlandse
varianten van het toponiem Margraten een -t- bevatten. Volgens Tummers zou die -t- in Margraten niet door de naam der genoemde Keulse kerk kunnen
worden verklaard. Die zienswijze lijkt juist te zijn.
| | | |
Grât was de Middelnederduitse vorm(45) en graet was de Middelnederlandse versie(46) van ons hedendaagse graad in de
betekenis van ‘stap’ of ‘trap’. Dit
woord kwam te Wijk-Maastricht als toponiem voor onder de vormen Groet (1399-1400), Groetken (1414), Graetken (1445), Graetgen (1472), Graetgien (1560), enz.(47). Daarmee zijn wel
oe, o en a in Margroeten,
Margroten en Margraten verklaard, maar is het
voorkomen van de -t- in die zogenaamde meervoudsvormen nog
niet opgelost, want het Maastrichtse toponiem werd slechts in het enkelvoud
vermeld. Ofschoon voor het Oudduits graete, voor het
Middelduits grête en voor het Middelhoogduits grâte(48) als meervoudsvormen werden opgegeven, is uit
het Middelnederlands slechts de meervoudsvorm graden
bekend(49).
Derhalve lijkt de -t- in het toponiem Margraten op een andere
wijze verklaard te moeten worden. Wij zagen, dat de oude vormen van dat toponiem
al zeer vroeg als Sint Margreten, d.w.z. (de) Heilige
Margareta of Margriet, werden geïnterpreteerd. Zodoende werden die
vormen niet langer meer als meervoudsvormen beschouwd. Bovendien ligt het voor
de hand, dat die interpretatie tot een contaminatie tussen vroege varianten van
het toponiem Margraten en de eigennaam Margreten zal hebben
geleid. Een dergelijke contaminatie kan als een adequate verklaring voor de -t- in Margraten worden beschouwd(50).
Freeport, Long Island,
New York, U.S.A.
Arthur Schrijnemakers
|
(1)De
Maasgouw 84 (1965), kol. 98.
(2)Mededelingen van de Vereniging voor Naamkunde te Leuven en
de Commissie voor Naamkunde te Amsterdam (voortaan afgekort: Meded.) 43 (1967), pp. 58-59.
(3)Bulletin de la Société
verviétoise d'Archéologie et d'Histoire 5
(1904), pp. 115-116. - Het jaartal 1903 op de titelpagina van het 5de volume
van genoemd bulletin is een drukfout voor 1904.
(4)Die auteur identificeerde de
toponiemen Alsterode (1241) en Scapsberg
(1274) o.i. ten onrechte met respectievelijk Amstenrade en Schaesberg ( Op. cit., pp. 102-103 en 111).
(5)Elders kwam dat toponiem
als veldnaam voor. Zo schonk graaf Dirk van Kleve in 1249 aan het klooster
van Bedburg een stuk nieuw ontgonnen grond: terra novale, s.
Marie quod vulgo dicitur Sante Marien roth (Th. J.
Lacomblet, Urkundenbuch für die Geschichte des
Niederrheins, II, nr. 356, p. 187). Tevens was dit de naam van twee
vrouwenkloosters. Zo lag er een sedert 1239 vaak vermelde vrouwelijke abdij
Marienrode te Rotem bij Halen (Belg. Limburg) ( J. Coenen, Limburgsche Oorkonden ( Maaseik, 1932-42), passim), terwijl een klooster van
Norbertinessen bij Koblenz eveneens Marienroth of Marienraet heette ( Luise Freiin von Coels
von der Brügghen, Die Lehensregister der Propsteilichen
Mannkammer des Aachener Marienstiftes 1394-1794 ( Bonn,
1952), p. 426).
(6)Bulletin Soc.
verviétoise 5 (1904), pp. 145 en 182.
(7)Meded. 43
(1967), p. 59.
(8)Luise Freiin von Coels, Op. cit.,
pp. 244-245. - Vermoedelijk werd het Akense geslacht van
Raede aldus genoemd naar het kasteel Rahe bij Aken, dat eertijds Rode en Raede heette. Het geslacht van Merode, d.w.z. vanme Rode, ontleende
zijn naam aan het kasteel Rode bij
Düren.
(9)Op. cit., pp. 245-246.
(10)Zo bv. Raar onder Meerssen (1347
Roder, 1382 Roderen), Raren onder
Vaals (1375 zen Roedern) en Raeren tussen Aken en Eupen
(1400 von den Roideren). De door Tummers aangevoerde - t- in de plaatselijke uitspraak
van het toponiem Welken-raedt ( Meded. 43 (1967), p. 69)
zet hier geen zoden aan de dijk, want die - t- behoort tot
de phonetische uitgang van een enkelvoudsvorm.
(11)L. Galesloot, Le
Livre des Feudataires de Jean III, Duc de Brabant ( Bruxelles, 1865), p. 213. - Dat boek werd ca. 1312 uit oudere bronnen
samengesteld en tot 1350 met eigentijdse gegevens aangevuld. Ter
onderscheiding van latere leenboeken, zoals het Stootboek
(ca. 1355) en het Spechtboek (ca. 1374), werd het
‘Livre des Feudataires de Jean III’ ook wel het Latynsboek genoemd.
(12)Bulletin de l'Institut archéologique
liégeois 11 (1872), p. 24.
(13)W. Mummenhoff, Regesten der
Reichsstadt Aachen, I ( Bonn, 1961), nrs. 521, 575 en 576.
- Publications de la Société Historique
et Archéologique dans le Limbourg (voortaan afgekort PSHAL), 69 (1933), p. 314.
(14)J. Russel, Recherches sur l'origine des noms de quelques
endroits du duché de Limbourg et autres ( Maastricht, 1865), p. 17.
(15)P. Ernst, Histoire du Limbourg, VI, pp. 110-111. - F.W. Oediger, Die Regesten der Erzbischöfe von
Köln im Mittelalter, I ( Bonn, 1954), nr.
1054.
(16)L. Ennen und
G. Eckertz, Quellen zur Geschichte der Stadt
Köln, II (1863), p. 485; IV (1870), pp. 40, 162 en 565.
(17)De Maasgouw 88 (1969), kol. 197.
(18)A. Bach,
Deutsche Namenkunde, II, 1, p. 421.
(19)De Maasgouw, 84 (1965), kol. 98. - Zie ook P.C. Boeren, De Oorsprong van Limburg en Gelre ( Maastricht-Vroenhoven, 1938), p. 63.
(20)PSHAL 69 (1933), p. 312.
(21)Galesloot, Op. cit., pp. 4, 8, 10, 99,
209 en 264.
(22)Ernst, Op. cit., VI, p. 110.
(23)De goederen ad Sanctam
Mariam ad Gradus waren in leen uitgegeven aan Arnoldus Brochars van
Maastricht (p. 4), die apud Galopiam et apud Sanctam Mariam ad
Gradus aan Arnold van Wittem (p. 8) en die juxta
Sanctam Maria( m) ad Gradus aan
Alard van Reymersdaal (p. 10).
(24)Op.
cit., pp. 10, 31, 93, 95, 100, 141, 201 en 212. Dat ook met die
toponiemen de plaats Margraten bedoeld werd, blijkt o.a. uit de namen en de
woonplaatsen van de beleenden: Chestreus van Gulpen ( apud
Sanctam Margaretam), ‘Joannes de Sainte
Margriete’, die te Eys woonde ( apud Sainte
Margriete) en Hennekin van Goedenrade ( apud Sainte
Margarete) (pp. 31, 95 en 141).
(25)Op. cit., pp.
96 en 213.
(26)Volgens H. Mosmans, De Heeren van
Wittem ( Venlo, 1923), p. 128, staat deze vorm in het Stootboek, dat ca. 1355 door Jan Stoot werd aangelegd
(fol. 77).
(27)Volgens Galesloot, Op.
cit., p. 96, staat die vorm in het Spechtboek,
dat ca. 1374 door Nicolas Specht werd aangelegd.
(28)Bulletin Soc.
verviétoise 5 (1904), p. 153.
(29)G.D.
Franquinet, Beredeneerde Inventaris der Oorkonden en Bescheiden van
het Adelijk Klooster St. Gerlach ( Maastricht, 1877), nr.
104, p. 111.
(30)Luise Freiin von Coels, Op. cit., pp. 245-246.
(31)Mummenhoff, Op. cit., nr. 521.
(32)Galesloot, Op. cit., p.
141.
(33)G.D. Franquinet, Beredeneerde Inventaris der
Oorkonden en Bescheiden van het Klooster der Predikheeren te Maastricht ( Maastricht, 1880), nr. 38 p. 63.
(34)PSHAL 69 (1933),
p. 314.
(35)Mummenhoff, Op. cit., nrs. 521, 575 en 576.
(36)B. Poll,
Geschichte Aachens in Daten ( Aachen, 1965), p. 58.
(37)L. de Crassier waarschuwde: ‘Il ne
faut pas confondre notre Margraten avec Margraten prope Aix la
Chapelle’ ( PSHAL 69 (1933), p.
314).
(38)Franquinet, St. Gerlach, nrs. 75 en 88.
(39)PSHAL 37 (1901), pp. 350-351.
(40)Bulletin Soc.
verviétoise 5 (1904), p. 139.
(41)Mosmans, Op. cit., p.
146.
(42)J. Habets, Geschiedenis van het tegenwoordig
Bisdom Roermond, I (1875), pp. 418 en 422.
(43)Franquinet, Predikheeren, nr. 100,
p. 122.
(44)Het Land van Herle 10 (1960), p. 121. - J. de Ferraris, Carte chorographique des Pays-Bas
autrichiens..., gravée par L.A. Dupuis
(1777).
(45)A. Lübben, Mittelniederdeutsches
Handwörterbuch ( Darmstadt, 1965), p.
128.
(46)J. Verdam, Middelnederlandsch
Handwoordenboek ( 's-Gravenhage, 1961), p. 228. - K. Stallaert, Glossarium, I ( Leiden,
1890), pp. 533-534.
(47)De
Maasgouw 88 (1969), koll. 193, 196 en 197.
(48)O.
Schade, Altdeutsches Wörterbuch ( Hildesheim, 1969), p. 346. - M. Lexer,
Mittelhochdeutsches Handwörterbuch, I ( Leipzig,
1872), koll. 1072-1073.
(49)E. Verwijs en J. Verdam, Middelnederlandsch Woordenboek, II (1889),
koll. 2094-2097. - K. Schiller en A.
Lübben, Mittelniederdeutsches Wörterbuch, II
( Bremen, 1876), p. 141, geven geen meervoudsvormen en
vermelden onder grât slechts enkelvoudsvormen
met een - d-.
(50)Schrijver wenst zijn dank te betuigen aan Dr. D.P. Blok
voor de van hem ontvangen adviezen.
|
|