Kalliope in de Nederlanden


auteur: W.A.P. Smit


bron: W.A.P. Smit, Kalliope in de Nederlanden. Het Renaissancistisch-klassicistische epos van 1550 tot 1850. Van Gorcum & Comp., Assen 1975-1983 (twee delen)  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 209]

Afdeling II
Opkomend tij (1550-1700)

[p. 211]

Hoofdstuk IV
Het bos in vogelvlucht

§ 1. Inleiding

De titel ‘Het bos in vogelvlucht’ verwijst naar de toezegging in de laatste paragraaf van mijn eerste hoofdstuk, dat ik aan de bespreking van elk der drie perioden uit de geschiedenis van de Nederlandse Renaissancistisch-klassicistische epiek een algemeen overzicht zou doen voorafgaan, alvorens aandacht te vragen voor het afzonderlijke werk.1

Overigens bindt de spreekwoordelijke uitdrukking omtrent de bomen en het bos ons aan een landschappelijke beeldspraak, die voor deze eerste periode haar bezwaren heeft. Men kan namelijk tussen 1550 en 1700 eigenlijk niet van een ‘bos’ spreken. Daarvoor is het aantal ‘bomen’ te gering en staan zij in het algemeen te ver van elkaar verwijderd. Alleen in de twee decenniën van 1645 tot 1665 is er sprake van een concentratie, die het karakter van een bescheiden bos-complex vertoont. Voor het overige blijft het bij enkele eenzame groeisels en bij een merkwaardige ‘opslag’ van herdrukken omstreeks de overgang van de 16de naar de 17de eeuw. In de dertig jaren tussen 1615 en 1645 valt er zelfs geen enkele ‘boom’ op te merken; in episch opzicht strekt zich dan slechts een lege vlakte voor ons uit.

Ik heb getracht van de nood een deugd te maken, door deze situatie als uitgangspunt te kiezen voor de indeling van dit hoofdstuk. Allereerst komen De bomen uit de rederijkerstijd (1550-1615) aan de orde, in het bijzonder wat betreft hun plaats en hun betekenis in het epische landschap tot ongeveer 1615. Daarna moet De boomloze vlakte tussen 1615 en 1645 worden verkend. Dat wordt, hoe paradoxaal het moge klinken, een van de belangrijkste gedeelten van dit hoofdstuk. Wat in deze paragraaf besproken wordt, vindt immers geen nadere toelichting en aanvulling in een daarop volgende gedetailleerde behandeling, zoals wèl gebeurt met de gesignaleerde ‘bomen’ en ‘boomgroepen’. De beschrijving van de ‘vlakte’ dient dus een in zichzelf afgerond geheel te vormen, waarin alle aspecten en problemen van het verschijnsel tot hun recht komen.

Na deze vlakte vraagt Het bos-complex van 1645 tot 1665 onze aandacht. Hier gaat het er vooral om, vast te stellen uit welke ‘boomsoorten’ het complex bestaat, en hoe de verhouding is tussen de verschillende soorten en groepen.

In de laatste decenniën van de 17de eeuw worden wij opnieuw geconfronteerd met een leegte op episch gebied. Ook deze tweede ‘vlakte’ dienen wij nader te verkennen. Maar ditmaal staat er aan het einde een eenzame ‘boom’, die de leegte relativeert en de blik tot zich trekt, ook al is hij op zichzelf niet zo indrukwekkend. Daarom kunnen wij hier spreken van een Vlakte met boom (1665-1700).

[p. 212]

Ik heb aan de vier hierna volgende paragrafen de landschappelijke titels gegeven, die in het bovenstaande naar voren kwamen. In de paragrafen zelf heb ik echter de metaphoor van het bos en de bomen losgelaten. Het verder doorvoeren van de beeldspraak zou tot forcering hebben geleid en daardoor afbreuk hebben gedaan aan de duidelijkheid van mijn overzicht.

§ 2. De bomen uit de rederijkerstijd (1550-1615)

De geschiedenis van het Renaissancistisch-klassicistische epos in de Nederlanden begint bij de Antwerpse rederijker Cornelis van Ghistele. Tussen 1554 en 1556 publiceerde deze in drie fasen een vertaling van De twaelf boecken van Aeneas ghenaemt Aeneidos. Het is in alle opzichten typisch rederijkerswerk, en de manier, waarop de stof wordt gehanteerd, laat zich het best aanduiden als ‘vertalend na-vertellen’. Ondanks de beperktheid van zijn dichterschap wist Van Ghistele in zijn werk toch een vaart te brengen, waarvan wij kunnen begrijpen dat zijn tijdgenoten erdoor werden meegesleept. Maar zijn betekenis ligt vooral in het feit dat hij de éérste geweest is, die een klassiek epos voor hen toegankelijk maakte door het over te brengen in hun eigen taal.

Vijf jaar later, in 1561, verschenen te Haarlem Deerste twaelf boecken Odysseae, dat is de dolinghe van Vlysse, ‘nv eerstmael wten Latijne in rijm verduytscht door Dierick Coornhert’. Daarmee zette Coornhert het werk van Van Ghistele voort, door een tweede epos uit de Oudheid binnen het bereik van een breder lezerspubliek te brengen dan dat van de Humanistisch-gevormde élite. Wij zouden graag willen weten, of deze voortzetting bewust dan wel onbewust heeft plaats gevonden. Kende Coornhert de Aeneis van zijn Antwerpse voorganger? Koos hij de Odyssee, omdat hij wist dat Van Ghistele hem vóór was geweest met het ‘verduytschen’ van de Aeneis die op zichzelf als object van vertaling eerder in aanmerking kwam? Het is niet onmogelijk, maar wij hebben er geen enkel bewijs en zelfs geen enkele aanwijzing voor. Het is even goed denkbaar, dat Coornhert geheel onafhankelijk van Van Ghistele tot zijn vertaling van de Odyssee gekomen is, en dat de continuïteit tussen beider werk als ‘toevallig’ moet worden beschouwd.

Bij gebrek aan kennis van het Grieks kon Coornhert niet uitgaan van de oorspronkelijke tekst en moest hij zich behelpen met een Latijnse proza-vertaling ad verbum. Desondanks is hij er, geleid door zijn dichterlijke intuïtie en een levendige verbeeldingskracht, verrassend goed in geslaagd het werk van Homerus in zijn vertaling opnieuw tot poëzie te maken. In tegenstelling tot Van Ghistele moet Coornhert dan ook als een dichter van formaat worden beschouwd. Ook hij schreef in rederijkerstrant, maar binnen de rhetoricale traditie zocht hij naar een zuiverder taalgebruik en een soberder versificatie. Het resultaat daarvan bevestigt opnieuw zijn krachtig en origineel dichterschap.

 

De ontwikkeling, die met de epos-vertalingen van Van Ghistele en Coornhert op gang was gekomen, werd onderbroken door de moeilijke jaren vóór en aan het begin van de strijd tegen Spanje. In Antwerpen kwam het voorlopig niet tot een herdruk van De twaelf boecken van Aeneas. In Haarlem zag Coornhert zich genoodzaakt het werk aan de tweede helft van zijn Odyssee na ruim vijf boeken af te breken, en tot voortzetting daarvan is hij nadien nooit meer gekomen.

Zodra echter, althans plaatselijk, een betrekkelijke rust was weergekeerd,

[p. 213]

kwam de belangstelling voor vertalingen van de klassieke epen opnieuw boven. In 1583 werd de Aeneis van Van Ghistele in Antwerpen voor de tweede maal uitgegeven; zes jaar later volgde er een derde druk. In diezelfde tijd was Karel van Mander in Haarlem bezig met het vertalen van de Ilias, naar een Franse bewerking-in-verzen van Hugues Salel en Amadis Jamyn. Daarbij mogen wij ongetwijfeld verband veronderstellen met de Odyssee-vertaling van Coornhert. De beide dichters waren als stad- en vakgenoten geregeld met elkaar in contact, en het ligt voor de hand dat het voorbeeld van zijn bewonderde oudere vriend er Van Mander toe gebracht heeft te trachten voor de Ilias te doen wat deze voor de Odyssee had gedaan. Halverwege het werk hield hij er echter mee op, omdat het hem ging tegenstaan. De voltooide ‘eerste 12. Boecken’ hield hij in portefeuille, zonder er een uitgever voor te zoeken.

Na de dood van Coornhert in 1590 gaf de Delftse boekverkoper Bruyn Harmensz. Schinckel in 1593 de eerste helft van diens Odyssee opnieuw uit, met als hoofdtitel wat in de editie van 1561 slechts een verklarende toevoeging was geweest: De dolinghe van Vlysse. De interesse daarvoor bleek zó groot, dat er in 1598 een nieuwe druk nodig was, en in 1606 nogmaals.

Intussen was ook de Aeneas van Van Ghistele naar het Noorden gekomen. Enige tijd nadat hij de derde druk daarvan had uitgegeven (1589), had de Antwerpse boekhandelaar Jan van Waesberghe - ongetwijfeld in het kader van de regelingen bij de overgave van de stad aan Parma in 1585 - zijn zaak naar Rotterdam verplaatst. Daar bracht hij in 1599 Van Ghistele's Twaelf boecken Aeneas opnieuw op de markt, door de overgeschoten vellen van de editie-1589 te gebruiken voor een titel-uitgave met zijn nieuwe adres. Blijkbaar vonden zij aftrek genoeg om hem te doen besluiten in 1609 het werk nogmaals op de pers te leggen: de vierde en tevens de laatste druk.

 

Het succes van Schinckel met (de eerste helft van) De dolinghe van Vlysse, en van Jan van Waesberghe met de Twaelf boecken Aeneas leidde ertoe, dat nu ook het ongedrukt gebleven epische werk van Coornhert en Karel van Mander op de markt werd gebracht. De Amsterdamse boekverkoper Hendrick Barentsz. had uit de nagelaten papieren van Coornhert het voltooide deel van de tweede helft der Odyssee-vertaling in handen gekregen. Hij liet die afmaken door een zekere B.D. en gaf in 1606 het resultaat uit als De tweede XII. Boecken Odysseae: Dat is, De Dolinge van Vlysse ‘door D.V. Coornhert, ende B.D.’.2 Het jaar daarop bezorgde hij ook een editie van D'eerste xij. boecken, zodat hij toen de volledige Dolinge in zijn fonds had.

De aanvulling van B.D. op het werk van Coornhert was van een dusdanige onbeholpenheid, dat Hendrick Barentsz. meende ze niet zonder meer te kunnen handhaven, toen hij in 1609 tot een nieuwe uitgave van De tweede XII. Boecken overging. Hij gaf daarom opdracht aan I.G.H. - al even on-identificeerbaar als zijn voorganger - om te ‘oversien ende verbeteren’ wat daarvoor in aanmerking kwam. Bij deze herziening bleef er van de oorspronkelijke aanvulling nauwelijks iets over, maar zonder dat er werkelijk iets beters voor in de plaats kwam.

Ook de onvoltooide Ilias-vertaling van Karel van Mander kwam na diens dood in handen van een boekverkoper, die zich haastte er zijn voordeel mee

[p. 214]

te doen. Zo verscheen in 1612 bij Adriaen Rooman te Haarlem een editie van De eerste 12. Boecken vande Ilyadas ‘uyt Francoyschen in Nederduydschen Dicht vertaeld door Karel van Mander’.3 Het is de éérste en tot dusver tevens de énige uitgave van dit werk. Dat er geen enkele herdruk kwam, zal in de eerste plaats moeten worden toegeschreven aan het feit dat na 1610 het publiek niet genoeg belangstelling meer toonde voor rederijkerswerk uit de vorige eeuw om de uitgave daarvan voor boekverkopers aantrekkelijk te maken. Van Ghistele en Coornhert kwamen toen eveneens niet meer aan bod. Daarnaast kan echter ook de qualiteit van Van Mander's vertaling een rol hebben gespeeld. Zij is verreweg de minst geslaagde van de drie epos-bewerkingen uit de rederijkerstijd: onhandig, moeizaam, vaak onduidelijk, en daardoor voor de lezer weinig aantrekkelijk. Toch heeft men er, bij gebrek aan beter, wel gebruik van gemaakt. Wanneer ruim veertig jaar later J.H. Glazemaker een nieuwe vertaling van de Ilias gaat verzorgen, begint hij met de twééde helft, omdat de éérste in de bewerking van Van Mander - hoe onvolkomen die dan ook was - al ter beschikking van Nederlandse lezers stond.

 

In mijn vorige paragraaf heb ik terloops geduid op de ‘merkwaardige opslag van herdrukken omstreeks de overgang van de 16de naar de 17de eeuw’. Het is inderdaad de moeite waard, er even bij stil te staan, hoe levendig in die tijd de belangstelling voor Nederlandse vertalingen van de klassieke epen moet zijn geweest. Al de desbetreffende uitgaven verschijnen in Holland; de Zuidelijke Nederlanden zijn na het verlies van Antwerpen in 1585 als cultureel centrum voorlopig uitgeschakeld. In het Noorden volgt echter de ene editie op de andere. De Aeneas van Van Ghistele verschijnt te Rotterdam in 1599 (titel-uitgave) en 1609; de eerste helft van Coornhert's Dolinghe van Vlysse wordt in 1593, 1598 en 1606 herdrukt in Delft, en in 1607 nog eens in Amsterdam; de tweede helft van de Dolinghe ziet in 1606 in Amsterdam het licht en wordt daar in 1609 met een verbeterde aanvulling opnieuw uitgegeven; de halve Ilias-vertaling van Van Mander volgt in 1612 te Haarlem. Bij elkaar zijn dat niet minder dan negen edities in twintig jaar! Men kan niet anders zeggen dan dat de rederijkers van de 16de eeuw met hun werk een stevige basis hebben gelegd voor de hernieuwde epische belangstelling, die een der kenmerken is van de Renaissance.

 

Het hierboven besproken pionierswerk van de rederijkers betreft uitsluitend de klassieke epen. Maar het is óók een rederijker geweest, die voor het eerst een modern epos in vertalende bewerking binnen het bereik van de Nederlandse lezers heeft gebracht. En wéér was het een rederijker uit de Zuidelijke Nederlanden, die het spits afbeet: Everaert Syceram. In 1615 gaf deze Brusselse juwelier bij een Antwerpse boekhandelaar zijn Il Divino Ariosto oft Orlando Furioso uit.

In de strikte zin van het woord is de Orlando geen epos, maar een romanzo. Dat is echter een theoretische onderscheiding, waaraan wij voor de praktijk van de eerste helft der 17de eeuw niet al te veel gewicht moeten hechten. Voor de lezers, die toen met Ariosto's werk in aanraking kwamen, was de Orlando in de eerste plaats een fascinerend voorbeeld van de ongekende mogelijkheden, die zich met het aanbreken van de nieuwe tijd in de epische dicht-

[p. 215]

kunst - al dan niet naar het voorbeeld van de Oudheid - hadden voorgedaan. Tot dezulken behoorde Syceram, die zóveel vreugde aan de Orlando beleefd had dat hij er zijn landgenoten in wilde doen delen.

Hij ging daarbij op een bijzonder originele manier te werk. Enerzijds hield hij zich zo nauwkeurig mogelijk aan de oorspronkelijke tekst, maar anderzijds trachtte hij het verhaal zo dicht mogelijk bij zijn Nederlandse lezers te brengen. Om dat laatste te bereiken, liet hij eruit weg wat hij als te ‘Italiaans’ beschouwde om hen te interesseren. In plaats daarvan laste hij dan iets anders in, en dat ‘iets’ is uitgegroeid tot een zelfstandig verhaal waarvan hij de fragmenten op eenzelfde manier door de Orlando strooide als Ariosto het de elkaar steeds weer afwisselende brokstukken van zijn eigen episoden had gedaan. Het verhaal is van elders ontleend en de combinatie met de fantasieën van Ariosto blijft een beetje hybridisch. Maar er was hier toch wel iets opmerkelijks aan de hand!

Helaas is Syceram, in tegenstelling tot Coornhert, er niet in geslaagd het rederijkersvers in overeenstemming te brengen met zijn onderwerp en zijn opzet. Forceringen en overdrijvingen maken zijn strofen uiterst moeilijk verstaanbaar, soms welhaast onbegrijpelijk. Misschien moet het mede daaraan worden toegeschreven, dat slechts de eerste helft van zijn werk in druk is verschenen, al mogen wij aannemen dat ook de tweede 23 zangen in manuscript gereed lagen. Daar komt dan bij, dat in 1615 de tijd van de rederijkerij voorbij was, evenals het literaire leiderschap van de Zuidelijke Nederlanden.

Door dit alles bleef Syceram's Orlando onopgemerkt en is er geen enkele invloed van uitgegaan.

§ 3. De boomloze vlakte tussen 1615 en 1645

Anders dan men op grond van de belangstelling in het eerste decennium van de eeuw had mogen verwachten, werd de ontwikkeling van het nieuwe epos na de rederijkerstijd niet onmiddellijk door Renaissancistische dichters voortgezet. Ruim dertig jaar lang verschenen er géén Nederlandse epen, niet alleen geen oorspronkelijke, maar ook geen vertalingen of bewerkingen van die uit de Oudheid en uit het moderne Italië.

Ik ben er mij van bewust, dat deze uitspraak aanvechtbaar is. Twee argumenten zou men er tegen kunnen aanvoeren. In de eerste plaats kan men erop wijzen, dat Hendrik Storm van 1617 tot 1620 in twee fasen een vertaling van Lucanus' Pharsalia publiceerde, zodat de periode van stilte tot 25 jaar zou moeten worden gereduceerd en de tegenstelling in epische productiviteit tussen rederijkers en Renaissancisten voor relativering in aanmerking komt. In de tweede plaats kan men zich beroepen op de mening van C.M. Geerars, die betoogd heeft dat in onze literatuur van de 17de en 18de eeuw naast het eigenlijke epos ook het ‘kleine heldendicht’ als genre beoefend werd. Wanneer men daarvan uitgaat, is er nauwelijks sprake van stagnatie in de epische ontwikkeling en wordt deze na de rederijkerstijd in de bescheidener vorm van ‘kleine heldendichten’ rustig voortgezet.

Naar mijn mening moeten deze beide tegenwerpingen, ook al zijn zij in formeel opzicht niet helemaal ongegrond, bij nader onderzoek uiteindelijk toch worden afgewezen. Om dit duidelijk te maken, ga ik op elk daarvan allereerst wat uitvoeriger in.

[p. 216]

De Lucanus-vertaling van Hendrik Storm

In 1617 publiceerde Hendrik Storm, raad en advocaat-fiscaal van de Admiraliteit in Amsterdam, een vertaling in alexandrijnen van de eerste zes boeken uit Lucanus' Pharsalia. Drie jaar later volgde een uitgave van de volledige overzetting in tien boeken: M. Annaevs Lvcanvs, van 't Borger oorlogh der Romeynen tusschen C. Ivlivm Caesarem ende Gn. Pompeivm Magnvm. Formeel kan men daarin inderdaad de eerste Renaissancistische vertaling van een klassiek epos zien: een voortzetting dus van het werk dat door de rederijkers begonnen was. Daar staat evenwel tegenover, dat de contemporaine literaire theorie de Pharsalia te kroniekmatig achtte om als epos te kunnen worden beschouwd. Het is niet helemaal duidelijk, of Storm deze opvatting kende en deelde, maar in ieder geval was het méér het geschiedkundige dan het epische aspect dat hem in Lucanus' werk boeide. Bovendien blijkt uit zijn Opdracht van 1617, dat het aanvankelijk niet in zijn bedoeling lag zijn vertaling uit te geven. Daartoe besloot hij pas, toen de politieke spanningen tijdens het Bestand zó hoog waren opgelopen dat voor het uitbreken van een burgeroorlog werd gevreesd. Om zijn landgenoten voor de verschrikkingen en heilloze gevolgen daarvan te waarschuwen, stelde Storm hun Lucanus' tragische verslag van 't Borger oorlogh der Romeynen als afschuwwekkend exempel voor ogen. Als zodanig heeft zijn werk gedurende enkele jaren politiek-actuele betekenis gehad, om daarna echter weer snel te worden vergeten. Ik behoef op dit alles niet in te gaan, omdat het in een afzonderlijk hoofdstuk nader zal worden besproken en geadstrueerd.4 Hier kan ik volstaan met de constatering, dat de Lucanus-vertaling van Hendrik Storm niet bedoeld was als bijdrage tot de Nederlandse epiek en daarom ook niet beschouwd kan worden als het begin van een nieuwe fase daarvan na de rederijkerstijd. Historisch kunnen wij er niet aan voorbijgaan, maar in een genologisch overzicht is zij niet meer dan een te verwaarlozen toevalligheid.

Het ‘kleine heldendicht’ als genre?

In een interessant artikel over Het epyllion en de structuur van Tollens' Overwintering op Nova Zembla heeft C.M. Geerars de stelling geponeerd, dat in onze literatuur van de 17de en 18de eeuw naast het grote heldendicht (het eigenlijke epos) ook het ‘kleine heldendicht’ of epyllion als genre beoefend werd.5 Hij begint met eraan te herinneren, dat het epyllion in de Hellenistische tijd is opgekomen en gaandeweg een eigen karakter gekregen heeft, al blijven in het algemeen dezelfde regels gelden als voor het grote epos. Dan vervolgt hij:

In de Nederlandse literatuur kennen wij naast de grote heldendichten, de epen, ook het kleine heldendicht. De dichters zelf gebruiken voor hun gedichten deze naam, niet epyllion. [...] Er is duidelijk een binding met het epos, maar eveneens met de hymne, de lofzang op de held. Het laudatieve karakter overheerst soms, is soms ondergeschikt aan het epische. De dubbele invocatio, zowel tot de muze gericht als tot de bezongen held, een vorst, veldheer of admiraal, hangt hiermee samen. [...] Ik wil thans

[p. 217]

niet verder ingaan op de geschiedenis en de ontwikkeling van het kleine heldendicht met zijn vele variaties, maar aan de hand van een drietal voorbeelden, zo beknopt mogelijk, zonder in details te treden, aantonen, dat de hierboven gegeven regels6 in het algemeen ook op het kleine heldendicht in onze letteren van toepassing zijn.7
De drie voorbeelden, die daarna aan de orde komen, zijn achtereenvolgens: Vondel's Verovering van Grol; een van Lukas Schermer's jaardichten op het verloop van de Spaanse Successie-oorlog: De Heldendaaden van den Jaare MDCCVII; en tenslotte het lange gedicht waarmee Lucas Rotgans stadhouderkoning Willem iii eerde bij diens eerste terugkeer naar Holland in januari 1691: Aan zyne Koningklyke Majesteit Wilhem den III, [...] Op zyne overkomste in Hollandt.

Ik kan het niet anders zien dan dat Geerars zich vergist. De Renaissancistische poëtica kende slechts één soort heldendicht: het grote. Wanneer Vossius in zijn Institutiones poeticae het epos behandelt, komen daarbij noch het woord noch het begrip ‘epyllion’ aan de orde. Weliswaar schijnen in Frankrijk de dichters van de Pléiade de Alexandrijnse epyllia-dichters gekend en nagevolgd te hebben,8 maar toen Malherbe aan hun invloed een eind had gemaakt, vormde de doctrine classique zich ook dáár geheel buiten het epyllion om. In zijn standaardwerk over de ontwikkeling van deze doctrine spreekt René Bray9 dan ook alleen maar over de regels voor het grote epos en maakt hij - zoals Geerars moet erkennen - ‘geen onderscheid tussen een groot en een klein heldendicht’.10 In ons land, waar de kennis van het Grieks aan het begin van de 17de eeuw tot enkelingen beperkt bleef, was - naar men mag aannemen - het bestaan van een epyllisch genre in het algemeen volslagen onbekend. Ik ben het woord epyllion nergens tegengekomen.

De dichters gebruikten deze naam ook niet, zegt Geerars; zij spraken van een ‘klein heldendicht’. Maar deze term komt bij hen evenmin voor. Slechts éénmaal heb ik iets aangetroffen dat erop leek. In de titel van een drempeldicht voor de Britannias van Lambert van Bos wordt diens werk aangeduid als een ‘Poemation Heroicûm’. Daarmee wordt echter niet gedoeld op het genre, maar op de omvang van het gedicht. De lofdichter wil zeggen dat de Britannias, vergeleken bij de epen van Vergilius en Homerus, slechts een gering aantal boeken telt;11 het gaat om een klein specimen van wat Geerars het ‘grote heldendicht’ noemt.

Als genre-benaming komt dus de term ‘klein heldendicht’ niet voor. Wèl zien wij in de loop van de 17de eeuw de term heldendicht - zonder toevoeging van het adiectief ‘klein’ - een tweede betekenis krijgen náást die van epos. Een duidelijk en vroeg voorbeeld daarvan vinden wij in de Gedichten van Jacob Westerbaen, uitgegeven in 1657. Volgens de gewoonte van die tijd zijn de opgenomen verzen naar hun genre in rubrieken verdeeld, en één daar-

[p. 218]

van is die van de ‘Helden-dichten’.12 In die rubriek treffen wij niet alleen Westerbaen's vertaling van het vierde boek uit de Aeneis aan (De verliefde Dido), maar ook - en zelfs daaraan voorafgaand! - een tiental gedichten die wij hier eigenlijk niet zouden hebben verwacht. In bonte afwisseling volgen verzen van de meest verscheiden aard, vorm en lengte elkaar af. Naast een uitvoerige Uytvaert van Frederick Hendrick (naar het Latijn van Barlaeus) die 1136 gepaard rijmende alexandrijnen telt, staan o.m. een grapje voor Huygens van 48 regels (3-voetige jamben), een vers van 24 vijf-voetige jamben op een eerste-steenlegging in 1636 door de toen tienjarige Willem ii, een rouwklacht van de Winterkoningin over het verdrinken van haar oudste zoon in 1629 (in hele en halve alexandrijnen, 96 regels), een ‘Klachte’ van de Engelse koningin over de onthoofding van Karel i in 1649 (gekruist rijmende alexandrijnen, 80 regels), ‘Hollands Vloeck aen het Parlementsche Engeland’ naar aanleiding van de Driedaagse zeeslag in 1653. Het is onmogelijk, al deze verzen als ‘kleine heldendichten’ te beschouwen; met name geldt dit voor de twee korte van resp. 24 en 48 regels. Maar ook de rouwklachten kunnen niet als zodanig worden aangemerkt, omdat zij daarvoor te duidelijk elegieën zijn. En de vloekzang tegen het Cromwelliaanse Engeland laat zich al evenmin onder het begrip epyllisch vangen.

Het is dus bepaald niet omdat hij de bewuste verzen als ‘kleine heldendichten’ met ongeveer dezelfde regels als het grote epos beschouwde, dat Westerbaen ze in een rubriek Helden-dichten bijeenbracht. Hij moet daar een andere reden voor hebben gehad. Welke dat was, valt niet met volkomen zekerheid vast te stellen. Geerars heeft gelijk, wanneer hij opmerkt dat de ontwikkeling van dit soort ‘heldendichten’ - die hij dus als het genre van het kleine heldendicht ziet - nog nauwelijks is onderzocht.13 Er moet ten aanzien daarvan nog heel wat werk worden verzet, eer alle achtergronden en bedoelingen ons duidelijk voor ogen zullen staan. Voorlopig zie ik als meest waarschijnlijke oplossing, dat Westerbaen het criterium van de belangrijkheid hanteerde. Gedichten over belangrijke gebeurtenissen en over (of: voor) belangrijke personen onderscheidde hij van die over minder gewichtige feiten en minder vooraanstaande figuren, door ze in een aparte rubriek bijeen te voegen, de Heldendichten: een élite-groep uit de Mengel-dichten, maar verder van precies dezelfde aard als deze. In dit verband is het niet zonder betekenis, dat de term Helden-dicht uitsluitend voorkomt als benaming voor de rubriek; de afzonderlijke verzen worden geen van alle in hun titel als zodanig aangeduid.

Uit de samenstelling van Westerbaen's rubriek blijkt tevens, dat ook de oude betekenis van de term gehandhaafd bleef. Er zijn tien heldendichten in de zin van ‘elitaire mengeldichten’, maar daarnaast vertegenwoordigt De verliefde Dido het heldendicht in de traditionele betekenis van ‘epopoeia’.

Ik heb niet nagegaan, of de rubriek-titel ‘Helden-dichten’ ook vóór de bundel van Westerbaen reeds voorkomt. Het zou mij te ver van mijn eigenlijke onderwerp hebben afgevoerd. Ik laat daarom graag het onderzoek naar de herkomst en de verklaring van deze even merkwaardige als verwarrende betekenis-verdubbeling aan anderen over. Wel is mij gebleken, dat in latere

[p. 219]

bundels de situatie in het algemeen overeenkomt met die bij Westerbaen. Ook daar gaat het om een rubriektitel voor elitaire mengeldichten, die elk op zichzelf niet als heldendicht worden aangeduid. Dat er in de betrokken rubriek ook wel eens gedichten voorkomen die men daar eigenlijk niet zou verwachten, en omgekeerd, behoeft ons niet te verontrusten. Het is bekend, dat de rubricering in verzamelbundels van de 17de en 18de eeuw vaak vrij slordig werd uitgevoerd.

Met dit alles zijn wij er echter niet. Er komt nog een complicatie bij. In een aantal van de verzen, die ik als elitaire mengeldichten heb aangeduid, blijkt een sterke aansluiting bij het epos aanwezig, die gaandeweg zowel in frequentie als in omvang toeneemt. Wij vinden er tal van structuur-elementen, motieven, (allegorisch-)mythologische godengestalten en wonderbaarlijkheden in terug, die rechtstreeks aan het traditionele heldendicht zijn ontleend. Soms zelfs komt de hele opbouw nagenoeg met die van het epos overeen. Het zijn uiteraard deze verzen, die er Geerars toe hebben gebracht van ‘kleine heldendichten’ te spreken. Wij hebben dus na te gaan, of althans voor deze groep zijn benaming houdbaar is.

De stoot tot de opkomst van dit soort verzen is ongetwijfeld voornamelijk door Vondel gegeven, niet alleen maar toch wel in de eerste plaats door zijn Verovering van Grol (1627). Dit gedicht wordt dan ook door Geerars als voornaamste voorbeeld van het ‘kleine heldendicht’ besproken. Naar mijn mening ten onrechte. Vondel speelt hier een mystificerend spel met de genres; hij schrijft een lyrische triomf- en vreugdezang, maar doet het in de aanvang voorkomen of hij in alle ernst een epos bedoelt, om vervolgens geleidelijk te laten uitkomen dat dit niet het geval is. In een afzonderlijk hoofdstuk hoop ik dit aan de hand van een uitvoerige analyse aan te tonen,14 zodat ik mij hier van een bewijsvoering onthoud.

Begrijpelijkerwijs vond dit voorbeeld navolging, al ging daarbij het ludieke element verloren dat het kernpunt van Vondel's gedicht vormt. Wat overbleef en doorwerkte, was het besef dat er aan hooggestemde ‘zangen’ op belangrijke personen en/of gebeurtenissen een allure van verhevenheid kon worden verleend door ze zoveel mogelijk te doen aansluiten bij het epos. Met name gedichten waarin een narratio op haar plaats was (het verhaal van een veldtocht, een beleg, een slag) leenden zich daartoe. Maar ook minder narratieve onderwerpen lieten zich door epische motieven en reminiscensen in de sfeer van het epos brengen; ook daarvan had Vondel met zijn Begroetenis aen Frederick Henrick en de Geboortklock het bewijs geleverd.15 Zelfs bruiloftsverzen werden episch omkleed en versierd, wanneer de status of de wens van het bruidspaar daartoe aanleiding gaf.

Het meest eigenden zich echter overwinnings-gedichten en lofzangen op vorsten of veldheren, die in de strijd triomfen hadden behaald, voor een dergelijke epische toon. Volgens de contemporaine poëtica behoorde het epos in de eerste plaats aan oorlogshandelingen te zijn gewijd; op dit punt lag dus de verbinding het meest voor de hand. Geerars laat in zijn inhouds-overzichten van Schermer's Heldendaaden van den Jaare MDCCVII en Rotgans' welkomst-gedicht aan Willem iii bij diens ‘overkomste in Hollandt’ duidelijk uitkomen, hoè ver men daarmee ging. Maar desondanks bleven deze en soort-

[p. 220]

gelijke verzen in wezen wat zij in oorsprong waren: triomf-, lof-, vreugde-, welkomst- of rouwdichten, en bedoelden de auteurs ze ook niet als iets anders. Dat blijkt zelfs bij Lukas Schermer, die méér ‘episch’ te werk gaat dan alle anderen. Van de zes gedichten, die in de posthume uitgave van zijn Poëzy (1712) onder de rubriek ‘Heldendichten’ werden opgenomen,16 noemt hij het eerste zonder meer een Triomfzang, terwijl de beide laatste - Aan den zeeghaftigen Veltheere Johan Churchil en Op de roemruchtige overwinning by Judoigne (= bij Ramillies) - zich door hun titel kenbaar maken als respectievelijk een lof- en een zegezang; de overige drie verzen (waaronder het door Geerars genoemde Heldendaaden) hebben een genologisch neutrale titel. Schermer kleedde de betrokken gedichten ‘episch’ aan, tot meerdere glorie van de personen en feiten die hij bezong. Maar er is geen sprake van, dat hij ‘de opbouw van het kleine heldendicht’ zou volgen, zoals Geerars veronderstelt.17 Hij vertelt slechts kroniekmatig wat er gebeurd is, en voor elk onderdeel van zijn verhaal doet hij een greep uit het epische materiaal, zonder veel aandacht te schenken aan continuïteit of onderlinge samenhang in het gebruik daarvan, en zonder een wezenlijker eenheid van handeling na te streven dan die welke met zijn beperkte onderwerp bij voorbaat gegeven was.

Wat Lucas Rotgans betreft, geeft Geerars zelf toe dat het door hem besproken gedicht ‘een overheersend laudatief karakter’ heeft en ‘niet zo precies als bij Vondel en Schermer de opbouw van het kleine heldendicht (volgt)’.18 Na alles, wat hierboven werd gezegd, kan ik volstaan met de opmerking, dat het daarmee al is gekarakteriseerd als in wezen een lof- en welkomstdicht, ondanks de - hier overigens veel minder uitgesproken - epische inslag. Toen Rotgans werkelijk een heldendicht aan de stadhouder-koning wilde wijden, deed hij het anders en schreef hij zijn Wilhem de Derde.19

Op één punt dien ik naar aanleiding van Rotgans' gedicht echter nog even in te gaan. De dichter zet zijn eerste strofe in met de uitroep: ‘Wie leert my nu een' Heldentoon, // Om Koning Wilhems roem te zingen?’ en laat daarop dan een invocatio volgen, gericht tot Apollo. Die invocatio is in ons verband niet relevant; zij maakt deel uit van de epische garnering. Maar wat bedoelt Rotgans met de Heldentoon, waaraan hij voor zijn vers behoefte heeft? Naar mijn mening mogen wij zijn eerste regel vooral niet interpreteren als: ‘wie leert mij nu een heldendicht schrijven?’ De dichter wil er slechts mee zeggen:

[p. 221]

‘wie leert mij nu een toon van verhevenheid te treffen, gelijk aan die van het epos?’. Voor een zang over een zó illustere persoonlijkheid als Willem iii paste immers slechts de meest verheven toon, d.w.z. die van het meest verheven genre, het heldendicht. Om die tóón gaat het, niet om het epos zelf. Wat Rotgans verder-op aan episch materiaal gebruikt, dient slechts ter realisering of versterking van die toon. Het is trouwens niet zo heel veel; in het algemeen maakt hij daarvoor liever gebruik van de comparatio: de vergelijking van zijn ‘held’ met beroemde voorgangers uit de Oudheid en de klassieke mythologie. Dat hij zijn mededichters zou oproepen de koning ‘in ruimer heldendicht’ te bezingen - wat zou impliceren dat hij zijn eigen vers als een ‘klein heldendicht’ beschouwt - is een uitdrukking van Geerars, die door de betrokken strofe (de 54ste) niet wordt gerechtvaardigd.20

Conclusie. Met dit alles hoop ik te hebben aangetoond, dat de opvatting van Geerars niet houdbaar is. In de 17de en 18de eeuw kende men hier te lande enkel het grote heldendicht, de epopoeia. Van een epyllisch neven-genre wist men (buiten de kring der Graecisten) niets. De door Geerars als ‘kleine heldendichten’ aangewezen verzen moeten worden beschouwd als mengeldichten, die wegens het elitaire karakter van de bezongen personen of gebeurtenissen de uiterlijke tooi kregen van een variabel - maar meestal vrij groot - aantal stilistische en structurele elementen uit de sfeer en de voorstellingswereld van het epos, met name de Aeneis. Van het volgen van bepaalde regels is daarbij geen sprake; de keuze uit het materiaal is er steeds een ad hoc.

 

Na deze lange maar onvermijdelijke uitweiding, ter weerlegging van verwachte tegenwerpingen, kan ik terugkeren naar het uitgangspunt van deze paragraaf. In de periode tussen 1615 en 1645 verschenen er géén oorspronkelijke of vertaalde epen in het Nederlands.

Dat was niet het gevolg van gebrek aan belangstelling voor het epos bij de Renaissancisten. Die belangstelling is integendeel reeds vanaf de eeuwwende duidelijk aanwijsbaar. Maar ook zonder bewijsplaatsen mogen wij, in het bijzonder bij de Humanistisch-gevormden, het klassieke epos bij hen bekend veronderstellen. Het spreekt vanzelf dat zij de Aeneis gelezen hadden. Voor de Homerische epen ligt dit minder voor de hand, gezien het geringe aantal kenners van het Grieks in die tijd. Maar de Ilias en de Odyssee waren beschikbaar in edities, die naast de Griekse tekst ook een letterlijke vertaling in het Latijn bevatten. Reeds Coornhert had daarvan gebruik gemaakt, en sindsdien was het aantal van dergelijke uitgaven toegenomen. Bovendien waren er Franse vers-vertalingen in omloop, zoals die waarvan Karel van Mander was uitgegaan. Wij mogen dan ook aannemen, dat de Homerische epen voor de meer ontwikkelde Renaissancisten geen onbekende grootheden waren.

Overigens waren er ook omstreeks 1600 wel degelijk Nederlanders, die het Grieks grondig beheersten; ik behoef in dit verband slechts te herinneren aan Daniël Heinsius. Merkwaardig genoeg was zelfs de éérste Renaissancistische navolging van het epos, die door een Nederlander geschreven werd, er een in het Grieks! Dat is een tè opmerkelijke omstandigheid om er niet even aandacht aan te besteden.

[p. 222]

Het Griekse ‘epos’ van Nicolaes van Wassenaer

In 1605 verscheen te Leiden de Ἁρλεμίας, ‘Graeco carmine conscripta à Nicolao Iohan. à Wassenaer’:21 een Grieks gedicht van ruim 1450 hexameters over het beleg van Haarlem in 1572. De auteur Nicolaes Jansz. van Wassenaer was omstreeks 1580 geboren als zoon van een Amsterdamse predikant. In mei 1604 werd hij benoemd tot docent aan de Latijnse school te Haarlem, onder het rectoraat van de beroemde Cornelis Schonaeus die zich met zijn Latijnse schooldrama's de eretitel ‘Christelijke Terentius’ verworven had. Daar schreef hij zijn gedicht, dat hij op 1 december 1605 opdroeg aan Burgemeesters en Pensionaris van de stad. Veel ouder dan 25 jaar kan hij toen dus niet zijn geweest.

Ik heb hierboven het woord epos tussen aanhalingstekens geplaatst. Men doet Van Wassenaer's gedicht namelijk te veel eer aan, wanneer men er deze naam aan geeft. De dichter heeft er ongetwijfeld ook geen echt heldendicht mee bedoeld. Hij wilde slechts zoveel mogelijk in Homerische trant de geschiedenis van het beleg bezingen. Daarbij had hij voortdurend de Ilias voor ogen en maakte hij gretig gebruik van elke kans om er wendingen, zegswijzen, epitheta, beschrijvingen en vergelijkingen aan te ontlenen. Maar zowel aan het begin als aan het slot van zijn gedicht neemt hij duidelijk distantie van de epische structuur. In zijn inzet vertelt hij, hoe Pallas Athene hem op een nacht verscheen om hem op te dragen de belegering van Haarlem te bezingen. En het slot is een lof van de stad, met een speciale hulde aan haar meest vooraanstaande burgers, die met name worden genoemd. Daartussen-in voldoet de dichter aan de opdracht van de godin. Kroniekmatig en ab ovo vertelt hij wat er gebeurd is, of liever: herinnert hij eraan. Want er leven nog altijd burgers, die de verschrikkelijke dagen van het beleg hebben meegemaakt, en de feiten zijn iedereen bekend. Op de details behoeft hij dus niet in te gaan en naar volledigheid niet te streven. Hij volstaat met de meest saillante punten, maar werkt die uitvoerig naar Homerisch voorbeeld uit. De verdediger van de stad, Wigbold Ripperda, en de belegeraar, Don Frederik van Toledo, worden in hun doen en denken voorgesteld als helden uit de Ilias; de strijd op de wallen en de uitvallen van de belegerden herinneren voortdurend aan episoden uit de gevechten om Troje. Zelfs de goden ontbreken niet: Zeus en Athene volgen het verloop van het beleg met geëngageerde aandacht en trachten dit - hoewel zonder veel succes - ten gunste van de Haarlemmers te beïnvloeden; daarbij fungeert Iris als bode van de eerste en neemt Pallas de gedaante van een vooraanstaand burger aan om de belegerden te adviseren en te bemoedigen. Alleen is er bij Van Wassenaer geen sprake van enige onpartijdigheid. Don Frederik is zonder meer een wrede en verdorven geweldenaar, en zijn soldaten hebben behalve dapperheid geen enkele goede eigenschap.

In het algemeen is Van Wassenaer in zijn opzet goed geslaagd. De wijze, waarop hij in zijn beschrijvingen eigentijdse elementen - de kanonnen, het landschap, de topographie van stad en omgeving - weet te ‘homeriseren’, ver-

[p. 223]

dient ongetwijfeld waardering en zelfs bewondering. Hoogstens kan men als bezwaar aanvoeren, dat hij een neiging heeft tot overdrijven, met name in het gebruik van epitheta en Homerische vergelijkingen. De eerste stapelen zich soms wat al te zeer opeen, en de vergelijkingen dijen wel eens zó uit dat de draad van het verhaal erdoor verbroken wordt. Maar wellicht mede daardoor voelt de lezer zich inderdáád in de sfeer van Homerus overgebracht. Over de qualiteit van de Griekse verzen durf ik als leek geen oordeel uitspreken. Voor zover ik kan nagaan, lopen de hexameters vlot en beheerst hun dichter voortreffelijk het Grieks. Hij houdt zich echter niet streng aan het taaleigen van Homerus en neemt ook wel woorden of uitdrukkingen van latere auteurs over - wellicht om te laten zien hoeveel hij gelezen had.

Tegenover de Griekse tekst voegde Van Wassenaer ‘propter Tyrones’ (met het oog op beginnelingen) een Latijnse vertaling toe, al beschouwde hij - zoals hij met enige hooghartigheid opmerkt - vertalingen van Griekse auteurs als bomen die door de herfst van hun bladertooi zijn beroofd.22 Die vertaling wordt in proza en zoveel mogelijk regel voor regel ad verbum gegeven, naar het voorbeeld dus van wat in de contemporaine Griekse edities van Homerus gebruikelijk was. In combinatie met zijn verwijzing naar ‘Tyrones’ rechtvaardigt dit de veronderstelling, dat Van Wassenaer met zijn dichtwerk tevens een didactisch oogmerk had: het kon gebruikt worden als leerboek bij de studie van het Grieks. Deze secundaire doelstelling zou de verklaring kunnen zijn voor het kennelijke streven van de auteur het vocabulaire van zijn Grieks zo rijk mogelijk te maken.

De Harlemias van Nicolaes van Wassenaer verdient stellig door deskundige kenners van het Humanisme nader onderzocht en geëvalueerd te worden. Dat is tot dusver, voor zover ik weet, nog niet gebeurd. Er bestaat wel een moderne heruitgave van 1930, maar die is te amateuristisch om wetenschappelijk bruikbaar te zijn.23

 

- De belangstelling van de Renaissancisten beperkte zich niet tot het klassieke epos. Ook voor het moderne hadden zij aandacht en waardering. Ik geef slechts enkele bewijsplaatsen, maar bij een systematisch onderzoek zouden er ongetwijfeld méér aan het licht komen.

Wanneer Hooft in 1600 uit Florence zijn beroemde rijmbrief Aen de Camer In Liefd' Bloeyende richt en daarin een opsomming geeft van de grote auteurs uit het antieke en moderne Italië, wijdt hij niet minder dan twaalf regels aan Ariosto als dichter van de Orlando furioso; regels die er geen twijfel

[p. 224]

aan laten bestaan dat hij die met enthousiasme gelezen had.24 Tasso wordt niet genoemd. Aan hem was Hooft toen blijkbaar nog niet toe.

Enkele jaren later - de datering staat niet precies vast - voltooit Hooft zijn tweede jeugddrama, de Ariadne. Bij de uitbeelding van Ariadne's wanhoop, als zij door Theseus op Naxos achtergelaten is, neemt hij vrijwel letterlijk een passage uit het tweede boek van de Orlando over.25

In 1604 verschijnt Het Schilder-Boeck van Karel van Mander, met als eerste onderdeel Den Grondt der Edel vry Schilder-const, geschreven in achtregelige rederijkers-strofen met rijmschema abaab/bcc. Sinds kort beschikken wij over een voortreffelijke uitgave van Den Grondt door Hessel Miedema.26 Viermaal blijkt Van Mander daarin een gedeelte uit de Orlando furioso verwerkt te hebben, terwijl de naam van Ariosto ‘ook in de rest van het Schilder-boeck herhaaldelijk voor(komt)’. Die van Tasso wordt daarentegen niet genoemd, evenmin als in de rijmbrief van Hooft.

Het eerste bewijs voor vertrouwdheid met de Gerusalemme liberata, dat mij bekend is, vinden wij in Hooft's tafelspel De gewonde Venus, gedateerd 28 oktober 1607. Kalff heeft er reeds in 1895 op gewezen, dat de regels 165-175 in vrije bewerking ontleend zijn aan de 25ste stanza van Canto xvi uit de Gerusalemme.27

In de ‘Onderrichtinghe voor den Leser’, die hij aan zijn Il Divino Ariosto doet voorafgaan, noemt Syceram het een voordeel van zijn vertaling dat men daardoor de toneelvoorstellingen beter zal kunnen volgen, omdat de meeste opgevoerde stukken aan de Orlando ontleend zijn.28 Welke stukken hij daarbij op het oog had, is niet goed duidelijk; waarschijnlijk doelde hij in de eerste plaats op voorstellingen in een andere taal dan het Nederlands. Mocht hij toch Nederlandse stukken (al dan niet in vertaling) hebben willen signaleren, dan zijn deze blijkbaar niet bewaard gebleven. In ieder geval vermeldt Worp voor de eerste decennia van de 17de eeuw slechts twee drama's, waarvan de stof uit de Orlando afkomstig is: Rodenburgh's Rodomont en Isabella (1618) en de Isabella van Hooft en Coster (opgevoerd in 1618, maar eerst uitgegeven in 1619).29 - Uit Tasso's Gerusalemme werd in die jaren geen stof ter dramatisering getrokken. Dat gebeurde eerst aan het einde van de eeuw, toen de toverijen van Armida aantrekkelijk materiaal vormden voor opvoeringen met kunst- en vliegwerk.30

Toch blijkt, voor zover valt na te gaan, omstreeks 1620 de belangstelling

[p. 225]

voor de Gerusalemme die voor de Orlando aan het verdringen te zijn. In zijn Opdracht van De Helden Godes des Ouwden Verbonds (1620) aan Johan Fonteyn citeert Vondel de 70ste stanza van Gerusalemme xi, overgebracht in gepaard rijmende alexandrijnen.31 In diezelfde tijd moet Maria Tesselschade begonnen zijn met haar vertaling van Tasso's epos.

De ‘Gerusalemme’-vertaling van Maria Tesselschade

Alles wat wij omtrent deze vertaling weten, berust op vermeldingen daarvan in brieven en verzen van tijdgenoten. Worp heeft deze gegevens zorgvuldig bijeengezocht, en ik meen niet beter te kunnen doen dan zijn samenvatting van het resultaat hier over te nemen. De verwijzing naar zijn vindplaatsen laat ik daarbij achterwege; wie er belang in stelt, vindt ze in Worp's noten.

Reeds vóór haar huwelijk [op 26 november 1623] was zij bezig met het vertalen van Tasso's heldendicht La Gerusalemme liberata. In den zomer van 1633 is zij, zooals Hooft het uitdrukt, ‘weder aen 't rijmen geraeckt en in dien diepen Tasso verzoopen’; ook Huygens spreekt er van in de opdracht zijner vertalingen naar Donne en vraagt ongeduldig: ‘Wanneer wil't besigh hert Geleggen van die draght’. In 1639 zinspeelt Vondel in de opdracht der Elektra op hare vertaling en in het volgende jaar is Tessel bezig met ‘uytschryven van (haer) Tasso’ en zendt de vertaling van één couplet uit den 3den zang aan Barlaeus. [...] Dit couplet is het eenige fragment van de vertaling, dat tot ons is gekomen. Van Baerle zinspeelt op Tasso in het voorjaar van 1646.32

Ook uit 1647 en 1648 vermeldt Worp nog zinspelingen op Tesselschade's Gerusalemme-vertaling. En tenslotte wordt er in twee van de gedichten op haar dood (20 juni 1649), die van Jan Vos en Simon Ingels, met nadruk aan herinnerd.

Bijna dertig jaar heeft Maria Tesselschade dus - zij het ongetwijfeld met (grote) tussenpozen - aan haar vertaling gewerkt. Zelfs de tragische en vrijwel gelijktijdige dood van haar oudste dochtertje en haar man (op 28 en 29 mei 1634) heeft haar deze arbeid slechts tijdelijk doen onderbreken. Dat bewijst wel, hoezeer zij het epos van Tasso bewonderde en er telkens opnieuw door gegrepen werd.

Bij Tesselschade's dood was de vertaling nog niet (geheel) voltooid. Dat is wel de reden, waarom zij er gedurende haar leven niets van heeft uitgegeven. Wat er daarna mee gebeurd is, valt niet te achterhalen. In 1679 bezat Romanus van Wezel - de zoon van Tesselschade's oudere zuster Anna Roemer Visscher - ‘nog eenige boeken van Tassoos verlost Jerusalem, door Tesselschade vertaalt, een onvoltrokken [= onvoltooid] werk’, en had hij plannen de nagelaten papieren van zijn tante en zijn moeder uit te geven. Het is daar echter nooit toe gekomen, en sindsdien zijn deze papieren onvindbaar geworden of verloren gegaan.33

De éne strofe, die Tesselschade in de Stille Week van 1640 aan Barlaeus toezond, werd in 1644 opgenomen in de Amsterdamse herdruk van Jacobi

[p. 226]

Westerbani Minne-dichten ‘Met noch eenighe Gedichten van J. vander Burch, Anna Roemers, Tesselschade en andere’.34 De toevoeging van de titel Op het lijden Christi geeft er daar het karakter van een op zichzelf staand gedicht aan. Dat was mogelijk, doordat het hier gaat om het gebed van Godfried en zijn soldaten, wanneer zij voor het eerst Jeruzalem aanschouwen, waar Jezus voor hen geleden heeft en gestorven is. Vandaar ook, dat Tesselschade juist deze strofe als een Goede-Vrijdagsgroet voor Barlaeus had overgeschreven. Maar dit uitzonderlijke karakter heeft tot gevolg, dat wij er geen indruk door krijgen van de wijze, waarop zij de episch-heroïsche toon van Tasso al dan niet tot zijn recht wist te doen komen. Wij kunnen er enkel uit afleiden, dat zij strofen schreef van acht alexandrijnen met rijmschema ababcdcd, en dat die alexandrijnen wat zwaar aandoen, vergeleken bij de lichtvoetigheid van Tasso's ottave rime.35

De ‘Gerusalemme’-vertaling van Vondel

Ook Vondel heeft zich met het vertalen van de Gerusalemme bezig gehouden.36 Het resultaat daarvan is in twee handschriften bewaard gebleven, die naar hun vindplaats worden aangeduid als het Petersburgse en het Oxfordse. Het eerste is - zoals Mej. Nijland het heeft geformuleerd - ‘een eigenhandig klad van Vondel, en het draagt er alle sporen van een klad, een oefening te zijn’.37 Van versificatie is nog geen sprake; het gaat om een tentatieve, verkennende vertaling in proza. Er zijn talloze doorhalingen, verbeteringen (die vaak op hun beurt wéér verbeterd worden), opengelaten plaatsen, margi-

[p. 227]

nale notities. Afgezien van een aantal geheel of gedeeltelijk nog onvertaalde strofen - met opengelaten ruimte voor latere invoeging - is de overzetting compleet, op één zang na. Het vierde canto ontbreekt. Merkwaardig genoeg is dat juist de zang, waarin de episode van de Helleraad voorkomt, die zo duidelijk van betekenis is geweest voor Vondel's Joannes de Boetgezant.38

Het Oxfordse handschrift is een afschrift van het eerste in een andere hand; bovendien is daar de Italiaanse tekst op de helft der pagina's voor een deel bijgeschreven. ‘In dit raadselachtig afschrift is Vondels tekst veranderd: spelling en woordgebruik zijn gemoderniseerd, fouten verbeterd, leemten aangevuld; tevens bleek, bij nader onderzoek, dat de hand van het Oxfordse [handschrift] ook in het Peterburgse heeft veranderd en onderstreept. Een onoplosbare vraag blijft vooralsnog wat dit afschrift betekent, wie deze Vondelbetuttelaar kan zijn geweest’.39

Aangezien Vondel's Tasso-vertaling niet tot een uitgave heeft geleid, behoef ik er in het kader van deze studie niet uitvoerig op in te gaan. Voor de ontwikkeling van het Nederlands-Renaissancistische epos heeft zij rechtstreeks geen betekenis gehad, evenmin als die van Tesselschade. Toch meen ik er goed aan te doen, over het Petersburgse handschrift nog een en ander mee te delen. Daarin zien wij immers Vondel aan het werk, en hebben wij te doen met een belangrijke fase in zijn epische vorming.

De eerste onderzoekers hebben in het algemeen weinig gunstig geoordeeld over het resultaat, dat de dichter in dit klad-handschrift bereikte. De nadruk valt bij hen op de vertaalfouten, vergissingen, onnauwkeurigheden, omissies e.d., die daarin voorkomen. De conclusie luidde, dat Vondel het Italiaans niet voldoende beheerste om met zijn vertaling iets waardevols tot stand te kunnen brengen.

Terecht heeft J. Aleida Nijland daartegen protest aangetekend, en betoogd dat juist de vergissingen en verbeteringen in het handschrift dit maken tot ‘een stuk Vondelleven’:

We zien de dichter aan het werk: blijkbaar begint hij doorgaans woordelik te vertalen, zonder eerst de gehele strofe te lezen, bemerkt dan dat hij zo niet verder kan, omdat de zin anders gaat lopen, haalt het geschrevene door, verandert, schrijft er een woord boven, eronder of in margine (soms 2, 3 of 4 maal), laat ook wel eens een woord staan dat eigenlijk weg moet, of vergeet een letter bij te schrijven of weg te schrappen - wat zeer zeker getuigt van grote haast. Toch zijn er ook bewijzen te over van nauwkeurigheid, van weloverwogen veranderingen met fijne kleurschakering die niet haastig geschied kunnen zijn, maar met ziftend oordeel van nadenken werden neergeschreven. [...] Na mijn nog slechts korte studie is de hoofdindruk: 'n zekere nonchalance, brede zwierige kunstenaarsonverschilligheid die ‘in fretta e furia’ het alleen maar te doen is om het allerbelangrijkste, en - om maar vooruit te komen, om de inhoud te kennen - details op dat ogenblik onbelangrijk, verwaarloost.40
Bovendien heeft Mej. Nijland scherp de vragen geformuleerd, waarvoor Vondel's onvoltooide klad-vertaling ons stelt. De voornaamste daarvan zijn:

[p. 228]

waaròm en wannèèr heeft de dichter dit werk aangevat? En waaròm ‘liet hij zijn vertaling ten slotte links liggen, stelde er blijkbaar geen belang meer in?’41

Het lag in de bedoeling van de schrijfster ‘een nauwkeurige studie en bewerking van Vondels Tasso-vertaling, fouten en vergissingen incluis’ tot stand te brengen.42 Helaas is het daar niet toe gekomen. In de tweede jaargang van de Vondel-kroniek heeft zij het ‘Darde Boeck’ van de vertaling gepubliceerd, voorzien van ‘Opmerkingen’ over een aantal varianten, verbeteringen enz. en over afwijkende lezingen van de grondtekst die Vondel's uitgangspunt geweest zouden kunnen zijn. Als ik het goed zie, was dit nog slechts een voorlopige proeve van wat de uiteindelijke bewerking had moeten worden. Maar na 1931 is er niets meer gevolgd, noch van deze bewerking noch van een andere. Nog altijd ligt Vondel's Gerusalemme-vertaling op een definitief onderzoek en een adaequate uitgave te wachten. Quo-usque tandem?

Daarmee blijft voorlopig ook het antwoord uit op de vragen, die Mej. Nijland over deze vertaling stelde. Op een enkel punt zou ik echter een voorzichtige gissing willen wagen. Niet op dat van het tijdstip waarop Vondel er serieus mee begonnen is; daarvoor zijn er te veel onzekerheden.43 Wel meen ik, dat het geoorloofd is verband te leggen tussen de vertaling en de Constantinade, in zoverre dat de eerste behoorde tot het voorbereidende werk voor het eigen epos. Dat behoeft niet te betekenen, dat de vertaling met het oog op de Constantinade begònnen werd. Maar wij mogen, dunkt mij, veilig aannemen dat bij het voortwerken eraan, in de loop van de twintiger jaren, de gedachte aan een eigen epos - ook al stond het onderwerp nog niet vast - de dichter heeft gestimuleerd. Immers: ‘het overzetten uit vermaerde Poëten helpt den aenkomende Poeet, gelijck het kopieeren van kunstige meesterstucken den Schilders leerling’, zoals hij het later zelf zou formuleren.44 Als wij daarvan uitgaan, lijkt het niet onmogelijk dat Vondel ook in de dertiger jaren, vóórdat - en misschien zelfs ook wel eens nàdat - hij met het schrijven van de Constantinade begonnen was, met zijn Tasso-vertaling bezig is geweest. In ieder geval doet de veronderstelling van nauwe samenhang tussen vertaling en epos ons een antwoord aan de hand op de vraag, waarom hij op een gegeven ogenblik blijkbaar alle belangstelling voor zijn Gerusalemme verloor. Dat zou dan het gevolg geweest kunnen zijn van het opgeven van de Constantinade, waartoe de vertaling een voorbereidende studie was.

 

- Niet alleen met vertalingen, maar ook met oorspronkelijk werk was er in de periode tussen 1615 en 1645 wel degelijk sprake van epische activiteit. Misschien is toen het eerste Nederlandse epos geschreven door Laurens Reael

[p. 229]

(1583-1637). Michels heeft er de aandacht op gevestigd, dat Barlaeus in zijn epitaphium op iets dergelijks schijnt te duiden:

Wij lezen daar onder meer, dat de gestorvene Mercurius en Phoebus had overgebracht naar de onbeschaafde Indiërs, onder de auspiciën van welke godheden hij respectievelijk koophandel en wijsheid had bedreven; en vervolgens:

 
Ivit Musa comes bellis, interque sarissas
 
Nobile bellatrix dextera scripsit epos.
Dat is: de Muze vergezelde hem bij de oorlogvoering, en zijn krijgshaftige rechterhand schreef een verheven heldendicht, te midden van de wapenen.45

Terecht merkt Michels op, dat met ‘epos’ hier niet op de militaire heldendaden van Reael kan worden gedoeld, omdat dan de Muze niet genoemd zou zijn.

Omtrent dit ‘epos’ is verder niets bekend. Wij weten dus niet, of Barlaeus met dit woord inderdaad een epopoeia bedoelde, dan wel een secundaire betekenis op het oog had. Mocht het eerste het geval zijn, dan behoeft het gedicht nog geen Nederlands epos te zijn geweest; Reael zou het ook in het Latijn geschreven kunnen hebben. Meer valt er helaas niet over te zeggen.

Gelukkig zijn wij wat beter ingelicht ten aanzien van Vondel's onvolschreven Constantinade, die in het bovenstaande terloops al ter sprake is gekomen.

De Constantinade en haar mislukking46

Wij weten niet precies, wanneer Vondel zich - o.m. door de vertalende bestudering van Vergilius en Tasso - voldoende voorbereid heeft geacht om de pen op papier te zetten voor het schrijven van een eigen epos. Maar in augustus 1632 is hij in ieder geval met Hugo de Groot in correspondentie over de vraag of de veldtocht van Constantijn de Grote naar Rome een geschikt onderwerp voor hem zou kunnen zijn. Twee jaar later blijkt hij al zó ver gevorderd, dat hij het vijfde boek van de Constantinade op het Muiderslot kan komen voorlezen.47 Ondanks de dood van zijn vrouw in februari 1635 blijft hij aanvankelijk moedig aan zijn epos voortwerken. Maar dan raakt de vaart eruit, en op 9 september 1639 moet Vondel aan Hugo de Groot meedelen dat ‘ick mijnen grooten Constantyn moet vergeten, en met yet minders my zoecken te behelpen. Ick ben aen de treurspelen vervallen ...’.48 Wel koestert hij dan nog de hoop later zijn epos te zullen kunnen voortzetten, maar het is er nooit van gekomen. Tenslotte heeft hij zelfs ‘zynen Konstantyn by zyn leven aan stukken gescheurt. [...] Niets bleef'er van over dan eenige stukken en brokken, die hy sedert in andere werkken te pas braght’.49

[p. 230]

Maar al is er dan niets van het epos bewaard gebleven, toch kunnen wij ons uit allerlei incidentele gegevens wel een beeld vormen van wat Vondel daarbij voor ogen moet hebben gestaan. En dat was een Christelijk epos in Tassoniaanse zin. De keuze van het onderwerp werd ongetwijfeld door het voorbeeld van Tasso bepaald. Er zijn genoeg parallellen tussen Godfried van Bouillon en Constantijn de Grote om het vrijwel zeker te maken, dat Vondel met zijn epos een aemulerende imitatio van de Gerusalemme liberata beoogde. In beide gevallen wordt de held door God geroepen om de vijanden van het Christendom te bestrijden en een heilige stad uit hun handen te verlossen. In beide gevallen moet in voortdurende gevechten een verbitterde en hardnekkige tegenstand worden overwonnen. In beide gevallen wordt de dood van de vijandelijke aanvoerder het symbool van de overwinning. En als deze eindelijk behaald is, volgt bij Tasso als apotheose het moment waarop Godfried op het Heilige Graf te Jeruzalem zijn wapens neerlegt en aan Christus toewijdt. Eenzelfde apotheose had ook Vondel's Constantijn moeten bereiken, zoals valt af te leiden uit het perspectief dat de dichter zich in de Lyckklaght over de dood van zijn vrouw door de schim van Maeyken laat voorhouden, wanneer deze hem aanspoort het werk aan zijn epos voort te zetten tot het triomferende einde, als Constantijn

 
't Gewijde swaard, aen God verlooft,
 
Ontgord, op der Apostlen graven.50

Wij beschikken niet over directe aanwijzingen dat Vondel, behalve Tasso's epos, ook diens Discorsi over het heldendicht heeft bestudeerd. Onmogelijk is dit echter niet. In ieder geval blijkt hij op de hoogte van het Tassoniaanse voorschrift dat de hoofdpersoon van een epos een deugdheld behoort te zijn.51 Dat valt op te maken uit de brief met inlichtingen, die Hugo de Groot hem op 17 augustus 1632 schreef.52 Daarin komt de volgende passage voor: ‘De Grieken roemen Constantyn seer hoogh ende noemen hem den Apostelen gelyk. My dunkt, dat hy geen quaedt Prins en is geweest sedert hy de Christelyke Religie heeft aengenomen’, ook al hebben zijn vijanden hem belasterd. Wij kunnen uit deze opmerking vrijwel de vraag reconstrueren waarop zij antwoord geeft. Blijkbaar voelde de dichter zich niet helemaal gerust over de keuze van zijn held. Was Constantijn edel, rechtschapen en ‘volmaakt’ genoeg om de held van een epos te kunnen zijn? Vondel neemt het desbetreffende Tassoniaanse voorschrift, dat ook door de Fransen was aanvaard, zó ernstig, dat Hugo de Groot hem omtrent Constantijn's geestelijke adel gerust moet stellen, voordat hij vrijheid vindt met de uitvoering van zijn plan voort te gaan.

In dit verband krijgt een ander gegeven bijzondere betekenis. Wanneer Geeraardt Brandt na Vondel's dood bezig is met het schrijven van diens biografie, probeert hij zoveel mogelijk inlichtingen te verzamelen van personen die met Vondel in aanraking zijn geweest of iets over hem weten. Onder de antwoorden, die hij ontvangt, is er ook een van Joachim Oudaan, gedateerd 11 december 1682, waarin een interessante passage over de Constantinade voorkomt.53 Er kunnen, meent Oudaan, verschillende redenen zijn geweest voor

[p. 231]

‘'t lang achterweeg blijven, en eijndelijk vernietigen, van Konstantijn’. Maar hij wil er één noemen, waarover Ds. Daniël de Breen hem gesproken heeft: een goede kennis van Vondel juist in de jaren waarom het hier gaat. Deze zegsman nu ‘meende dat Vondel eijndelijk heeft beginnen te zien, dat Konstantijn zoodanig de man niet en was, als hij zich in 't eerst wel had ingebeeld, en voorgestelt’. In het bijzonder worden dan de vergiftiging van Constantijn's zoon Crispus op bevel van zijn vader en de kort daarop gevolgde executie van keizerin Fausta vermeld, waar Vondel, volgens De Breen, ‘met goed gevolg niet van zag te maken, om zijnen Held buijten opspraak te houden, of voor zoo groot en heijlig te doen henen gaan, als hij hem in 't eerst had opgeheven’. Helemaal duidelijk zijn de implicaties van deze mededeling niet. Het ter dood brengen van zijn zoon en echtgenote is inderdaad een donkere bladzijde in het leven van Constantijn, al zijn niet alle achtergronden daarvan bekend. Maar het gebeurde eerst nà de triomfantelijke intocht van de overwinnaar in Rome, en viel dus buiten de eigenlijke stof van Vondel's epos. Daar staat evenwel tegenover, dat Constantijn deze twee moorden - want dat zijn het tenslotte - pleegde, toen hij reeds tot het Christendom was overgegaan.54 Tegen de achtergrond van de Tassoniaanse regel omtrent de epische held is het zeker niet onwaarschijnlijk, dat Vondel met dit feit moeite heeft gehad. Maar Oudaan geeft hier slechts weer wat De Breen meende, en begrijpt dat wij voorzichtig moeten zijn met het trekken van een conclusie: ‘doch wat hier van zij, wij moeten dit, gelijk veel onzekerheden, de inwindselen des tijds bevolen laten’.

Toch mag de betekenis van Oudaan's mededeling aan Brandt vooral niet worden onderschat. Zij hangt samen met een van de voornaamste voorschriften, die voor het Renaissancistische epos van de 17de eeuw golden! Ik acht het dan ook zeer waarschijnlijk, dat de teleurstelling omtrent Constantijn's geestelijke adel een van de redenen is geweest, die er Vondel toe hebben gebracht het voortwerken aan zijn epos op te geven.

Eén van de redenen. Want er waren er meer. Vondel zelf noemt er een, en Geeraardt Brandt een tweede. Het zou dwaasheid zijn daaraan minder waarde te willen toekennen dan aan het argument van De Breen, alleen omdat dit laatste een literair-theoretisch karakter heeft.

In de reeds geciteerde brief aan Hugo de Groot, waarin hij meedeelt zijn ‘grooten Constantyn’ voorlopig te moeten vergeten, noemt Vondel zelf de dood van zijn vrouw als oorzaak daarvan: ‘Sedert de dood van mijn zalige huisvrouw heeft mijn couragie eenen krack gekregen ...’.55 Dat is op het eerste gezicht even duidelijk als begrijpelijk. Bij nadere beschouwing rijst er echter toch wel een vraag. De krack in Vondel's couragie betrof blijkbaar nièt zijn poëtische creativiteit in het algemeen, maar uitsluitend zijn vermogen om voort te werken aan de Constantinade. Toen hij het bewuste zinnetje neerschreef, had Vondel na de dood van Maeyken alweer heel wat geschreven, met inbegrip van Gysbreght van Aemstel en Maeghden, alsmede vertalingen van De Groot's Sophompaneas en Sophocles' Electra. Maar met de Constantinade

[p. 232]

wilde het niet meer. Waarom had de dood van zijn vrouw juist voor dit werk een negatieve invloed op de ‘couragie’ van de dichter?

Het lijkt mij waarschijnlijk, dat het antwoord op deze vraag gezocht moet worden in de toon van het epos. Wanneer wij de Verovering van Grol - zoals ik meen dat wij inderdaad moeten doen - beschouwen als Vondel's aanloop naar de Constantinade, dan mogen wij aannemen dat het epos gekenmerkt werd door dezelfde speelse, ietwat exuberante verbeeldingskracht en vreugdevolle scheppingsdrift, die aan de Verovering hun charme verlenen. Als dit juist is, moet de Constantinade de lichte toets hebben gehad, waarin ook de Gerusalemme geschreven werd en die een erfenis van de romanzo is.56 Het is volkomen aannemelijk dat Vondel na de dood van Maeyken de lichtheid van toon en de speelse uitbundigheid, die tot dusver zijn epos hadden bepaald, niet heeft kunnen terugvinden. De spontane blijmoedigheid van de dichter had een krack gekregen: ‘Ick ben aen de treurspelen vervallen’.

Brandt citeert in zijn biografie de brief van Vondel aan Hugo de Groot, maar beschouwt de ‘krack in de couragie’ kennelijk slechts als reden voor een tijdelijke onderbreking van het werk, en voert voor het definitieve opgeven een ander motief aan. In de loop der jaren dat Vondel met de Constantinade bezig was, zou diens kunstzin zich volgens hem zódanig hebben ontwikkeld, dat hij de vroegst geschreven gedeelten van zijn epos niet meer als goed kon aanvaarden.57

Leendertz merkt in de Inleiding op zijn uitgave van Brandt's biografie op, dat ‘dit bericht’ ernaar uitziet afkomstig te zijn van Vondel zelf en dus wel juist zal wezen. En dan vervolgt hij: ‘het is ons volkomen begrijpelijk, dat (Vondel) na zijn overgang tot de Roomsche Kerk in het begin [van zijn epos] heel wat vond, dat hij nu niet meer onder zijn naam wilde laten drukken’.58 Het eerste kan ik onderschrijven, maar het laatste lijkt mij uiterst onwaarschijnlijk. In de geschiedenis van Constantijn ging het om Christendom tegenover heidendom, en behoefden de tegenstellingen tussen Rooms en Reformatorisch niet te worden aangeroerd. Bovendien is Leendertz' interpretatie in strijd met Brandt's mededeling dat Vondel ‘ondertusschen in de kunst toenam’ (cursivering van mij).

Ik zoek dan ook in een andere richting naar een verklaring van de opmerking bij Brandt. Het staat wel vast, dat Vondel zijn Constantinade heeft opgezet als Vergiliaans-Tassoniaans epos, in bewondering zowel voor de Gerusalemme als voor de Aeneis. Maar gaandeweg zal hij kritischer zijn komen te staan tegenover Tasso. Dat is geheel in overeenstemming met de ontwikkeling van de opvattingen in de 17de eeuw. Bij alle bewondering voor Tasso werd zijn epos toch wel wat excessief gevonden in de veelheid van episodische uitweidingen en inlassingen. De strakkere compositie van de Aeneis was meer in overeenstemming met de inzichten van het zich constituerende klassicisme, en genoot daarom steeds meer de voorkeur. Zowel in Frankrijk als bij Vondel valt deze ontwikkeling naar een strenger en soberder compositie omstreeks 1640 duidelijk waar te nemen. Bij Vondel werd zij in de hand gewerkt door zijn vriendschap met Vossius, die hem in de geheimen van de poëtica en de Aristotelische voorschriften inwijdde. Het zou dus allerminst vreemd zijn,

[p. 233]

als Vondel in 1639 of daaromtrent tot de conclusie gekomen was dat hij in de oudste gedeelten van zijn epos Tasso te véél zou hebben gevolgd, ondanks de poging om tevens Vergilius te imiteren. Heeft dit ‘te veel’ zich misschien gemanifesteerd in een aantal Tassoniaans-gekleurde episoden, die hij aanvankelijk als toelaatbaar beschouwde en later niet meer? Het lijkt niet alleen plausibel, maar het zou ook verklaren waarom hij de moed miste tot verbetering over te gaan. De eliminatie van dergelijke gedeelten zou immers méér geweest zijn dan een reeks incidentele correcties; het zou zijn neergekomen op een nieuwe compositie en daarmee op een vrijwel geheel herschrijven.

Zo komen wij dus tot drie mogelijke motieven voor het opgeven van de Constantinade. In de volgorde waarin wij ze besproken hebben: teleurstelling in de integriteit van de held; onmacht om na Maeyken's dood de lichte toon van vroeger terug te vinden; toenemende kritiek op Tasso en als gevolg daarvan afwijzing van de excessiviteit in de compositie van de vroegst-geschreven boeken uit zijn eigen epos. Waarschijnlijk zullen al deze factoren een rol hebben gespeeld, en hebben zij gezamenlijk het complex opgeleverd dat Vondel tot ‘zulk een weêrzin’59 tegen zijn epos bracht, dat hij het tenslotte verscheurde.

 

Dat de periode tussen 1615 en 1645 geen oorspronkelijke of vertaalde epen in het Nederlands heeft opgeleverd, werd dus nièt veroorzaakt door gebrek aan belangstelling of door het uitblijven van epische activiteit. Het is het gevolg van een ongelukkige samenloop van omstandigheden, waardoor veelbelovende initiatieven tenslotte op niets uitliepen en de voltooide gedeelten verloren zijn gegaan. Wij moeten dat ernstig betreuren. Als Maria Tesselschade haar versvertaling van de Gerusalemme voltooid en uitgegeven had, als het epos van Vondel omstreeks 1640 was verschenen - dan zou de ontwikkeling van de Nederlandse epiek waarschijnlijk heel anders verlopen zijn dan nu het geval is geweest. Goed voorgaan doet immers goed volgen. Maar ook het omgekeerde is waar: als het eerste schaap niet over de dam komt, laten de andere het afweten. Doordat in de besproken periode de eerste schapen niet over de dam kwamen, werd er in de daarvoor meest geëigende tijd géén basis gelegd en géén traditie gevormd voor een Nederlands Renaissance-epos. Na 1645 moest er nog altijd een begin worden gemaakt.

§ 4. Het bos-complex van 1645 tot 1665

Op de dertig magere jaren volgen er twintig vette. Ineens komen nu de eposuitgaven in snelle opeenvolging van de pers. Binnen twee decenniën vallen er niet minder dan veertien te signaleren, waaronder twee welker beide helften in verschillende jaren het licht zagen, zodat men ook tot een aantal van zestien kan komen. Bovendien werd één van deze uitgaven in de loop van deze twintig jaar viermaal herdrukt. Dat brengt het totaal op twintig.

Voor het overgrote deel gaat het daarbij om vertalingen. Zowel de uitgaven in twee afzonderlijk verschenen delen als de herdrukken behoren tot deze groep, die zodoende driekwart van het geheel omvat. Door de frustraties in de

[p. 234]

vorige periode was er een achterstand ontstaan, die men trachtte zo snel mogelijk in te lopen.

Het aantal oorspronkelijke epen is uiteraard veel geringer. Eigen vinding laat zich nu eenmaal niet forceren. Het is dan ook eerder een opmerkelijk dan een teleurstellend resultaat, dat wij in de betrokken periode vijf edities met origineel episch werk aantreffen, te meer omdat één van die edities twéé epen bevat. Daar staat dan tegenover, dat één van de andere een Latijns epos betreft en dus eigenlijk buiten het kader van deze studie valt.

Met het bovenstaande is de indeling van deze paragraaf feitelijk al gegeven. Eerst bespreek ik de reeks vertalingen, die tussen 1645 en 1665 verschenen zijn. Daarna komen de oorspronkelijke epen uit deze periode aan de orde, voor zover zij in het Nederlands geschreven werden. En tenslotte vraag ik héél summier ook even aandacht voor het Latijnse epos, omdat anders mijn overzicht onvolledig zou zijn.

De vertalingen

De stoot daartoe kwam van Vondel. In 1646 publiceerde hij een vertaling van Publius Virgilius Maroos Wercken, in proza. Hoewel deze uitgave óók de Bucolica en de Georgica bevat, behoeven wij daaraan in het kader van deze studie geen aandacht te besteden. Ik bespreek dit werk dan ook, alsof het enkel ging om een vertaling van de Aeneis. Dat is trouwens in zekere zin ook wel gerechtvaardigd. Onder het werk van Vergilius neemt diens epos zowel naar omvang als betekenis verreweg de belangrijkste plaats in. En bovendien heeft Vondel's vertaling het vooral aan de Aeneis te danken, dat zij zoveel belangstelling ondervond en invloed uitoefende.

Vondel gaf daarmee de eerste volledige Aeneis-vertaling na die van Cornelis van Ghistele. Anders dan deze vertaalde hij echter in proza. Dat betekende - althans voor de Nederlandse letteren - een inbreuk op de traditie, die wilde dat dichtwerken altijd in dichtvorm werden overgezet. Proza-vertalingen van klassieke of moderne poëzie werden slechts vervaardigd bij wijze van studie of oefening, en om als basis te dienen voor latere versificatie. Uitgegeven werden zij niet.

Vondel brak met deze traditie, en verdedigde dit in zijn Opdracht aan Huygens met een beroep op de meerdere tekstgetrouwheid, die bij een vertaling in proza mogelijk was. Naar mijn overtuiging zit er echter méér achter, en moeten wij verband leggen tussen deze ongebruikelijke manier van doen en de mislukking van zijn Constantinade. Dit overzicht is niet de plaats daarop nader in te gaan; dat hoop ik in het hoofdstuk over Vondel's Aeneis-vertalingen te doen.60 Hier kan ik volstaan met erop te wijzen, dat Vondel het werk van Vergilius in proza vertaalde.

Hij had daarmee een onverwacht succes. De belangstelling - niet altijd de waardering! - was zó groot, dat er in het jaar van uitgave nog twee oplagen nodig bleken. In 1652 en 1659 volgden opnieuw herdrukken, zodat de Aeneis-in-proza van Vondel binnen de besproken periode niet minder dan vijfmaal van de pers kwam. Na 1665 gebeurde dat nòg driemaal, één keer in de 17de en twee keer in de 18de eeuw.

Maar niet alleen met zijn vertaling had Vondel succes. Ook het principe, waarvan hij was uitgegaan, vond gretig ingang. Op zijn gezag waagden anderen

[p. 235]

het nu eveneens proza-overzettingen op de markt te brengen. En het is zeker geen toeval, dat dit in de eerste plaats vertalingen van epen zijn.

In 1649 opende de Amsterdamse boekverkoper en uitgever J.J. Schipper de rij met een proza-vertaling van de Orlando furioso, zij het niet rechtstreeks naar Ariosto, maar naar een Franse bewerking in proza. - Twee jaar later ‘vertaalde’ een zekere G.V.S., onder de titel De Dooling van Ulisses, de Odyssee: een vrije en weinig nauwkeurige weergave voor populair gebruik, die niet alleen door de titel het vermoeden wekt zwaar te leunen op De Dolinge van Coornhert. - Weer enkele jaren later, in 1654, gaf J.H. Glazemaker het tweede deel in het licht van De Iliaden van Homerus: in proza vertaald naar de Latijnse ‘interpretatio ad verbum’ bij de Griekse tekst. In 1658 volgde het éérste deel, met de boeken i tot en met xii. De vreemde volgorde, waarin deze twee delen verschenen, moet wel verklaard worden uit de overweging bij Glazemaker - of zijn uitgever -, dat de eerste twaalf boeken van de Ilias in de vertaling van Karel van Mander reeds ter beschikking stonden, hoe gebrekkig dan ook, en dat een vertaling van de laatste twaalf boeken daarom prioriteit behoorde te hebben. - In hetzelfde jaar 1658, waarin Glazemaker zijn Iliaden voltooide, publiceerde Joan Dullaart een proza-vertaling van Tasso's Gerusalemme liberata, waarmee dit epos voor het éérst in het Nederlands bereikbaar werd. Evenmin als Schipper ging Dullaart van de oorspronkelijke tekst uit; ook hij vertaalde naar een Franse bewerking in proza.

Daarmee waren dus tussen 1646 en 1658 op éénmaal alle vijf grote epen uit de Oudheid en uit de Italiaanse 16de eeuw binnen het gemakkelijk bereik van het Nederlands-lezende publiek gekomen. Het gehalte van die vertalingen liep ver uiteen, en behalve de Aeneis waren zij geen van alle naar de grondtekst bewerkt. Maar het opmerkelijke feit blijft, dat zij er alle vijf waren: de Aeneis, de Odyssee, de Ilias, de Orlando en de Gerusalemme - alle vijf in proza. Zó groot was de invloed van Vondel's voorbeeld.

Dat bleek opnieuw, toen hij in 1660 zijn Vergilius-vertaling nogmaals publiceerde, maar nu overgebracht in dichtvorm. Daarmee conformeerde hij zich uiteindelijk toch weer aan de Nederlandse vertaal-traditie en kwam hij praktisch terug van wat hij in zijn Opdracht van 1646 aan Huygens verdedigd had. Blijkbaar werd dit door potentiële andere vertalers opgevat als aanwijzing dat proza-vertalingen van een epos toch niet als definitief konden worden beschouwd. Er kwamen tenminste geen nieuwe bij, ook niet van de Odyssee die in de bewerking van G.V.S. toch moeilijk bevredigend kon worden genoemd. En de reeds verschenen proza-vertalingen werden geen van alle herdrukt.

Maar wèl kwamen er kort na die van Vondel nòg drie vèrs-vertalingen van de Aeneis op de markt. In 1661 gaf Jacob Westerbaen het eerste deel van de zijne uit, het jaar daarop gevolgd door het tweede. Het was ongetwijfeld zijn bedoeling geweest daarmee Vondel's Aeneis-in-proza te vervangen door een vertaling, die meer recht deed wedervaren aan het epos van Vergilius door handhaving van de dichtvorm. Doordat hij langzamer werkte dan de Amsterdamse dichter, was deze hem echter vóór geweest en verscheen Westerbaen's vertaling min of meer als mosterd na de maaltijd.

In 1663 kwam naast deze twee Aeneisvertalingen-in-verzen nog een derde te staan: die van de Goudse dichter Dirck Doncker. Het was er hem niet om te doen met het werk van zijn beide voorgangers te wedijveren, maar om een - althans voor de Aeneis - nieuwe vorm van vers-vertaling te introduceren. Hij brengt namelijk de Latijnse tekst ‘met het zelfde getal der regelen’ over,

[p. 236]

d.w.z. dat hij zijn tekst zoveel mogelijk regel voor regel met die van Vergilius laat corresponderen. Zo verklaart hij tenminste in zijn woord-vooraf Tot den Lezer. Naar alle waarschijnlijkheid is echter ook Doncker met zijn werk begonnen vóórdat de Aeneis-in-verzen van Vondel verscheen, en had ook hij aanvankelijk de bedoeling diens proza-overzetting te vervangen en te overtreffen door een bewerking in dichtvorm.

Zowel de Aeneis-vertaling van Westerbaen als die van Doncker vallen dan ook niet los te denken van Vondel's werk, dat er de stimulans toe vormde. Trouwens, ook nog in ander opzicht zijn beide dichters aan hem schatplichtig. In hun vertalingen is duidelijk de invloed van Vondel's Aeneis-in-proza merkbaar!

Intussen was in 1662 te Antwerpen ook een Zuidnederlandse Aeneis-in-verzen verschenen. De auteur is de Antwerpse dichter Roeland van Engelen, die echter niet verder kwam dan het begin van boek vii; alles wijst erop, dat hij midden in zijn werk door de dood werd verrast. Van de besproken vertalingen is de zijne verreweg de minst geslaagde. Het meest opmerkelijke ervan is, dat ook hij de Aeneis-in-proza van Vondel gekend moet hebben en op een later tijdstip misschien eveneens diens Aeneis-in-verzen.

De oorspronkelijke epen

In hetzelfde jaar 1646, waarin Vondel's proza-vertaling van Vergilius verscheen, zagen ook de eerste oorspronkelijke Nederlandse epen het licht. Toen gaf namelijk Lambert van Bos zijn bundel Essays ofte Poëtische Betrachtingen in eigen beheer uit; het jaar daarop werd deze uitgave door zijn drukker overgenomen, waarbij de bundel op het nieuwe titelblad ook een nieuwe titel kreeg: Triodon, of Dryling van Heldendichten. De drie heldendichten, die daarmee worden aangekondigd, zijn: een vers-vertaling van de eerste zes boeken uit de Thebais van Statius, en twee oorspronkelijke historie-epen, de Belgias en de Mauritias. Om die beide laatste is het ons hier te doen.

De Belgias geeft in vijf boeken de geschiedenis van de Tachtigjarige oorlog tijdens het bewind van Alva, van 1568 tot 1573. In wezen gaat het hier dus om een historische kroniek, maar Van Bos heeft zijn uiterste best gedaan de verhaalde gebeurtenissen zoveel mogelijk te epopiseren. Daarbij maakte hij dankbaar gebruik van het voorbeeld dat Vondel - zij het zonder de bedoeling een epos te schrijven - in de Verovering van Grol gegeven had voor Vergiliaans-Tassoniaanse epopisering van historische feiten. Het geheel is niet zonder verdienste, al openbaart zich reeds hier Van Bos' gebrek aan diepgang en originaliteit.

De Mauritias is veel beperkter van opzet. In drie ‘Gezangen’ (canto's) wordt hier de overwinning van Maurits in de slag bij Nieuwpoort bezongen. Er is een sterke Tassoniaanse inslag, maar met uitsluiting van het wonderbaarlijke en miraculeuse. Het korte epos zit goed in elkaar en laat zich prettig lezen. In zijn soort mag het zelfs geslaagd worden genoemd.

Datzelfde kan niet worden gezegd van het epos, dat Lambert van Bos in 1648 op zijn eerste bundel liet volgen: Batavias of Batavische Aeneas. Hij beoogde daarmee, zoals uit de tweede titel blijkt, een Nederlandse aequivalent van de Aeneis, met de legendarische figuur van Baeto als hoofdpersoon. Aanvankelijk volgt hij bijna slaafs de avonturen na, die Vergilius door Aeneas beleven laat, getransponeerd naar de kusten van Holland en Zeeland. Maar de tocht van Baeto en diens broeder Salant naar de voor hen bestemde land-

[p. 237]

streken blijkt onvoldoende om er zes boeken mee te vullen. Van Bos last daarom - vooral in de tweede helft van zijn werk - een aantal griezelverhalen in, die eigenlijk niets meer met de hoofdhandeling te maken hebben en uit een oogpunt van epische compositie de Batavias tot een volslagen mislukking maken.

Noch met zijn Triodon, noch met de Batavias heeft Lambertus van Bos bij zijn tijdgenoten ook maar enige weerklank gevonden. Zijn werk is, voor zover ik heb kunnen nagaan, in de meest letterlijke zin doodgezwegen. Dat is ook wel begrijpelijk, omdat hij precies gaf wat men in de jaren tussen 1645 en 1650 niet verlangde. Het publiek had behoefte aan een vertaling van de Aeneis; en hij bracht een stuk van de Thebais in Nederlandse verzen over. Men zag uit naar een Vergiliaans-Tassoniaans epos van formaat, zoals de Constantinade had beloofd er een te worden; en hij bood een tweetal kleine historie-epen aan, die naar de toenmalige opvatting geen werkelijke epen waren, maar epopiserende geschiedschrijving in de trant van Lucanus. Men hoopte op een nationaal heldendicht dat voor de Nederlanden zou kunnen zijn wat de Aeneis voor Rome geweest was; en hij kwam met de Batavias, die als epos door geen zinnig mens serieus kon worden genomen.

Van Bos heeft het na 1648 dan ook niet meer in episch werk gezocht. Hij wendde zich tot andere, vooral historische arbeid, waarmee hij meer succes boekte. Alleen in 1661 keerde hij nog eenmaal tot het epos terug, om met een laudatief ‘gelegenheids-heldendicht’ de Restauratie in Engeland en de troonsbestijging van Karel ii te vieren. De Britannias kwam echter niet boven het peil van de beide vroegere historie-epen uit en bleef zelfs beneden dat van de Mauritias.

Door de mislukking van Vondel's Constantinade had Lambert van Bos de kans gekregen de eerste dichter te zijn, die oorspronkelijke Nederlandse epen publiceerde. Maar hij bleef als heldendichter, buiten zijn kleine vriendenkring in Dordt, onopgemerkt en onbekend. En zo werd het uiteindelijk tòch Vondel, die het eerste epos schreef dat van belang zou blijken voor de opkomst en ontwikkeling van een Nederlandse epiek: Joannes de Boetgezant, verschenen in 1662.

Het is een heel ander soort epos dan de Constantinade geworden zou zijn: meer klassicistisch dan Renaissancistisch, beperkter van omvang, en - vooral! - Bijbels in plaats van profaan. Dat laatste confronteerde Vondel met alle problemen, waarvoor in geheel West-Europa de dichters van Bijbelse epen zich gesteld zagen, omdat de epische theorie niet op de verwerking van gewijde stof berekend was. Hij werd daardoor gedwongen tot het vinden van een oplossing ad hoc, die bovendien in sterke mate beïnvloed werd door de ‘allegorische’ zin van zijn epos. Het was er hem ditmaal niet om te doen een heldendicht te schrijven overeenkomstig de voorschriften van de poëtica, maar om de epische vormgeving dienstbaar te maken aan de Gestaltung van zijn grootse religieuse visie op de stichting van de Kerk. Dat maakt de Joannes tot een gecompliceerd geheel, waarin méér tot uitdrukking wordt gebracht dan uit de uiterlijke gang van het epos blijkt.61 Het gevolg is, dat dit een te eigen en te specifiek karakter heeft om een geschikt model te kunnen zijn voor latere dichters van Bijbelse epen. Dat het desondanks als zodanig ge-

[p. 238]

bruikt werd, heeft dan ook allerlei misverstand omtrent de aard van het Bijbel-epos en de daaraan te stellen eisen in de hand gewerkt.

Wij mogen veilig stellen, dat de eigenaardige ontwikkeling van het Nederlandse epos - en met name het Bijbelse - in de 18de eeuw goeddeels verklaard moet worden uit de mislukking van de Constantinade en de verschijning van de Joannes. Het uitblijven van de eerste betekende een durend gemis aan een verantwoord en normatief episch model; het beschikbaar-komen van de tweede nodigde als het ware uit tot misvattingen omtrent de essentiële kenmerken van het genre.

Het Latijnse epos van Franciscus Plante

Toen Johan Maurits van Nassau op 25 oktober 1636 naar Brazilië uitzeilde om daar het gouverneur-generaalschap te aanvaarden, werd hij o.m. vergezeld door zijn jonge vriend Franciscus Plante die als hofprediker was aangesteld. Na hun beider terugkeer in 1644 schreef deze ter ere van Johan Maurits over diens krijgsverrichtingen als koloniaal bestuurder een Latijns epos in twaalf boeken, dat in 1647 te Leiden in een luxueuse editie met kaarten en platen van de pers kwam: de Mauritias.62

Franciscus Plante was in 1613 te Brugge geboren en had in Oxford de graad van doctor in de theologie behaald. Na zijn Braziliaans avontuur en de voltooiing van zijn epos werd hij in 1647 predikant te Strien, vanwaar hij in 1653 naar Zevenbergen vertrok om er Erasmus Paludanus als adjunct bij te staan. In 1657 werd hij in Breda beroepen, waar hij vervolgens een professoraat bekleedde aan de Illustre School die echter in 1669 werd opgeheven. Hij stierf er op 77-jarige leeftijd in 1690.

Plante heeft bij het schrijven van zijn epos enerzijds duidelijk de Aeneis als voorbeeld voor ogen gehad, maar wijkt daar anderzijds op essentiële punten bewust van af. Deze tweeslachtigheid is niet enkel een gevolg van het feit dat hij contemporaine gebeurtenissen bezong, die hem niet toelieten aan zijn verbeelding vrij spel te laten en waarmee hij bovendien een uitgesproken laudatieve bedoeling had. Ik ben geneigd ze vooral toe te schrijven aan de combinatie van twee verschillende - en in wezen incompatibele - invloeden op zijn werk. Behalve de Aeneis moet Plante, die in tegenstelling tot Vergilius geen legendarische maar historische stof te verwerken had, met het oog op die historiciteit ook Lucanus' Pharsalia als navolgenswaardig model hebben beschouwd. In ieder geval gaat hij bij de compositie van zijn epos in principe op dezelfde manier te werk als de dichter van de Romeinse burger-oorlog. Hij begint ab ovo en laat vervolgens de gebeurtenissen zich in chronologische volgorde afspelen. Om de voorgeschiedenis van Johan Maurits' bewind in Brazilië goed tot haar recht te doen komen, haalt hij die op vanaf het eerste optreden van de Westindische Compagnie in Amerika, en eigenlijk zelfs al eerder: vanaf het begin van de strijd tegen Spanje. De verovering van San Salvador aan de Allerheiligenbaai door Jacob Willekens en Piet Heyn in 1624, de bezetting van Porto Rico in 1625, de verovering van de Zilvervloot in 1629,

[p. 239]

de inneming van Olinda in 1630 - al deze feiten komen uitvoerig aan de orde. Het gevolg is, dat de eerste zes boeken van de Mauritias eigenlijk nog niets met Johan Maurits te maken hebben; pas aan het einde van liber vi komt het plan op, hem te benoemen tot gouverneur-generaal van Brazilië. Zodoende is slechts de tweede helft van het epos in de ware zin van het woord een Mauritias. Die begint dan met het aanzoek van de Bewindhebbers der Westindische Compagnie aan Johan Maurits het gouverneur-generaalschap op zich te nemen (zomer 1636) en eindigt op het moment dat deze zowel daar als op de Westkust van Afrika aan het Nederlandse gebied de grootste uitbreiding heeft gegeven die het heeft gekend (1641). Het epos sluit dus op een hoogtepunt; de toenemende moeilijkheden met Heren xix in de laatste jaren van Johan Maurits' bewind en diens terugkeer naar Nederland in 1644 worden buiten beschouwing gelaten.

In de brede historische beschrijving van dit alles meen ik de invloed van Lucanus te mogen onderkennen. Die van Vergilius speelt daar echter voortdurend doorheen. De belangrijkste aansluiting bij de Aeneis is wel de aanwending van het goddelijk-wonderbaarlijke, dat in de Pharsalia niet voorkomt. Plante maakt herhaaldelijk gebruik van Olympische goden en het optreden van Furiën, om aan de gebeurtenissen op aarde een metaphysische achtergrond te geven. Hij is er echter niet in geslaagd deze werkelijk functioneel te maken. Hoewel hij kennelijk bedoelt dat de hemelgoden de Nederlanders begunstigen, terwijl Spanjaarden en Portugezen door de machten der onderwereld worden gesteund, zijn de betrokken episoden toch te schaars in aantal en te incidenteel in de wijze van behandeling, om een essentieel bestanddeel van de fabula te kunnen uitmaken. Uiteindelijk blijven zij goeddeels conventionele ornamentiek. Opmerkelijk is in dit verband, dat zij een grotere plaats innemen in de eerste helft van het epos dan in de tweede, waar Plante gebeurtenissen beschrijft die hij zelf van nabij heeft meegemaakt.

Verder herkent men op allerlei plaatsen rapprochementen en parallellen met episoden uit de Aeneis. Zo wordt in boek ii de Nederlandse vloot op weg naar San Salvador door een zware storm overvallen, die de Spanjaarden over haar hebben afgebeden maar die door Neptunus tot bedaren wordt gebracht; de overeenkomst met de storm, die in Aeneis i door Juno's toedoen de Trojanen teistert en op de kust van Carthago werpt, is onmiskenbaar. Een soortgelijke episode gaat in boek iv vooraf aan de bezetting van Porto Rico door de Nederlanders: ‘Tempestatem Aeolo excitante Neptunus ridet, & pronus adest Classiariorum rebus’,63 zoals het Argumentum vermeldt. Ook in boek vii wordt men aan het begin van Aeneis i herinnerd, als Johan Maurits na het verlaten van de rede van Texel in het Kanaal door een storm wordt overvallen en beschuttting moet zoeken in de haven van Falmouth, waar hij op bevel van de Engelse koning met onderscheiding ontvangen wordt. - Een ander rapprochement - evenals de storm in het Kanaal berustend op reële feiten - levert in boek x de bouw van Mauritsstad bij het Recief van Pernambuco op; wat Johan Maurits hier doet, herinnert onmiddellijk aan de bouw van Carthago door Dido. En evenals in Aeneis iv is ook bij Plante de Faam in dit verband actief, al heeft zij bij hem geen liefdesverbintenis wereldkundig te maken.

[p. 240]

Hoezeer de dichter de aandacht van zijn lezers op het Vergiliaanse karakter, of althans de Vergiliaanse inslag, van zijn epos wenste te vestigen, blijkt - behalve uit het aantal van twaalf boeken - vooral duidelijk uit de aanhef van zijn propositio. De eerste vijf regels daarvan luiden:

 
Bella ducemque cano, primis qui victor ab annis
 
Hesperias invasit opes, ferroque cruento
 
Martia Cantabrici convulsit robora sceptri;
 
Vasta cui tellus, cui panditur orbis in orbe,64
 
Claraque Brasilico surgit victoria regno.65

Men vergelijke daarmee de beginregels van de Aeneis: ‘Arma virumque cano, Troiae qui primus ab oris // Italiam fato profugus Laviniaque venit // Litora ...’. De drie aanvangswoorden van Plante zijn een variatie op die van Vergilius, terwijl de tweede helft van zijn eerste regel met ‘primis ab annis’ in woord- en klankgebruik zo dicht mogelijk aansluit bij ‘primus ab oris’. Verder begint zijn tweede regel evenals bij Vergilius met een geographische naam, zij het dan dat hij geen land aanduidt maar een volk, en een adiectief gebruikt in plaats van een substantief. Plante had de beoogde overeenkomst moeilijk nadrukkelijker kunnen maken.

- Het bovenstaande heeft niet de pretentie méér te zijn dan een vluchtige en zeer voorlopige kenschets van de Mauritias. Een vollediger karakteristiek, gebaseerd op een grondige analyse, valt buiten mijn bevoegdheid. Ik laat die daarom graag over aan een deskundige neo-latinist, in de hoop dat deze niet te lang op zich zal laten wachten. Voor zover ik heb kunnen nagaan, is er tot dusver aan het epos van Plante slechts aandacht besteed als informatiebron voor de feiten uit de Braziliaanse periode van Johan Maurits. Aan de poëtische aspecten en een gefundeerde evaluatie daarvan is de literatuur-historie nog steeds niet toegekomen. Gelukkig begint de studie van het Nederlandse neolatinisme in de laatste jaren geleidelijk van de grond te komen. Wij mogen dus aannemen, dat ook Plante's Mauritias binnen afzienbare tijd bij het onderzoek betrokken zal worden en de plaats toegewezen krijgen die er in de latiniteit van onze 17de eeuw aan toekomt.

Naar mijn voorlopige leken-indruk zal dit geen ereplaats kunnen zijn. Omtrent de qualiteit van Plante's Latijn onthoud ik mij van elk oordeel; ik kan slechts zeggen dat als ‘moeilijk’ te hebben ervaren. Over de compositie van zijn epos durf ik mij echter - zelfs op grond van mijn oppervlakkige verkenning - wat vrijmoediger uitlaten. Die lijkt mij uitgesproken zwak, al was het alleen maar vanwege de veel te lange voorgeschiedenis die de helft van het werk in beslag neemt en daarmee het karakter ervan als epos over Johan Maurits op onaanvaardbare wijze aantast.

Ik heb geen enkele aanwijzing gevonden, dat de Mauritias van Plante enige invloed zou hebben gehad op de ontwikkeling van het Nederlandse epos in de landstaal. Blijkbaar is dit werk buiten de gezichtskring van een wijder pu-

[p. 241]

bliek gebleven. Dat behoeft niet enkel - misschien zelfs niet in de eerste plaats - te worden toegeschreven aan zijn latiniteit. De uiterst luxueuse uitgave (door Johan Maurits bekostigd) moet het boek zó kostbaar hebben gemaakt, dat slechts weinigen zich de aanschaf daarvan konden veroorloven. In verband daarmee zal de oplage ook wel beperkt zijn geweest, en tot een goedkopere herdruk is het nooit gekomen.

§ 5. De ‘vlakte met boom’ (1665-1700)

Na 1665 begint een periode, die op het eerste gezicht veel overeenkomst vertoont met ‘de boomloze vlakte tussen 1615 en 1645’. Ook nu verschijnen er geen nieuwe epen, noch vertaalde noch oorspronkelijke, wat na de productiviteit van de twee voorafgaande decennia des te meer opvalt. De overeenkomst tussen de beide onvruchtbare perioden wordt slechts verbroken door het feit, dat er ditmaal aan het einde van het onderhavige tijdvak tòch nog een epos te vermelden valt. Eer het zover is, gaan er echter meer dan dertig jaren van epische stilte voorbij.

Evenmin als in de dertig jaren tussen 1615 en 1645 is deze stilte het gevolg van gebrek aan belangstelling voor het epos. Die is er wel degelijk. Dat blijkt b.v. uit het herdrukken van episch werk uit de vorige periode. In 1672 werd de Aeneis-vertaling van Westerbaen in het derde deel van diens verzamelde poëzie opnieuw op de markt gebracht. Drie jaar later kwam het tot een nieuwe herdruk (de vijfde) van Vondel's Aeneis-in-proza, als onderdeel van zijn proza-vertaling van de volledige Vergilius. In 1688 werd de Aeneis-vertaling van Dirck Doncker opnieuw aangeboden, weliswaar als titeluitgave, maar nu vermeerderd met de Bucolica en de Georgica, die de dichter inmiddels eveneens ‘met 't zelfde getal der regelen’ in Nederlandse verzen had overgebracht. In 1696 kwam Vondel's Vergilius-in-dichtvorm (en daarmee zijn berijmde Aeneis-vertaling) voor de tweede maal van de pers. In datzelfde jaar werd ook Joannes de Boetgezant, dank zij de goede zorgen van Abraham Bógaert, nogmaals in het licht gegeven. Het jaar daarop verscheen er in de Zuidelijke Nederlanden een Brugse editie van dit epos.

Zoals men ziet, verschenen de meeste van deze herdrukken eerst tegen het einde van de besproken periode. Men mag daaruit echter niet afleiden, dat toen de belangstelling voor het epos na een tijdelijke inzinking weer begon op te leven. Het ligt voor de hand, dat er onmiddellijk na 1665 geen behoefte bestond aan herdrukken. De uitgaven van vóór dat jaar waren toen zeker nog niet uitverkocht. Eerst geleidelijk werden zij - althans voor wat de meest gevraagde betreft - schaars genoeg om een nieuwe oplage te rechtvaardigen.

Veel sprekender dan in deze herdrukken komt de epische belangstelling van deze jaren echter tot uiting in wat ik zou willen noemen ‘de roep om een Paulinade’.

De roep om een Paulinade

In 1671 had Antonides van der Goes in de Voorreden van zijn Ystroom ‘een werkstuk van langer adem’ in uitzicht gesteld, waarover hij meedeelde dat het ‘onder de hand alreets begint te groeien, en waer in de stof geen heidensche fabelen, of andere van diergelijken aert, toelaet’. Al spoedig was onder zijn vrienden en bewonderaars bekend, dat daarmee gedoeld werd op een epos over de Apostel Paulus. In de korte biografie, die de vader van de dich-

[p. 242]

ter - Antoni Jansen of Jansz. - aan de door hem verzorgde posthume uitgave van diens Gedichten toevoegde, wordt er het volgende over gezegd:

het is waer dat hy zich al eenigen tijt van te vooren had bereit tot een werk van langen adem, waeraen hy scheen al zijn overige tijt te willen besteeden, betreffende het leeven van den heiligen Paulus, dien grooten Leeraer der heidenen, 't geen hy in twaelf boeken wilde verdeelen, om te proeven66 hoedanigen Poeëtischen toon men die heilige stof konde toepassen; maer door veele tusschenkomende verhinderingen, wierd eerst het beginzel gestuit; en, eindelijk, wachtende op ryper Jaren en vaster gedachten, om ontrent geene der vereischte noodzaekelijkheeden, in zulk een werk, te missen, verder uitgestelt. [...] altyt vergezelschapt met dat voorneemen, zoo hy de handen mogt ruimer krijgen, het leeven van den Heiligen Paulus, onder den name van Paulinade, uit te brengen. Den ouden Heer Vondel zeide eens, zoetelijk schertzende, na de wijs van spreeken by de Roomsgezinden gebruiklijk, Antonides, gy moet met uwen Paulus voortvaren, gy zult'er veel by verdienen: want hy is een' grooten Heilig.67

Toen in 1714 een derde, vermeerderde druk van Antonides' Gedichten zou verschijnen, schreef David van Hoogstraten daarvoor een uitvoeriger levensbericht, dat goeddeels steunt op de schets van de vader, maar op bepaalde punten wat meer bijzonderheden geeft. Dat is ook het geval ten aanzien van de Paulinade. Van Hoogstraten weet daarover mee te delen:

Ondertusschen was al de werrelt in verwagting dat hy zyn belofte, opentlyk in de Voorreden van zynen Ystroom gedaen, zou nakomen, en een werk van stichtelyke ernsthaftigheit voortbrengen. Dit was het Leven van den Apostel Paulus, dat hy voorhad in heldendicht te begrypen,68 en, op de wyze van Virgilius Eneade, in twaelf boeken te verdeelen. Maer ik weet van goederhant dat daer noit iets van gekomen is, als men uitzondere eenige snikken69 of afgebroke stukken zonder vervolg of schakeling, [...] Ik weet ook uit zijn' eigen mont dat hy dat voornemen geheel verworpen had. Welk als my vremt voorquam, zeide hy my dat hy in het begrip70 van 't werk had bespeurt dat hy niet wel zou kunnen ontgaen het behandelen eeniger punten den Godtsdienst betreffende, waer in de Christenen, in zoo veele sekten verdeelt, onder elkander niet eens zijn, en hem niet luste eenige schampere pennen hier over af te wachten in eenen tydt, waer in men, als men met iets voor den dagh quam, aenstonts wert aengevochten ... [...] het ging met den Paulus van Antonides, als met den Konstantyn van Vondel, die noit te voorschyn gekomen is.71

Bij een zo vurig vereerder van Vondel als Antonides mogen wij veilig aan-

[p. 243]

nemen dat het plan voor een Paulinade, waarmee hij zich al vóór 1671 bezig hield, hem was ingegeven door bewondering voor Joannes de Boetgezant. De jonge dichter voelde zich gedrongen zijn meester te volgen op de nieuwingeslagen weg van het Bijbelse epos. Wat Vondel gedaan had voor de voorloper van Christus, zou hij doen voor de grootste van Diens apostelen: Paulus.

Maar Antonides miste de studiezin, de werkkracht, het doorzettingsvermogen en vooral de religieuse bezieling, die het Vondel mogelijk hadden gemaakt de Joannes te realiseren. Uit de mededelingen van David van Hoogstraten valt niet anders te concluderen dan dat het grote plan nooit tot een serieus begin van uitvoering is gekomen. De moeilijkheden bleken zó groot, dat Antonides erdoor werd afgeschrikt en uiteindelijk van uitstel tot afstel kwam. De reden, die hij daarvoor aan Van Hoogstraten opgaf, draagt te duidelijk het karakter van een verontschuldigende uitvlucht om overtuigend te kunnen zijn.

Maar ‘ondertusschen was al de werrelt in verwagting dat hy zyn belofte zou nakomen’. Dat is in zijn algemeenheid zelfs voor de Nederlandse ‘werrelt’ zeker wel wat te boud gezegd. Maar het gold ongetwijfeld wèl voor de Rotterdamse dichter- en vriendenkring van Joachim Oudaan, waartoe ook David van Hoogstraten behoord had. Oudaan koesterde ernstige bezwaren tegen de heidens-mythologische inslag in Antonides' vroegere werk, ‘al dat beslag van Goden en Godinnen, die de kraem des Ystrooms opschikken’, zoals Van Hoogstraten het uitdrukt.72 Hij hoopte dan ook vurig, dat de jonge dichter zijn gaven zou gaan besteden aan ‘een werk van stichtelyke ernsthaftigheit’, zoals dat een Christen betaamde die ernst maakte met zijn geloof. Met een Paulinade zou niet alleen de vroegere frivoliteit worden goedgemaakt, maar bovendien de door Vondel ingezette traditie van het Bijbel-epos in Protestantse zin worden omgebogen. Antonides, zo zag het Oudaan, was geroepen om de dichter van het geloof te worden.

Hoe sterk deze overtuiging in de Rotterdamse kring leefde en hoe groot de teleurstelling was toen Antonides in 1684 stierf zonder te hebben beantwoord aan de in hem gestelde verwachtingen, blijkt duidelijk uit de Lyk- en Grafdichten die bij zijn dood werden geschreven.73 In vijf daarvan wordt het uitblijven van de Paulinade nadrukkelijk betreurd, en de betrokken dichters behoren allen tot Oudaan's vriendenkring.74 Verreweg het uitvoerigst en met een lichte toon van verwijt75 gaat Oudaan zelf op dit onderwerp in, maar de alge-

[p. 244]

mene stemming vindt men misschien het best weergegeven in het gedachtenisvers van Pieter Rabus:

 
Doorluchte ziel, om hoog gevaren,
 
Wat waar 't een vreugd voor Nederland,
 
Indien men 't lang verwachte pand
 
Van Paulus in uw gulde blaeren
5
Voltooit zag, dat, vergeefs gewacht,
 
Nu in 't vergeten word gebracht!
 
Dat missen we, en met u, 't verlangen
 
Der brave dichtkunst...

Diezelfde Pieter Rabus had al in 1681 zijn ongeduld om Antonides' traagzaamheid niet langer kunnen bedwingen en toen zelf maar een leven van Paulus uitgegeven: De Kruis-held, Ofte het Leven van den Apostel Paulus. Het pretendeert niet een epos te zijn, al vertoont het enige invloed van Vondel's Joannes. Rabus wilde er slechts mee aantonen, hoe rijk en gevarieerd de inhoud van een werkelijke Paulinade zou kunnen zijn. In jeugdige overmoed overschatte hij daarbij zijn dichterlijke vermogens zó zwaar, dat het resultaat een schoolvoorbeeld van onvoldragenheid en stunteligheid werd. Het illustreert echter op treffende wijze wat er in de Rotterdamse kring ten aanzien van het epos aan verlangens en verwachtingen leefde.

Maar niet alleen daar. Meeuwesse heeft erop gewezen, dat ook de Amsterdamse parnassiens uit de kring van Jan Zoet ‘vóór en na 1671 de hoogste verwachtingen koesterden ten aanzien van Antonides' dichterschap’ en hoopten op een ontwikkeling in ethische richting. Eén van hen, Pieter Verhoek, gaf na het verschijnen van De Ystroom ‘duidelijk te verstaan, dat hij ondanks zijn bewondering voor het befaamde stroomdicht toch nog hoopte op een verhevener, van hemelse wijsheid vervulde poëzie’.76 Maar het meest uitgesproken was de aandrang, die in deze zin op Antonides werd uitgeoefend door Jan Luyken, wiens contacten met de kring van Jan Zoet na het onderzoek van Meeuwesse wel als vaststaand mogen worden beschouwd.77 Het is niet de geringste verdienste van Meeuwesse's proefschrift, dat hij daarin de verhouding tussen Luyken en Antonides zo definitief heeft vastgesteld.78 Ook Luyken heeft omstreeks 1670 gehoopt en verwacht, dat Antonides' dichterschap zich verinnerlijken en verdiepen zou. ‘Men zou’ - zo meent Meeuwesse - ‘de veronderstelling kunnen wagen, dat Luykens bewondering voor Van der Goes mede berustte op het feit dat hij kennis droeg van diens verheven plannen’ (nl. die voor een Paulinade). Maar evenals zovele anderen werd ook Luyken door de verdere ontwikkeling van Antonides diep teleurgesteld. Na De Ystroom schreef deze geen verzen van werkelijke betekenis meer, en de Paulinade schoof hij steeds verder van zich af. ‘Met andere woorden: de verinnerlijking van Antonides' dichterschap, waarop Luyken omstreeks 1670 hoopte, zette niet door, althans

[p. 245]

niet in 's mans poëzie’, aldus Meeuwesse. In hoeverre Luyken waardering zou hebben kunnen opbrengen voor de Paulinade, gesteld dat Antonides die inderdaad geschreven had, blijft intussen de vraag. Waarschijnlijk zou hij erdoor teleurgesteld zijn geweest. De beide dichters waren zó verschillend geaard, dat iets anders moeilijk denkbaar is. Ook als Antonides genoeg religieuse bezieling had kunnen opbrengen om zijn epos te voltooien, zou Luyken daarin toch de mystieke diepgang hebben gemist die voor hem essentieel was. Hij zou misschien erkentelijk zijn geweest, maar stellig niet voldaan.

De roep om een Paulinade - rechtstreeks zowel als indirect - bleef onbeantwoord en werd na de dood van Antonides een roep in de woestijn. Toch heeft hij voor de ontwikkeling van het Nederlandse epos zijn betekenis gehad. Het verlangen naar een aequivalent van de Joannes werd erdoor wakker gehouden en gestimuleerd. Bovendien werd het op een concreet object gericht. Men zag niet uit naar een Bijbels epos in het algemeen, maar naar een Leven van Paulus. Het is dan ook niet verwonderlijk, dat de reeks Bijbel-epen van de 18de eeuw zou worden ingezet met een Paulinade.

Het epos van Rotgans

Daarnaast groeide in de laatste decennia van de 17de eeuw ook de belangstelling voor het profane epos, al was die niet uitgesproken genoeg om een ‘roep’ te kunnen worden genoemd. De ‘Wonderen Des Alderhoogsten Vitgevoerd In, onder en door [...] Willem de Derde’ - zoals de titel van een contemporain pamflet luidt -, en met name diens tocht naar Engeland in 1688, vroegen als het ware om epische verwerking. In de talloze lof-, vreugdeen triomfzangen, die daaraan werden gewijd, wordt steeds meer een ‘heldentoon’ geaccentueerd, die aan het epos ontleend is en daarnaar verwijst. Ook ditmaal was het Pieter Rabus, die de duidelijkste illustratie leverde van wat er aan de hand was. In 1689 schreef hij, naar aanleiding van de kroning van Willem iii en Maria tot koning en koningin van Engeland, zijn Verlost Britanje: een uitvoerig gedicht van meer dan 2000 regels over het verloop van de Glorious revolution, met Willem iii als stralend middelpunt. Het heeft verschillende structuur-elementen van het epos, maar is in zijn compositie te kroniekmatig en rechtlijnig om er zelf een te mogen heten. Het blijft bij een laudatief geschiedverhaal dat in het algemeen niet onverdienstelijk verteld wordt, maar zonder originaliteit en met een versificatorisch dieptepunt aan het slot.

Op een epos over Willem iii behoefden de Nederlanders echter - anders dan op dat over Paulus - niet te wachten tot de 18de eeuw. In 1698 verscheen het eerste deel van Lucas Rotgans' Wilhem de Derde, in 1700 gevolgd door het tweede. Hier hebben wij niet te doen met een werk, dat bepaalde trekken met het epos gemeen heeft en er daarom op lijkt. Het is er een, en het wordt door de auteur ook uitdrukkelijk als zodanig aangekondigd. Maar het wijkt op een belangrijk punt af van de epische traditie en de epische voorschriften. De stof is ontleend aan de contemporaine geschiedenis en de held is een nog levende vorst. Dat bracht voor Rotgans allerlei complicaties mee, die doen uitkomen dat de regels van de poëtica niet arbitrair waren vastgesteld en wel degelijk zin hadden. De dichter heeft deze moeilijkheden weten te ondervangen op een manier die zeker waardering verdient, al bleef zijn werk te zeer verwant aan de lof- en triomfzangen waaruit het in zekere zin was voortgekomen, om als epos helemaal te voldoen. Het zwakste punt in de Wilhem is echter het gevolg van een ‘afwijking’, die niet met het contemporaine onderwerp sa-

[p. 246]

menhangt. Rotgans deelde de opvatting van Boileau dat het gebruik van een merveilleux chrétien voor Christelijke dichters ontoelaatbaar was, omdat het betrekken van God bij hun intriges tekort deed aan Diens majesteit en aan de heiligheid van het geloof. Op een heel enkele uitzondering na houdt hij zich in de Wilhem daar ook aan. Maar dat maakte het hem onmogelijk op overtuigende wijze gestalte te geven aan de centrale idee van zijn epos: dat Godzelf Willem geroepen en geleid had, om door hem West-Europa te redden van Franse overheersing en Roomse gewetensdwang. Zonder het merveilleux chrétien kon dit niet uitgebeeld worden, alleen maar gezègd. En dat was niet voldoende om het dominerende motief te vormen, dat structureel de eenheid van handeling veilig had kunnen stellen.

Desondanks is Wilhem de DerdeJoannes de Boetgezant het eerste Nederlandse epos van betekenis, dat de zeventiende eeuw heeft opgeleverd. En het feit dat het door zijn contemporaine stof afwijkt van de gangbare theorie omtrent het genre zou niet nalaten mede de ontwikkeling van het niet-Bijbelse epos na de eeuw-wisseling te beïnvloeden.

§ 6. Van het bos naar de bomen

In de bovenstaande paragrafen heb ik een overzicht gegeven van het ‘bos’, zoals zich dat tussen 1550 en 1700 in zijn totaliteit aan ons voordoet. Daarbij heb ik getracht in de epische activiteit van deze periode zo goed mogelijk de samenhang en de continuïteit tot hun recht te doen komen. Verder heb ik bijzondere aandacht besteed aan wat men ‘de open plekken in het bos’ zou kunnen noemen. Het ging erom, duidelijk te doen uitkomen dat ook deze voor de geschiedenis van het Nederlandse epos hun betekenis hebben gehad: enerzijds omdat er daarin ‘ondergronds’ wel degelijk wat gebeurde, anderzijds omdat het uitblijven van bepaalde publikaties - de Constantinade van Vondel en de Paulinade van Antonides - de ontwikkeling van het genre evenzeer heeft beïnvloed als het wèl verschijnen van andere (Vondel's proza-vertaling van de Aeneis, zijn Joannes, Rotgans' Wilhem de Derde).

De volgende hoofdstukken zullen nu worden gewijd aan een nadere beschouwing van de afzonderlijke ‘bomen’. Het zal onvermijdelijk zijn daarbij meer dan eens iets te herhalen, dat in mijn overzicht al aan de orde geweest is. De interdependentie tussen het geheel en zijn onderdelen is te groot dan dat dit zou kunnen worden voorkomen. Ik kan niet over de bomen spreken zonder daarbij hun plaats in het bos te betrekken, zoals ik - omgekeerd - mijn overzicht van het bos niet heb kunnen geven zonder al iets te zeggen over de aard en de qualiteit van de bomen. Dergelijke herhalingen behoeven echter niet zonder meer als een bezwaar te worden beschouwd. Het gaat wel om dezelfde punten, maar vanuit een andere gezichtshoek benaderd. Daardoor kan de herhaling vaak tevens een aanvulling of verduidelijking zijn die zichzelf, naar ik hoop, rechtvaardigt.