|
|
Regelnummers proza laten
vervallen | | | | | |
Jan Six
Medea
Treurspel
TWEDE DRUK TE AMSTERDAM, By Jacob
Lescailje, Boekverkoper op de Middeldam, naast de Vischmarkt,
1679 | | | | | |
Voorreden
1Aangezien men gemeenlijk scherpe, hoewel goede,
vermaningen afkeriglijk
1 2 verwerpt, om datze ons vermaak schijnen te benemen;
zo is het al van owds de
2
3 moeite en grote kosten waardigh geöordeelt, de zelve door 't
een of 't ander
3 4 middel aangenaam te maken:
onder welke middelen de Dichtkunst, om hare
4 5 sieraden, (blijvende binnen heusche palen) niet
van de minste behoort gehowden te
5 6
worden: als die gewoon is, het gemoed lieffelijk strelende, of van 't kwaat af
te
6 7 wenden, of
tot deugt te prikkelen, of, gelijk men spreekt, al lacchende de waarheit
6-7
7 8 te zeggen. Dierhalven, om deze kunst te oeffenen, en
om den ledigen tijd niet
7-8
89 erger te besteden, is dit Treurspel by der hant
genomen: welkers geschiedenis (by
9 10 verscheiden zeer verscheidelijk verhandelt, en
meest al met schaduwen en schorsen
10 11 bedekt zijnde) de vryheit gelaten heeft, om het
waarschijnelijkste en
11 12 gevoeghelijkste daar van te verkiezen;
gelijk de schilders plegen, wanneer zy een
12 13 zaak, elk
naar eige zinlijkheit, op byzondere wijze uitbeelden. Deze vryheit is my
13 14 nodig
geweest te gebruiken; want het niet wel bestaan konde, dat Medea een
15 openbare Toveres zowde geweest zijn, en door de lucht voor ieders
ogen gevlogen
1516 hebben; en daar na noch aan AEgeus koning van
Athenen hertrowt zijn: daarom is
16 17 al dat, en diergelijk, t'eenemaal hier versmeten; om
niet te schijnen de gene, die
17 18 dit lezen,
ofte aanhoren, zulke te achten, dat zy haar zowden laten wijs maken dat
18 19 howte
papegayen broot aten: ook, om geen verwarmde spijze op te disschen, zijn
19 20 hier de gedachten van anderen met
voordacht gemijd; behalven eenige van Seneca,
20
21 in 't begin van 't twede Bedrijf alleen, die niet en konden ontgaan
werden; als
21 22
t'eenemaal met de meeninge van dit werk overeenkomende, zo veel, als zy met die
22 23 van den Latijnschen Dichter
schijnen te verschelen; dewijl hy doorgaans Medea
23 24 hatelijk maakt, en op die plaats
nochtans groot medelijden t'haarwaarts verwekt:
24 25 maar hier is 't oogmerk d'ontrowheit en
Medea lijdende te maken; want al
25 26 had Medea elders misdaan (waar van zy ook
groot berow gehad heeft, als blijkt by 27 A. Rhodius, V. Flaccus, D.
Siculus, van de welke zy zo zwart niet, als naderhand
2728 van anderen, afgemaalt is)
zo en had zy nochtans aan Jason geensins verdient,
28 29 verlaten, van haar kind berooft, en
weggejaagt te werden: zulks, dat zy veel eer
29te 30 beklagen is; wanneerze, door 't groot ongelijk
dat haar geschied, tot zo dolle
30 31 wanhoop, en wraak gedreven werd, dat zy haar
en haar kind door de dood
31 32
wegrukt. Hier van luid aldus | | | | | |
D'inhowd
1 Jason met Medea, dochter van Aëta Koning van
Colchis, getrowt, (met haar 2 vluchtig voor zijn neef Acastus zoon van
Pelias, den toen onlangs overlede Koning
2
3 van Thessalien) komende te Corinthen, behaagt Creüsa, eenige
dochter van Creon
3
4 Koning aldaar, zo zeer; dat die, door liefde ontsteken, in een
gevaarlijke koortze
4 5 vervalt; 't welk haar vader merkende, doet Jason
met zijn dochter trowwen. 6 Medea, die hier over zo zeer ontstelt is
als Creüsa verheugt, gebied hy te 7 vertrekken, en Eriope haar
dochterken (dewijl Jason het zeer beminde) daar te
7 8
laten: doch Medea een dagh tijts van den Koning verkregen hebbende, om haar tot
9 d'aanstaande reize te bereiden, krijgt hy, van trowwen komende,
tijdinge dat
9
10 Acastus (wiens gezanten, om Jason en Medea te halen, by hem waren
geweest en 11 onbeleefdelijk wederom gezonden) in zijn land gevallen
was: waar over Jason
11 12 Medea aanraad te spoediger te
vertrekken; doch zy, hem zijne ontrow verweten 13 hebbende, zend aan
de Bruid door haar dochterken, (op dat het in schijn haar
13
14 gunst daar door zowde mogen winnen) tot een vereering een kofferken
daar
14 15 handschoenen in waren met vergif
bestrooit; 't welk, van Creon en Creüsa na de
1516 herssenen door 't rieken opgetrokken zijnde, hun beiden
vergeeft: Creon sterft
16
17 schielijk, Creüsa loopt razende na Jason toe, die haar
onderwegen dood vind; zo
17
18 als Jason met het dode lichaam van Creüsa op 't binnenhof
komt, ziet hy Medea 19 op haar galery staan; die, om hem duizend doden
te doen sterven, het dochterken
19 20
van boven neder werpt; en, om zwaarder pijn t'ontgaan, haar zelf
doorsteekt.
Het Tooneel is 't Binnenhof van Corinthen.
Het Treurspel begint en eindigt omtrent met de tijd daar 't in
vertoont werd. | | | | | |
Namen der vertoners
[titel]
| | Jason, | gehuwt aan
Medea. |
| | Hercules, | Jasons
vriend. |
| | Medea, | dochter van
Aëta koning van
Colchis. |
| | Enioche, | voedster van
Medea.
4 |
| 5 | Euippe, | kamenier
van Medea.
5 |
| | Rey, |
gevolg. |
| | Creüsa, | dochter van
Creon. |
| | Creon, | koning van
Corinthen. |
| | Bode, | soldaat. |
| 10 | Eriope, | dochterken
van Jason en
Medea. |
| | Aglaura, | voedster van
Creüsa. |
| | Philippus, | kamerling
van Jason.
12 |
| | | | | |
Eerste bedryf
[eerste toneel]
Jason. Hercules.
O, welkom! waardste vriend! wat goedertiere reyen
1
Der sterren, komen hier mijn Hercules geleyen?
2
Gy kwaamt ter goeder uur nu tot Corinthen aan.
3
Op wat plaats hebt gy eerst van mijn geluk verstaan?
4
5
O, Jason! wat geluk? 'k heb nergens van vernomen;
Maar ben daar even zo de haven ingekomen,
6
Om door deez' Owde Stad te trekken landwaard in.
Zo is u onbewust, hoe dat ik door de min
8
Van Creons Dochter ben behowden na lang dwalen?
9
10
Hoe fel ik wierd vervolgt.
Toen Pelias mijn Oom, Vorst van 't Thessalisch land,
11
My, Opperst van de Vloot, na 't gowdrijk Colchis zand,
12
Om 't erfgoed t'eischen van Neef Phryxus daar gebleven,
13
Gy weet, men mompelde; men dorst wel van zich geven:
14
15
Dat gelt die grote Schat; de gulde Vliezen, was 't;
15
Op vrybuit gaat dat uit, Aëtaas Slot sta vast:
16
Door dien men wist dat daar d'inwoonders veel vergaderen
17
In ramme vachten, 't gowd afdrijvende uit d'aderen
18
Van Corax, Caucasus, Marpesi'; in de stroom
19
20
Van Phasis, dien het boord als met een gulde zoom;
20
't Welk in een vaste plaats bewaart wierd: maar een ander,
21
Die wist dat Oom my vreesd' en hate, ruim zo schrander,
22
Geloofde, dat men my door zulk een middel zocht
23
Te helpen slechs van kant op deze zware tocht:
24
25
Hoe of de meningen hier van by and're waren,
25
Ik ben, alleen door eer geprikkelt, heen gevaren,
26
Die nacht en dach, 't zy dat ik waakt', of dat ik sliep,
My moedigde met hoop, en derwaarts henen riep:
28
Doch was door deze tocht mijn ondergang beschoren,
29
30
(Gelijk ik wel geloof) ik ging ook licht verloren;
30
| | | |
Ten waar de Dochter van Aëet' op my ontstak,
31
Toen ik van 't Grieksche gowt aldaar den Koning sprak:
32
Want zo hy my mijn eisch, wy hem de vreed' ontzeiden,
33
Heeft zy bestaan met list ons in het Slot te leiden:
34
35
'k Beloofde haar eerst trow, en met haar weg te
vliên,
35
Voor 't owter van Diaan: toen heeft zy ons verzien
36
Met zalf die brand verhoed, met pijlen die niet wonden
37
Of doden datelijk, en diergelijke vonden;
38
Gy hielpt ons trowwelijk, Medea! ik beken 't;
40
En, zonder uwe hulp, wy waren aan ons end.
40
Men vont in 't Slot veel schats, men vont daar ook soldaten;
De Slotvoogt Draak wow ons dien buit zo licht niet laten:
42
Doch op die vreemde wijs gewapent hield ik 't veld:
Absyrt haar broêr, die zich vergeefs hier tegen stelt,
44
45
Beneden tusschen Stad en haven, wierd doorstoten:
Daar wierd een bare zee van bloed in zee vergoten:
46
In 't kort; wy zijn voldaan, vergolden naar begeert
47
Met den gewonnen schat, na 't Vaderland gekeert:
48
Maar toen ik daar kwam, was mijn moeder overlede',
50
Mijn vader AEson krank; Medea (die ik mede
50
Gebracht had, en heel kloek der kruiden kracht verstont,
51
En wist geneeskunst, die men maar alleenlijk vont
52
By 't Koninklijk geslacht van Colchis) heeft mijn vader,
Door dranken, stovingen, en openen van ader,
54
55
Als weder jong gemaakt, zo kloek en wel te pas:
55
Nu Pelias, die ook zeer krank geworden was,
En veel te zwak, verzocht haar kunst, doch al verloren;
57
Zo dat hy het bestierf? zy fluisterden in d'oren
58
Van Prins Acast, zijn zoon.
60
Bewust van d'owde wrok, my te geval dit deê;
60
Dat hy vergeven was: de hemel wil het wreken
61
Op my, zo ik 't geloof: nu, evenwel wy weken
62
Van daar, door dien men ons vervolgd' en dreigde zeer.
63
Gy wijken, held! dat's niew.
Zo daalt de zon ook neêr,
64
65
Verbergt zijn aangezicht; men ziet zijn stralen deizen,
65
En klaarder naderhand en hoger weder reizen;
66
| | | |
Gelijk my is gebeurt: wy vluchten naar Corinth,
67
Waar Creon ons beschermt, door trow aan my verbind
68
Zijn Dochter jong en schoon en lieflijk om t'aanschowwen:
70
Dus word u vriend verhoogt, 't is heden dat wy trowwen:
70
Ik ging nu na haar toe, dewijl zy my verwacht;
71
Juist komt gy my te moet: geheel Corinthen lacht
72
En juigt van bruilofsvreugt, en my gebrak aan deze
73
Allenig, dat gy die meê mocht deelachtig weze'.
74
75
Heb dank, o Jason! maar, wat is dan van Medé
75
Aëtaas dochter? want gy die Princes bragt meê.
Zy maakt 'er vaardig om op 't spoedigst weg te trekken.
77
Zo leeft zy noch? wat moet haar dit tot hartzeer strekken!
78
Elendige Princes! hoe menig bange traan
79
80
Zal uit het droevig oog langs bleke kaken gaan!
80
Ik keer my niet aan 't nat geperst uit vrowwen ogen,
81
Daar is geen vochtigheid die rasser op kan drogen.
82
Ook heb ik die niet voor, die licht lafhertig treurt:
83
Zy blijft al even fier, en trots; wat haar gebeurt.
85
Zy dient te meer ontsien; want opgekropte toren
85
Is dies te heviger, wanneer die zich laat horen:
Gelijk de lucht, als hem een kopre buis besluit,
87
En vast benawd, noch breekt op 't lest te feller uit.
88
De Koning Creon heeft haar gistren doen gebieden,
90
Dat zy dien zelven dag noch uit zijn Rijk zow vlieden.
90
Indien men 't weten mach, wat reden?
Strekt haar en my een wet. Maar, waarde vriend, het vil
92
Nu veel te lang, indien ik al d'omstandigheden
Van deze zaak u hier ten vollen zow ontleden:
94
95
't Zal beter voegen dat ik mijn verschoning doe,
95
Niet van mijn schuld, maar ongeluk; waarom, en hoe
96
| | | |
Gy nagelaten zijt, wanneer gy aan de palen
97
Van Mysiën waard uit, om lucht aan land te halen
98
Met Hylas: toen een storm (gelijk gy op die tijt
99
100
Ook zelver trowwens wel gewaar geworden zijt)
100
Ons schielijk overviel, zo; dat al d'ankertowwen
101
Niet konden tegen het geweld der golven howwen.
102
Wy dreven zeewaard in: zo dra de storm bedaard,
103
Men denkt om u, die daar aan land gelaten waard:
105
Zo dat ik sprak: men zow, om u te halen, wenden.
105
De zoons van Aquilo, (dat haar de winden schenden
106
Indien zy leven en de dood noch zijn ontvlucht;
Zo niet, dat dan hun asch verstroit zy door de lucht)
Die rieden 't af met kracht. 't is waar. maar ik, verlegen
109
110
Om zulken braven held, ging hun met reden tegen:
110
Ik scherpte 't volk vast in; dat goetdoen niet verlet.
111
Terstont het schip gewend, en alles bygezet:
112
Maar 't stormde weêr op niew, als of de winden zwoeren
Dat zy ons nimmermeer dat henen wilden voeren.
114
En dat van Aquiloos twe zoons is hun betaald.
116
Doch dat ik ginder bleef, en op mijn tijd niet giste,
117
Was ook ten deel mijn schuld; toen ik mijn Hylas miste,
118
En riep, en hiel niet op van zoeken over al,
120
Waar hy verdwaald mocht zijn op berg, in bosch, of
dal;
Ik riep en hiel niet op, de bergen, bosschen, velden,
En deed ik anders niet, dan Hylas Hylas melden;
122
En of de nare nacht my toen al overviel,
123
Gy weet het berg en bosch, dat ik niet op en hiel;
125
Ik wenschte hem te zien: of in de diepste kuilen
Geduriglijk met beer en wolven naar te huilen.
126
Doch waar hy was of is, hoe ver ik ben gedwaald,
En heeft tot deze tijd noch niemand my verhaald.
Gy zult van uwen tocht, zo 't u gelieft, wat rusten;
130
Men zal alhier uw geest en lichaam gaan verlusten
130
Met zang, en spel, en al wat tot de blijdschap hoort;
O neen; ik trek al voort,
Om werk te zoeken, door het welk ik mijnen Vader
133
(Wiens Ster daar boven blinkt) verdien te komen nader:
134
135
Wat is zo wenschelijk, als met de Zon en Maan,
| | | |
En 't heldere gesternt altijd ten rey te gaan?
136
Te strekken tot een spoor van and're; deze zegen
137
(Gelijk gy weet) en werd door stilstaan niet verkregen;
138
Maar wel door heldendeugt. dan komt verdiende lof,
140
En stelt ons 't volk ten toon; en daar toe zoek ik stof.
140
Vaar wel. ik zow u vorder leiden;
141
Maar, zo ik vreez', men zow my veel te lang verbeiden:
142
Het goed geluk geley mijn vriend in plaats van my.
| |
[tweede toneel]
Medea. Jason. Enioche. Euippe.
145
O Jason! wat is dit? wat moet ik zien en horen?
Dat ieder lijden moet het noodlot hem beschoren.
146
Dat ik verloren ga. wee my rampzalig mensch!
147
Och! stond het in mijn macht, gy had uws herten wensch.
148
't Gedenkt my noch, hoe ik weleer uw wensch voldede.
149
150
Des dank ik ook de min, en uwe vrindlijkhede'.
150
| | | |
Mijn wensch zow zijn, dat gy met my van hier wowd vlieden.
153
Indien het machtiger verbied, hoe kan 't geschieden?
154
155
Getrow te wezen? hoe! wie of u dat belet?
155
De Vorst howd haven, hof, en alles naw bezet.
156
Ik waar veel liever dood, als trowweloos te leven.
Vaart wel: de tijt verloopt, dies moet ik u begeven.
158
Wat leef ik langer? och! waarom geniet ik 't licht?
160
Mistroostige, waarom verwenscht gy dat zo licht/
160
Om dat ik niet kan zien, het geen my kan behagen.
161
Een ieder heeft zijn leet: ik moet het mijne dragen.
Gy hebt u lief; uw leet Medé werd weggejaagt.
163
Gewislijk, 't is my leet al 't geen dat u mishaagt.
164
165
Hoe weinig stemt de daat en waarheit met uw woorde'.
165
| | | |
Gy zowd het zien, indien de Hemel my verhoorde,
Het goet dat ik u wensch...
Het kwaat dat gy my doet!
A! fi! ik heb een slang in mijne schoot gevoed,
168
Gekoestert en gekweekt tot loon van 't vriendlijk kweken,
169
170
Die ik heb uitgered, heeft my na 't hert gesteken;
170
Ondankbaarlijk, zo zeer als valsch, en onverdacht.
171
Verschoon mijn schielijk gaan, Princes; ik word verwacht.
172
| |
[derde toneel]
Medea. Enioche. Euippe.
Gy, die mijn Jason ziet, en zijn' ontrowwigheden,
173
O Hemel! dien ik heb zo dikmaals aangebeden,
175
Gebeden zonder baat... helaas! bedroge vrow
175
Waar keert gy u? waar zoekt gy troost voor uwe row?
176
De Hemel straft geen kwaat: dies smeek ik helsche geesten,
177
Komt herwaarts met u vier, viert deze bruiloftsfeesten,
178
Gy zult hier welkom zijn; hier eischt u een Tyran
179
180
Die moeder van haar kind, de vrow stelt van haar man;
180
Doet dien geweldenaar een kroon van vlammen dragen,
181
Een staf van gloejend gowd; hy moet my helpen klagen,
Ook heel Corinthen, dat nu lacht hem te geval,
183
Doch lichtlijk om zijn end veel meer noch lachen zal;
184
185
Indien het zo zow zijn, zo laat ik 't u ten beste'
185
Of gy 't verschonen wilt of niet; doch liefst het leste:
186
De niewe bruit, voor al, die my mijn troost ontrooft;
187
Onthaal haar na 't behoort; kom sier dat haatlijk hooft,
188
Wasch het in tranen af, en laat haar lokken hangen
190
Gepoedert met vergif, blanket met schrik de wangen:
190
Doch Jason, dat hy haar niet volg; maar spaar hem vry:
191
Op dat ik hem, by beurt, ook ongehoorzaam zy;
192
Dat hem zijn kwelling drijv' op onbekende wegen,
Daar hem een erger volk, als in ons land, bejegen;
194
195
Daar hy my mist, en wenscht, en mijne raad ontbeert
195
Die hem behowden heeft, toen ik hem heb geleert
196
Te zayen tweedracht onder 't volk dat zich vermoorde,
197
Te roven 't gowde vlies, en my. maar waar toe woorde'
198
Die vruchteloos vergeefs toch alle gaan te loor?
199
| | | |
200
Wat howd my, dat ik zelfs my zelven niet verhoor?
200
En zelfs mijn wil volbreng? en of 't niet wow gelukken;
201
Wat groter ramp als nu? wat kan my zwaarder drukken?
202
Wat of ik wagen zow, die niet verliezen kan?
203
Die 't al verloren heb? mijn vaderland, mijn man,
205
Mijn broeder, vaders gunst, mijn maagdelijke eere
Is weg, en weet geensins van wederom te keere'.
Men laat den toom vry los wanneer die niet en baat:
207
Het kwaat en heeft geen heul als aan een erger kwaat.
208
| |
[vierde toneel]
Enioche. Euippe.
Helaas! och! ziet, zo treed een woedende lewinne;
210
'k Weet haar, noch ons, geen raad; waar henen, wat
beginne':
De vlam slaat buiten 't dak, ik zie noch maat, noch end,
211
Aan deze hevigheid, en ducht voor meer elend.
212
Het heugt my noch, hoe ik haar dwaling hield voor ogen,
213
En bad, by deze borst diez' eertijts had gezogen
215
En lief gehad, zy zow veranderen van raad,
215
En weren uit haar hert dat minnelijke kwaat,
216
Noch op een vreemdeling niet stellen haar betrowwen.
217
Maar zy, hier tegen, sprak: het zow haar noit berowwen,
't Verging dan zo als 't mocht; zy wachte, onvervaart,
219
220
Al wat geschieden kon: hy was haar alles waart;
Te sterven ook om hem, en zow haar niet verdrieten,
Indien zy maar een kus mocht van dien held genieten.
Mijn woorden hadden klem als winden op een rots.
223
Herdacht zy 't nu, en gaf haar moed wat minder bots!
224
225
Wie kan een edel hert, van smaat getergt, zo snoeren
225
Dat het door ongeduld zich niet en laat vervoeren?
226
Want, hoe? na dat hy haar had aan zijn rechterhand
Getrowt voor Juno, in Corcyras vruchtbaar land,
228
Gelijk de koningin Areta kan getuigen,
229
230
Alcinoüs, en al die voor zijn schepter buigen:
230
Verschove vrow te zijn van koninklijke maagt!
231
Het is zo wonder niet, indien zy hevig klaagt.
De spijt en gramschap staan in 't aangezicht te lezen;
233
Zy spreekt my van haar kind niet meer gelijk voor dezen;
234
235
En zo eens by geval daar van gesproken werd,
235
| | | |
Zy zucht, als of haar iets bedroefder viel op 't hert:
236
Geen rust verzacht haar row; en 't geen zy eet, met smeken
En bidden dient men 't haar, hoe weinig, in te preken:
238
Door klagen afgemat wanneer zy wat beschiet;
239
240
Steets schriktz', of roept, of zucht, dus rust zy min
als niet:
240
Noch gist'ren zag ik haar los uit het bed gevlogen
241
Meest naakt, met sling'rend hair, en holle glinstrend' ogen;
242
Ik vraagde wat haar dreef. zy zey my; broeders geest,
243
Of die het scheen te zijn, had voor haar bed geweest;
245
En had haar laten zien zijn borst, zijn bleke kaken,
245
En had haar aangezeid veel schrikkelijke zaken,
246
Dan weder toegelacht, en met haar raad gepleegt,
247
Gelijk geheel begaan, als een die zich beweegt
248
Om 't leet van anderen, dan had hy aangeboden
250
Vergif, en spitse pook, geweer om meê te doden,
250
Dan wederom haar kind genomen met 'er hand,
En 't tere bekkeneel gekneust aan post en wand.
252
Bedroefde! zijn hier niet in 't leven die u kwellen,
253
Moet uw benawde ziel noch dode beuls bestellen?
254
255
Maar laat ons binnen gaan, op dat wy onbeleeft
Niet maken dat zy oit naar ons te wachten heeft.
'k Heb menigmaal gedacht,
Of wel 't Geluk mocht wezen
258
Van 't goddelijk geslacht.
260
Neen, 't is een domme kracht
260
Die zotte raad toelacht,
261
Stont gist'ren hoog gerezen.
263
Dien ik een hemelsch kind
265
Te wezen dacht voor dezen,
265
Wanneer men 't recht bezind,
266
Men vind haar doof en blind,
267
Zie toe, die heil bemind;
270
Het hoogste moet meest vrezen.
270
| | | |
O Jason! schrikt en beeft
Hoe hoog gy werd geprezen:
272
Die 't luk tot steunsel heeft,
273
En zelfs geen acht en geeft,
274
275
Indien hy niet en sneeft,
275
Hy is, van die d'er leeft,
De enigst' uitgelezen.
277
|
1gemeenlijk: gewoonlijk, doorgaans;
vermaningen: levenslessen, waarschuwingen; afkeriglijk: vol
afschuw.
3de zelve: Namelijk:
‘vermaningen’ (r. 1).
4aangenaam: aantrekkelijk; om:
omwille van.
5blijvende ... palen: zolang die
tenminste binnen de grenzen van het betamelijke blijven.
6als: omdat, aangezien; die:
Namelijk: ‘de Dichtkunst’ (r. 4); het gemoed ... strelende:
terwijl zij de menselijke ziel genoegen schenkt.
6-7of [...] of: dan wel [...] dan
wel.
7prikkelen: aansporen; gelijk:
zoals.
7-8al lacchende ... zeggen: Vergelijk
Horatius, Sermones, I.1.24: ‘Ridentem dicere verum / quid'
vetat’ (Wat is ertegen, lachend de waarheid te zeggen?).
8oeffenen: beoefenen; ledigen:
vrije.
9erger: zonder tastbaar
resultaat.
10verscheiden: uiteenlopende auteurs;
verscheidelijk: op verschillende manieren; verhandelt:
uitgewerkt.
11met schaduwen .... zijnde: vol
onduidelijkheden.
12gevoeghelijkste: het meest
betamelijke, fatsoenlijke; gelijk: zoals.
13elk ... zinlijkheit: ieder zoals hem
dat het best bevalt; byzondere: eigenzinnige.
15openbare: openlijk als zodanig bekend
staande.
16AEgeus: Volgens een aantal
mythologische bronnen zou Medea na haar gruweldaden in Corinthe toevlucht
gezocht hebben bij Aegeus, de koning van Attica, die haar daarop tot zijn vrouw
nam.
17versmeten: als onjuist van de hand
gewezen; te schijnen: de indruk te wekken.
19howte papegayen: In de zeventiende
eeuw plaatste men bij wedstrijden in het handboogschieten vaak een nagemaakte
vogel op een staak die ‘houten papegaai’ genoemd werd; op [...]
disschen: serveren.
20gedachten: denkbeelden, voorstelling
van zaken; met voordacht: opzettelijk; Seneca: Lucius Annaeus
Seneca (4 v. Chr - 65 n. Chr.), de Romeinse toneeldichter wiens tragedie
Medeaveel invloed op latere Medea-drama's uitgeoefend heeft.
22t'eenemaal: geheel en al;
meeninge: strekking.
23verschelen: verschillen;
dewyl: aangezien.
24hatelijk maakt: negatief,
‘hatenswaardig’ voorstelt; t'haarwaarts: tegenover, ten
aanzien van haar.
25oogmerk: doel; d'ontrowheit:
het overspel; lijdende te maken: als een lijdend, ongelukkig personage
voor te stellen.
27A. Rhodius: Apollonios Rhodius (ca.
295 v. Chr. - ca. 215 v. Chr.), auteur van de Argonautika, een Grieks
epos over Jasons tocht met de Argo; V. Flaccus: Valerius Flaccus
(gestorven ca. 90 n. Chr.), auteur van de Argonautica, een Latijns epos,
kort na 70 n. Chr. geschreven, over Jasons tocht met de Argo; D.
Siculus: Diodorus Siculus, of Diodorus van Agyrion (ca. 100 v. Chr. - na 36
v. Chr.), auteur van een algemene wereldgeschiedenis ( Bibliotheke)
waarin ook de Argonautentocht behandeld wordt (Boek IV); van de welke:
door wie; zwart: negatief.
28afgemaalt: uitgebeeld; zo en [...]
nochtans: niettemin.
29zulks: Versta: Zo weinig had zij dat
verdiend.
30ongelijk: onrecht; dolle:
buitensporige.
3behaagt: valt in de smaak bij.
4door liefde ontsteken: in liefde
ontvlamd.
9tot [...] bereiden: voorbereiden op;
trowwen: de huwelijksvoltrekking; tijdinge: bericht.
11onbeleefdelijk: zonder veel ophef;
wederom: terug, weg; gevallen: binnengevallen; waar over:
naar aanleiding waarvan.
13door: door tussenkomst van.
14tot een vereering: als een
verzoeningsgeschenk.
15van Creon ... zijnde: nadat Creon en
Creüsa het geroken hadden en het hun naar het hoofd gestegen
was.
17schielijk: onmiddellijk;
razende: terwijl ze wartaal uitslaat; zo als: zodra.
1wat ... / ... sterren: welke
goedgunstige sterrenconstellatie.
10fel: meedogenloos; Van:
Door.
11Pelias: koning van de stad Iolcus
in Thessalië.
12Opperst: bevelhebber;
Colchis: landstreek aan de oostkust van de Zwarte Zee.
13erfgoed: onvervreemdbare bezit,
nalatenschap; Phryxus: Phrixus, een Boeotische koningszoon die in
Colchis asiel gevonden had; gebleven: gestorven.
14men ... geven: het gerucht deed de
ronde.
15Dat gelt: Het gaat om; gulde
Vliezen: gouden munten.
16Op ... uit: Om roof zou het te doen
zijn; Aëtaas Slot: de burcht van Aeëtes, koning van Colchis;
sta vast: moge standhouden.
17Door dien: aangezien;
vergaderen: verzamelen, bijeenbrengen.
18In ramme vachten: Volgens de
klassieke overlevering gebruikten de inwoners van Colchis dierenhuiden om het
door rivieren meegevoerde goud op te vangen; 't gowd ... d'aderen:
doordat zij het goud wonnen uit de rivieren.
19Corax, Caucasus, Marpesi': Colchis
grenst aan het Kaukasische Hooggebergte, Corax en Marpessus zijn in de
klassieke literatuur bekende bergen, gelegen in respectievelijk de Griekse
landsstreek Aetolië en op Paros, een eiland in de Aegeïsche
Zee.
20Phasis: een rivier die aan de
oostkust van de Zwarte Zee uitmondt; het: Namelijk: het land Colchis;
boord: omboordt, afzet; gulde: gouden.
21't Welk: Namelijk: Het goud;
vaste: veilige.
22ruim zo schrander: met aanzienlijk
meer scherpzinnigheid.
24te helpen [...] van kant: uit de
weg te ruimen.
25Hoe of [...] waren: Hoe ook mochten
zijn.
26geprikkelt: aangespoord.
28My moedigde: mijzelf moed insprak;
derwaarts ... riep: mijzelf aanspoorde daarheen te gaan.
29beschoren: voorbestemd.
30Gelijk: Zoals; licht:
makkelijk; verloren: te gronde.
31Ten waar: als niet; de Dochter
van Aëet: Medea; op my ontstak: verliefd op mij geworden
was
32't Grieksche gowt: Namelijk: het
goud uit de nalatenschap van Phrixus.
33zo .... ontzeiden: toen hij mijn
eis [het goud vrij te geven] afwees, hebben wij hem de oorlog
verklaard
34bestaan: het aangedurfd, het
gewaagd.
36owter: altaar; Diaan: Diana,
godin van de jacht en de kuisheid; verzien / Met: voorzien van,
uitgerust met.
37brand verhoed: vuur
afweert.
38datelijk: meteen; vonden:
vondsten, uitvindingen.
40aan ons end: ten onder
gegaan.
42dien buit: Namelijk: het goud;
licht: gemakkelijk; laten: prijsgeven.
44Absyrt: Apsyrtus; stelt:
verzet.
46bare: verschrikkelijke.
47voldaan: tevreden gesteld; naar
begeert: zoals we ons dat gewenst hadden.
50AEson: Aeson, verstoten koning van
Iolcus en halfbroer van Pelias; krank: ziek.
51kloek: kundig, vaardig.
52wist: kende; maar
alleenlijk: slechts; vont: aantrof.
54stovingen: hete omslagen; openen
van ader: aderlatingen.
55kloek ... pas: krachtig en
kerngezond.
57verzocht: beproefde; al
verloren: tevergeefs.
58Zo ... bestierf: Zodat hij eraan
[te weten: de geneeskunst van Medea] te overlijden kwam.
59Acast: Acastus, de oudste zoon van
Pelias; Als dat: Als zou het zo zijn dat.
60d'owde wrok: Namelijk: de twist
tussen Jason en Pelias om de troon van Iolcus; my te geval: om
mijnentwillen.
62evenwel: niettemin,
nochtans.
65deizen: wijken, zich
terugtrekken.
66klaarder: met meer helderheid;
reizen: ten hemel stijgen.
70verhoogt: verheven, tot een hogere
staat gevoerd.
72Juist: Op hetzelfde moment; te
moet: tegemoet.
74dat ... weze': dat u aan de
bruiloftsvreugde deel mocht hebben
75wat ... van: hoe is het gesteld
met.
77Zy ... vaardig: Zij bereidt zich
voor; op 't spoedigst: zo snel mogelijk.
78tot hartzeer strekken: verdriet
doen.
79Elendige: Beklagenswaardige;
bange: benauwde, bedrukte.
81Ik ... aan: Ik trek mij niets aan
van.
83Bovendien heb ik met iemand te doen, die
niet snel vol vrees bij de pakken neer zal zitten
85te: deste; ontsien: gevreesd
te worden; toren: toorn.
87Gelijk: Zoals; hem:
Namelijk: de lucht (object); besluit: insluit, omvat.
88vast benawd: krachtig samendrukt;
op 't lest: uiteindelijk; te: deste.
92Strekt ... wet: Geldt voor haar en
mij als een wet; vil: viel.
94ontleden: uiteenzetten.
95voegen: passen; dat ... doe:
dat ik mij verontschuldig, vrijpleit.
96schuld: Namelijk: jegens Hercules.
Onderweg naar Colchis had Jason zijn vriend Hercules samen met Hylas (v. 99)
achtergelaten in Mysië (v. 98), een landstreek in Klein-Azië, omdat
deze twee niet op het afgesproken tijdstip weer bij de Argo teruggekeerd
waren.
97nagelaten: achtergelaten;
wanneer: toen; palen: grenzen.
98lucht [...] halen: zich
vertreden.
101schielijk: plotseling.
102konden [...] howwen: opgewassen
waren.
103zeewaard in: zeewaarts.
106De zoons van Aquilo: Calaïs
en Zetes, de zogenaamde Boreaden, die beiden eveneens deelnamen aan de
Argonautentocht. Aquilo of Boreas is de god van de noordenwind.
109verlegen: in verlegenheid
gebracht.
110Om: Vanwege; braven:
dappere; met reden: met kracht van argumenten; ging hun [...]
tegen: verzette mij tegen hen.
111scherpte: prentte; verlet:
schaadt.
116Om hen voor hun trouweloze gedrag te
bestraffen heeft Hercules na verloop van enige tijd Calaïs en Zetes gedood
en hen begraven op het eiland Tenos.
118toen ... miste: Op zeker moment
was Hercules Hylas kwijt geraakt. Volgens het mythologische verhaal hadden
waternimfen hem in een bron getrokken, omdat zij verrukt van zijn schoonheid
waren.
122melden: toe te roepen. In de
formulering van Six roept Hercules ‘de bergen, bosschen, velden’
(v. 121) onophoudelijk de naam van Hylas toe.
123nare: donkere, sombere.
126Geduriglijk: Onophoudelijk;
naar: droevig, treurig.
130verlusten: vermaken,
verlustigen.
133werk: Versta: avonturen;
Vader: Hercules is de zoon van Jupiter, de hoogste god.
134Ster: Namelijk: de ster die zijn
lot bepaalt; verdien ... nader: evenaar.
136ten rey te gaan: de reidans te
aanvaarden, in beweging te blijven.
137Te strekken ... and're: Zodanig te
handelen, dat mijn gedrag een aansporing is voor derden.
140stelt ons [...] ten toon: richt
standbeelden van ons op; stof: middelen, de gelegenheid.
141vorder: verder; leiden:
begeleiden.
142my [...] verbeiden: op mij
wachten.
146Dat iedereen moet ondergaan wat het
noodlot voor hem heeft beschikt.
147Dat ik: Sluit aan bij ‘zien
en horen’ (v. 145).
148gy ... wensch: aan uw wensen zou
voldaan worden.
149't Gedenkt my: Ik herinner
me.
150Des: Daarom; min:
liefde
151averechtsen: misplaatste;
garen: graag
154machtiger: een machtiger
man.
155wie ... belet?: wie ook maar zou u
dat beletten?
156howd [...] naw bezet: laat streng
bewaken.
158dies: daarom; begeven:
verlaten
163u lief: Namelijk:
Creüsa.
168fi: foei; een slang ...
gevoed: Versta: iemand goed gedaan die mij later bedrogen heeft.
169gekweekt: gekoesterd, verzorgd;
vriendlijk: liefdevol.
170uitgered: gered, verlost; na 't
hert gesteken: naar het leven gestaan.
171zo zeer als: evenzeer als, niet
minder dan; onverdacht: onverwacht, onvoorzien.
172schielijk: plotseling,
ijlings.
173ontrowwigheden:
ontrouw.
175zonder baat: zonder dat het enig
effect had.
176Waar ... u?: Tot wie zult u zich
wenden?
178herwaarts: hierheen; vier:
vuur.
179hier ... Tyran: hier maakt het
optreden van een tiran uw komst noodzakelijk.
181geweldenaar: tiran,
dwingeland.
183hem te geval: om hem genoegen te
geven.
184lichtlijk: spoedig; zijn
end: de dood van Creon.
185zo ... beste': dan laat ik het aan
u over.
186verschonen: verontschuldigen,
ontzien; leste: laatste.
187mijn troost: Versta: Jason;
ontrooft: afneemt.
188Onthaal: Behandel,
‘Trakteer’; na: zoals.
190blanket: Afgeleid van
‘blanketten’, de huid blank maken door middel van blanketsel, een
wit poeder.
192by beurt: op mijn
beurt.
194bejegen: tegemoet
treedt.
195wenscht: aanwezig
wenst.
197Volgens het mythologische verhaal werd
Jason in Colchis door een leger van reuzen belaagd. Op aanraden van Medea
hitste hij hen tegen elkaar op door een steen, die ze allemaal in hun bezit
wensten te krijgen, in hun midden te werpen.
198waar toe woorde': wat voor zin
hebben woorden.
200howd: weerhoudt; zelfs:
zelf; verhoor: gehoor geef aan mijn wensen.
201zelfs: zelf; of: indien,
stel dat.
202drukken: bezwaren,
terneerslaan.
203Wat ... zow: Wat ik allemaal wel
niet wagen zou.
207Wanneer de teugels geen dienst meer doen,
kan men die maar het beste laten vieren.
208heul: toevlucht,
uitkomst.
211De vlam ... dak: Versta: Medea
heeft de controle over zichzelf verloren; maat: matiging,
beheersing.
212hevigheid: drift; ducht:
vrees.
213Het heugt my: Ik herinner mij;
haar dwaling: Namelijk: het plan dat Medea in Colchis opvat om Jason te
helpen en hem later ook te huwen.
216dat minnelijke kwaat: het omwille
van de liefde positief gewaardeerde kwaad.
217betrowwen: vertrouwen.
219onvervaart: onbevreesd.
223klem: vat [op haar],
effect.
224Dacht ze nu maar aan mijn vroegere
woorden en liet zij haar emoties niet zozeer de vrije loop!
225van smaat getergt: gepijnigd door
schande en vernedering; snoeren: betomen, tot bedaren
brengen.
226ongeduld: woede, toorn.
228Juno: godin van het huwelijk;
Corcyras: Op Corcyra (Corfu) werd volgens de mythologische overlevering
het bruiloftsfeest van Jason en Medea voltrokken.
229Gelijk: Zoals; Areta:
Arete, echtgenote van koning Alcinoüs.
230Alcinoüs: koning van de
Phaeaken, die in het Argonautenverhaal zijn regeringszetel op Corfu
heeft.
231Van een koninklijke maagd te worden tot
een verstoten echtgenote!
233spijt: toorn; gramschap:
woede.
234van: over; gelijk voor
dezen: zoals voorheen.
236als of ... hert: alsof een nog
groter leed haar bezwaarde.
238dient men 't haar [...] in te
preken: moet men haar met behulp van vermanende woorden tot zich doen
nemen.
239beschiet: in een lichte slaap
valt.
241los: onverschillig, zonder
gêne.
242Meest: Vrijwel; sling'rend:
wapperend.
243dreef: opjoeg; broeders
geest: de geest van Apsyrtus, die tijdens de vlucht uit Colchis het leven
liet (zie v. 44-45).
246aangezeid: te kennen gegeven;
schrikkelijke: vreesaanjagende.
247raad gepleegt: beraadslaagd,
overlegd.
248Gelijk geheel begaan: Alsof hij
medelijden [met Medea] voelde; een: iemand die; beweegt / Om:
aantrekt.
250spitse pook: scherpe dolk;
geweer: wapentuig.
252bekkeneel: schedel, hoofd;
gekneust: verbrijzeld; post: pijler, zuil.
254benawde: geprangde, bedrukte;
bestellen: ontbieden.
260kracht: macht,
instantie.
261toelacht: behaagt,
bevalt.
263hoog gerezen: in hoog
aanzien.
266recht: naar behoren;
bezind: overweegt, beziet.
270Het hoogste: De belangrijkste,
machtigste personen.
272Hoe hoog gy: Hoe hoog gij nu
ook.
273Die: Degene die; luk:
geluk, fortuin; steunsel: steun.
274zelfs: zelf; geen acht [...]
geeft: niet op zijn hoede is.
277De enigst': Als enige;
uitgelezen: uitverkoren.
|
|