begin  prepost
[p. 1]

Waternamen in de Oetervallei, met name te Neeroeteren

0 Inleiding

0.1.

Veldnamen, bosnamen en waternamen zijn de drie hoofdgroepen, die de grondslag vormen van een zeer groot deel van ons plaatsnamenbestand. De veldnamen zijn een onoverzienbare massa van homogene, in wezen laatmiddeleeuwse namen, die in de tweede helft van onze eeuw langzaam uitsterven. De waternamen daarentegen zijn levenskrachtig en strekken zich in een serie van over elkaar liggende lagen uit over een paar duizend jaren.

Ofschoon de studie van de waternamen of hydroniemen rijke vruchten kan dragen bv. voor de vestigingsgeschiedenis en de taalgeschiedenis, toch bestaan er heel wat minder studies over hydroniemen dan over veldnamen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat er weinig overzichtstudies bestaan.

Voor Nederland bestaat er de uit 1955 daterende studie van M. Schönfeld (Schönfeld 1955), die echter op zeer onvolledige materiaalgegevens berust en juist verscheen op het ogenblik dat het onderzoek van de waternamen in het buitenland op gang kwam (cfr. de publikaties van Kuhn en Krahe in Duitsland).

Voor Vlaanderen bestaat er geen overzichtstudie, wel zijn er een aantal studies over kleinere gebieden. Onder leiding van Prof. O. Leys werden te Leuven een aantal hydronymische verhandelingen gemaakt. Op die manier werd heel West-Vlaanderen en een gedeelte van Antwerpen bestudeerd (cfr. de regelmatige overzichten in HCTD). Voor Brabant en Limburg bestaat de doctorale dissertatie van Dr. Paul Kempeneers (Kempeneers 1982 en 1983). Deze behandelt in Limburg alleen het bekken van de Demer. Het hele Maasbekken is dus nog te ontginnen. Wat opvalt is dat voor te veel Limburgse gemeenten een dorpsmonografie ontbreekt, waardoor voor veel namen oudere attestaties totaal ontbreken.

Deze studie is een aanzet om dit gebrek aan detailstudies uit de wereld te helpen voor Neeroeteren. Een enkele maal verwijs ik ook naar het namenbestand uit omringende dorpen, als daarover naamkundige verhandelingen bestaan (cfr. de studies van J. Molemans over As, Neerglabbeek, Niel, Opglabbeek, Bocholt, Reppel en de licentiaatsverhandeling van T. Jaenen over Meeuwen).

0.2.

In een studie van 1938 stelde Steinhauser (Steinhauser 1938) vast dat de waternamen in het door hem bestudeerde gebied, de Duitse Oostmark, de volgende opbouw vertoonden. De grootste rivieren kregen hun namen van de oudste bevolking, de Illyriers. De zijtakken van deze rivieren hebben hun namen te danken aan hun opvolgers in het gebied, de Kelten. De zijtakken van de zijtakken kregen Slavische namen en de kleinste beekjes kregen Duitse namen.

[p. 2]

Hans Krahe citeert in zijn studie over Alteuropaïsche namen (Krahe 1949 en vv) Steinhauser en zegt dat diens grondgedachte juist is en door duidelijke voorbeelden van elders in Europa kan bewezen worden. Hij illustreert dit dan zelf aan het stroomgebied van de Main. De kleinste beekjes dragen een Duitse naam: het zijn samenstellingen met -graben. Grotere beken dragen oudere namen: de jongere met -bach, de oudere met -aha. Nog grotere rivieren dragen niet-samengestelde namen die echter nog altijd Duits zijn. Na een Slavische laag komen wij dan tot de grootste rivieren, die de oudste namen dragen: dit zijn vóórduitse namen. Later zal Krahe ze Oudeuropese riviernamen noemen. M. Gysseling noemde ze aanvankelijk ‘Belgische’ namen. Dit werkte nogal verwarrend en daarom spreekt hij de jongste jaren over namen uit de prehistorische substraattaal.

0.3.

Vinden wij deze opbouw ook in het Nederlandse taalgebied terug? D.P. Blok heeft er enkele keren (Blok 1959 en Blok 1966) op gewezen dat deze opbouw alleszins niet geldt voor de Rijn, Maas en Waal in West- en Midden-Nederland.

P.L.M. Tummers stelde in zijn lezing over ‘Limburgse waternamen’ (P.L.M. Tummers en D.P. Blok 1968: 22-33) echter vast dat de situatie in Nederlands Limburg gunstiger was voor het opstellen van een schema zoals Steinhauser en Krahe dat gedaan hebben en hij stelt dan het volgende schema op:

-De Maas en de grootste zijtakken hebben niet-samengestelde namen: Voer, Geul, Geleen, Roer, Zwalm, Niers, Jeker, Itter, Neer, Aa.
-De zijtakken van deze zijtakken hebben eveneens niet-samengestelde namen: Worm (zijrivier van de Roer), Suestra (zijtak van de Geleen; vandaar de nederzettingsnaam Susteren.).
-Verdere zijtakkken hebben samengestelde namen, waarvan het tweede deel dan is: -beek, -loop, -gracht/graaf/grub, -water, -ziep/zijp.

Voor de niet-samengestelde namen kan men zich dan de vraag stellen tot welke taallaag zij behoren. Zijn zij Germaans of voorgermaans? En als zij voorgermaans zijn, zijn zij dan Keltisch of zijn zij nog ouder?

M. Schönfeld 1955 is geneigd de meeste van deze namen eerder uit het Germaans te verklaren. Hij waarschuwt uitdrukkelijk tegen een zekere ‘keltomanie’.

P.L.M. Tummers stelt dat Jeker, Worm, Neer, Geleen, Niers en Suestra niet Keltisch zijn en dat Roer niet Germaans is, maar dat ze alle behoren tot de vóórgermaanse waternamen, en dat de Itter niet Keltisch is, maar prehistorisch Germaans. Ook Voer, Geul en Zwalm verklaart hij uit het Germaans. Voor de Limburgse en Vlaamse waternamen verwijzen wij naar studies door P. Kempeneers (1982 en 1983) en Gysseling (Gysseling 1983) en naar de Mededelingen van onze vereniging nr 27 (1984)

[p. 3]

0.4.

Wij stellen vast dat voor de Maasvallei detailstudies ontbreken. Wij zullen dan ook pogen deze leemte voor Neeroeteren gedeeltelijk op te vullen.

Wij zullen daarbij enerzijds nagaan of het indelingsschema van Steinhauser/Krahe/Tummers klopt en anderzijds pogen een aantal van de jongere grondwoorden historisch te situeren en na te gaan wanneer zij in de naamgeving produktief zijn geweest.

I. De oudste namen+

1. De Maas.

De Oeter, de Itter en de Witbeek behoren tot het bekken van de Maas. Het is dan ook logisch dat wij met deze naam beginnen.

Voor de oudste attestaties verwijzen wij naar Gysseling (1960: 695)s.v. Meuse. Voor Carnoy (1948-49: 461), Mansion (1935: 103), Moerman(1956: 153) is de naam Keltisch of pre-Keltisch. De Vries (1962: 109), Schönfeld (1955: 72-73) en Bach (1953: 427) rangschikken de Maas bij de Keltische namen. Gysseling meende aanvankelijk (Gysseling 1960: 695) dat het een naam was met een Germaanse en Keltische vorm. Later (Gysseling 1983: 20) verklaarde hij de naam uit de prehistorische substraattaal. Holder (1904: 638) en Bahlow (1985: 314) noemen hem ligurisch of liguro-Keltisch.

Wij mogen dus wel aannemen dat de naam voorgermaans is. Achteraf werd de naam door de Germanen overgenomen, uit het Keltisch of via het Latijn.

Meestal vinden wij geen etymologie of noemt men ze duister. Holder en Carnoy verbinden de naam met een wortel* mus ‘vochtig’. Gysseling noemde de etymologie aanvankelijk duister, maar in 1982 te Heerlen verbond hij de naam met een stam uit de prehistorische substraattaal *mas- die ‘energiek’ betekent (Gysseling 1983: 20).

2. De Oeter(beek)

De Oeter ontspringt op het Kempens plateau tussen Waterschei en As. Hij stroomt door de (vroegere) gemeenten As, Opglabbeek, Opoeteren, Neeroeteren en stort zich te Aldeneik in de Maas. De naam van de waterloop is overgegaan op twee nederzettingen: Opoeteren en Neeroeteren.

Voor de oudste attestaties verwijzen wij weer naar Gysseling (1960: 758). Maas (1905: 79 vv) verklaart de naam uit otter en verwijst daarvoor naar

[p. 4]

Förstemann. Dit is een verklaring die Duitse en Engelse toponymisten voor vergelijkbare namen regelmatig geven (Bach 1953 en Ekwall 1928: 312-313). Mansion (1935: 123) noemt Otra eenvoudig een waternaam met wgm. Ō en J. De Vries (1962: 121) zegt dat Neeroeteren als 2de lid de waternaam Otre heeft. Carnoy verbond de naam aanvankelijk (Carnoy 1939-40: 412) met de wortel *wed ‘être humide’, die men ook in Ndl water en Engels wet vindt. Hij veronderstelde een verlengde IE vorm *wêd, wôd met toevoeging van -ara De evolutie zou dan zijn IE *wôdara> Germ. *wôt-(a)ra ‘le cours d'eau’. Hij voegt er aan toe dat de W in het Ndl voor oe<ô wegvalt. Achteraf leidt Carnoy (1948-49: 492-493) de naam Oeter af van een prototype *vôt-ara of *ôt-ara. Hij noemt de stam ‘d'origine fort obscure’. Als ze Germaans is, zou het een verlengde vorm van de wortel *ewed ‘humide’ zijn. Hij voegt er aan toe dat Oeter en Itter vlak bij mekaar liggen. Men zou dus geneigd kunnen zijn om de twee namen af te leiden van twee Keltische termen *ouptra- ‘supérieur’ en *iptro- ‘inférieur’. Dit zou inspelen op een verklaring die de Vleeschouwer geeft voor alle Itters, verklaring die Carnoy afwijst. M. Gysseling heeft zich over deze naam lang niet uitgesproken. In Gysseling (1960) geeft hij geen verklaring. Pas in een lezing voor de Commissie voor Toponymie en Dialectologie geeft hij een verklaring (HCTD 1982: 41-42). Oeter is een afleiding van idg. *at-/adh-‘schitterend, uitbuigend’. Met ablaut Atara Oetere (952 kopie 13e uotra), vrij rechtlijnige bijrivier van de Maas, waaraan Op- en Neeroeteren. Volgens Gysseling behoort Atara tot de prehistorische substraattaal. J. Molemans (1974: 4) noemt de waternaam Oeter vrij duister. Hij noemt de verklaring van Schönfeld uit de diernaam otter weinig aannemelijk. Hij vraagt zich af of Itter en Oeter niet in een expressieve ablautsverhouding staan en verwijst naar K. Roelandts (1970: 77-94 en vooral 92-93) voor de wisseling î¨ en û¨.

 

Wij menen dat de naam Oeter tot nu toe niet afdoende verklaard is. Bij de verklaring van Carnoy stuit men op de moeilijkheid dat de w moet verdwijnen. De verklaring van Molemans - Oeter als expressieve ablaut van Itter - steunt op een artikel van K. Roelandts dat echter over jongere persoonsnamen handelt. Mag men dat zomaar op zeer oude plaatsnamen overdragen? Bij de verklaring van Gysseling kan men zich afvragen hoe men tot het Modern Nederlandse en dialectische consonantisme komt.

[p. 5]

3. De Itter(beek)

De Itter ontspringt op het Kempens plateau bij Gruitrode. Hij stroomt door Neerglabbeek en Opitter, vormt over enige afstand de grens tussen Neeroeteren en Tongerlo en stroomt dan verder via Neeritter, Ittervoort en Thorn om bij Wessem, nadat hij onderweg nog is samengevloeid met de Witbeek, onder de naam Thornderbeek, in de Maas uit te monden.

Voor de oudste attestaties verwijzen wij weer naar Gysseling (1960: 768). Carnoy heeft meerdere verklaringen voor de Itter gegeven (Carnoy 1939-40 172 en 437, Carnoy 1948-49: 199). Een van zijn verklaringen, overgenomen door Schönfeld (1955: 77), gaat uit van Keltisch *it-ara ‘snelstromend water’. Duitse toponymisten verwerpen deze Keltische etymologie. Böhmer vermoedt dat eiter het witte, melkkleurige is (A. Bach 1953: 279), Jellinghaus zoekt in de richting van ichter, een boomsoort, misschien de Taxus, Seelmann denkt aan oudsaksisch ettar, vergif (ZONF 1935: 12).

Volgens H. Krahe (1956: 105-106) gaan de Itter-/Eiter hydroniemen, die alleen in Germaanse streken voorkomen, naar alle waarschijnlijkheid terug op germ. *aitra-/*aitrō en dus idg. *oid-/id- ‘zwellen’ met het bekende r- suffix. Het zou een prehistorische naam zijn, maar Germaans wegens d>t.

J. Molemans (1974: 4) lijkt in te stemmen met de etymologie van Krahe en vraagt zich daarna af of Itter en Oeter mogelijk in een expressieve ablautsverhouding staan.

M. Gysseling heeft zich over deze waternaam jarenlang niet uitgesproken. In 1982 (Gysseling 1983: 20) ziet hij in Itter een oude vorm uit de prehistorische substraattaal Iturnā en hij vraagt zich af of de naam misschien is afgeleid van een stam ajet- ‘glanzend’. Tijdens een lezing voor de Koninklijke Commissie voor Toponymie en Dialectologie (HCTD 1982: 52-53) verklaart hij Itter als een afleiding van ej-, aj- ‘schitterend, inz. roodbruin’: ajadh-, ajat->aidh-, ait- (cfr. Gr. aithra ‘heldere hemel’, itharos ‘helder’).

Naar onze mening moeten wij uitgaan van idg *oid-/id- ‘zwellen’ met r- suffix. Itter, dial. [e:tər] is dan de nultrap, terwijl etter, dial. [ẹ:tər] de voltrap vertegenwoordigt.

De verklaringen van Molemans en Gysseling over Itter en Oeter zijn beide zeer attractief, maar wanneer een verklaring mogelijk is uit het Germaans, die zowel voor de Algemeen Nederlandse als voor de dialect-vormen van de naam uitgaat van de normale klankwettige ontwikkelingen, verdient die naar ons oordeel de voorkeur.

[p. 6]

4. De As(beek)

Dit is een andere naam voor de Oeter.

Voor de oudste attestaties verwijzen wij naar Gysseling (1960: 72). Toponymisten verwijzen voor de verklaring van de naam As nogal eens naar de es, maar in navolging van J. Lindemans (1952: 72-78) ziet men er een waternaam in. J. Molemans (J. Molemans en E. Paulissen 1976: 87) noemt As een prehistorische waternaam (askā), die op de nederzetting werd overgedragen. Volgens hem is de etymologie van askā onduidelijk.

5. Conclusie i.v.m. de oudste, niet-samengestelde namen.

-Datering: het zijn prehistorische namen waarvan de oudste kunnen ontstaan zijn vanaf ca. 1500 vóór Christus.
-Vorm: formeel zijn deze namen afleidingen van adjektivische/verbale stammen.
-Semantisch: als criterium kan men hanteren dat deze namen, voor zover zij verklaarbaar zijn, concrete begrippen aanduiden (kleur, uitzicht van de streek, ondergrond, geluid, beweging. Men mag dus gerust stellen dat de naamgeving gebeurd is op grond van zintuiglijke waarneming: de mens benoemde naar hetgeen hem trof in de natuur.
-Taallaag: voor sommige namen bestaat er naast een Germaanse etymologie eveneens een Keltische of een oudeuropese. Alle etymologieën blijven echter erg hypotetisch.

II. Jongere namen+

Wanneer wij over jongere namen spreken bedoelen wij Germaanse namen gegeven vanaf ca. 300 na Christus.

1.

Bij de oudere namen van deze groep kunnen wij een zekere periodisering onderscheiden:

1.1.Frankische namen met -apa: ca. 300.
1.2.Namen met *ahwō>ā: deze naamgeving kende haar hoogtepunt tijdens de volksverhuizingstijd.
1.3.Nederzettingsnamen afgeleid van composita met -baki (+ suffix -ja?): Merovingische tijd
1.4.Namen met Romaanse assibilatie van k vóór palatale vokaal (e,i): baki > bais vóór 700.
[p. 7]
1.5.Namen met i-Umlaut: baki > beki, waaruit Romaans - becque: tussen 700 en 800.

De meeste van deze waternamen vinden wij vooral in nederzettingsnamen. In het Oeterdal zijn er geen apa-namen. Ook namen met als grondwoord A, Aa <Germ. *ahwō - f ‘natuurlijke waterloop, inz. in het zee- en rivier-kleigebied’ (Gysseling 1960: 31) komen in het Oeterdal niet voor. Wel komt A te Meeuwen en Reppel voor als eerste bestanddeel bij het grondwoord -beek. Maar het is twijfelachtig of die naam teruggaat tot de tijd van de volksverhuizingen.

2.

De jongere waternamen van deze groep zijn het talrijkst. Zij bestaan uit een grondwoord dat een nog bestaand zelfstandig naamwoord is en een eerste bestanddeel dat op alle mogelijke dingen kan wijzen.

2.1. Namen voor stromend water.

Wij ordenen deze namen volgens de grondwoorden. Wij behandelen eerst de namen samengesteld met -beek, -graaf, -vlut en -zijp. Wij doen dat omdat zij de oudste namen zijn en omdat zij min of meer kunnen gedateerd worden. Wegens de schaarste van de naamkundige gegevens vóór 1400 kunnen wij niet stellen dat bepaalde namen te Neeroeteren uitzonderlijk oud zouden zijn. Wij weten echter, of kunnen duidelijk vermoeden, dat bepaalde namen ouder zijn dan de oudste attestaties, of tenminste vroeger gegraven waterlopen aanduiden.

Daarna behandelen wij ook namen samengesteld met andere grondwoorden: -goot, -kanaal, -loop, -lossing/losbeek, -rigole, -sloot, -vaart, watering/-weterzijp.

2.1.1. Samenstellingen met -Beek

Hierbij onderscheiden wij:

a)andere benamingen voor de Oeter: Oeterbeek, Asbeek, Bosbeek, Gemene beek, Grote beek, Molenbeek, Neeroeterse beek. In de volksmond heet hij gewoon de Beek, dial. [də bī. ə k] of Grote Beek. De laatste jaren wordt, onder invloed van de ambtenarij, meer en meer de naam Bosbeek gebruikt.
Als bepalende bestanddelen krijgen wij de oorspronkelijke waternamen (Oeter, As), of een benaming naar de vorm (Grote beek), of de bestemming of het gebruik (Gemene beek, Molenbeek), of de omgeving (Neeroeterse).
b)andere benamingen voor de Itter: Itterbeek, Tongerlose beek, Smalbroekbeek. Het eerste bestanddeel is weer de oorspronkelijke waternaam (Itter), of een benaming naar de plaats waarlangs de beek stroomt (Tongerlo, Smalbroek).
[p. 8]
c)benamingen voor de derde beek, die na samenvloeiing met de Itter, onder de naam Thornderbeek in de Maas uitmondt: Witbeek, Kleine beek, Oude Kleinebeek.
Het eerste element in Witbeek wijst vermoedelijk op wide: ‘teenwilg’, dial. [wī:jə], terwijl de andere namen een tegenstelling aanduiden (klein/groot, oud/nieuw).
d)enkele negentiende-eeuwse namen: Leesbeek, Losbeek, Tapzijpbeek. Het zijn eigenlijk oorspronkelijk slechts administratieve benamingen.
Lees-/los-, evenals de naam Lossing (cfr. infra) wijzen op een waterloop die gegraven wordt om een moerassig gebied te ontwateren.
Tapzijpbeek is eigenlijk tautologisch: het is een beek of zijp, waarvoor het water wordt afgetapt van een bestaande waterloop (in dit geval: vroeger de Oeter, nu het Kanaal).

Het woord beek is in Neeroeteren, samen met zijp, het gewone woord voor stromend water. Meestal wordt het zelfs zonder verdere bepaling gebruikt: [də bī. ək] is voor iedereen duidelijk. Het is de voornaamste aanduiding voor natuurlijke en niet te brede waterlopen. Een beek is breder dan een zijp, die dikwijls ook gegraven is. Zij kronkelt door het landschap met de nodige begroeiing en is normaal waterhoudend.

Het woord is afgeleid van het Germaans *baki - m. Thans is het echter vrouwelijk. Met behulp van het suffix -ja worden van beeknamen nederzettingsnamen afgeleid: Beek (bij Bree), Opglabbeek, Neerglabbeek.

2.1.2. Samenstellingen met -Graaf.

Het woord komt te Neeroeteren voor in de volgende combinaties: Weergraven (1561, met verwijzing naar 60 jaar vroeger, toen zij reeds bestonden), (Maas 1905: 166 voetnoot 3, 206 en 325), Oude graaf (1560 der alde graeue), Nieuwe graaf (1446 den nuwen graue).

Graaf, gracht en varianten komen elders vanaf de 13de eeuw voor. Zij danken dikwijls hun ontstaan aan machtige heren (vandaar elders namen zoals Heergracht, 's Hertogengracht, Stadsgraaf). Zij veronderstellen de nabijheid van grotere waterlopen. Het woord graaf is een afleiding van het werkwoord graven en duidt een gegraven of vergraven water aan. De Latijnse vertaling is fossa, fossatum.

De bepalende bestanddelen wijzen enerzijds op een tegenstelling (oud/nieuw), anderzijds op verdedigingswerken (Weergraven).

2.1.3. Samenstelling met -Vlut(ten)

Vlut(ten) is een naam die te Neeroeteren gegeven wordt aan waterzieke gronden: de Vlutten (1573 op die vlut), Sogenvlut (1657 sooghen vlut), Cops vlut (1720), Canten vlut (1720). Het woord komt daarnaast ook voor

[p. 9]

als eerste element in: Vlutbeemd (1537, copie 1586 den vlot bampt), Vlutsteeg (1536, copie 1586 aen die vlotstege), Vluthoek (1846), Vluthoeksteegje (1846 vleethoeksteegje), Vluthoekstraatje (1844).

Sogen, Cops, en Canten zijn oude persoonsnamen te Neeroeteren.

Het grondwoord is klaarblijkelijk vlot, maar dan in het meervoud gebruikt: zoals pot, meervout [pe:t], zo ook vlot, meervoud [vle:t] (met daarbij een verbuigingsuitgang of met een later toegevoegde tautologische meervoudsuitgang). Het is verwant met de woorden vliet en vloedgracht en het werkwoord vlotten ‘vloeien, stromen’.

Het woord werd te Neeroeteren in mijn jeugd nog gebruikt als gewoon zelfstandig naamwoord in de betekenis: ‘kleine, smalle slootjes van ± 10 cm breedte’. Het werd meestal als verkleinwoord gebruikt [vle:t' ə]. Men had deze ‘vlotjes’, bij mijn weten, minstens op twee plaatsen: in de Vlutten (waar onze familie beemden bezat die door ‘vletjes’ doorsneden werden) en op het goed van Pijpers, aan de Langerenmolen, op de rand van de Oeterbeek.

Men kan de vraag stellen of de oudere benamingen verband houden met de ontginningsactiviteiten die vanaf de 13de eeuw te Neeroeteren plaats hadden (Maas 1905: 171-175). Enerzijds denken wij dan aan de Kloosterzijp (die in de Oeterbeek uitmondt op de tegenoverliggende oever) en de Geisterse zijp. Anderzijds werden, op het ogenblik dat de Neermolen banmolen werd, de dijken van de Oeter tussen de Neermolen en Maaseik verhoogd, waardoor talrijke moerasgronden in hooilanden veranderden: Beemden, Vlutten, Waagteren. Dat in de 14de eeuw, evenals in de voorgaande, gronden ontgonnen werden, blijkt ook uit een overeenkomst die de pastoor van Neeroeteren, Hendrik van Pitersen, op 18 mei 1299 sloot met de abdis van Thorn, Guda van Rennenberg, over het heffen van de oude en de novale tienden. Het feit dat van novale tienden gesproken werd, wijst er op dat nieuwe gronden ontgonnen werden. Uit een oorkonde van 6 april 1590 (Maas 1905: 175) blijkt trouwens dat de inwoners van Neeroeteren van ‘voer menschen memorie’ het recht hebben hun weilanden met het water van de beek te besproeien. Op het jaargedinge van 18 januari 1521 werd de uitoefening van dit recht gereglementeerd en werden vier ‘waterluyden’ aangesteld. Dit recht werd door de molenaar en de inwoners van Maaseik herhaaldelijk betwist (Maas 1905: 166-167).

In een oorkonde van 12 juni 1561 kan men lezen hoe 50-60 jaren vroeger, dus rond 1500, achter het Waagteren op de grens van Neeroeteren en Maaseik, de Oeterbeek werd ingedijkt en hoe in de nieuwe dijk een grote buis of waterleiding werd aangebracht op de nieuwe dijk, die via grachten het water naar de Itter voerde, via o.a. de Schoorbrug en de Weergraven tot het Tongerlobroek. Op deze grachten stonden een vijftal bruggen, waarvan de Schoorbrug

[p. 10]

er een was en waarop sluitbomen stonden waarvan de sleutels in het dorp bewaard werden.

Maar de indijking gebeurde vermoedelijk vroeger. Immers de Schoorbrug bestond reeds vroeger. In 1479 kocht Hendrik Moerskens het weggeld op het Schoor en verplichtte zich de brug op de Schoordijk en de dijk zelf te onderhouden (Maas 1905: 208-209). Ook de namen Moosdijk en Waagteren wijzen op moerasgronden.

Toch moeten wij vaststellen dat de naam Vlutten slechts vanaf 1537 geattesteerd is.

2.1.4. Samenstellingen met -Zijp

Zijp komt in Neeroeteren met het ī-vocalisme voor. Dit is zo in heel het Maasland en de Kempen. Men zegt [zī.əp], in tegenstelling tot Haspengouw waar men het e-vocalisme gebruikt.

Het duidt een ‘kleine, kunstmatige gracht’ aan Lindemans 1930: 164). Voor de etymologie laat men de vormen met i-vocalisme meestal aansluiten bij Mnl. sipen, Ned. sijpelen. Deze werkwoorden horen bij IE * seip-, *sei b, en de vormen met e-vocalisme bij de ablautsvorm IE *soip-, ogm. *saip-.

Zijpnamen kunnen tot vóór 1000 opklimmen. In Neeroeteren is dit echter niet het geval. Daar kan men de oudste zijp-namen tamelijk nauwkeurig dateren, ondanks het feit dat de oudste attestaties niet zo oud zijn: de Kloosterzijp (1240-1274) en de Geisterse zijp (± 1300).

a)Kloosterzijp
Het eerste bestanddeel wijst niet op het moderne klooster in de Spilstraat (gesticht in de 19de eeuw), maar op het klooster van de Godsberg of Mons Dei. In 1238 of 1239 besloten de cistercienzerinnen van Boutershoven bij Sint-Truiden naar Neeroeteren te komen. De graaf van Loon liet voor hen te Neeroeteren een klooster bouwen. Maar de afwerking duurde jaren: pas in 1245 verlieten zij voorgoed Boutershoven. In 1274 verdween het klooster alweer. De goederen werden overgedragen aan het klooster van Orienten (onder Rummen), dat ook goederen bezat onder Dilsen.
De oudste attestatie is pas van 1530 (copie 1586 ouer dije cloesters sijep), maar vroeger komen wel de namen Kloosterhof (1446 cloest(er)hoeff) en Kloosterkamp (1467 van den cloest(er) campe) voor.
b)Geisterse zijp
In de atlas van de waterwegen heet deze zijp Tapzijp, en in de volksmond wordt zij Kloosterzijp genoemd, omdat zij langs het huidige klooster stroomt.
[p. 11]
De naam wordt eigenlijk pas laat geattesteerd: 1477 die syp van Ghysteren, 1570 op dij geijsseren zyp.
Wanneer deze beek gegraven werd is niet bekend. Maar uit een getuigenis van 30 juli 1477 (Maas 1905: 170-171) blijkt dat de vergunning voor het graven ervan jaren geleden werd gegeven. De getuige is 94 jaar oud en heeft van zijn voorouders gehoord dat de vergunning werd gegeven door een graaf van Loon (de laatste graaf van Loon stierf in 1361). Men mag dus aannemen dat de zijp in de eerste helft van de 14de eeuw gegraven werd om de inwoners van Geisteren het nodige water voor hun vee te bezorgen, maar ook om in tijden van droogte hen toe te laten hun weilanden te bevloeien.
Op 24 november 1834 verzocht het gemeentebestuur van Neeroeteren de regering om middelen te voorzien om de Geisterse zijp, die sedert 1830 niet meer gelopen had, meer water te geven. Dit was zeer nadelig voor de mensen van Geisteren. Er was gebrek aan water voor mensen en beesten, omdat er sedert 1830 niet genoeg water was in de Zuid-Willemsvaart (Maas 1905: 465).
c)andere zijpen: Bergbeemdenzijp (1880), Bergerzijp (1880), Broekzijpen (volksmond), Brug(voort)steegzijp (1880), Gemene zijp (± 1620: Geisterse zijp), Gemene weterzijp (1569), Heikanterzijp (1880), Hortzijp (1548, copie 1586 aen ghen hort sijp), Kloterzijp (1880 = Kloosterzijp), Langerzijp (1880, achterste -, voorste -), Lieterbroekzijp (1880), Nieuwbroekzijp (1880 bovenste -, onderste -), Ramenzijp (1880), Schaagterzijp (1844), Schanszijp (1844), Startzijp (1650), Tapzijp (1880), Waagterzijp (1880).
Het eerste element is zelf een plaatsnaam of een bijvoeglijk naamwoord van een plaatsnaam afgeleid (Berg, Bergbeemden, Broek, Brugvoortsteeg, Geisteren, Heikant, Hort, Langvoort, Lieterbroek, Nieuwbroek, Ramen, Schaagt, Schans, Waagteren). Het wijst er dus op dat het water doorheen of omheen een bepaalde plaats stroomt. Alleen de moderne, administratieve benaming Tapzijp wijst erop dat het water ergens wordt afgetapt. Daarnaast wordt met achterste/ voorste en bovenste/onderste de onderlinge ligging aangegeven.
Veel van deze zijpen werden eigenlijk pas in de 19de eeuw gegraven. De regering verplichtte de gemeenten in de Kempen om de gemeentelijke heiden te verkopen. Het gemeentebestuur trachtte herhaaldelijk die verplichting te omzeilen door te proberen zelf of via een lokale vereniging te ontginnen. Om te bewijzen dat het ernst was en dat de gemeente een dergelijke onderneming aankon, werden heel wat werken uitgevoerd. De beken werden gedeeltelijk rechtgetrokken, nieuwe zijpen werden gegraven, enz.
[p. 12]
Een bijkomende stimulans was een zware overstroming die in de 60er jaren van vorige eeuw het marktplein en de huizen errond onder water zette.

2.1.5. Andere namen voor stromend water.

a)Samenstellingen met -GOOT
Goot komt te Neeroeteren alleen voor in de samenstelling Schansgoot (1846). Het woord verwijst naar een ‘overdekte gracht bij de kruising van een straat’ of een ‘afvoerbuis’. Het woord bestaat ook nog als gewoon appellatief in de betekenis ‘afvoergoot op de rand van een weg’. Het is dus een bovengrondse afvoerbuis voor de riolering.
Het woord komt elders voor vanaf de 15de eeuw, maar de meeste namen stammen uit de 19de eeuw. In Haspengouw vinden wij een concentratie van goot-namen in de streek van Wellen-Kortessem.
b)het KANAAL, dial [də knā.l]
Het woord kanaal is te Neeroeteren de normale aanduiding voor de Zuid-Willemsvaart. Het is te Neeroeteren, zoals elders in Limburg, een de- woord, in tegenstelling met het AN, waar het een het- woord is. De a van de eerste lettergreep is in het dialect volledig verdwenen. Het woord is een moderne ontlening aan het Latijnse canalis. Daarnaast bestaat er te Neeroeteren, zoals elders in Limburg, een oudere ontlening kandel, kanjel, dial. [kā.n'əl. De oudere ontlening heeft echter niet de betekenis van ‘bevaarbaar water’, maar duidt een kleiner gegraven water of ook een ‘afvoerbuis’ aan en is dus synoniem met goot.
c)samenstellingen met -LOOP
Samenstellingen met -loop komen te Neeroeteren, in tegenstelling met de omgeving (o.a. Maaseik) zeer weinig voor: Waterloop (1880: Rigole), Donkersteeg/Donkersteegloop/Donkerloop (1880). De namen zijn van zeer recente datum.
Het woord -loop is te Neeroeteren eigenlijk geen levend toponiem. Het zijn papieren, administratieve benamingen. Elders komt het woord meer voor, ook als appellatief, o.a. in Haspengouw, maar ook in het Maasland. In Haspengouw komen loop-namen niet vóór 1400 voor, en zij blijven betrekkelijk schaars tot 1600. Vanaf dan nemen zij geleidelijk toe om in de 19de eeuw een explosie te kennen.
Het bepalend element is enerzijds water-, anderzijds Donkersteeg (= de naam van een pad waarlangs deze waterloop stroomt).
d)LOSSING, LOSBEEK
De naam duidt een afwateringssloot aan, behorend bij het werkwoord lossen. daarnaast staat het werkwoord lozen, dat wij in Leesbeek vinden (Leesbeek: Loosbeek). Het is een gegraven sloot, een zijarm van de Itter,
[p. 13]
ter ontwatering van een drassig terrein.
De gehuchtnaam Waterloos, dial [wā.tələrs] heeft met dit los/loos niets te maken. Hiervoor moeten wij uitgaan van het suffix -loos = zonder. Het gehucht ligt immers op de helling tussen het Kempisch plateau en de Maasvallei. Nog tijdens de vorige eeuw was er in het gehucht slechts één, zeer diepe put. In 1857 werd die uitgediept en werd in het midden van het gehucht een gemeenschappelijke pomp geïnstalleerd omdat de inwoners 3 km van elke waterloop verwijderd waren.
e)RIGOLE, dial. [rəγɔ:l], f.
Het woord wordt te Neeroeteren gebruikt voor de gegraven grachten in de Wateringen. Het is een Frans woord en betekent volgens de Van Dale F/N 1983: 1202 ‘greppel, geul, voor’. Het komt er voor als rigole d'évacuation (ontwateringssloot), rigole d'écoulement (afvoergoot,-kanaal), rigole d'irrigation (bevloeiingskanaal).
Volgens Gamillscheg (1928: 766) betekent het ‘Wasserkanal’ en is het een afleiding van het werkwoord rigoler ‘mit Rinnen, Furchen, Gräben durchziehen’. Het werkwoord komt aanvankelijk alleen in Waalse teksten voor en is een ontlening aan het Nederlandse rijgelen, bij rijgen ‘eine Reihe machen’, bij het zelfstandig naamwoord rige ‘Reihe’.
Van Dale F/N 1983: 1202 kent het zelfstandig naamwoord rigolage: het greppels slaan. Het woord is te Neeroeteren recent en verwijst naar de ontginning van de heide. Vanaf 1845 ijverde de Belgische regering voor de ontginning van de Kempen (het is de tijd van de aardappelplaag!). Zij verplichtte enerzijds de gemeenten hun heidegronden te verkopen. Dit gebeurde, maar op de meeste plaatsen onder protest van de bevolking. Anderzijds gaf de regering de kopers van deze heide de toelating om, waar nodig, het water van de Zuid-Willemsvaart af te tappen, wat ook gebeurde.
In Neeroeteren gebeurde dat door drie ondernemingen:
-een Luikse NV gesticht door drukker Dessain, Terwagne, de Bellefroid,, Schaetzen en twee Hermansen. Zij kochten een blok van ± 125 ha. in de Schootsheide: de huidige Watering. De bevloeiingswerken werden aangelegd door een Waalse ingenieur en Waalse werkbazen. Vandaar een aantal Franse benamingen, zoals rigole en prise d'eau, die nu nog voortleven.
-Later kocht de heer Nagant, eveneens een Luikenaar, 60 ha. heide dichterbij het dorp gelegen: de Watering van Nagant.
-De Luikse heren Claes en Flechet kochten in 1865 een grote uitgestrektheid in de Geisterse heide, die zij eveneens trachtten vruchtbaar te maken o.a. met stads- en straatmest.
[p. 14]
Het woord komt te Neeroeteren voor in: de Rigole [də rəγɔ:l], Rame-rigole, Waterloze-rigole, waarbij de Ramen en Waterloos twee bestaande plaatsnamen zijn.
f)SLOOT
De Sloot werd in 1865 gegraven om het water van de Kleine beek naar een Vlasroot te brengen die de gemeente in de Koevoort gepland had (Maas 1905: 480). Het woord sloot is te Neeroeteren geen levend appellatief. Het is een puur ambtelijk woord.
In het AN betekent het woord volgens het WNT ‘gegraven lang en smal water dat tot afscheiding of voor afwatering dient’.
g)WATERING/WETERZIJP
Van het substantief water vormt men het werkwoord wateren, dial. [wī.ə tərə]. Van dit werkwoord vormt men dan samenstellingen zoals weterzijp (1569 die gemeijn weterzijep) ‘een zijp om af te wateren’ en een vrouwelijk nomen agentis op -ing, dat ook concreta kan aanduiden. Het zijn dus waterlopen gegraven ter verbetering van de afwatering. In deze betekenis komt het elders minstens sedert de 13de eeuw voor. In de 19de eeuw werden de Wateringen vooral gegraven om de droge heidegronden te irrigeren. In Neeroeteren geldt deze betekenis zowel voor de oudere Weterzijp, een andere naam voor de Geisterse zijp, als voor de 19de eeuwse Wateringen.
h)ZUID-WILLEMSVAART
Dit is te Neeroeteren geen levend toponiem. Het is een ambtelijke benaming. Vaart is een afleiding van het werkwoord varen met dentaalsuffix en duidt een bevaarbaar water aan. In Nederland is het in deze betekenis alom in gebruik, bij ons is het echter een papieren woord.
Het eerste bestanddeel wijst er op dat het kanaal in de Hollandse tijd begonnen werd en verwijst dus naar de Nederlandse koning.

2.2. Namen voor stilstaande waters.

Ook deze namen ordenen wij volgens de grondwoorden.

2.2.1. Born

Born komt te Neeroeteren voor in twee namen, Bornen en Boekborn.

Bornen (1446 tot borne(n) inden korspel van nederoete(re)n; 1467 houe tot borne(n)) was een Middeleeuws gehucht van Neeroeteren en tegelijk de naam van een Laathof. De kern van het Bornen lag tussen de Oeterbeek en de Witbeek vanaf het Marktplein tot ongeveer aan Leverenmolen.

Boekborn (1446 aen ghene(n) boeckborne) heeft als eerste element boek = beuk, de boomnaam.

Het woord born/bron heeft twee betekenissen: enerzijds waterplas of put, anderzijds uit de grond opwellend water, bron in de huidige betekenis van

[p. 15]

het woord. Nu is er in het Bornen geen bron meer maar in 1771 nog wel, zoals kan afgeleid worden uit een attestatie die men vindt in Maas: ‘die waterloop uyt den bergh van den Venbosch springhende ende door des comparants bampt loopende’ (Maas 1905: 55)

2.2.2. Kuil

Het element kuil komt te Neeroeteren voor in de volgende benamingen:

Karpenkuil (± 1650 de karpen kouhl), een wijer in de Tus.

Kuil (1572 in dij kuijll).

Kuilen (1467 op gheen kulen)

Leemkuilen (1467 op gheen leymculen)

Turfkuil (± 1650 die torf koul), een wijer aan de Schoorbrug

Zandkuil (alleen volksmond)

Kuileusel (1637 die koull eussel)

Kuilbroek (± 1650 tkulbroek)

Kuil is volgens Schönfeld (1955: 238) een synoniem van (veen)put, (drinkers)dobbe, en leent zich uiteraard ook om gebruikt te worden voor kleine waterplassen, meertjes. Hij wijst erop dat namen met kuil nogal eens wijzen op littekens van oude doorbraken of op sporen van kunstmatige vergravingen.

Het bepalend element bij -kuil wijst op de vis die in de wijer gekweekt wordt (karper-), een contrast met een nieuwe kuil (oude) of wat er in de kuil gegraven werd (leem, turf, zand).

Eussel is een afleiding van het werkwoord ‘eeuwen = voederen’ en broek wijst op ‘moeras of waterzieke gronden’.

2.2.3. Meer

Het woord meer komt te Neeroeteren voor in:

Het Meerke (1569 inghen meerken), De Meerkens, dial. [də mī. ə rkəs] (1840 Meerkens), de Meerkensweg (1844 Meerkensweg), Meerdonk (1560 meerdonck).

Meer is afgeleid van het Germaanse *mari-, dat ‘waterplas’ betekent. In Neeroeteren is de benaming overgegaan op het waterrijke land op de oever van de Witbeek en op de moerassige gronden op de grens met Maaseik, waar wij ook nog andere namen aantreffen zoals Schootsheide, Schoordijk, Moosdijk, Plas, Waagteren, Meerdonk.

2.2.4. Plas/Waterplas.

De naam komt voor als:

Plas (+ 1650 de plas), Waterplas (1660 omtrent die leeghte ende waterplas).

De beide woorden zijn nagenoeg synoniem met ‘meer’.

[p. 16]

2.2.5. Poel

Het element poel hebben wij te Neeroeteren niet in samenstellingen gevonden, wel als afzonderlijk toponiem: 1467 van syne(n) guede en(de) houe tgene(n) poel. Hieruit ontstond wel de familienaam Poelmans, die wij terug vinden in de toponiemen: Poelmansbeemd (1573 poelmans bampt), Poelmansgoed (1467 poelma(n)s guet) en Poelmanshof (± 1620 poelmans hoff).

De poel lag in Waterloos. Wordt hiermee dan de enige waterput bedoeld die er tot 1865 in Waterloos was?

Poel is normaal een ‘kleine vijver, rond van vorm’. Volgens M. Gysseling (Naamkunde 1978: 24) is het een Belgisch substraatwoord verwant met het Latijnse palus.

2.2.5. Put

In Neeroeteren bestond er volgens de overlevering een Willebrordusput (Wulleput of Willeput). Bij de bouw van de vroegere gemeenteschool is hij verdwenen.

Daarnaast was er:

De Dorpsput (1569 teg(en) den put int dorp).

Een put is een ‘kuil, groeve, met of zonder water, ook diepte’ (Mnl. Wb. s.v. put).

2.2.6. Root/Roten

Het woord root, mv. roten komt te Neeroeteren in de betekenis ‘vlasroot, waterkuil voor het roten van vlas’ voor in de volgende namen:

Geisterse roten (1546, copie 1586 op gheijn gheijsser roeten), Groot root/Klein root (1569 int groet roet, 1569 inghen cleyn roet), Hoge root (1467 1 boenre lants gelege(n) voer gheen huge(n) roet), Kloterkensroten/Klotersroten (1467 cloeterkens roeten, ± 1620 Cloeters roeten), Ophovenroten (1570 opdij ophouenre roeten), Puiskensroten (1467 puijskens roeten), het Root/De Roten (1467 int roet, op gheen roete(n)).

Rond 1865 werden door de gemeente nog drie vlasroten aangelegd en werden daarvoor de nodige sloten gegraven of aangepast (in Berg de Lieterbroekzijp, op de Heikant de Tapzijp en aan de Koevoort de Kleine beek en Sloot). Vlas wordt geroot door ‘de stengels (van het vlas) aan aanhoudende invloed van vochtigheid bloot (te) stellen om de kleverige zelfstandigheid van de bast grotendeels te doen verdwijnen, en zodoende de samenhang tussen de vezels onderling in hoge mate te verminderen, of bijna geheel op te heffen’. (Van Dale 1984: 2451.).

Het woord moet onderscheiden worden van root/rode ‘bosrooiing’, dat wij te Neeroeteren vinden in Gruitroderbos/Roderbos, Hongelroot, Kaggenrooi, Rooierheide, Roren (of is dit roor = riet?).

[p. 17]

2.2.7. Schans

Het woord komt te Neeroeteren voor als grondwoord in:

Dorpsschans of Oeterse Schans (1660 aen den dorpschancs 1661 op de oetersche schans), Schans (1658 de schans), Voorshoventer schans (1655 op de voorschouener schants) en als bepalend woord in:

Schansbrug (1846 schansbrug), Schans eusselen, dial. [ī.ə rsələ] (1840 de schans esselen), Schanseusselweg (1846 schans eesel weg), Schansgoot (1846 schansgoot), Schansweg (1846 schansweg), Schanszijp (1844 schans zeyp).

In Neeroeteren (en trouwens elders in Limburg) duidt schans een landelijke versterking aan. het is een terrein met een grootte van één tot twee ha. met een gracht en wal omringd en van een ophaalbrug voorzien. Al wie had meegeholpen aan het graven van de schans, had het recht er een houten huisje te bouwen en mocht in tijden van gevaar er een min of meer veilige toevlucht zoeken voor zichzelf, zijn huisgezin, zijn vee en eventuele waardevolle voorwerpen. Om een schans te graven had de bevolking de toestemming van de heer nodig en zo weten wij dat de eerste schansen dateren uit de zestiende, doch de meeste uit de zeventiende eeuw (Bussels 1946 vraagbaak nr 16-17).

2.2.8. Sol

Het element komt voor in de gehuchtnamen Solt, Opsolt en Neersolt:

Solt (1297 Solre 1467 Solt), Neersolt (1560 neersolt), Opsolt (+ 1600 opsolt). Deze drie namen komen daarnaast ook voor als eerste bestanddeel in een aantal samenstellingen met -dijk, -heide, -straat, -veld, -weg, enz.

De naam Solt bestaat uit sol + collectiefsuffix. Sol- duidt een ‘poel, met water en modder gevulde kuil, gracht, modder’ (Mnl. Wb. VII 1499: 1504). Schönfeld noemt het een ‘natuurlijk gat in de bodem, waarin water staat voor vee en wild’ (Schönfeld 1955: 242). Op de oever van de Itterbeek is dit natuurlijk zeer aannemelijk, te meer daar verderop de namen Schorcht, Smalbroek en Nieuwbroek voorkomen.

Voor de naam Solveld kan deze verklaring vermoedelijk niet dienen. Het Solveld was inderdaad het oefenterrein van de schutterijen. Soms vermelden de documenten dat de schutterijen oefenden ‘op den solre’. Is dit een afleiding van het Lat. solarium met de betekenis ‘open plaats in de zon’ (Mansion 1935: 149) of is het een ‘open onbebouwd land waar men met de solbal kan spelen? (Lindeman ESB 1945: 49-57 en 156-157). Of moet men toch aan de betekenis ‘poel, ...’ denken?

Het Solveld lag inderdaad naast de Geisterse zijp en achteraf ontstond er de erfnaam Loeren (verband met leerlooierij? Het Looieinde lag iets hoger aan de Geisterse zijp).

[p. 18]

2.2.9. Ven

Het woord komt voor in de volgende namen:

Bergerven (1544 copie 1586 achter dat borgervenne), Brandven (1846 brandvin), Diepven (1757 het diepen venne), Keekven (Vm), Kraanven (1560 t' crane venne), Langven (Vm), Platven (1561 het platt venne), Staakven (± 1620 eenen wijer geheyten dat staeckenvenne), Witven (1624 het wit ven) en in de volgende samenstellingen als eerste element:

Venbos (1573 op den vennebos), Vennendijk (1844 vennen dijk), Ven (onz) is de naam voor een natuurmeer dan wel een uitgeveende plas in hei of bos ...; in oorsprong hetzelfde woord als veen, is het daarvan in betekenis meestal gedifferentieerd (Schönfeld 1955: 241).

Heel wat namen herinneren aan de turf, die bij vennen wordt gestoken of aan vogels (o.a. Kraanven) met hun pleisterplaatsen.

2.2.10 Vlaas/Vlies/Blaas

Het woord komt voor in de volgende namen:

Bomvlaas/Bomblaas (± 1620 eenen wijer geheyten die boemvlaes in de geijsterse hey), misschien in Vogelblaas (1547 der wijer geheijten den voegelblaess), Vlies (1537 copie 1586 op ghen vlys).

Vlaas is volgens Schönfeld (1955: 242) een ontlening aan fra - flache ‘poel’. Het wordt gebruikt in de betekenis van ‘plas in bos of hei’. Het komt op verschillende plaatsen voor als fles/vlies/vlaas/vloos, meestal in composita.

Als eerste element hebben wij enerzijds Bom-, dat volgens Schönfeld (1955: 195) zelf een waternaam is, en vogel-, dat bij een wijer/vijver wijst op een pleisterplaats voor vogels, te vergelijken met Kraanven.

Bomvlaas evolueerde later tot Bomblaas, een normale aanpassing van de v aan de voorafgaande m. Dit gaf dan weer aanleiding tot de samenstelling Bomblaasweg (1844 Bomblaasweg), een oudere benaming voor de Heikantweg.

2.2.11. Vornen

Voor deze naam hebben wij slechts een attestatie: 1533, copie 1586 in ghen vorne(n). Schönfeld (1955: 125 en 191-192) ziet een verband met het werkwoord ‘voeren’.

2.2.12. Waagteren.

Het Waagteren is een waterziek gebied op de grens met Maaseik tussen de Diestersteenweg en de Oeterbeek (1467 int twaecht(er)).

Het is niet duidelijk of dit inderdaad een waternaam is. In dat geval moet men vermoedelijk aansluiting zoeken bij Dittmaier (1963: 329) s.v. Wag: Tiefe Stelle im Wasser, gestautes Wasser ...; stehende sumpfige Binnengewässer, aansluitend bij Mhd. wâc (g) = wogendes Wasser, Strömung, Flut,

[p. 19]

Woge, Strom, Fluss, Meer, See, Weiher, Wasser überhaupt.

Daarmee is echter de uitgang -ter/ -teren niet verklaard.

Of moeten wij eerder aansluiting zoeken bij wach - ter, waarbij wach - = jeneverbes, Juniperus communis, Duits Wacholder en -ter = boom, Engels tree? Aansluiting bij het werkwoord wachten, dial. [wa:χtə] is klankwettig moeilijk. De plaatsnaam luidt dial. [wọ̄.χtərə]. Neeroeterse [ọ̄] kan alleen komen van Wgm. ŏ in open lettergreep bij stoottoon, Wgm. ŏ voor r + dentaal bij stoottoon, wgm. ŭ in vroegere of huidige open lettergreep bij stoottoon of WGM â bij sleep- of stoottoon. Toch zou men zich ter plaatse gemakkelijk wachthuisjes kunnen voorstellen. In de M.E. lagen daar op de verbindingssloot tussen Oeter- en Itterbeek vijf bruggen, waarvan de slagbomen 's avonds gesloten werden en de sleutels te Neeroeteren bewaard werden.

In samenstellingen komt de naam voor in:

Waagterzijp (1880 Waagterziep), Walen waagter (+ 1650 dat wahlen waghter).

2.2.13 Wijer

Het woord is een afleiding van het Lat. vīvārium ‘visvijver’. Het kan echter ook een drinkplaats voor het vee aanduiden. Het wordt meestal nader bepaald door de naam van de eigenaar, de ligging bij een gebouw of constructie, de begroeiing of een bijvoeglijk naamwoord.

Te Neeroeteren komt het voor:

-zonder bepaling: de Wijer(s): 1573 in den wijer.
-met de naam van de eigenaar: Daniels wijer (1527 copie 1586 daenels wijer), Hemerswijer (+ 1650 hemers wijer), Kellen wijerke (1639 aen kellen wijer), Kolen wijer (1639 aent coelen weÿerken), Vrouw van Thorn wijer (1550 copie mijn g(enadiger) vrouwe van thor e(n) wijer).
-met de naam van een gebouw:
Molenwijer (+ 1650 de muhlen weijer).
-als eerste element:
Wijers eusselen (1840 de weyers esselen).

Andere namen voor wijers te Neeroeteren zijn: Aarheuvel, Bomblaas, Goede donk, Karpenkuil, Staakven, Vogelblaas.

3. Stratificatie van de Neeroeterse waternamen.

Hierna volgt een lijst van waternamen gerangschikt volgens de datum van de oudste vindplaats van elk hydroniem. Voor de verdere gegevens verwijzen wij naar het Corpus Molemans-Thiry, dat berust in het Instituut van Naamkunde te Leuven.

- vóór 1000 : -52 Mosa, 952 Votra, 877 Iturnam
- 12e eeuw : 1143 Iteram, 1140 Asch
- 13e eeuw : 1240 cloestersyp, 1240 tuanteren, 1297 solre

[p. 20]

- 14e eeuw : 1300-1350 geysterse syp,
- 15e eeuw : 1407 die groote beeck, 1446 tot Bornen, aen ghene(n) boeckborne, 1467 die beeck, 1466 den nuwen graue, 1467 het twaechter, solt, op gheen kulen, op gheen leymculen, tgenen poel, voer gheen huge(n) roet, cloeterkens roeten, puyskens roeten, int roet, op gheen roeten, 1477 die syp van geysteren, 1527 daenels wijer, 1533 inghen vorn(en)
- 16e eeuw : 1544 borgervenne, 1546 op gheen geysser roeten, 1547 den voegelblaes, 1560 t' crane venne, neersolt, der alde graue, 1561 het platt venne, weergrauen, 1568 die ophoeuenre roeten 1569 gemene wetersyp, in ghen cleyn roet, in ghen meerken, den put int dorp, 1570 op dij geyssers zyp, 1571 die tongerlo beek, 1572 in dij kuijll, 1573 op den vennebos, in den wijer, die vlutt, 1574 aent zolvelt, 1586 hortsyp, 1596 int groet roet,
- 17e eeuw : 1609 moelen beeck, 1620 die boemvlaes, dat staeckenvenne, groete beeck, gemeyn beeck, cleyn beeck, cloeters roeten, 1624 het witven 1630 de muhlen weyer, 1637 koulleussel, 1639 kellen wijerke, aent coelen wijerken, 1650 hemers wijer, den raier wijer, de biesebusch wiersz, die buschbeek, smalbroiken beek, neerotersche beek, tongerloise beek, stardt siep, tkulbroek, de karpenkouhl, die torfkoul, de plas, waterplas, 1655 de voorschoeuer schants, 1658 de schans, 1661 de oetersche schans,
- 18e eeuw : 1757 het diepen venne, lang ven,
- 19e eeuw : de asbeek, witbeek, oude kleine beek, Leesbeek, Losbeek, Tapziep ....., Rigole, Rame-rigole, Waterloze rigole, sloot, watering, schans goot, Zuid-Willemsvaart, waterloop, Donkerloop, Vennendijk, weyers esselen, de Meerkens, Brandven
- 20e eeuw : Keekven, Lang ven, Tapziepbeek, Broekziepen, Kanaal.

4.0. Enkele conclusies

Wanneer wij de voorafgaande lijst onderzoeken, merken wij:

4.1.

De namen Maas, Oeter, Itter, As zijn inderdaad de oudste namen. De oudste vindplaatsen zijn soms weliswaar relatief jong, maar uit de formele en semantische kenmerken van deze namen kunnen wij afleiden dat zij veel ouder moeten zijn. Uit vergelijking met andere waternamen blijkt dat sommige kunnen teruggaan tot ca. 1500 vóór Christus.

Later werden Oeter, Itter en As gecombineerd met -beek of vervangen door andere namen met als grondwoord -beek.

4.2.

Van de natuurlijke waterlopen draagt alleen de Witbeek geen prehistorische naam.

[p. 21]

4.3.

Enkele waternamen zijn alleen nog bewaard als erf- of nederzettingsnaam: Solt, Waagteren, Bornen/Boekborn. Ook deze zijn relatief oud.

4.4.

De volgende groep wordt gevormd door zijp/beek/graaf/vlut.

Deze gaan terug tot de (laat)-Middeleeuwse ontginningsperiode. De vindplaatsen van sommige namen zijn soms relatief jong, maar wij kunnen duidelijk aantonen dat bepaalde van deze namen minstens 100 jaar ouder moeten zijn cfr. Geisterse zijp. Deze elementen zijn vanaf de Middeleeuwen tot nu eigenlijk produktief gebleven, mede omdat zij ook als appellatief bleven bestaan. Zij duiden op gegraven waterlopen voor ofwel het ontwateren van waterzieke gronden ofwel het bevloeien van te droge gronden.

4.5.

De Middeleeuwse ontginningsperiode ging gepaard met de aanleg van een aantal verdedigingswerken: Oude graaf, Nieuwe graaf, Weergraven. Dit zal uiteindelijk zoals elders in Limburg leiden tot het graven van een aantal schansen; Voorshoventer schans, Dorperschans.

4.6.

Ook anderemenselijke activiteiten geven vanaf de 15de eeuw aanleiding tot naamgeving:

a)vlasbewerking: Klein/Groot Root, Puiskens/Kloter(ken)s Roten, Hoge Root.
b)het steken van leem voor de vakwerkbouw of voor het bouwen van bakovens: Kuil, Leemkuil.
c)het steken van turf: Turfkuil

4.7.

Het spreekt van zelf dat ook de natuurlijke, stilstaande wateren van in de Middeleeuwen benoemd werden: ven, wijer, vlaas, meer. Wanneer deze namen gecombineerd worden met een persoonsnaam verwijzen zij soms naar gegraven vijvers voor de viskweek.

4.8.

Tijdens de tweede helft van de 17e en de 18e eeuw kwamen er weinig nieuwe namen bij. Voordien had men eigenlijk voldoende gehad aan een beperkt aantal woorden. Dit veranderde tijdens de 19e eeuw. Dan moesten ook de kleinste waterlopen en stilstaande waters een naam krijgen. Die werden echter heel dikwijls geen levende toponiemen meer, maar papieren benamingen die alleen om administratieve redenen gegeven werden. Daarenboven werden heel wat levende toponiemen door een -franstalige- administratie onherkenbaar verhaspeld.

Voor deze nieuwe benamingen gebruikt men een aantal nieuwe woorden, die deelsvan Franse oorsprong zijn (cfr. rigole, dat wijst op de Luikse invloed bij de 19e eeuwse ontginningen), deels nieuwe Nederlandse appellatieven (cfr. goot, loop, lossing, kanaal, sloot, watering, vaart: namen die vroeger ter plaatse niet produktief zijn geweest).

4.9.

De ambtelijke naamgeving in de 20ste eeuw heeft geleid tot het verdwijnen van heelwat namen. Bij het uitvoeren van openbare werken worden waterlopen verlegd, verlengd en soms zelfs vernietigd. Soms worden twee of meer

[p. 22]

kortere waterlopen met elkaar verbonden tot een enkele. Weer andere waterlopen verdwijnen ten gevolge van uitdroging. Telkens is het gevolg dat een of meer waternamen verdwijnen. Ook verdwijnen er namen omdat de diensten van de waterwegen op de nieuwe atlas van de waterwegen waterlopen die geen 100 ha. afwateren niet meer opnemen. Speciaal in de provincie Limburg vertonen deze diensten de neiging om het waternamenbestand te vereenvoudigen: als een waterloop meerdere namen heeft tracht men een bekende naam voor het geheel te doen gebruiken bv. Bosbeek voor de Asbeek-Oeterbeek-Brede Beek-Grote Beek. Toch gebeurt ook soms het omgekeerde. Door vergravingen ontstaan nieuwe waterlopen of worden bestaande waterlopen zonder naam lang genoeg om 100 ha. te ontwateren en krijgen zij een naam.

4.10.

Wanneer wij de Neeroeterse waternamen vergelijken met het schema van H. Krahe dan stellen wij vast:

1)De oudste namen (De Maas en zijn bijrivieren Oeter, Itter, As) zijn inderdaad afleidingen van adjektivische /verbale stammen. Zij kunnen meestal uit het Germaans verklaard worden maar zij kunnen ook Oudeuropees zijn.
2)De -apa en Aa- namen ontbreken te Neeroeteren.
3)Van de natuurlijke waterlopen die in de Maas uitmonden heeft alleen de Witbeek geen naam die tot de oudste laag behoort. De oudste namen kregen later naast de oorspronkelijke naam, die bleef voortbestaan tot in onze tijd als waternaam of als nederzettingsnaam, ook een naam die bestond uit de oorspronklijke naam gevolgd door -beek. Later kwamen ook andere elementen als eerste lid van de samenstelling voor.
4)Waterlopen die in een van deze zijrivieren van de Maas uitmonden of er van afgetapt werden kregen samengestelde namen met -zijp, -beek, -vlut, -graaf. Deze elementen bleven meestal tot in de 20ste eeuw produktief. Het zijn echter gegraven waterlopen, waarvan de oudste blijkbaar dateren uit de 13e eeuw.
5)Later werden nog een aantal andere elementen produktief: goot, kanaal, loop, lossing, rigole, sloot, watering, vaart. De meeste van deze benamingen zijn echter louter administratieve scheppingen uit de 19e en 20ste eeuw.

4.11.

Een korte vergelijking met Haspengouwse en Kempische namen toont snel aan dat bepaalde waternamen te Neeroeteren ontbreken o.a. gracht/vloedgracht, laak, rijt, ruwaal, rak/raak, val/afval, winterbeek, zouw.

Andere elementen komen te Neeroeteren wel voor, maar zijn in feite weinig produktief geweest, terwijl zij nochtans in omringende gemeenten zeer produktief zijn geweest. Wij denken hier o.a. aan goot en loop.

[p. 23]

Geraadpleegde werken

Bach, A. (1953): Deutsche Namenkunde, II, 1-2: Die deutschen Ortsnamen Heidelberg.
Bahlow, H. (1985): Deutschlands geographische Namenwelt. Etymologisches Lexicon der Fluss- und Ortsnamen alteuropäischer Herkunft. Suhrkamp.
Blok, D.P. (1959): Doel, methode en nut van de toponymie. In: De Maasgouw, 1959, kol. 147-153.
Blok, D.P. (1966): Ontwikkeling en toekomst van het toponymisch onderzoek in Nederland. In: Brabants Heem, 1966, 26-42.
Carnoy, A; (1939-1940): Dictionnaire étymologique du nom des communes de Belgique Louvain.
Carnoy, A. (1948-1949): Origines des noms des communes de Belgique. Louvain.
De Vries, J. (1962): Woordenboek der Noord- en Zuid-Nederlandse plaatsnamen. Aula 85. Utrecht.
Dittmaier, H. (1955): Das Apa- Problem. Leuven.
Dittmaier, H. (1963): Rheinische Flurnamen. Bonn.
Ekwall, E. (1928): English river names. Oxford.
Ekwall, E. (1947): The concise Oxford dictionary of English place-names. Oxford.
Förstemann, E. (1913-1916): Altdeutsches Namenbuch II: Orts- und sonstige geographische Namen. Herausgegeben von H. Jellinghaus. Bonn.
Gamillscheg, E. (1928): Etymologisches Wörterbuch der Französischen Sprache. Heidelberg.
Gysseling, M. (1960): Toponymisch woordenboek van België, Nederland, Luxemburg, Noord-Frankrijk en West-Duitsland (vóór 1226). Tongeren.
Gysseling, M. (1983): Taalwisseling in de Zuidlimburgse toponymie van de late prehistorie tot in de Karolingische tijd. In: Mededelingen van de Vereniging voor Limburgse Dialect- en Naamkunde nr 26, 19-25. Lezingen van het VLDN-congres te Heerlen op 13 november 1982.
Holder, A. (1896): Altceltischer Sprachschatz I. Leipzig.
Holder, A. (1904): Altceltischer Sprachschatz II. Leipzig.
Jaenen, T. (1978): Bijdrage tot de toponymievan Meeuwen. Onuitgegeven licentiaatsverhandeling K.U. Leuven.
Kempeneers, P. (1982): Hydronymie van het Dijle- en Netebekken. Doctorale dissertatie K.U.Leuven.
Een samenvatting verscheen in: Naamkunde XV (1983), 5-95.
Krahe, H. (1949 vv): Alteuropäische Flussnamen. In: Beiträge zur Namenforschung I (1949) e.v.
Krahe, H. (1956): Eiter- und Zugehöriges in Gewässernamen. In: Beiträge zur Namenforschung VII (1956), 105-116.
Krahe, H. (1960-61): Germanische Sprachwissenschaft I. Einleitung und Lautlehre. Berlin 1960. II Formenlehre. Berlin 1961.
[p. 24]
Krahe, H. (1964): Unsere ältesten Flussnamen. Wiesbaden.
Krahe, H. (1965): Vorgermanische und frühgermanische Flussnamenschichten. In: Namenforschung. Festschrift für A. Bach. Heidelberg, 192-198.
Kuhn, H. (1959): Vor- und Frühgermanische Ortsnamen in Norddeutschland und den Niederlanden. In: Westfälische Forschungen, 1959, 5-44.
Lindemans, J. (1930): Toponymie van Opwijk. Nomina Geographica Flandrica. Monografieën I. Brussel
Lindemans, J. (1952): Toponymie van Asse. Nomina Geographica Flandrica. Monografieën V. Brussel.
Maas, P.J. (1905-1906): Geschiedenis van Neeroeteren. I. Roeselare 1905. II. Roeselare 1906.
Mansion, J. (1935): De voornaamste bestanddelen der Vlaamsche plaatsnamen. Nomina Geographica Flandrica. Studien III. Brussel.
Mnl: Wb:: Verwijs, E. en Verdam, J. (1882 vv): Middelnederlandsch Woordenboek. 's Gravenhage.
Moerman, H.J. (1956): Nederlandse plaatsnamen. Een overzicht. Nomina Geographica Flancrica. Studiën VII. Brussel.
Molemans, J. (1974): De plaatsnamen van Neerglabbeek. In: Naamkunde VI (1974), 4 vv.
Molemans, J. (1975): Toponymie van Bocholt. Leuven-Brussel.
Molemans, J. (1981): Toponymie van Reppel. Toponymica XXII, 7. Leuven.
Molemans, J. (1984): Opglabbeek. Een rijk verleden. Opglabbeek.
Molemans, J. en Paulissen, E. (1975): De plaatsnamen van Niel-bij-As. Toponymica XXII, 5. Leuven-Brussel.
Molemans, J. en Paulissen, E. (1976): Toponymie van As. Brussel-Leuven.
Roelandts, K. (1970): Vokaalvariatie in hypokoristika. In: Naamkunde 1970, 77-94.
Schönfeld, M. (1955): Nederlandse waternamen. Nomina Geographica Flandrica. Studiën VI. Brussel.
Steinhauser, W. (1938): Flussnamen und Volkstum in der deutschen Ostmark. Premier Congrès international de Toponymie et d'Anthroponymie. Paris.
Tummers, P.L.M. en Blok, D.P. (1968): Waternamen in Limburg en Drente. Toponymica XXI. Leuven.
Van Dale (1984): Groot Woordenboek der Nederlandse Taal. 198411.
Van Dale (1983): Van Dale Groot Woordenboek Frans-Nederlands. Utrecht. Antwerpen.

Tijdschriften

Beiträge zur Namenforschung. Heidelberg I (1949)...
Brabants Heem. Bergen op Zoom I (1949)...
Eigen Schoon en De Brabander. Orgaan van de Geschied- en Oudheidkundige kringen van Vlaamsch-Brabant. Merchtem I (1926)...
[p. 25]
Handelingen van de koninklijke Commissie voor toponymie en Dialectoogie. Brussel, I (1927)... (HCTD)
Land van Loon: Het Oude Land van Loon. Hasselt I (1946)...
De Maasgouw. Weekblad voor Limburgsche Geschiedenis, Taal- en Letterkunde. Maastricht I (1879)...
Mededelingen van de Vereniging voor Limburgse Dialect- en Naamkunde I (1976)...
Mededelingen van de vereniging voor Naamkunde te Leuven en de commissie voor Naamkunde te Amsterdam I (1925) - XXXXIV (1968). Vanaf 1969 heet het tijdschrift gewoon: Naamkunde.
Naamkunde: zie Mededelingen van de vereniging voor Naamkunde te Leuven ...
Zeitschrift für Ortsnamenforschung. München. Berlin I (1925) ... (ZONF).

Jan Segers

[p. 26]

[Kaart]



illustratie

+De fonetische transcriptie gebeurt volgens het systeem van T. Frings. Een klinker gevolgd door een punt duidt een klinker met sleeptoon aan, een klinker gevolgd door een dubbelpunt een klinker met stoottoon.

+Voor de jongere namen geven wij tussen haakjes de oudste attestaties. Voor de vindplaatsen van deze attestaties verwijzen wij naar onze licentiaatsverhandeling of naar het Corpus Molemans-Thiry, waarin de gegevens van onze licentiaatsverhandeling mee verwerkt zijn. Beide zijn te raadplegen in het Instituut voor Naamkunde, Blijde Inkomststraat 20 te Leuven.

prepost  begin