Medea


auteur: Jan Six


bron: Jan Six, Medea. Jacob Lescailje, Amsterdam 1679  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 57]

Jan Six
 
Medea
Treurspel

TWEDE DRUK
 
TE AMSTERDAM,
By Jacob Lescailje, Boekverkoper op de Middeldam,
naast de Vischmarkt, 1679

[p. 58]

Voorreden

1Aangezien men gemeenlijk scherpe, hoewel goede, vermaningen afkeriglijk 1 2 verwerpt, om datze ons vermaak schijnen te benemen; zo is het al van owds de 2 3 moeite en grote kosten waardigh geöordeelt, de zelve door 't een of 't ander 3 4 middel aangenaam te maken: onder welke middelen de Dichtkunst, om hare 4 5 sieraden, (blijvende binnen heusche palen) niet van de minste behoort gehowden te 5 6 worden: als die gewoon is, het gemoed lieffelijk strelende, of van 't kwaat af te 6 7 wenden, of tot deugt te prikkelen, of, gelijk men spreekt, al lacchende de waarheit 6-7 7 8 te zeggen. Dierhalven, om deze kunst te oeffenen, en om den ledigen tijd niet 7-8 89 erger te besteden, is dit Treurspel by der hant genomen: welkers geschiedenis (by 9 10 verscheiden zeer verscheidelijk verhandelt, en meest al met schaduwen en schorsen 10 11 bedekt zijnde) de vryheit gelaten heeft, om het waarschijnelijkste en 11 12 gevoeghelijkste daar van te verkiezen; gelijk de schilders plegen, wanneer zy een 12 13 zaak, elk naar eige zinlijkheit, op byzondere wijze uitbeelden. Deze vryheit is my 13 14 nodig geweest te gebruiken; want het niet wel bestaan konde, dat Medea een 15 openbare Toveres zowde geweest zijn, en door de lucht voor ieders ogen gevlogen 1516 hebben; en daar na noch aan AEgeus koning van Athenen hertrowt zijn: daarom is 16 17 al dat, en diergelijk, t'eenemaal hier versmeten; om niet te schijnen de gene, die 17 18 dit lezen, ofte aanhoren, zulke te achten, dat zy haar zowden laten wijs maken dat 18 19 howte papegayen broot aten: ook, om geen verwarmde spijze op te disschen, zijn 19 20 hier de gedachten van anderen met voordacht gemijd; behalven eenige van Seneca, 20 21 in 't begin van 't twede Bedrijf alleen, die niet en konden ontgaan werden; als 21 22 t'eenemaal met de meeninge van dit werk overeenkomende, zo veel, als zy met die 22 23 van den Latijnschen Dichter schijnen te verschelen; dewijl hy doorgaans Medea 23 24 hatelijk maakt, en op die plaats nochtans groot medelijden t'haarwaarts verwekt: 24 25 maar hier is 't oogmerk d'ontrowheit en Medea lijdende te maken; want al 25 26 had Medea elders misdaan (waar van zy ook groot berow gehad heeft, als blijkt by 27 A. Rhodius, V. Flaccus, D. Siculus, van de welke zy zo zwart niet, als naderhand 2728 van anderen, afgemaalt is) zo en had zy nochtans aan Jason geensins verdient, 28 29 verlaten, van haar kind berooft, en weggejaagt te werden: zulks, dat zy veel eer 29te 30 beklagen is; wanneerze, door 't groot ongelijk dat haar geschied, tot zo dolle 30 31 wanhoop, en wraak gedreven werd, dat zy haar en haar kind door de dood 31 32 wegrukt. Hier van luid aldus

[p. 59]

D'inhowd

1 Jason met Medea, dochter van Aëta Koning van Colchis, getrowt, (met haar 2 vluchtig voor zijn neef Acastus zoon van Pelias, den toen onlangs overlede Koning 2 3 van Thessalien) komende te Corinthen, behaagt Creüsa, eenige dochter van Creon 3 4 Koning aldaar, zo zeer; dat die, door liefde ontsteken, in een gevaarlijke koortze 4 5 vervalt; 't welk haar vader merkende, doet Jason met zijn dochter trowwen. 6 Medea, die hier over zo zeer ontstelt is als Creüsa verheugt, gebied hy te 7 vertrekken, en Eriope haar dochterken (dewijl Jason het zeer beminde) daar te 7 8 laten: doch Medea een dagh tijts van den Koning verkregen hebbende, om haar tot 9 d'aanstaande reize te bereiden, krijgt hy, van trowwen komende, tijdinge dat 9 10 Acastus (wiens gezanten, om Jason en Medea te halen, by hem waren geweest en 11 onbeleefdelijk wederom gezonden) in zijn land gevallen was: waar over Jason 11 12 Medea aanraad te spoediger te vertrekken; doch zy, hem zijne ontrow verweten 13 hebbende, zend aan de Bruid door haar dochterken, (op dat het in schijn haar 13 14 gunst daar door zowde mogen winnen) tot een vereering een kofferken daar 14 15 handschoenen in waren met vergif bestrooit; 't welk, van Creon en Creüsa na de 1516 herssenen door 't rieken opgetrokken zijnde, hun beiden vergeeft: Creon sterft 16 17 schielijk, Creüsa loopt razende na Jason toe, die haar onderwegen dood vind; zo 17 18 als Jason met het dode lichaam van Creüsa op 't binnenhof komt, ziet hy Medea 19 op haar galery staan; die, om hem duizend doden te doen sterven, het dochterken 19 20 van boven neder werpt; en, om zwaarder pijn t'ontgaan, haar zelf doorsteekt.

Het Tooneel is 't Binnenhof van Corinthen.
Het Treurspel begint en eindigt omtrent met de tijd daar 't in vertoont werd.
[p. 60]

Namen der vertoners [titel]

 Jason,gehuwt aan Medea.
 Hercules,Jasons vriend.
 Medea,dochter van Aëta koning van Colchis.
 Enioche,voedster van Medea. 4
5Euippe,kamenier van Medea. 5
 Rey, gevolg.
 Creüsa,dochter van Creon.
 Creon, koning van Corinthen.
 Bode,soldaat.
10Eriope,dochterken van Jason en Medea.
 Aglaura,voedster van Creüsa.
 Philippus,kamerling van Jason. 12

[p. 61]

Eerste bedryf

[eerste toneel]

Jason. Hercules.
Jason
 
O, welkom! waardste vriend! wat goedertiere reyen 1
 
Der sterren, komen hier mijn Hercules geleyen? 2
 
Gy kwaamt ter goeder uur nu tot Corinthen aan. 3
 
Op wat plaats hebt gy eerst van mijn geluk verstaan? 4
Hercules
5
O, Jason! wat geluk? 'k heb nergens van vernomen;
 
Maar ben daar even zo de haven ingekomen, 6
 
Om door deez' Owde Stad te trekken landwaard in.
Jason
 
Zo is u onbewust, hoe dat ik door de min 8
 
Van Creons Dochter ben behowden na lang dwalen? 9
10
Hoe fel ik wierd vervolgt.
Hercules
 
Van wien?
Jason
 
Ik zal 't verhalen: 10
 
Toen Pelias mijn Oom, Vorst van 't Thessalisch land, 11
 
My, Opperst van de Vloot, na 't gowdrijk Colchis zand, 12
 
Om 't erfgoed t'eischen van Neef Phryxus daar gebleven, 13
 
Gy weet, men mompelde; men dorst wel van zich geven: 14
15
Dat gelt die grote Schat; de gulde Vliezen, was 't; 15
 
Op vrybuit gaat dat uit, Aëtaas Slot sta vast: 16
 
Door dien men wist dat daar d'inwoonders veel vergaderen 17
 
In ramme vachten, 't gowd afdrijvende uit d'aderen 18
 
Van Corax, Caucasus, Marpesi'; in de stroom 19
20
Van Phasis, dien het boord als met een gulde zoom; 20
 
't Welk in een vaste plaats bewaart wierd: maar een ander, 21
 
Die wist dat Oom my vreesd' en hate, ruim zo schrander, 22
 
Geloofde, dat men my door zulk een middel zocht 23
 
Te helpen slechs van kant op deze zware tocht: 24
25
Hoe of de meningen hier van by and're waren, 25
 
Ik ben, alleen door eer geprikkelt, heen gevaren, 26
 
Die nacht en dach, 't zy dat ik waakt', of dat ik sliep,
 
My moedigde met hoop, en derwaarts henen riep: 28
 
Doch was door deze tocht mijn ondergang beschoren, 29
30
(Gelijk ik wel geloof) ik ging ook licht verloren; 30
[p. 62]
 
Ten waar de Dochter van Aëet' op my ontstak, 31
 
Toen ik van 't Grieksche gowt aldaar den Koning sprak: 32
 
Want zo hy my mijn eisch, wy hem de vreed' ontzeiden, 33
 
Heeft zy bestaan met list ons in het Slot te leiden: 34
35
'k Beloofde haar eerst trow, en met haar weg te vliên, 35
 
Voor 't owter van Diaan: toen heeft zy ons verzien 36
 
Met zalf die brand verhoed, met pijlen die niet wonden 37
 
Of doden datelijk, en diergelijke vonden; 38
 
Gy hielpt ons trowwelijk, Medea! ik beken 't;
40
En, zonder uwe hulp, wy waren aan ons end. 40
 
Men vont in 't Slot veel schats, men vont daar ook soldaten;
 
De Slotvoogt Draak wow ons dien buit zo licht niet laten: 42
 
Doch op die vreemde wijs gewapent hield ik 't veld:
 
Absyrt haar broêr, die zich vergeefs hier tegen stelt, 44
45
Beneden tusschen Stad en haven, wierd doorstoten:
 
Daar wierd een bare zee van bloed in zee vergoten: 46
 
In 't kort; wy zijn voldaan, vergolden naar begeert 47
 
Met den gewonnen schat, na 't Vaderland gekeert: 48
 
Maar toen ik daar kwam, was mijn moeder overlede',
50
Mijn vader AEson krank; Medea (die ik mede 50
 
Gebracht had, en heel kloek der kruiden kracht verstont, 51
 
En wist geneeskunst, die men maar alleenlijk vont 52
 
By 't Koninklijk geslacht van Colchis) heeft mijn vader,
 
Door dranken, stovingen, en openen van ader, 54
55
Als weder jong gemaakt, zo kloek en wel te pas: 55
 
Nu Pelias, die ook zeer krank geworden was,
 
En veel te zwak, verzocht haar kunst, doch al verloren; 57
 
Zo dat hy het bestierf? zy fluisterden in d'oren 58
 
Van Prins Acast, zijn zoon.
Hercules
 
Ik weet.
Jason
 
Als dat Medé, 59
60
Bewust van d'owde wrok, my te geval dit deê; 60
 
Dat hy vergeven was: de hemel wil het wreken 61
 
Op my, zo ik 't geloof: nu, evenwel wy weken 62
 
Van daar, door dien men ons vervolgd' en dreigde zeer. 63
Hercules
 
Gy wijken, held! dat's niew.
Jason
 
Zo daalt de zon ook neêr, 64
65
Verbergt zijn aangezicht; men ziet zijn stralen deizen, 65
 
En klaarder naderhand en hoger weder reizen; 66
[p. 63]
 
Gelijk my is gebeurt: wy vluchten naar Corinth, 67
 
Waar Creon ons beschermt, door trow aan my verbind 68
 
Zijn Dochter jong en schoon en lieflijk om t'aanschowwen:
70
Dus word u vriend verhoogt, 't is heden dat wy trowwen: 70
 
Ik ging nu na haar toe, dewijl zy my verwacht; 71
 
Juist komt gy my te moet: geheel Corinthen lacht 72
 
En juigt van bruilofsvreugt, en my gebrak aan deze 73
 
Allenig, dat gy die meê mocht deelachtig weze'. 74
Hercules
75
Heb dank, o Jason! maar, wat is dan van Medé 75
 
Aëtaas dochter? want gy die Princes bragt meê.
Jason
 
Zy maakt 'er vaardig om op 't spoedigst weg te trekken. 77
Hercules
 
Zo leeft zy noch? wat moet haar dit tot hartzeer strekken! 78
 
Elendige Princes! hoe menig bange traan 79
80
Zal uit het droevig oog langs bleke kaken gaan! 80
Jason
 
Ik keer my niet aan 't nat geperst uit vrowwen ogen, 81
 
Daar is geen vochtigheid die rasser op kan drogen. 82
 
Ook heb ik die niet voor, die licht lafhertig treurt: 83
 
Zy blijft al even fier, en trots; wat haar gebeurt.
Hercules
85
Zy dient te meer ontsien; want opgekropte toren 85
 
Is dies te heviger, wanneer die zich laat horen:
 
Gelijk de lucht, als hem een kopre buis besluit, 87
 
En vast benawd, noch breekt op 't lest te feller uit. 88
Jason
 
De Koning Creon heeft haar gistren doen gebieden,
90
Dat zy dien zelven dag noch uit zijn Rijk zow vlieden. 90
Hercules
 
Indien men 't weten mach, wat reden?
Jason
 
's Konings wil 91
 
Strekt haar en my een wet. Maar, waarde vriend, het vil 92
 
Nu veel te lang, indien ik al d'omstandigheden
 
Van deze zaak u hier ten vollen zow ontleden: 94
95
't Zal beter voegen dat ik mijn verschoning doe, 95
 
Niet van mijn schuld, maar ongeluk; waarom, en hoe 96
[p. 64]
 
Gy nagelaten zijt, wanneer gy aan de palen 97
 
Van Mysiën waard uit, om lucht aan land te halen 98
 
Met Hylas: toen een storm (gelijk gy op die tijt 99
100
Ook zelver trowwens wel gewaar geworden zijt) 100
 
Ons schielijk overviel, zo; dat al d'ankertowwen 101
 
Niet konden tegen het geweld der golven howwen. 102
 
Wy dreven zeewaard in: zo dra de storm bedaard, 103
 
Men denkt om u, die daar aan land gelaten waard:
105
Zo dat ik sprak: men zow, om u te halen, wenden. 105
 
De zoons van Aquilo, (dat haar de winden schenden 106
 
Indien zy leven en de dood noch zijn ontvlucht;
 
Zo niet, dat dan hun asch verstroit zy door de lucht)
 
Die rieden 't af met kracht. 't is waar. maar ik, verlegen 109
110
Om zulken braven held, ging hun met reden tegen: 110
 
Ik scherpte 't volk vast in; dat goetdoen niet verlet. 111
 
Terstont het schip gewend, en alles bygezet: 112
 
Maar 't stormde weêr op niew, als of de winden zwoeren
 
Dat zy ons nimmermeer dat henen wilden voeren. 114
115
Wy gaven 't eindlijk op.
Hercules
 
Het is my zo verhaald:
 
En dat van Aquiloos twe zoons is hun betaald. 116
 
Doch dat ik ginder bleef, en op mijn tijd niet giste, 117
 
Was ook ten deel mijn schuld; toen ik mijn Hylas miste, 118
 
En riep, en hiel niet op van zoeken over al,
120
Waar hy verdwaald mocht zijn op berg, in bosch, of dal;
 
Ik riep en hiel niet op, de bergen, bosschen, velden,
 
En deed ik anders niet, dan Hylas Hylas melden; 122
 
En of de nare nacht my toen al overviel, 123
 
Gy weet het berg en bosch, dat ik niet op en hiel;
125
Ik wenschte hem te zien: of in de diepste kuilen
 
Geduriglijk met beer en wolven naar te huilen. 126
 
Doch waar hy was of is, hoe ver ik ben gedwaald,
 
En heeft tot deze tijd noch niemand my verhaald.
Jason
 
Gy zult van uwen tocht, zo 't u gelieft, wat rusten;
130
Men zal alhier uw geest en lichaam gaan verlusten 130
 
Met zang, en spel, en al wat tot de blijdschap hoort;
 
Indien ik iets vermag...
Hercules
 
O neen; ik trek al voort,
 
Om werk te zoeken, door het welk ik mijnen Vader 133
 
(Wiens Ster daar boven blinkt) verdien te komen nader: 134
135
Wat is zo wenschelijk, als met de Zon en Maan,
[p. 65]
 
En 't heldere gesternt altijd ten rey te gaan? 136
 
Te strekken tot een spoor van and're; deze zegen 137
 
(Gelijk gy weet) en werd door stilstaan niet verkregen; 138
 
Maar wel door heldendeugt. dan komt verdiende lof,
140
En stelt ons 't volk ten toon; en daar toe zoek ik stof. 140
 
Hierom, vaar wel.
Jason
 
Vaar wel. ik zow u vorder leiden; 141
 
Maar, zo ik vreez', men zow my veel te lang verbeiden: 142
 
Het goed geluk geley mijn vriend in plaats van my.
Hercules
 
Dat blijf met u, ô held!
Jason
 
Dat blijf u eewig by.

[tweede toneel]

Medea. Jason. Enioche. Euippe.
Medea
145
O Jason! wat is dit? wat moet ik zien en horen?
Jason
 
Dat ieder lijden moet het noodlot hem beschoren. 146
Medea
 
Dat ik verloren ga. wee my rampzalig mensch! 147
Jason
 
Och! stond het in mijn macht, gy had uws herten wensch. 148
Medea
 
't Gedenkt my noch, hoe ik weleer uw wensch voldede. 149
Jason
150
Des dank ik ook de min, en uwe vrindlijkhede'. 150
Medea
 
O, averechtsen dank!
Jason
 
Ik geef u garen toe. 151
[p. 66]
Medea
 
Wat baat my zulken dank?
Jason
 
Wat wilt gy dat ik doe?
Medea
 
Mijn wensch zow zijn, dat gy met my van hier wowd vlieden. 153
Jason
 
Indien het machtiger verbied, hoe kan 't geschieden? 154
Medea
155
Getrow te wezen? hoe! wie of u dat belet? 155
Jason
 
De Vorst howd haven, hof, en alles naw bezet. 156
Medea
 
Ik waar veel liever dood, als trowweloos te leven.
Jason
 
Vaart wel: de tijt verloopt, dies moet ik u begeven. 158
Medea
 
Wat leef ik langer? och! waarom geniet ik 't licht?
Jason
160
Mistroostige, waarom verwenscht gy dat zo licht/ 160
Medea
 
Om dat ik niet kan zien, het geen my kan behagen. 161
Jason
 
Een ieder heeft zijn leet: ik moet het mijne dragen.
Medea
 
Gy hebt u lief; uw leet Medé werd weggejaagt. 163
Jason
 
Gewislijk, 't is my leet al 't geen dat u mishaagt. 164
Medea
165
Hoe weinig stemt de daat en waarheit met uw woorde'. 165
[p. 67]
Jason
 
Gy zowd het zien, indien de Hemel my verhoorde,
 
Het goet dat ik u wensch...
Medea
 
Het kwaat dat gy my doet!
 
A! fi! ik heb een slang in mijne schoot gevoed, 168
 
Gekoestert en gekweekt tot loon van 't vriendlijk kweken, 169
170
Die ik heb uitgered, heeft my na 't hert gesteken; 170
 
Ondankbaarlijk, zo zeer als valsch, en onverdacht. 171
Jason
 
Verschoon mijn schielijk gaan, Princes; ik word verwacht. 172

[derde toneel]

Medea. Enioche. Euippe.
Medea
 
Gy, die mijn Jason ziet, en zijn' ontrowwigheden, 173
 
O Hemel! dien ik heb zo dikmaals aangebeden,
175
Gebeden zonder baat... helaas! bedroge vrow 175
 
Waar keert gy u? waar zoekt gy troost voor uwe row? 176
 
De Hemel straft geen kwaat: dies smeek ik helsche geesten, 177
 
Komt herwaarts met u vier, viert deze bruiloftsfeesten, 178
 
Gy zult hier welkom zijn; hier eischt u een Tyran 179
180
Die moeder van haar kind, de vrow stelt van haar man; 180
 
Doet dien geweldenaar een kroon van vlammen dragen, 181
 
Een staf van gloejend gowd; hy moet my helpen klagen,
 
Ook heel Corinthen, dat nu lacht hem te geval, 183
 
Doch lichtlijk om zijn end veel meer noch lachen zal; 184
185
Indien het zo zow zijn, zo laat ik 't u ten beste' 185
 
Of gy 't verschonen wilt of niet; doch liefst het leste: 186
 
De niewe bruit, voor al, die my mijn troost ontrooft; 187
 
Onthaal haar na 't behoort; kom sier dat haatlijk hooft, 188
 
Wasch het in tranen af, en laat haar lokken hangen
190
Gepoedert met vergif, blanket met schrik de wangen: 190
 
Doch Jason, dat hy haar niet volg; maar spaar hem vry: 191
 
Op dat ik hem, by beurt, ook ongehoorzaam zy; 192
 
Dat hem zijn kwelling drijv' op onbekende wegen,
 
Daar hem een erger volk, als in ons land, bejegen; 194
195
Daar hy my mist, en wenscht, en mijne raad ontbeert 195
 
Die hem behowden heeft, toen ik hem heb geleert 196
 
Te zayen tweedracht onder 't volk dat zich vermoorde, 197
 
Te roven 't gowde vlies, en my. maar waar toe woorde' 198
 
Die vruchteloos vergeefs toch alle gaan te loor? 199
[p. 68]
200
Wat howd my, dat ik zelfs my zelven niet verhoor? 200
 
En zelfs mijn wil volbreng? en of 't niet wow gelukken; 201
 
Wat groter ramp als nu? wat kan my zwaarder drukken? 202
 
Wat of ik wagen zow, die niet verliezen kan? 203
 
Die 't al verloren heb? mijn vaderland, mijn man,
205
Mijn broeder, vaders gunst, mijn maagdelijke eere
 
Is weg, en weet geensins van wederom te keere'.
 
Men laat den toom vry los wanneer die niet en baat: 207
 
Het kwaat en heeft geen heul als aan een erger kwaat. 208

[vierde toneel]

Enioche. Euippe.
Enioche
 
Helaas! och! ziet, zo treed een woedende lewinne;
210
'k Weet haar, noch ons, geen raad; waar henen, wat beginne':
 
De vlam slaat buiten 't dak, ik zie noch maat, noch end, 211
 
Aan deze hevigheid, en ducht voor meer elend. 212
 
Het heugt my noch, hoe ik haar dwaling hield voor ogen, 213
 
En bad, by deze borst diez' eertijts had gezogen
215
En lief gehad, zy zow veranderen van raad, 215
 
En weren uit haar hert dat minnelijke kwaat, 216
 
Noch op een vreemdeling niet stellen haar betrowwen. 217
 
Maar zy, hier tegen, sprak: het zow haar noit berowwen,
 
't Verging dan zo als 't mocht; zy wachte, onvervaart, 219
220
Al wat geschieden kon: hy was haar alles waart;
 
Te sterven ook om hem, en zow haar niet verdrieten,
 
Indien zy maar een kus mocht van dien held genieten.
 
Mijn woorden hadden klem als winden op een rots. 223
 
Herdacht zy 't nu, en gaf haar moed wat minder bots! 224
Euippe
225
Wie kan een edel hert, van smaat getergt, zo snoeren 225
 
Dat het door ongeduld zich niet en laat vervoeren? 226
 
Want, hoe? na dat hy haar had aan zijn rechterhand
 
Getrowt voor Juno, in Corcyras vruchtbaar land, 228
 
Gelijk de koningin Areta kan getuigen, 229
230
Alcinoüs, en al die voor zijn schepter buigen: 230
 
Verschove vrow te zijn van koninklijke maagt! 231
 
Het is zo wonder niet, indien zy hevig klaagt.
Enioche
 
De spijt en gramschap staan in 't aangezicht te lezen; 233
 
Zy spreekt my van haar kind niet meer gelijk voor dezen; 234
235
En zo eens by geval daar van gesproken werd, 235
[p. 69]
 
Zy zucht, als of haar iets bedroefder viel op 't hert: 236
 
Geen rust verzacht haar row; en 't geen zy eet, met smeken
 
En bidden dient men 't haar, hoe weinig, in te preken: 238
 
Door klagen afgemat wanneer zy wat beschiet; 239
240
Steets schriktz', of roept, of zucht, dus rust zy min als niet: 240
 
Noch gist'ren zag ik haar los uit het bed gevlogen 241
 
Meest naakt, met sling'rend hair, en holle glinstrend' ogen; 242
 
Ik vraagde wat haar dreef. zy zey my; broeders geest, 243
 
Of die het scheen te zijn, had voor haar bed geweest;
245
En had haar laten zien zijn borst, zijn bleke kaken, 245
 
En had haar aangezeid veel schrikkelijke zaken, 246
 
Dan weder toegelacht, en met haar raad gepleegt, 247
 
Gelijk geheel begaan, als een die zich beweegt 248
 
Om 't leet van anderen, dan had hy aangeboden
250
Vergif, en spitse pook, geweer om meê te doden, 250
 
Dan wederom haar kind genomen met 'er hand,
 
En 't tere bekkeneel gekneust aan post en wand. 252
Euippe
 
Bedroefde! zijn hier niet in 't leven die u kwellen, 253
 
Moet uw benawde ziel noch dode beuls bestellen? 254
Enioche
255
Maar laat ons binnen gaan, op dat wy onbeleeft
 
Niet maken dat zy oit naar ons te wachten heeft.
Rey
 
'k Heb menigmaal gedacht,
 
Of wel 't Geluk mocht wezen 258
 
Van 't goddelijk geslacht.
260
Neen, 't is een domme kracht 260
 
Die zotte raad toelacht, 261
 
Dat heden wert veracht
 
Stont gist'ren hoog gerezen. 263
 
 
 
Dien ik een hemelsch kind
265
Te wezen dacht voor dezen, 265
 
Wanneer men 't recht bezind, 266
 
Men vind haar doof en blind, 267
 
En lichter dan de wind:
 
Zie toe, die heil bemind;
270
Het hoogste moet meest vrezen. 270
 
 
[p. 70]
 
O Jason! schrikt en beeft
 
Hoe hoog gy werd geprezen: 272
 
Die 't luk tot steunsel heeft, 273
 
En zelfs geen acht en geeft, 274
275
Indien hy niet en sneeft, 275
 
Hy is, van die d'er leeft,
 
De enigst' uitgelezen. 277