Monumenten in Nederland. Overijssel


auteur: Ronald Stenvert, Chris Kolman, Ben Olde Meierink, Ben Kooij, Jan ten Hove en Marieke Knuijt


bron: Ronald Stenvert, Chris Kolman, Ben Olde Meierink, Jan ten Hove, Marieke Knuijt en Ben Kooij, Monumenten in Nederland. Overijssel. Rijksdienst voor de Monumentenzorg, Zeist / Waanders Uitgevers, Zwolle 1998


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

Zwolle

Hoofdstad van de provincie, ontstaan op dekzand dat is afgezet op een uitloper van de Noord-Veluwse stuwwal. In de 8ste en 9de eeuw moeten er bewoningskernen zijn geweest bij de huidige Grote kerk (Middelwijk) en buiten de huidige Sassenpoort (Assendorp). Uit het in 1040 voor het eerst vermelde Middelwijk ontwikkelde zich een hoofdnederzetting van

[p. 283]



illustratie

Zwolle, Stadhuis met laat-gotische natuurstenen gevel (circa 1730)


het markegebied Suolla. Zwolle kreeg in 1230 stadsrechten en kwam tot ontwikkeling langs de Grote Aa (tracé Melkmarkt, Oude Vismarkt, Gasthuisplein). Een grote stadsbrand in 1324 legde waarschijnlijk vrijwel de gehele stad in de as. Bij het herstel werd ook een stenen ommuring opgetrokken. Belangrijk voor de structuur van de stad waren de uitvalswegen naar Assendorp (Sassenstraat), Kampen (Voorstraat) en Dieze (Diezerstraat). Parallel aan die straten en de Grote Aa (Melkmarkt) werden in de 14de eeuw in het noorden de Nieuwstraat en in het zuiden de Kamperstraat aangelegd.

In de stad werden vanaf het begin van de 14de eeuw verschillende kerken, kloosters en conventen gesticht, zoals het Bethlehemklooster (1309), het convent of fraterhuis van de broeders des Gemenen Levens (1384), het Geertruidsconvent van de zusters des Gemenen Levens (1390) en de O.L. Vrouwekerk (1394). Nabij de stad lagen in de late middeleeuwen nog twee kloosters van de Moderne Devotie, dat op de Agnietenberg (gesloopt) en dat te Windesheim (grotendeels gesloopt).

Het open terrein ten zuiden van de Grote Kerk was in de 15de eeuw op zijn minst gedeeltelijk in gebruik als markt. Aan de oostzijde lag het stadhuis met het Wijnhuis en de Raadhuistoren (1448) en de stadsschool (vernieuwd in 1445). Waarschijnlijk midden 15de eeuw richtte men op een overkluizing van de Grote Aa een nieuwe markt in, de Grote Markt. Dit vormde de aanleiding voor de bouw van een groot noordportaal bij de kerk (circa 1464).

Bij de laatste middeleeuwse stadsuitleg trok men een smalle strook ten noorden van de Kleine Aa bij de stad. Door deze uitleg, waarvan de ommuring tussen 1473 en 1496 werd opgetrokken, kwam het in 1465 buiten de muren gestichte dominicaner- of Broederklooster binnen de stad te liggen. Omstreeks 1500 had de stad enkele waterpoorten en vijf landpoorten, waarvan alleen de Sassenpoort nog goed behouden is. Na het beleg van de stad in 1524 door hertog Karel van Gelre koppelde men de Luttekepoort in 1531 aan een nieuwe zware ronde Kruittoren, ook wel de Gelderse toren geheten. Langs de zuidzijde had de stad een dubbele stadsmuur.

In de stad was er veel handel in agrarische producten. Veeteelt en de handel in vee boden ook werk aan leerbewerkers en schoenmakers. Verder was de linnenweverij belangrijk. In het begin van de 14de eeuw werden er al vijf jaarmarkten gehouden. Zwolle ontwikkelde zich in de middeleeuwen tot een centrum in de doorvoerhandel en onderhield goede contacten met de Duitse Hanze, waarin het vanaf 1407 formeel was opgenomen. De Hessenweg was ook belangrijk voor de handelscontacten met de steden in Noord-Duitsland. In 1438 wist Zwolle zijn positie als stapelplaats voor de handel over de Vecht veilig te stellen. Door dat stapelrecht had Zwolle tot in de 17de eeuw een belangrijke plaats in de handel in Bentheimer zandsteen. Vanuit de stad bereikte men de Vecht via het Zwarte Water. Bij de uitmonding van de Grote Aa in het Zwarte Water lag sinds 1437 een handelsterrein met stadskraan (nu Rodetorenplein). De brede kaden langs de Grote Aa (Melkmarkt) waren eveneens als haven in gebruik. Een poging in 1480 om de stad door een vaarwater met de IJssel te verbinden mislukte, vooral omdat Kampen tegenwerkte. Omstreeks 1495 verkortte de route naar de Vecht door het graven van de Nieuwe Vecht. Begin 17de eeuw moderniseerde men de vestingwerken door aarden wallen en zes bastions aan te leggen. Grote delen van de stadsmuur in het zuidelijke deel van de stad werden geslecht; langs het oude tracé verrezen huizen aan de Koestraat. Voor de Sassenpoort legde men een hoornwerk aan, hetgeen nog herkenbaar is in het beloop van de Karnebeekstraat, de Zuiderkerkstraat en de Zeven Alleetjes. In 1606-'19 werd een gebied ten noorden van de oude stad omgracht en voorzien van vijf bastions. Dit Noordereiland was vooral belangrijk voor scheepvaart en nijverheid. De sloop van diverse gebouwen van het Bethlehemklooster deed in 1645 de Botermarkt (nu Nieuwe Markt) ontstaan.

In de tweede helft van de 17de eeuw werd de positie van Zwolle als streekcentrum versterkt, mede doordat Deventer terugviel. In de handel tussen Amsterdam en Duitsland bleef de stad een rol spelen. De nijverheid bloeide in de 18de eeuw dankzij de zout- en zeepziederijen en de verwerking van suiker, tabak en koffie. Langs de Voorstraat, de Kamperstraat en de Koestraat kwamen imposante stadshuizen tot stand.

Na in de Bataafse Republiek en het Koninkrijk Holland eerst als hoofdstad

[p. 284]



illustratie

Zwolle, Binnenstad met singel


van het Departement van de Oude IJssel te hebben gediend, werd Zwolle bij de bestuurlijke herindeling van 1811 formeel hoofdstad van Overijssel. Dit leidde onder meer tot de bouw van het Paleis van Justitie (1841) aan de Blijmarkt en de Provinciale Griffie (1874) aan de Diezerstraat. De stedelijke elite, waaronder nu ook veel hoge ambtenaren waren, liet ruime behuizingen bouwen. Het vroege opheffen van de vesting - in 1790 - maakte een geleidelijke transformatie van de vestinggordel mogelijk. De sloop begon in 1810 met de Luttekepoort en de Nieuwe Kruittoren. Vanaf 1828 pakte men de sloop en herinrichting systematischer aan en men voltooide deze omstreeks 1840. Op de voormalige wallen en bolwerken werden plantsoenen en wandelpaden aangelegd en later ook woningen en herenhuizen (Eekwalbolwerk, Potgieterssingel, Van Nahuysplein, Ter Pelkwijkpark).

In 1819 kwam de Willemsvaart tot stand, de reeds lang gewenste verbinding met de IJssel. Hierdoor ontwikkelden de Eekwal en de Jufferenwal zich als havengebied. Met de bouw van de Nieuwe Havenbrug in 1875 en de Schuttevaerbrug (Dijkstraat) in 1876 werden respectievelijk het westelijke en het noordelijke stadsgedeelte beter ontsloten. Na een hevige cholera-epidemie overkluisde men tussen 1857 en 1861 de Grote en de Kleine Aa. De Melkmarkt kreeg toen zijn huidige vorm; de oude haven aan het begin van het Zwarte Water werd in 1888 gedempt en veranderd in het Rodetorenplein. De belangrijkste ingreep in oude binnenstad was de sloop in 1867 van het Wijnhuis, de Raadhuistoren en de Latijnse school voor de bouw van de Brouwersschool (gesloopt in 1936).

Door het ruimen van het Grote Kerkhof ontstond ten zuiden van de kerk het Grote Kerksplein.

In 1865 kreeg Zwolle spoorverbindingen met Utrecht en Kampen en vervolgens met Meppel (1866), Deventer (1867), Almelo (1880), Apeldoorn (1888; inmiddels opgeheven) en Ommen (1903), waardoor de stad een belangrijk spoorwegknooppunt werd. Daarnaast waren er tramverbindingen naar het Katerveer (1885), Hardenberg (1895), Nunspeet (Zuiderzeetram, 1908) en Blokzijl (1914); deze lijnen werden in de jaren dertig opgeheven. Het in 1868 voltooide spoorwegstation lag op enige afstand van de oude binnenstad. In het gebied tussen station en stadsgracht (de Weezenlanden) verrezen monumentale herenhuizen en villa's met grote tuinen (Burgemeester Van Roijensingel, Stationsweg). De, inmiddels door verbouwingen totaal gewijzigde, Buitensociëteit was belangrijk voor het uitgaansleven.

[p. 285]



illustratie

Zwolle, Binnenstad
1Grote of St.-Michaëlskerk (zie p. 286)
2(Herv.) Bethlehemkerk (p. 288)
3R.K. kerk O.L.V. Hemelvaart (p. 288)
4convent Broeders des Gemenen Levens (p. 290)
5Broerenkerk en -klooster (p. 291)
6Waals-Hervormde kerk (p. 292)
7Doopsgez. kerk (p. 292)
8Luth. kerk (p. 292)
9R.K. St.-Michaëlkerk (p. 292)
10Plantagekerk (Geref. Vrijgem.) (p. 292)
11Doleantie- of Oosterkerk (p. 292)
12Synagoge (p. 292)
13Dominicanenklooster (p. 293)
14(Geref.) Zuiderkerk (p. 293)
15(Chr. Geref.) Noorderkerk (p. 293)
16Heilige Geestgasthuis (p. 293)
17Emmanuelshuizen (p. 293)
18Vrouwenhuis (p. 294)
19R.K. verenigingsgebouw (p. 294)
20Sassenpoort (p. 294)
21Wijndragerstoren (p. 294)
22Pelsertoren (p. 295)
23Stadhuis (p. 295)
24Vleeshuis (p. 296)
25Huis van Bewaring (p. 296)
26Paleis van Justitie (p. 296)
27Stadsschouwburg Odeon (p. 296)
28Provinciale Griffie (p. 297)
29Postkantoor (p. 297)
30Rijks Hogere Burgerschool (p. 298)
31Ambachtschool (p. 298)
32Hof van Ittersum (p. 299)
33De Wheeme (p. 299)
34Hof van Suythem (p. 300)
35Drostenhuis/Stedelijk Museum (p. 300)
36sociëteit De Harmonie (p. 306)
37kantoor N.V. IJsselcentrale (p. 306)
38Hopmanshuis (p. 306)
39Badhuis (p. 307)
40bioscoop De Kroon (p. 308)
41Sassenpoortbrug (p. 308)


[p. 286]

Zwolle was vanouds een drukkersstad en de grafische industrie kwam hier dan ook tot volle ontwikkeling met de drukkerijen Tijl (1777), Waanders (1836), Tjeenk Willink (1838) en Tulp (1869). Vanaf het midden van de 19de eeuw kwamen daar ijzergieterijen bij, zoals De Nijverheid (1851) van G.J. Wispelwey en Sallandia (1854). Op het Noordereiland en bij het Rodetorenplein vestigden zich verschillende fabrieken. Zeer belangrijk was de komst in 1870 van de Centrale Werkplaats van de Staatsspoor (gesloten in 1938), hetgeen leidde tot een forse uitbreiding van Assendorp. Het toenemend belang van de Zwolse veemarkt leidde in 1880 tot de verhuizing van de Ossenmarkt naar de Harm Smeengekade en vervolgens in 1931 naar de Veemarkt (tegenwoordig de IJsselhallen).

In het eerste kwart van de 20ste eeuw kwamen de wijken Veerallee, Zeeheldenbuurt, Pierik en Wipstrik tot stand. In 1949 maakten W.M. Dudok en A. Kraayenhagen een plan voor uitbreiding van de stad naar het noorden en ten zuiden van de spoorlijn. Uiteindelijk zou een plan van S.J. van Embden uit 1956 de basis vormen voor de wijken Holtenbroek en de Aa-landen (1965). Langs het Zwarte Water kwamen industrieterreinen, ontsloten door het in 1964 voltooide Zwolle-IJsselkanaal. De hierdoor in belang verminderde Willemsvaart werd kort daarop deels gedempt. Door de bouw van de brug over het Zwarte Water kon een rondweg rond de binnenstad worden voltooid. Ten zuiden van het spoor kwam na de aanwijzing tot groeistad in 1976 Zwolle-Zuid tot ontwikkeling.

Het noordelijke deel van de binnenstad was na de Tweede Wereldoorlog in verval geraakt door het verminderde belang van kleine ambachtelijke bedrijven. In de jaren zestig begon hier een grootscheepse sanering, met name aan de Waterstraat en de Nieuwstraat en in de omgeving van het Broerenklooster. In 1965 viel aan de Nieuwstraat ook de 19de-eeuwse R.K. St.-Michaëlskerk, met zijn markante toren, onder de slopershamer. In combinatie met deze sanering werden aan de Buitenkant, Aan de Stadsmuur en de Pletterstraat grote stukken van de laat-15de-eeuwse stadsmuur in het zicht gebracht en gereconstrueerd. Tussen

illustratie

Zwolle, Grote of St.-Michaëlskerk, plattegrond


Broerenkerkplein en Nieuwstraat verrees een modern winkelcentrum, maar de Diezerstraat heeft zich als belangrijkste winkelstraat weten te handhaven. In 1975 voltooide men een groot project van aangepaste nieuwbouw aan Nieuwstraat en Waterstraat.

Voor het gebied ten zuidoosten van het Grote Kerkplein was de uitbreiding van het stadhuis in 1973-'76 belangrijk. Diverse middeleeuwse gebouwen werden hiervoor gesloopt, zoals delen van het fraterhuis van de broeders des Gemenen Levens. Andere gebouwen van dat complex en veel panden in de directe omgeving werden evenwel gerestaureerd.

De (Herv.) Grote of St.-Michaëlskerk (Grote Markt 18) [1] is een grote driebeukige hallenkerk met driezijdig gesloten koorbeuken, een groot noordportaal en aan de westzijde een aangebouwde achtzijdige consistoriekamer. De eerste vermelding van de kerk dateert uit 1040. Vanaf omstreeks 1370 kwam de huidige hallenkerk tot stand, opgetrokken in baksteen met een tufstenen buitenbekleding. Men begon met de bouw van de koorpartij, bestaande uit drie koren; het middenkoor was aan St. Michaël gewijd, het noordelijke aan Maria en het zuidelijke aan St. Pieter. Dat laatste koor is, hoogstwaarschijnlijk wegens ruimtegebrek bij de bouw, een vak korter dan de beide andere. De vier westelijke traveeën van de kerk hebben een afwijkende, smallere maat dan de drie oostelijke; oorzaak is waarschijnlijk een wijziging van de bouwplannen. Ondanks mogelijke bouwpauzes en de toepassing van verschillende natuursteensoorten (tufsteen, Bentheimer zandsteen) heeft men in de detaillering van pijlers, colonnetten, bogen en gewelfribben wel volgens de oorspronkelijke opzet verder gewerkt. In 1406 werd aan de westzijde het fundament gelegd voor een nieuwe en zeer hoge toren, die in 1443 gereed kwam. Het werk aan het schip zal men rond 1452 hebben afgerond.

Omstreeks 1464 werd het rijk uitgevoerde laat-gotische noordportaal toegevoegd, beneden geheel opgetrokken in Bentheimer zandsteen en boven in baksteen met decoratieve Bentheimer blokken en afgesloten met een opengewerkte natuurstenen balustrade. Het portaalgewelf is nooit voltooid. De wijde spitsboog van de oorspronkelijke kerkingang, met boven de deur een reliëf met twee engelen die het stadswapen vasthouden, is bewaard gebleven. Tegen de oostzijde van het portaal staat een zeszijdige traptoren met uivormige bekroning. De verdieping van het portaal was mogelijk bedoeld als librije of kerkmeesterskamer, maar deze ruimte is nooit geheel afgewerkt. In het begin van de 16de eeuw kwamen nog enkele aanbouwen tot stand. Die tussen de sluiting van het zuiderkoor en het middenkoor had oorspronkelijk een verdieping. De huidige balustrade en de stergewelven in het interieur dateren

[p. 287]



illustratie

Zwolle, Grote of St.-Michaëlskerk


van de 19de-eeuwse kerkrestauratie. De aanbouw tegen de zuidmuur van het koor is inwendig voorzien van kruisgewelven. De kerkkappen zijn in 1548 als gevolg van een blikseminslag verbrand en daarna vernieuwd.

De 15de-eeuwse toren van de kerk - in die tijd een van de hoogste in de Noordelijke Nederlanden - trok het noodlot aan. Na blikseminslagen in 1548, 1606 en 1669 stortte het ernstig verzwakte bouwwerk uiteindelijk in 1682 in delen neer. Daarbij liep de kerk ook schade op; het muurwerk aan de westzijde en de bekapping aldaar moest worden vernieuwd. De twee meest westelijke zijbeuktraveeën aan weerszijden van de toren werden niet herbouwd. Op de plaats van de toren bouwde men in 1686-'88 een grote achtzijdige consistoriekamer.

Het driezijdig gesloten, zandstenen zuidportaal - vroeger de toegang naar het kerkhof - kwam in 1719-'20 tot stand en was een schepping van L. Hagen. Het noordportaal kreeg in die tijd een nieuwe zandstenen doorgang. De kerk onderging een ingrijpende restauratie in 1882-'96, uitgevoerd door de Zwolse architect F.C. Koch naar plannen en onder toezicht van P.J.H. Cuypers en L.C. Hezenmans. De tufstenen buitenbekleding werd nagenoeg volledig vernieuwd. Bij het noordportaal kreeg de balustrade weer pinakels en herrees de verdwenen ingesnoerde spits. Het daarop geplaatste St.-Michaëlsbeeld maakte in 1931 plaats voor het huidige koperen exemplaar. Een tweede kerkrestauratie werd in 1996 voltooid.

In het wit gepleisterde interieur zijn de beuken gedekt met kruisribgewelven op pijlers en colonnetten, de koorsluitingen met straalgewelven. De decoratieve gewelfschilderingen met rank- en bloemmotieven dateren oorspronkelijk vermoedelijk uit de tweede helft van de 15de eeuw, maar zijn bij latere herstellingen en vooral bij de 19de-eeuwse restauratie zo goed als geheel vernieuwd. In het middenkoor is het stadswapen met St. Michaël zichtbaar en in het O.L. Vrouwekoor het stadswapen met het jaartal 1707. Op de wanden en pijlers zitten enkele zeer beschadigde schilderingen uit de eerste helft van de 15de eeuw, onder andere van een bisschop en een martelaar (O.L. Vrouwekoor), Jezus tussen twee beulsknechten (Pieterskoor) en een vrouwelijke heilige (Pieterskoor). Achter de preekstoel bevindt zich een kruisigingsvoorstelling (15de eeuw) en in de aanbouw van het Pieterskoor zijn resten van figuren met spreukbanden en een kruisdragingsscène bewaard gebleven (circa 1500).

Van een voorganger van de huidige kerk resteert mogelijk de in de buitenmuur van het middenkoor ingemetselde romaanse, rode zandstenen boogvulling met in reliëf een voorstelling van zielen in Abrahams schoot. In het Pieterskoor bevindt zich een uit circa 1425 daterend epitaaf met in reliëf een kruisigingsscène en in het O.L. Vrouwekoor een epitaaf voor Cornelis van Meckeren (†1584). Verspreid in de kerk liggen diverse oude grafzerken - in het algemeen niet op hun oorspronkelijke plek - waaronder die van schilder Gerard ter Borch (†1681).

Het eikenhouten koorhek in maniëristische stijl werd in 1597 gemaakt door Sweer Kistemaker, met koperwerk van Geert Sweelinck. De weelderig gesneden eikenhouten preekstoel met klankbord, voorzien van een hoge torenachtige opbouw, werd in 1617-'22 gemaakt door Adam Straes uit Weilburg (D.). De preekstoel heeft een rococo-lezenaar en twee geelkoperen blakers. Een geelkoperen kaarsenkroon uit 1636 is gebruikt als voorbeeld voor de andere kronen, die dateren van de 19de-eeuwse restauratie. Verder is er nog een geelkoperen kaarsenkroon uit 1654 van Elias Eliasz. Vliet. Het uurwerk boven de gotische doorgang met 17de-eeuwse deur in de noordwand dateert uit 1683. Het barokke orgel is gebouwd in 1719-'21 door de broers Johan Jurgen en Frans Caspar Schnitger en heeft een orgelkast door Jurriaan Westerman. Het orgel is diverse keren

illustratie

Zwolle, Grote of St.-Michaëlskerk, interieur consistoriekamer (1971)


[p. 288]

gerestaureerd. Het snijwerk van de orgelgalerij is van de hand van Hermannus van der Borg; hij sneed ook de bovenlichten van de deuren van het noord- en het zuidportaal (1720) en twee deuren naar het koor (1722). Verder zijn er nog twee eiken ridderschapsbanken met luifels, waarvan een met rococo-ornamentering (beide derde kwart 18de eeuw). Het grotendeels uit circa 1880 daterende doophek bevat onderdelen uit de eerste helft van de 17de eeuw en is voorzien van een geelkoperen voorzangerslezenaar. Vanuit het middenschip geeft een zandstenen trap toegang tot de consistorie- of kerkeraadskamer uit 1686-'88. De houten balustraden van de trap (1726) en de deuren met bovendeurstuk van de consistoriekamer (circa 1728) zijn gesneden door Berend Tigler. De wanden van de consistoriekamer worden geleed door toscaanse hoekpilasters, geschilderd als geaderd wit marmer. Het stucplafond met verdiept houten middenvak, versierd met adelaar en stadswapen, werd in 1726 gemaakt door stucadoor Lorenz Burchard en beeldhouwer Berend Tigler. Verder bevat het interieur wandkasten met gesneden deuren, een verguld houten kroonluchter (1731) en een schouw met schilderstuk uit 1691 - de Zwolse predikanten door Hendrik ten Oever. Latijnse opschriften memoreren de bouw (1688) en de renovatie van het interieur in 1898.

Ter linkerzijde van het noordportaal staat de voorm. Hoofdwacht (Grote Markt 20), gebouwd in 1614 ter plaatse van de oude sacristie. Het ontwerp in maniëristische stijl wordt wel toegeschreven aan de Kamper landmeter Thomas Berendsz. De pronkgevel heeft gebeeldhouwde ionische pilasters, zware klauwstukken, een doorbroken driehoekig fronton en als bekroning het stadswapen. De twee rondboogdeuren gaven oorspronkelijk toegang tot de lokalen voor het garnizoen en de burgerwacht. Bij de restauratie in 1887, onder leiding van P.J.H. Cuypers, zijn de zandstenen kruiskozijnen teruggebracht. Ter rechterzijde van het noordportaal staat het uit 1889 daterende catechisatiegebouw (Grote Markt 18a), ontworpen door F.C. Koch in neogotische- en neorenaissance-vormen. Het in rode verblendsteen en natuursteen opgetrokken gebouw heeft een opengewerkte balustrade en Vlaamse gevels.

De (Herv.) Betlehemkerk (Bethlehemkerkplein 35) [2] is een tweebeukige hallenkerk, waarvan de noordbeuk is voorzien van een driezijdig gesloten koor. Oorspronkelijk was het de kapel van het omstreeks 1309 door Bernardus van Vollenhove gestichte klooster, dat was onderworpen aan het klooster Betlehem bij Doetinchem. Het tweebeukige schip kwam in het midden van de 14de eeuw tot stand als een eerste vergroting van de oorspronkelijke kapel. De brede hoofdbeuk heeft nog de kapconstructie uit de bouwtijd. Een blijkens dichtgemaakte scheibogen geplande noordbeuk kwam nooit tot stand. Tussen 1411 en 1430 kreeg de kerk een nieuw koor; restanten van de kapel uit 1309 zijn in de noordmuur bewaard gebleven. De zuidbeuk werd later in de richting van het koor verlengd. De vierkante trapkoker op de zuidoosthoek leidde ook naar de verdiepingen van een aansluitende, verdwenen kloostervleugel. De blinde sluitmuur van het zijkoor toont dichtgemetselde doorgangen naar die vleugel. In het muurwerk van de kerk zijn kortelinggaten voor het steigerwerk zichtbaar. De oorspronkelijke vensterharnassen werden in 1846 vervangen door gietijzeren ramen. Aan de buitenzijde van de zuidmuur zitten drie natuurstenen reliëfs, waaronder een romaanse latei in rode zandsteen die naderhand is voorzien van een (sterk verweerde) Nood Gods.

Het interieur van de in 1980-'83 gerestaureerde kerk wordt gedekt door stenen kruisribgewelven; die van het schip zijn pas omstreeks 1535 aangebracht. Tussen de beuken rusten de gewelven op ronde zuilen met lijstkapitelen en bij de wanden op korte colonnetten met stucwerkconsoles die zijn voorzien van maskers in renaissance-vormen. Bij de restauratie zijn muurschilderingen ontdekt uit de 14de tot en met de 16de eeuw. Zichtbaar zijn onder meer staties uit de kruisweg. De met florale en ornamentele motieven beschilderde koorgewelven dateren uit de 14de en 15de eeuw. Tot de inventaris behoren een preekstoel uit 1641, vervaardigd door Berent Albertsz, met vroeg-20ste-eeuws klankbord en ijzeren lezenaar, en verder een herengestoelte uit 1773-'74, afkomstig uit de Broerenkerk, en een vermoedelijk 19de-eeuws eikenhouten doophek. Het orgel werd in 1826 door G.H. Quellhorst en C.F.A. Naber gemaakt, voltooid door J.C. Scheuer en in 1982 door de firma Flentrop gerestaureerd. De kerk bevat grafzerken, meest 16de- en 17de-eeuws, waaronder diverse van de familie Van Ittersum.

Van de kloostergebouwen, grotendeels afgebroken in 1644-'55, resteert het Reventer of de refter (Bethlehemkerkplein). Bij een restauratie in 1915-'17 heeft men het gebouw zo goed als geheel nieuw beklampt en reconstrueerde de vensters grotendeels; de zuidvleugel langs de Sassenstraat is toen toegevoegd. Het L-vormige oude complex, met in de binnenhoek een traptoren, is aan het eind van de 15de en het begin van de 16de eeuw tot stand gekomen. De kelders hebben deels ribloze kruisgewelven en deels troggewelven op gordelbogen. Bij de restauratie zijn de samengestelde balklagen vernieuwd; de jukken van de kapconstructies zijn nog wel oorspronkelijk. Een ander pand dat tot het klooster zal hebben behoord is het dwarse pand Nieuwe Markt 4, met zadeldak tussen tuitgevels. De westelijke zijgevel toont dichtgemaakte doorgangen. Bij een verbouwing omstreeks 1720 kreeg het pand een monumentale voorgevel met geblokte hoekpilasters en in het midden een houten deur- en vensteromlijsting. Het interieur bevat een gang met deuromlijstingen en stucwerk in Lodwijk XVI-vormen.

De R.K. kerk O.L. Vrouwe Hemelvaart (Ossenmarkt 10) [3] is een laat-gotische eenbeukige kruiskerk met driezijdig gesloten koor en een hoge westtoren met lantaarn. De bouw van het koor begon in 1394 en vorderde omstreeks 1399 zover dat het kon worden gewijd. Het transept en de meest oostelijke travee van het schip voltooide men omstreeks 1417. De overige schiptraveeën kwamen in 1452 gereed - wellicht onder leiding van Berend van Covelens - met uitzondering van de gewelven die kort daarop geslagen zullen zijn. De muurdikte van schip is bijna het dubbele van die van het koor; aan de binnenzijde zijn de muren voorzien van diepe wandnissen en aan de buitenzijde van zware steunberen. De kapconstructie met

[p. 289]



illustratie

Zwolle, R.K. kerk O.L. Vrouwe Hemelvaart, plattegrond


gestapelde jukken dateert uit de bouwtijd. Het interieur werd verder afgewerkt in de periode 1455-'85. Van 1591 tot 1809 was de kerk in protestantse handen. In 1871 plaatste men tegen het koor een sacristie en andere dienstruimten en in 1887-'89 kreeg het schip zijbeuken. Bij de restauratie van 1970-'80, uitgevoerd naar plannen van Th.G. Verlaan en G. Nijhof, verdwenen die zijbeuken weer, wat het unieke eenbeukige karakter van deze grote middeleeuwse stadskerk herstelde. De venstertraceringen van de hoge en zeer smalle kerkvensters dateren van de restauratie.

Het interieur van de kerk wordt overspannen door kruisribgewelven, waarbij de gordelbogen en de ribben rusten op kraagstenen met gebeeldhouwde koppen. De wanden van het schip zijn voorzien van wandnissen, die worden omlijst door de muurpijlers en een geprofileerde spitsboog. De volledig open doorgang van het torenportaal naar het schip heeft men aan het eind van de 19de eeuw afgesloten met een neogotische galerij met kruisribgewelven op middenzuilen. De oudste inventarisstukken zijn enkele 17de-eeuwse schilderijen, een laatgotisch gesneden madonnabeeld en een beeld van St. Franciscus, gemaakt door Arnt van Zwolle in 1547; de beelden hebben een nieuwe polychromie. Het kerkinterieur heeft een (gerestaureerde) neogotische polychromie en inrichting uit de jaren zeventig van de 19de eeuw, grotendeels ontworpen en uitgevoerd door F.W. Mengelberg. Uit zijn atelier komen onder meer het Maria-altaar (1872), het ciborie-altaar (1872), het St.-Jozefaltaar (1874), twee biechtstoelen (1875) en de koorbanken (1876). Ook de triomfbalk met beeldengroep voorstellende de bewening van Christus zal uit deze tijd stammen. De doopvont (1871) heeft een koperen deksel vervaardigd door atelier Brom uit Utrecht, dat ook twee zesarmige luchters (1877) leverde.

illustratie

Zwolle, R.K. kerk O.L. Vrouwe Hemelvaart


In het koor bevindt zich tegelwerk met tapijtmotief (1866), gemaakt door de firma Schelleman naar ontwerp van Mengelberg. J. Lange schilderde de kruiswegstaties in het transept in 1880. De kast van het orgel is in 1697 gebouwd door N. Brunswick voor een kerk te Münster. De kast kwam in 1813 naar Zwolle en kreeg in 1896 een nieuw instrument gebouwd door M. Maarschalkerweerd. De gebrandschilderde ramen in de koorabsis dateren uit 1906 en werden gemaakt door Hertel-Lersch.

De hoge, steunbeerloze toren heeft een drie geledingen tellende romp, waaraan vanaf 1463 onder leiding van meester Berend van Covelens werd gebouwd en die omstreeks 1481 zal zijn voltooid. De

[p. 290]

gevels zijn voorzien van hoge, smalle spitsboognissen met eenvoudige natuurstenen visblaastracering. De hoge portaalruimte wordt overspannen door een kruisribgewelf op kraagstenen, voorzien van neogotische polychromie. Pas in 1538-'40 kreeg de toren de achtzijdige lantaarn met uitgebouwd traptorentje. Nadat de Antwerpse bouwmeester Simon Pinet zonder toestemming was vertrokken, zette Jacob van Ceulen het werk voort. De huidige koepelvormige bekroning, met zware houten kroonlijst en balustrade, kwam in 1828 tot stand naar ontwerp van stadsarchitect H. Klinkert, nadat de voorgaande bekroning in 1815 afbrandde door blikseminslag. Aan de lantaarn dankt de toren zijn bijnaam ‘De Peperbus’. In de toren hangen luidklokken van Geert van Wou (1484) en Claes Noorden & Jan Albert de Grave (1714). De rest van het uit 47 klokken bestaande klokkenspel is gegoten door Taylor (1929-'31) en Petit & Fritsen (1978). Het bovenste deel van de toren is in 1958-'63 gerestaureerd en het onderste deel in 1973-'74. Het gebrandschilderde raam in het torenportaal, voorstellende de Acht Zaligheden, is samengesteld uit panelen (1940) die zich in de gesloopte zijbeuken van de kerk bevonden en is hier in 1976 herplaatst.

Het voorm. convent of fraterhuis van de Broeders des Gemenen Levens [4] ontwikkelde zich na de stichting in 1384 door Johan Essekensz. en twee metgezellen tot een gebouwencomplex in het gebied tussen Blijmarkt, Papenstraat, Praubstraat en Goudsteeg. Het Zwolse fraterhuis was een van de belangrijkste van de Moderne Devotie. De scholieren van de (verdwenen) stadsschool aan het Grote Kerkplein, die onder leiding van meester Johan Cele (1377-1417) grote vermaardheid had gekregen, werden in het complex gehuisvest, waarbij men onderscheid maakte tussen de gebouwen voor de betalende en de niet-betalende scholieren, respectievelijk het Rijke- en het Arme-Fraterhuis. Vooral in de tweede helft van de 15de en het begin van de 16de eeuw kwamen diverse nieuwe gebouwen tot stand. Het Rijke-Fraterhuis werd in 1592 opgeheven en het Arme-Fraterhuis enkele jaren later. Bij restauraties in de jaren 1968-'86 zijn de

illustratie

Zwolle, Convent of fraterhuis van de Broeders des Gemenen Levens, Aula annex Refectorium met rechts de ingang van de Manegezaal (stadsschouwburg Odeon)


resterende, vaak ingrijpend verbouwde, onderdelen van het complex weer herkenbaar gemaakt en worden ze aangeduid als het ‘Celecomplex’, een verwijzing naar meester Johan Cele.

Het oudst bewaarde bouwdeel is de niet toegankelijke kelder onder de Manegezaal van het Odeoncomplex, waarschijnlijk een restant van het St.-Gregoriushuis of Domus Major uit 1396. Ook een zijgevel van dat gebouw is behouden gebleven in de stadsschouwburg. Het hoekhuis Blijmarkt 21 werd in 1444 aan de broeders geschonken en omstreeks 1470 verbouwd tot mouterij (voorhuis) en kapel (achterhuis) van het convent. De zijgevel aan de Papenstraat is in 1974 gereconstrueerd. De gepleisterde lijstgevel aan de voorzijde dateert uit de tweede helft van de 19de eeuw. Drie paardenkoppen in de gevel herinneren eraan dat het pand toen als stalhouderij in gebruik was. Het achterliggende pand Papenstraat 11-13 zal omstreeks 1460 zijn gebouwd als gastenverblijf en ziekenzaal van het convent. Achter de in 1974 gerestaureerde gevel zijn balklagen en de kap uit de bouwtijd bewaard gebleven. Papenstraat 3 is het zogeheten Poortje van Cele, waarvan gewoonlijk wordt aangenomen dat Johan Cele hier zou hebben gewoond. De oudste delen van dit in 1968 gerestaureerde pand, zoals een kleine kelder met kruisgewelf, gaan evenwel niet verder terug dan de 16de eeuw. Eeuwenlang werd het bewoond door arme alleenstaande vrouwen. De muur van de binnenplaats heeft een poortje met korfboog in spitsboognis, die ondanks de gotische profilering in de korfboog is gedateerd op 1623; ernaast zit een venster met gesmede vensterkorf.

De gebouwen van het Rijke-Fraterhuis verrezen langs de Praubstraat en het binnenterrein. Van het huis Praubstraat 16-18, gerestaureerd in 1985-'86, verrees het noordelijk deel (nr. 16) in het derde kwart van de 15de eeuw. De samenvoeging met het, deels oudere, zuidelijke deel (nr. 18) kwam in 1496-'97 tot stand. De huidige gepleisterde voorgevel dateert uit de 19de eeuw. Aan de rechterzijde geeft een poortdoorgang toegang tot het binnenterrein. De achtergevel heeft drie bogen op zandstenen pijlers, die getuigen van de middeleeuwse functie als poortgebouw. Inwendig zijn resten van de laat-middeleeuwse houtconstructies bewaard gebleven. Bij de restauratie is door middel van een nieuwe, met lood beklede luchtbrug een verbinding gemaakt met de op het binnenterrein gesitueerde voorm. aula annex refectorium (Praubstraat 14), een drielaags gebouw met zadeldak tussen tuitgevels, dat blijkens een steen met ingekrast jaartal in de oosthoek dateert uit 1497. Bij de restauratie (1985-'86) zijn enkele vroeg-18de-eeuwse schuifvensters op de tweede verdieping gehandhaafd. Uit de bouwtijd dateren de samengestelde balklagen met geprofileerde consoles en de kapconstructie met gestapelde jukken. Onder het gebouw bevindt zich een tweebeukige kelder met ribloze kruisgewelven en achtkante zandstenen middenpijlers. De kelder bevat restanten van de fundering van het Domus Parva, waar het fraterhuis in 1384 werd gesticht.

De gebouwen van het Arme-Fraterhuis stonden aan de oostzijde van de Praubstraat, maar daarvan is weinig over omdat ze bij de bouw van het nieuwe stadhuis (1973-'76) grotendeels zijn gesloopt. Zo viel het aan de Goudsteeg gelegen Domus Pauperum (later Wijnbeekschool) onder de hamer. Van het uit 1516 daterende Domus Clericorum (Praubstraat 17) bleef alleen de kelder bewaard en een deel van de achtergevel. Het zuidelijker gelegen Langhuis (Goudsteeg 8) was wellicht ooit bij het Arme-Fraterhuis in gebruik. Dit eenlaags dwarshuis bestaat uit twee door een brandmuur gescheiden delen.

[p. 291]

De voorm. Broerenkerk (Broerenkerkplein 27) [5] is een tweebeukige hallenkerk, waarvan het koor driezijdig en de kortere, smallere zuidbeuk vlak gesloten is. De bouw van het vijf traveeën lange koor moet omstreeks 1466 zijn begonnen en omstreeks 1480 zijn voltooid. Vanaf 1492 verrees het tweebeukige schip, dat omstreeks 1504 onder de kap werd gebracht; het dak werd belegd met linksdekkende (Hildesheimer) pannen. Zowel koor als noordbeuk hebben een kap met gestapelde jukken. In de kap bevinden zich nog twee windassen voor het ophijsen van bouwmaterialen. De kerk werd in 1512 gewijd. Mogelijk in 1538 kreeg de zuidbeuk aan de oostzijde nog een extra travee, waardoor de zuidingang van de kerk kon worden verplaatst naar de as van de Broerenstraat. In het muurwerk zijn de kortelinggaten van het steigerwerk open gelaten. Het van 1640 tot 1982 door protestanten gebruikte gebouw is in 1983-'88 gerestaureerd naar plannen van Th.G. Verlaan en G. Nijhof. Bouwsporen in het muurwerk van schip en koor verraden de plaats waar ooit huisjes tegen de kerk waren aangebouwd. De kerk is nu voor culturele doeleinden in gebruik.

Het rijzige en ruime interieur wordt overdekt met kruisribgewelven, waarvan de ribben bij de wanden worden gedragen door colonnetten met bladwerkkapitelen en gebeeldhouwde consoles. De zandstenen middenzuilen hebben kapitelen van gevlochten takken met gestileerd bladwerk. Onder de vensters van de zuidbeuk zijn met korfbogen gesloten nissen aangebracht. Bijzonder zijn de vrijwel complete gewelfschilderingen uit jaren twintig van de 16de eeuw, teruggevonden en hersteld bij de restauratie. Afgebeeld zijn heiligen, enkele scènes uit het leven van Christus en verder bloemmotieven en heraldische decoraties.

Haast ieder gewelf toont zes heiligen en vier wapens. Naast het stadswapen zijn de wapens van enkele gilden en van burgerlijke en adellijke schenkers te zien. In het koor bevindt zich nog een voorstelling van Maria met kind die uit het laatste kwart van de 15de eeuw moet dateren. De renaissance-kaderschildering uit 1554 met twee vrouwenfiguren - mogelijk muzen - op de noordwand van de kerk toont de plaats van het verdwenen

illustratie

Zwolle, Broerenkerk, interieur (1992)


16de-eeuwse orgel. Op een orgelgalerij staat een orgel van J.C. Scheuer uit 1824.

Het bij de kerk horende Broerenklooster (Aan de Stadsmuur 88) [5] is een in 1465-'93 gebouwd dominicanerklooster, bestaande uit een kloostergang langs de noordmuur van de kerk en drie vleugels met kloostergang rondom een kloosterhof. Na de reformatie, in 1580, kregen de vleugels van het klooster verschillende bestemmingen, onder meer katoenspinnerij, zeepfabriek en kazerne. In 1975-'78 zijn de toen al sterk verbouwde kloostervleugels naar plannen van Th.G. Verlaan en G. Nijhof grotendeels vervangen door nieuwbouw ten behoeve van de huisvesting van een conservatorium. Van de oorspronkelijke bouwmassa bleven het muurwerk en enkele kruisgewelven van de kloostergang langs de kerk, de westvleugel en het muurwerk van de noordoosthoek deels bewaard. De noordvleugel en het grootste deel van de oostvleugel zijn in aangepaste stijl geheel nieuw opgebouwd. De spitsboogopeningen van de pandhof kregen moderne vensters. De laat-middeleeuwse westvleugel heeft drie bouwlagen en een schilddak. De gevels zijn later voorzien van schuifvensters en aan de buitengevel vertoont een sluitsteen op een dichtgemetselde poort het jaartal 1821. Het laat-middeleeuwse bouwdeel in de noordoosthoek heeft gevels met kruisvensters en spitsboognissen en een zadeldak tussen tuitgevels.

[p. 292]

Iets terzijde van de noordwesthoek van het klooster staat de voorm. Librije (Broerenkerkplein 13-15), een omstreeks 1467 opgetrokken, onderkelderd gebouw met zadeldak tussen puntgevels. Oorspronkelijk was het gebouw langer en sloot het aan op de gebouwen rond het pandhof. Het is van 1757 tot 1899 als synagoge in gebruik geweest. Bij de ingrijpende restauratie in 1901, naar ontwerp van P.J.H. Cuypers, is nogal vrij omgesprongen met de resterende bouwsporen. Tegen de oostgevel verrees een lage traptoren. De vensters, de keldergewelven en de balklagen zijn gereconstrueerd, de kapconstructie bleef deels behouden. Op het dak liggen linksdekkende pannen. Het gebouw dient nu als kunstzaal en restaurant.

De Waals-Hervormde kerk of Geertruidskapel (Schoutenstraat 4) [6] is een hoge, eenbeukige laatgotische kapel met driezijdig gesloten koor. Het gebouw verrees aan het begin van de 16de eeuw als kapel van een omstreeks 1390 gesticht en aan St. Geertruid gewijd convent van de Zusters des Gemenen Levens. Dat werd naar de stichteres Geertruid Kadeneter ook wel als Kadenetershuis aangeduid. In 1686 werd de kapel in gebruik genomen als Waalse kerk. Ter linkerzijde van de sierlijke voorgevel staat een achtkantig traptorentje met ingesnoerde spits. Bij een restauratie zijn de in de 19de eeuw aangebrachte ijzeren kerkramen vervangen door stenen vorktraceringen. De netgewelven en het stergewelf in de koorsluiting waren blijkens een geschilderd jaartal in 1504 voltooid; de gewelfribben steunen op kraagstenen met een plantaardig ornament. De kapconstructie dateert uit circa 1501. Het orgel werd in 1820 door J.W. Timpe gebouwd voor een kerk in Groningen en in 1840 naar Zwolle verplaatst, waar J. Proper het in 1891 van een bovenwerk voorzag.

Van de omstreeks 1600 grotendeels afgebroken conventsgebouwen zijn resten bewaard gebleven in Walstraat 15 (een tweebeukige kelder met ribloze kruisgewelven op zandstenen middenpijlers) en Walstraat 11 (de achtergevel en de kap uit circa 1530).

De Doopsgez. kerk (Wolweverstraat 9) [7] dateert in oorsprong uit 1638 maar is in 1846 ingrijpend verbouwd en

illustratie

Zwolle, Plantagekerk (Geref. Vrijgemaakt)


recent gerestaureerd. De gepleisterde neoclassicistische voorgevel is voorzien van een middenrisaliet met twee ingangen en mezzaninovensters.

De Luth. kerk (Koestraat 2) [8] werd in 1649 als schuilkerk gebouwd tegen de oude stadsmuur en is in 1850 en 1889 verbouwd. Het huidige uiterlijk kwam tot stand bij een verbouwing in 1967. Het interieur van deze zaalkerk heeft een galerij. De eiken preekstoel dateert uit het derde kwart van de 18de eeuw.

De voorm. R.K. St.-Michaëlkerk (Nieuwstraat 41) [9] is een groot neoclassicistisch zaalgebouw uit 1848, gebouwd naar ontwerp van Th. Molkenboer ter plaatse van de 17de-eeuwse schuilkerk ‘Onder de Bogen’. De driezijdig gesloten, lagere en deels ombouwde absis aan de Bitterstraat is later toegevoegd. Het heiligenbeeld en het opschrift boven de ingang herinneren aan het gebruik van het gebouw door de R.K. Werkliedenvereniging St. Joseph van 1892 tot 1926. Bij de verbouwing tot appartementen in 1987 zijn het interieur en de zijgevel aan de Rozemarijnstraat ingrijpend gewijzigd.

De Plantagekerk (Geref. Vrijgemaakt) (Ter Pelkwijkstraat 17) [10], een gebouw op T-vormige plattegrond, is in 1874-'75 opgetrokken naar plannen van stadsarchitect J.W. Bosboom sr. in eclectische en neorenaissancistische vormen. Het dankt zijn naam aan een 18de-eeuwse plantage ter plaatse. De gevelbekroning kwam tot stand in 1894 naar plannen van S.J.H. Trooster ter vervanging van een torenbekroning. De kerkzaal heeft een houten plafond met neogotisch aandoende decoraties. De orgeltribune in neorenaissance-stijl dateert uit 1884; het orgel is in 1866 gemaakt door J. van Loo. Bij een renovatie in 1992-'94 is het gebouw onderkelderd.

De Doleantie- of Oosterkerk (Bagijnesingel 15) [11] is een driebeukige zaalkerk met geveltorentje, gebouwd in 1888 voor de Nederduits Geref. of Dolerende gemeente. Het ontwerp, in neorenaissance-vormen, is van J.W. en C.W. Meijer. In het interieur staat het uit 1890 daterende orgel van de firma Proper op een omlopende galerij, rustend op gietijzeren zuiltjes.

De synagoge (Samuel Hirschstraat 8) [12] verrees in 1898-'99 naar ontwerp van F.C. Koch op een rechthoekige plattegrond met een kleine, deels ombouwde absis aan de Walstraat. Links naast de synagoge werd tegelijkertijd een ‘kleine sjoel’ of wintersynagoge gebouwd; beide bouwdelen worden verbonden door een portaal en een traptoren. De gevels van de synagoge zijn uitgevoerd in eclectische vormen. De voorgevel heeft een balustrade voor het afgewolfde dak, een ingangsomlijsting met davidster, gekoppelde rondboogvensters en een centraal roosvenster. Een tekstbord toont in Hebreeuwse letters de tekst van Jesaja 56:7. Het complex is gerestaureerd in 1984-'89 naar plannen van Th.G. Verlaan en G. Nijhof. Opzij van de voorgevel werd in 1985 een gedenksteen uit 1949 herplaatst.

Het gestucte interieur van de synagoge heeft een houten tongewelf en aan de

illustratie

Zwolle, Synagoge


[p. 293]



illustratie

Zwolle, Dominicanenklooster


westzijde een U-vormige vrouwengalerij. De grotendeels behouden inventaris is voornamelijk in neo-Lodewijk XVI-vormen uitgevoerd. De zaal wordt nu voor culturele doeleinden gebruikt, waarvoor bij de herinrichting de bima richting heilige ark is verplaatst. De ‘kleine sjoel’ is nu als synagoge in gebruik. De hier geplaatste eikenhouten arke met decoratief kuifstuk in rococo-vormen dateert van omstreeks 1757 en zal afkomstig zijn van de toen als synagoge ingerichte voorm. Librije van het Broederenklooster.

Het dominicanenklooster (Assendorperstraat 27-29) [13] verrees in 1899-1901 in neogotische stijl, naar ontwerp van J. Kayser met medewerking van de Duitse architect C.C. Pickel. De kerk is een kruisbasiliek met veelhoekig gesloten transeptkapellen, een spitse zeskantige vieringstoren en een langgerekt, vijfzijdig gesloten koor. De voorgevel staat tussen twee traptorens en heeft aan de rechterzijde een Mariakapel. Het interieur is voorzien van kruisribgewelven, gepolijste zwart granieten zuilen met bladkapitelen en een triforium met driepasnissen. Tot de inrichting behoren onder meer een ciborium door J.E. Brom en J. Stuyt (1917-'18), een rijk neogotisch sacramentshuis en een orgel van P.J. Adema & Zn. (1911-'12). De kast daarvan is een ontwerp van J. Stuyt en het snijwerk ervan komt uit het atelier H. van der Geld. De gebrandschilderde ramen zijn van W. Derix (koor 1906-'15, schip circa 1926). Een grote schildering in het noordtransept, voorstellende De Triomf van Thomas van Aquino, werd gemaakt door W. van Konijnenburg (1928).

Kerk en kloostervleugels omsluiten een binnenhof. De met kruisribgewelven overkluisde kruisgang is voorzien van gebrandschilderd glas van W. Derix (1916-'19). De ingangspartij aan de Assendorperstraat bestaat uit een trapgevel met flankerende veelhoekige traptorens. Na een brand in 1933 is het complex weer hersteld en in 1985-'95 is het gerestaureerd onder leiding van A. van Tol.

Overige kerken. De (Geref.) Zuiderkerk (Zuiderkerkstraat 31) [14] verrees in 1923 in de vorm van een Grieks kruis, naar ontwerp van J.H. van der Veen. De achthoekige toren heeft een steile, door banden onderbroken spits. Uit hetzelfde jaar dateert ook de voorm. pastorie (Zuiderkerkstraat 29). De (Chr. Geref.) Noorderkerk (Assiesplein 12-13) [15] is een kruisvormig gebouw met spitsboogvensters en vieringtorentje met tentdak, gebouwd in 1928 naar ontwerp van de gebr. Boxman. Het voorm. kerkgebouw van de Hersteld Apostolische Gemeente (Venestraat 15) werd gebouwd in 1930-'31 naar ontwerp van J. Reynink in expressionistische vormen; de voorm. pastorie (Venestraat 17) is uit dezelfde tijd. De Herv. Jeruzalemkerk (Molenweg 241), een grote zaalkerk waarvan de terzijde geplaatste toren een tentdak heeft, kwam in 1932-'33 tot stand naar ontwerp in expressionistische vormen van G. van Hoogevest en M. Meijerink.

Het voorm. Heilige Geestgasthuis (Oude Vismarkt 31) [16] werd omstreeks 1306 gesticht, in 1660 omgevormd tot oudemannenhuis onder de naam Binnengasthuis en in 1923 opgeheven. Van het 14de-eeuwse hoofdgebouw resteert alleen aan het (niet toegankelijke) binnenterrein nog muurwerk, met bouwsporen van spitsboogvensters en een op natuurstenen consoles uitkragend rondboogfries. De kopgevel aan de Oude Vismarkt is omstreeks 1860 vervangen door een gepleisterde gevel. Haaks achter het hoofdgebouw lagen aan de Diezerstraat een kapel (afgebrand in 1851) en het vroeg-15de-eeuwse proveniershuis (Diezerstraat 38), waarvan de kapconstructie en de spitsboognissen in de gepleisterde zijgeveltop resteren.

De Emmanuelshuizen (Praubstraat 23) [17], een tehuis voor alleenstaande vrouwen van rooms-katholieke huize, werd in 1636 gesticht door Anna van Haerst, weduwe van Emmanuel van Twenhuizen, en heeft als zodanig tot 1934 dienstgedaan. De achteringang aan de Goudsteeg draagt de naam van de instelling. De 19de-eeuwse voorgevel heeft een in 1991 geplaatst zandstenen poortje, afkomstig van het in 1960 gesloopte Herv. weeshuis aan de Broerenstraat. Dit uit omstreeks 1661 daterende

[p. 294]



illustratie

Zwolle, Vrouwenhuis


poortje, ontworpen door de Kamper beeldhouwer Jacob Daniëls en uitgevoerd door steenhouwer Willem Berentsz, toont een weesjongen en een weesmeisje met het Zwolse stadswapen.

Het voorm. Vrouwenhuis (Melkmarkt 53) [18], een tehuis voor alleenstaande vrouwen van protestantse huize, werd in 1742 gesticht in een door Aleida Greve bij haar overlijden geschonken gebouwencomplex tussen Melkmarkt, Korte Kamperstraat en Voorstraat. Van het hoofdpand aan de Melkmarkt dateert het voorhuis in de kern uit het midden van de 14de eeuw; de kapconstructie is deels nog uit die tijd. De kelder met troggewelven op gordelbogen is iets jonger. Het achterhuis kwam omstreeks 1414 tot stand. De maniëristische trapgevel aan de voorzijde dateert van omstreeks 1640 en heeft zijn top verloren. Een gevelsteen memoreert de stichting van het Vrouwenhuis.

Tot de oudste delen van het complex behoren verder nog een omstreeks 1464 gebouwd pand aan de oostzijde van het achterhuis en het pand Voorstraat 44, gebouwd in 1487. Pieter Soury en zijn vrouw Aleida Wolfsen lieten tussen 1675 en 1682 de ruimte tussen het huis aan de Melkmarkt en dat aan de Voorstraat dichtbouwen. Ter verbinding van de verschillende delen van het complex werd kort na 1682 langs de oostzijde van dat bouwdeel een gang gemaakt. De sfeervolle gang heeft een gedrukt houten tongewelf en is versierd met houtsnijwerk van Hermannus van Arnhem. Van zijn

illustratie

Zwolle, Sophia-ziekenhuis


hand is ook een omstreeks 1683 vervaardigde schouw met het alliantiewapen van de families Soury-Wolfsen. Bij een verbouwing van het complex in 1742-'43 werden diverse muren om hygiënische redenen bekleed met witte tegels. De ‘steenen kamer’ aan de Melkmarktzijde kreeg in 1885 een felgekleurde betegeling met geel, zwart en rood gekleurde tegels. De Regentenkamer heeft een inrichting met imitatie-goudleer uit die tijd. In 1891 volgde een verbouwing naar plannen van F.C. Koch en in 1920 voegde men aan de Voorstraat nog een buurpand met achterliggend perceel toe. De gebouwen van het in 1984 opgeheven tehuis zijn in 1986-'88 gerestaureerd naar plannen van J. Kristinsson.

Het voorm. R.K. verenigingsgebouw ‘Vincentius van Paulo’ (Samuel Hirschstraat 7) [19] is in 1900 gebouwd naar ontwerp van A. van Dieden in neorenaissance-stijl. In de gevel prijkt het wapen van de familie Heerkens, die het geld voor de bouw verstrekte.

Het voorm. Sophia-ziekenhuis (Rhijnvis Feithlaan 80-96) bestaat uit drie bouwdelen. Het oudste deel (nrs. 94-96) verrees in 1882-'84 naar ontwerp van J.L. van Essen met neorenaissance-vormen. Door latere uitbreidingen ligt het nu aan een binnenterrein. Een eerste uitbreiding (nrs. 86-92) kwam in 1912-'14 tot stand naar ontwerp van L. Krook in rationalistische stijl (verhoogd in 1917). De tweede uitbreiding (nrs. 80-84) is een interessant voorbeeld van het Nieuwe Bouwen, opgetrokken in 1934-'35 naar ontwerp van J.G. Wiebenga en J. van der Linden. Karakteristiek zijn de entreepartij en de hoekoplossing met torenachtige opbouw geflankeerd door erkers en een ver uitkragende tweede verdieping (röntgen- en operatiekamers). Het gebouwencomplex is sinds het begin van de jaren zeventig bij diverse instellingen in gebruik.

Verdedigingswerken. Van de middeleeuwse ommuring van Zwolle zijn substantiële delen bewaard gebleven. Het voornaamste overblijfsel is de Sassenpoort (Sassenstraat 51) [20], vermoedelijk dagtekenend uit 1409. Aan de stadszijde hangen arkeltorentjes op steunberen, en aan de landzijde hoektorens met daartussen een mezekouw met werpgaten. De torens hebben spitsboogfriezen die rusten op met mens- en diermaskers versierde consoles. De sluitsteen van het kruisribgewelf in de poortdoorgang toont in hoog reliëf de stadspatroon St. Michaël. De kapconstructies - het poortgebouw heeft een schilddak, de hoektorens hebben spitsen - zijn grotendeels nog middeleeuws. Bij een restauratie in 1893-'98 heeft men wel de balklagen vervangen en de kantelen bij de weergang gereconstrueerd. Bovendien maakte het 18de-eeuws klokkentorentje plaats voor het huidige spitse exemplaar. Het torentje bevat een klok van De Grave en N. Muller uit 1731 en een van N. Muller uit 1732.

Aan de noordzijde van de binnenstad zijn in de jaren zestig en zeventig van de 20ste eeuw grote stukken van de laat-15de-eeuwse stadsmuur weer in het zicht gebracht en deels gereconstrueerd. Langs de Buitenkant staat een stuk stadsmuur met fragmenten van de Zwanentoren en de Steenpoort. De laatste werd gebouwd in 1488 en grotendeels gesloopt in 1846. Meer naar het oosten is de stadsmuur aan het oog onttrokken door bebouwing, zoals de 18de-eeuwse huizen Buitenkant 22-30 en 35. Deze huizen hebben een overkragende verdieping, gewijzigde vensters en zijn deels in de 20ste eeuw herbouwd met nieuw metselwerk (nrs. 25-28). Delen van de stadsmuur zijn voorts weer zichtbaar tussen de Vispoortenplas en het Broerenklooster. In dit stuk staat de Wijndragerstoren [21], een grote ronde muurtoren waarvan men de weergang met spitsboogfries en het dak heeft gereconstrueerd. In de kelder van het voorm. pakhuis Aan de Stadsmuur 79 zit de onderbouw van een andere muurtoren. Ter hoogte van de Pletterstraat staat een laatste stuk stadsmuur met daarin opgenomen het eenvoudige 17de-eeuwse Pelserpoortje

[p. 295]



illustratie

Zwolle, Sassenpoort


en de laat-15de-eeuwse Pelsertoren [22]. Van deze toren heeft men de bovenbouw met kantelen en wachttorentje vanaf het spitsboogfries compleet gereconstrueerd. Bij de stadsmuurdelen langs de Buitenkant en de Pletterstraat heeft men de weergang - op rondboogfries met natuurstenen consoles en houten, met pannen gedekte, overkapping - herbouwd.

Het beloop van de stadsgracht en de tussen 1615-'29 aangelegde omwalling met elf bastions - zes rond de oude stad en vijf rond het Noordereiland - is nog steeds goed herkenbaar. Op het Eekwalbolwerk en het Maagjesbolwerk staan nog de rompen van 19de-eeuwse molens.

Het stadhuis (Sassenstraat 2) [23] is een gebouwencomplex dat in het midden van de 15de eeuw tot stand kwam door vervanging van het oude raadhuis aan het Grote Kerkplein. Aan de Sassenstraat verrezen het Raadhuis (1447-'48) en het Wijnhuis (1448-'49) en aan het Grote Kerkplein de Raadhuistoren (1448-'52). Aan de Sassenstraat werden door aankoop en verbouwing nog het Meentehuis (1448) en het pand van Dirk Mostert (1459) toegevoegd. Van die gebouwen bleven het Raadhuis, het Meentehuis en het Dirk Mosterthuis behouden. Ze zijn sinds een ingrijpende verbouwing in 1821 verenigd achter een gepleisterde lijstgevel (gewijzigd in 1863), waarvoor ook enkele vloerniveaus zijn aangepast. De laat-gotische natuurstenen gevel voor het Raadhuis en het Wijnhuis is toen gesloopt. In 1840 werd het Wijnhuis aan de Sassenstraat ingekort voor een betere ontsluiting van het in 1827 heringerichte Grote Kerkplein. De rest van het Wijnhuis en de Raadhuistoren vielen in 1868 onder de hamer voor de bouw van de Brouwersschool (gesloopt 1936).

De achtergevel van het Raadhuis, met korfboogvormige vensternissen, is in 1976 gerestaureerd naar plannen van P.B. Offringa en in okerkleur geschilderd. Van de geveltop is het benedendeel met een reeks getoogde venster- en blindnissen bewaard gebleven. Onder

illustratie

Zwolle, Stadsmuur bij Wijndragerstoren


[p. 296]



illustratie

Zwolle, Stadhuis, Raad- of Schepenzaal, interieur


het Raadhuis, het Meentehuis en het Mosterthuis bevinden zich middeleeuwse kelders met stenen overwelvingen. Een deel van het muurwerk van het Meentehuis gaat waarschijnlijk terug tot kort na de stadsbrand van 1324 en ook het Mosterthuis heeft een 14de-eeuwse oorsprong. Het cassettenplafond op de verdieping van het Mosterthuis dateert waarschijnlijk uit de 17de eeuw.

De voorm. Raadzaal of Schepenzaal, nu Trouwzaal, uit 1448 heeft als zoldering een samengestelde balklaag met fraaie, beschilderde consoles met burleske figuren, gesneden door meester Johan uit Kampen. Op de balken zijn in 1451 zonnen en manen aangebracht. De schouw toont driemaal het Zwolse wapen. Op de hoeken zijn gesmede drielichtsblakers (1449) bevestigd. De ijzeren kachelplaten dateren uit het derde kwart van de 16de eeuw; hierop prijken voorstellingen van Fortitudo, Justitia, een figuur met kelk en een krijgsman. Tegen de boezem van de schoorsteen heeft men in 1606 een groot anoniem schilderstuk met voorstelling van het Laatste Oordeel aangebracht. De maniëristische omlijsting is van Sweer Kistemaker. Tot de oorspronkelijke inrichting behoren verder vier muurkastjes met eikenhouten deurtjes voorzien van flamboyant traceerwerk. In de zaal hangen twee laatgotische geelkoperen kaarsenkronen, beide bekroond door Maria met het kind Jezus; ze zijn afkomstig uit de schepenkapel van de Grote Kerk (1658 hersteld). De deuromlijstingen dateren waarschijnlijk van de modernisering van de raadzaal in 1658. Verder bevat de zaal nog een 17de-eeuwse balie met zitbank, een klok uit 1728, gemaakt door W. Bramer sr., en een reeks Oranje-portretten (17de en 18de eeuw). De zaal boven de Raadzaal heeft een zoldering met samengestelde balklaag ondersteund door korbeelstellen met geprofileerde sleutelstukken; in de korbelen is het eigendomsmerk van de stad geritst. De kapconstructie van dit bouwdeel, met gestapelde jukken, is grotendeels bewaard gebleven.

De in 1973-'75 aan het Grote Kerkplein verwezenlijkte nieuwbouw is een ontwerp van J.J. Konijnenburg. De gevels hebben een verticale structuur van glaspuien en dragende betonnen schijven, bekleed met natuursteen. De nieuwe raadzaal heeft een zaagtanddak gedragen door gelamineerde houten liggers. Voor de bouw van de nieuwe vleugel heeft men de achtergevel van het Meentehuis iets terug gelegd. Bovendien reconstrueerde men toen de renaissance-bogen in de hal.

Het voorm. Vleeshuis (Luttekestraat 2-4, hoek Voorstraat) [24] werd in 1469-'70 gebouwd. Na een verbouwing in 1605 was het tot 1880 in gebruik als waag, waarna men het splitste in twee huizen. Het rechter deel bevat onder het pleisterwerk en de zware zandstenen hoekpilasters nog het 15de-eeuwse muurwerk en inwendig de zolderbalklaag en kapconstructie met gestapelde jukken uit de bouwtijd. De grote kelder met kruisgewelven op middenzuilen is onder beide bouwdelen behouden. Het opgaand werk van het linker deel is in 1904 vernieuwd en kreeg een gevel met jugendstil-elementen.

Het Huis van Bewaring (Menno van Coehoornsingel 19) [25] is een sober classicistisch gebouw met getraliede vensters, gebouwd in 1739-'40 naar ontwerp van Isaac van den Heuvel en bestaande uit vier vleugels rondom een binnenplaats. De door Godfried Gerlach uitgevoerde natuurstenen toegangspoort heeft in het fronton het wapen van Overijssel, vastgehouden door twee leeuwen; daarboven staan beelden van Justitia en een geketende man en vrouw. Gebouwd als Provinciaal Tuchthuis werd het vanaf 1810 Huis van Verzekering (burgerlijk en militair) en vanaf 1886 Huis van Bewaring. In de 19de eeuw is het pand enkele keren verbouwd en in 1873-'74 verrees aan de noordzijde een directeurswoning. De laatste renovatie dateert van 1982.

Het voorm. Paleis van Justitie of Gerechtshof (Blijmarkt 20) [26] is een neoclassicistisch (neo-Grec) bouwwerk uit 1838-'41, gebouwd naar ontwerp van E.L. de Coninck. De lange zijden hebben een middenrisaliet met fronton en zuilenportiek met corinthische zuilen. Van 1876-1977 was het als gewone rechtbank in gebruik en sinds een recente verbouwing als Museum de Stadshof (naïeve en outsiderkunst).

De stadsschouwburg Odeon (Blijmarkt 25) [27] heeft achter de moderne gevel (1985) een uit 1868 daterende schouwburgzaal in neo-Lodewijk XV-trant, gebouwd naar plannen van B. Reinders en vergroot in 1883. De zaal heeft balkons met stucversieringen, en een ovaal koofplafond gedragen door consoles, in het midden voorzien van een opengewerkte rijke versiering binnen een meanderlijst. De tot het Odeoncomplex behorende Manegezaal (toegang via Praubstraat 16) heeft een poortgebouw uit 1867 met een gepleisterde neoclassicistische gevel.

[p. 297]



illustratie

Zwolle, Paleis van Justitie of Gerechtshof, plattegrond


De voorm. Provinciale Griffie (Diezerstraat 80) [28] bestaat uit twee delen. Het oudste deel (Gouvernementsgebouw) dateert uit 1874 en heeft een neoclassicistische gevel met driehoekig fronton en hardstenen onderbouw. Het rechterdeel en de gebouwen aan de Rode Haanstraat en de binnenplaats kwamen gereed in 1897-'98 en zijn uitgevoerd in helder rode strengperssteen. Dit complex in neogotische stijl verrees naar ontwerp van J. van Lokhorst, onder toezicht van rijksopzichter J.J. van Groenendaal. Het beeldhouwwerk door B. van Hove, het gebrandschilderde glas en de conciërgewoning werden kort na 1900 voltooid. Het rijk gedetailleerde hoofdgebouw heeft onder meer de figuren Pax en Justitia onder de als hoektorentjes uitgevoerde schoorstenen; boven de ingang is het Rijkswapen aangebracht. Rijk versierd is ook de arkeltoren met ingesnoerde naaldspits op de hoek met de Rode Haanstraat.

Grote delen van het interieur verkeren nog in oorspronkelijke staat en zijn uitgevoerd in neogotiek met invloeden van de Arts and Craftsmovement en de jugendstil. Portalen, gangen en trappenhuis zijn voorzien van fraaie betegelingen en muurschilderingen. Het meest interessant is het neogotische interieur van de voorm. Nieuwe Statenzaal, ontworpen door hoofdopzichter J. de Quack. De zaal is uitgevoerd met een

illustratie

Zwolle, Provinciale Griffie, interieur Nieuwe Statenzaal


beschilderd plafond met moerbalken op korbeelstellen; er zijn schouwen in alle hoeken van de zaal. De gebrandschilderde glazen zijn gemaakt door atelier Nicolas en bevatten onder meer de wapens van de Overijsselse gemeenten. De wanden hebben paneelschilderingen met episoden uit de vroege geschiedenis van Overijssel, gemaakt door kunstschilder Van der Laars naar kartons van G. Sturm. Verder zijn de wanden onder andere gedecoreerd met tapijtschilderingen. De zaal is tot 1971 gebruikt voor vergaderingen van de Provinciale Staten en in 1991 gerestaureerd. Het gebouwencomplex is sinds 1986 in gebruik bij de stadsbibliotheek Zwolle, waarvoor het is verbouwd en uitgebreid.

Het postkantoor (Nieuwe Markt 1) [29], een groot gebouw met zadeldaken tussen topgevels, verrees in 1908-'10 naar ontwerp van C.H. Peters in een op de neogotiek geënte stijl. De oostvleugel kreeg in 1954 een extra verdieping. De hoofdingang is in 1975-'76 naar de Nieuwe Markt verplaatst.

De marechausseekazerne (Meppelerstraatweg 19) werd in 1929-'31 gebouwd in expressionistische vormen naar plannen van de bouwkundige afdeling van het Tweede Commandement der Genie te Groningen. Het L-vormige gebouw heeft een forse hoektoren, voorzien van een tegeltableau met het gestileerde

[p. 298]



illustratie

Zwolle, Marechausseekazerne


Rijkswapen en een uurwerk met keramische wijzerplaat. Op het terrein staan nog enige bijgebouwen in soberder vormgeving.

Scholen. De Rijks Hogere Burgerschool (Bagijnesingel 6) [30], nu Deltion College, is in 1864-'67 gebouwd op een U-vormige plattegrond naar ontwerp van stadsarchitect B. Reinders. De beide zijvleugels werden aan het eind van de 19de eeuw verlengd en in 1907 volgde de bouw van een gymnastieklokaal. Het trappenhuis is in 1951-'52 vergroot. De voorm. conciërgewoning (Bagijnesingel 4) dateert uit 1909. De voorm. Ambachtschool (Menno van Coehoornsingel 16) [31] verrees in 1896-'97 naar ontwerp van J.L. van Essen in neorenaissance-stijl. De tekst ‘Flevo’ op de vooruitspringende entreepartij met tuitgevel herinnert aan het feit dat het gebouw vanaf 1933 het kantoor van de dienst IJsselmeerpolders herbergde. Nu is het gebouw in gebruik bij de gemeente. Andere scholen in neorenaissance-vormen zijn de voorm. R.K. St.-Aloysiusschool (Koestraat 1-3) uit 1887 (verbouwd in 1909) en de voorm. R.K. St.-Michaëlschool (A-Plein 3-7), gebouwd in 1907 naar ontwerp van Lankhorst van Dieden.

Stadsarchitect L. Krook verzorgde de ontwerpen voor een aantal openbare lagere scholen in expressionistische vormen, zoals de Parkschool (Westerlaan 22) uit 1928, de Hobbemaschool (Hobbemastraat 6) uit 1929 en de voorm. Elbertsschool (Lijnbaan 103) uit 1930. Kenmerkend is de toepassing van een risalerende halfronde ingangstravee. Van zijn hand is verder het Gymnasium Celeanum (Veerallee 29-30) uit 1929. In samenwerking met A. Baart ontwierp hij in de stijl van het Nieuwe Bouwen de voorm. Ambachtschool (Mimosastraat 1) uit 1932-'34. De Zwolse architect M. Meijerink maakte de plannen voor het in 1923-'25 gebouwde Carolus Clusius College (Veerallee 17), een Chr. school voor middelbaar onderwijs. In expressionistische vormen ontwierp hij verder met H. Meijerink enkele scholen voor christelijk lager onderwijs, zoals de Koningin Emmaschool (Jacob Catsstraat 1) uit 1929, de (Geref.) Da Costaschool, nu basisschool ‘Het Mozaïek’ (Hortensiastraat 31) uit 1929-'30 en de Marnixschool (Westerlaan 40) uit 1932-'33. Het laatste gebouw heeft nog de originele trappenhuizen en wand- en vloerbetegeling.

Woonhuizen. De oudste huizen in de binnenstad dateren van na de stadsbrand van 1324, waarbij volgens overlevering vrijwel alle huizen in vlammen opgingen. De bouw van huizen met stenen bouwmuren en stenen dakbedekking werd vanaf die tijd door de overheid met voorschriften en subsidies bevorderd. Veel huizen in de binnenstad hebben ook nu nog achter hun meestal jongere voorgevels een middeleeuwse kern, bestaande uit oude bouwmuren, balklagen en kapconstructies. Verder zijn in Zwolle vrij veel oude kelders bewaard gebleven. De binnenstad heeft een gevarieerde percelering, waarop overwegend diepe huizen werden gebouwd, maar ook dwarse en complexe huizen verrezen. Het zuidoostelijke deel van de binnenstad heeft een grillig stratenpatroon met veel afwisseling in bouwtypen. Het zuidwestelijke en noordelijke deel van de binnenstad heeft een regelmatiger structuur.

Middeleeuwse en 16de-eeuwse huizen

De kern van het diepe huis Oude Vismarkt 6-8 dateert van kort na de stadsbrand. De bouwmuren, de enkelvoudige balklagen en de eikenhouten sporenkap met langsverband zijn redelijk bewaard gebleven. Het diepe huis Melkmarkt 50 bezit eveneens resten van een sporenkap met langsverband uit het tweede kwart of midden van de 14de eeuw. Kamperstraat 27, oorspronkelijk een diep en breed eenlaagspand uit 1383, bezit samengestelde eikenhouten balklagen met korbeelstellen en een kapconstructie met gestapelde jukken. De kernen van Kamperstraat 10 en Kamperstraat 14 zijn vergelijkbaar van opzet, maar hebben een verdieping en dateren respectievelijk uit 1389 en 1374. Andere diepe huizen met een kern uit die tijd zijn Kamperstraat 11 (1367) en Voorstraat 11 (1371). Het diepe huis Diezerstraat 88 heeft aan de achterzijde een met ezelsruggen gedekte trapgevel en restanten van de oude kap van omstreeks 1400. Uit die periode stamt ook de kern van het grote, diepe huis De Blankensteyn (Grote Markt 9), in de middeleeuwen een openbaar wijnhuis. Het pand bevat een deels bewaard gebleven kap uit omstreeks 1390, samengestelde balklagen met (gereconstrueerde) korbeelstellen en een reeks muurkastjes of ‘spinden’. Wellicht in 1772 kreeg het een nieuwe lijstgevel. Tegenwoordig huisvest het pand de boekhandel Waanders. Het buurhuis Grote Markt 8 verbergt achter zijn 19de-eeuwse gevel een middeleeuwse kelder, resten van een houtskelet en een secundair gebruikte 14de-eeuwse sporenkap. Huizen met laat-middeleeuwse kern en kelders zijn verder het vroeg-15de-eeuwse, diepe huis Het wapen van Friesland (Diezerstraat 72), dat omstreeks 1543 is voorzien van verdiepingen,

[p. 299]



illustratie

Zwolle, Woonhuis Melkmarkt 10


en Sassenstraat 9 uit de tweede helft van de 15de eeuw. Bijzonder is het restant van de uit circa 1474 daterende zandstenen gevel van Melkmarkt 10, bestaande uit vier kruiskozijnen van de verdieping met onder en boven vakken met gotische traceringen; één vak bevat een mannen- en een vrouwenkop. Het in 1919-'20 naar plannen van G. de Hoog gerestaureerde pand bezit een kapconstructie met gestapelde jukken en een vrijwel volledig vernieuwde balklaag met sleutelstukken. De voorgevel van Pletterstraat 7-19 toont resten van vroeg-16de-eeuwse bakstenen kruiskozijnen in rechthoekige geprofileerde nissen en een zware geprofileerde waterlijst. Huizen met een kern uit de eerste helft van de 16de eeuw zijn bijvoorbeeld Nieuwstraat 35 (1515) - de pakhuisgevel is van omstreeks 1900 - Steenstraat 23/Waterstraat 40, Vispoortenplas 11 (1536) en het ingrijpende gerestaureerde dwarse pand Weversgildeplein 1.

De kern en een groot deel van de voorgevel van het drielaags hoekhuis Diezerstraat 2 dateert uit het midden van de 16de eeuw. De later gewijzigde verdiepingsvensters zijn gevat in nissen, onregelmatig versierd met natuurstenen blokken. De aanzetten van de oorspronkelijke afsluitende (korf)bogen zijn nog zichtbaar. De top van de scheefgezakte gevel is omstreeks 1740 vervangen door een klokgevel met hals, bekroond met een halfrond fronton. De zijgevel aan de Oude Vismarkt is 17de-eeuws. Het hoekhuis Koestraat 33 heeft achter de vroeg-17de-eeuwse trapgevel een voor- en achterhuis dat teruggaat tot de 16de eeuw. Het achterhuis wordt afgesloten door een tuitgevel met tandlijst. De zijgevel aan het Krommejak heeft nog een stenen kruisvenster, geflankeerd door steunberen. De zijgevel en het onderste deel van de voorgevel zijn later voorzien van schuifvensters en wit geschilderd.

In de late middeleeuwen kwamen naast de diepe en dwarse huizen ook complexe huizen met haaks geplaatste vleugels tot stand. Het Hof van Ittersum (Sassenstraat 29-33) [32] was een adellijke stadswoning gebouwd op een groot terrein tussen Bethlehemklooster, Nieuwe Markt, Sassenstraat, Rodeleeuwsteeg en Oude Vismarkt. Het was tot 1735 in het bezit van het geslacht Van Ittersum. Verborgen achter het postkantoor aan de Nieuwe Markt staan de restanten van een (ingekort) zaalgebouw met aangebouwde kamer, gebouwd omstreeks 1383, waarschijnlijk in opdracht van Roelof van Ittersum. Omstreeks 1435 liet de zoon van Roelof, Johan van Ittersum, haaks op het oudste huis een nieuwe vleugel optrekken, eveneens met aanbouw. Het zaalgebouw (Sassenstraat 31A) heeft een grote kelder met tongewelf voorzien van steekkappen, opgaand muurwerk met spaar- en vensternissen, balklagen met korbeelstellen en een kapconstructie met gestapelde jukken. Het iets smallere en lagere aangebouwde pand (Sassenstraat 31), mogelijk oorspronkelijk een poortgebouw, bevat een kelder met troggewelven op gordelbogen en een eiken kap uit de bouwtijd. Het eveneens op het terrein van de Van Ittersums gebouwde laat-middeleeuwse hoekpand Sassenstraat 29 heeft tegen het achterhuis een 16de-eeuwse aanbouw met verdieping en lessenaarsdak.

Het meest herkenbare deel van het complex is de tegen Sassenstraat 31A aangebouwde zijkamer, die bekend staat als het Karel V-huis (Sassenstraat 33) en die waarschijnlijk in opdracht van Berend van Ittersum is gebouwd. De kelder met tongewelf voorzien van steekkappen en is vermoedelijk ouder dan de voorgevel.



illustratie

Zwolle, Karel V-huis


Deze vroege renaissance-gevel heeft gebosseerde pilasters en rijke zandstenen decoraties als friezen, met leeuwenmaskers, arabesken, stierschedels en offerschalen. De geveltop met in- en uitgezwenkte contouren bevat een cartouche met de beeltenis van keizer Karel V en een cartouche met het jaartal 1571. Het pand is in de 17de eeuw naar achteren toe verlengd. De gevel onderging in 1958-'59 een restauratie naar plannen van J.W. Dinger.

Een ander laat-middeleeuws complex huis is Goudsteeg 17, dat sinds de ingrijpende restauratie in 1974 het ‘Huis met de Hoofden’ wordt genoemd, naar de teruggevonden gebeeldhouwde eikenhouten consoles, versierd met gehurkte mannen die banderollen dragen (nu replica's). Het oudste deel is de uit omstreeks 1464 daterende oostvleugel. Niet lang daarna werd tegen de westgevel een kamer aangebouwd. De ingang bevindt zich in een 16de- of vroeg-17de-eeuwse aanbouw met lessenaarsdak tegen de zuidgevel. Het hoofdhuis heeft zadeldaken tussen gereconstrueerde trapgevels met overhoekse pinakels. Inwendig heeft het pand kelders met kruisribgewelven op veelhoekige gotische middenpijlers en de oorspronkelijke balklagen en kappen. Verder bleven een Lodewijk XIV- en een empire-schouw bewaard. De Wheeme (Lombardstraat 4) [33], gebouwd in 1490-'97 als pastorie van de

[p. 300]

St.-Michaëlskerk, bestaat uit drie vleugels met zadeldaken tussen tuitgevels, gesitueerd om een binnenplaats waar ook de representatieve gevels te vinden zijn. In 1923-'24 is de van omstreeks 1505 daterende zuidvleugel grotendeels herbouwd. De vierkante traptoren is bij de restauratie in 1975 verhoogd en van een korte ingesnoerde spits voorzien. In de noordvleugel zitten hoge spitsboognissen met laat-gotische schilderingen, voorstellende profeten en apostelen met tekstbanderollen. Ze zijn in 1989 op een nieuwe ondergrond voor de oude schildering gekopieerd. De kelders onder de noord- en de zuidvleugel zijn behouden gebleven en ook de oorspronkelijke houtconstructies zijn grotendeels nog aanwezig. Vanaf 1636 was het complex eeuwenlang in gebruik als lommerd en Bank van Lening en vanaf 1924 als politiebureau. Sinds de restauratie dient het als vergaderruimte bij het stadhuis.

Het oorspronkelijk 15de-eeuwse, tweebeukige dwarse pand Nieuwstraat 55 gaat schuil achter een voorgevel die omstreeks 1700 werd verbreed en verbouwd tot een pilastergevel. Tegen de iets kortere achterste beuk staat een vroeg-16de-eeuwse aanbouw - wellicht ooit de huiskapel - overdekt met kruisribgewelven. De kelders en de houtconstructies zijn grotendeels bewaard gebleven. In het interieur zijn er gangen met rococo-stucwerk, een trap met balusters in rococo-vormen en een kamer heeft een vroeg-19de-eeuws stucplafond met ongewoon brede koof. Het pand is omstreeks 1974 gerestaureerd en heeft nu een horeca-functie.

Het Hof van Suythem (Praubstaat 25-29/Goudsteeg 10-14) [34], omstreeks 1350 gesticht door ridder Alof van Suythem, werd omstreeks 1559 grotendeels afgebroken en vervangen, waarschijnlijk in opdracht van Adolf van den Ruytenberg, heer van Zuthem. Het nieuwe huis, Goudsteeg 10-14, kreeg een L-vormige plattegrond met in de binnenhoek een traptoren. Goudsteeg 14 heeft nog een 15de-eeuwse kelder. De panden Goudsteeg 10 en 12 hebben balklagen en kapconstructies uit deze bouwfase. De traptoren en de meeste trapgevels verdwenen bij verbouwingen in opdracht van Dirk Willem van Raesfelt in 1770 en omstreeks 1787. Bij de laatste verbouwing

illustratie

Zwolle, Drostenhuis


werd de noordvleugel verdubbeld tot een min of meer vierkant bouwblok met strakke lijstgevel en een symmetrische indeling rondom een middengang (Praubstraat 25). Begin 20ste eeuw was het architectenbureau van M. Meijerink in het complex gevestigd. De jugendstilbeschildering van de verdiepingsbalklaag van Goudsteeg 10 dateert uit die tijd.

Ten oosten van de binnenplaats liet Jacobus Vriesen omstreeks 1650 in twee fasen een vleugel met tuigkamers en ruimten voor de stalknechten bouwen (Praubstraat 27). Aan de Goudsteeg heeft deze vleugel een gerende, uitkragende verdieping op geprofileerde consoles. Aan de zuidzijde bij de Koestraat ontstond uit een omstreeks 1600 gebouwde stal een koetshuis dat later nog diverse keren is verbouwd (Praubstraat 29). Het complex is in 1981-'85 gerestaureerd.

Het Drostenhuis (Melkmarkt 41), nu Stedelijk Museum [35], werd omstreeks 1543 gebouwd in opdracht van Engelbert van Ens. Aan diens ambt van drost van Drenthe ontleent het huis zijn tegenwoordige benaming. Het werd gebouwd met twee onderkelderde, haaks geplaatste vleugels; in de binnenhoek staat van een traptoren en aan de oostzijde een eenlaags aanbouw. De gevel aan de Melkmarkt (toen nog Grote Aa) is opgetrokken in baksteen met banden in Bentheimer zandsteen en voorzien van een reeks korfboognissen. Het huis is diverse keren verbouwd. De lage aanbouw aan de oostzijde is in 1708 in opdracht van Everhard Podt grotendeels herbouwd; het kreeg een halsgevel met klauwstukken en gebogen fronton in zandsteen. Het betimmerde interieur bevat een pronkkast en een waarschijnlijk in 1905 ingebrachte plafondschildering, voorstellende de macht van Amor door

[p. 301]

Joannes Janssen (1665). In 1708 kreeg de lange vleugel van het hoofdhuis de met marmer en stucwerk versierde middengang. De linker voorkamer heeft een marmeren schoorsteenboezem en een plafond met verdiepte vakken, waarin in 1931 schilderingen op doek zijn herplaatst. De schilderingen met de vier seizoenen en de vier elementen dateren van circa 1760, het ovale middenstuk is waarschijnlijk iets jonger.

Bij een verbouwing in 1760 in opdracht van Gerrit Albert Podt werd een tuinkamer aangebouwd en kreeg de rechter voorkamer (salon) een nieuwe inrichting met stucwerkplafond en een schoorsteenmantel voorzien van het alliantiewapen van de bouwheer en zijn vrouw Anna Aleida Ens. Bij deze verbouwing voorzag men de gevel aan de Melkmarkt van zijn zandstenen plint, deuromlijsting en kroonlijst met attiek in Lodewijk XV-vormen. De keuken in het achterhuis heeft een 18de-eeuwse inrichting met betegelde wanden.

Vanaf 1905 is het complex in gebruik als museum. Bij een restauratie in 1967-'69 zijn de 19de-eeuwse neogotische wijzigingen ongedaan gemaakt en heeft men ook enkele sinds 1905 ingebrachte stijlkamers verwijderd. De zolderbalklaag met consoles is weer in het zicht. De tuin is in 1983 heringericht. In 1997 is aan de Melkmarkt een moderne museumvleugel geopend naar ontwerp van G. van den Belt.

17de- en 18de-eeuwse huizen Het diepe huis Luttekestraat 12 heeft een trapgevel die plastisch versierd is met wit geschilderde zandstenen banden, blokjes en waterlijsten. De gevel is verder voorzien van een toppilaster, sierankers, metselmozaïeken in de boogvullingen en een (verplaatste) gevelsteen met het jaartal 1609. De vensters zijn in de loop der tijd gewijzigd. Het rijk gesneden bovenlicht van de ingang dateert van omstreeks 1800. Het pand is ook verhoogd, waarbij de nieuwe daklijn achter de trapgevel in het zicht is gelaten. Vergelijkbaar plastisch versierd met natuurstenen banden en blokjes zijn de gewijzigde gevels van het hoekhuis Roggenstraat 1 (1610). Uit de eerste helft van de 17de eeuw zullen ook de, later gepleisterde, trapgevels Roggenstraat 3 en Nieuwstraat 70 dateren. De eerste is versierd met sierankers, de tweede met gebeeldhouwde leeuwenmaskers; beide hebben een uitgekraagde toppilaster. Vergelijkbaar zijn de grote trapgevel van Thorbeckegracht 74, een onderkelderd huis met terzijde een overbouwde steeg, de ongepleisterd gebleven trapgevel van Diezerstraat 81, waarvan de onderpui in aangepaste stijl is verbouwd, en de ingrijpend gerestaureerde trapgevel van het hoekhuis Steenstraat 13. De tweeling-trapgevels van Nieuwe Markt 13-14 dateren uit het tweede kwart van de 17de eeuw, evenals de verminkte gevels van de hoekpanden Oude Vismarkt 17 en Blijmarkt 19. Het hoekhuis Sassenstraat 37 dateert blijkens een cartouche aan de Nieuwe Markt-zijde uit 1647, maar beide gevels zijn in 1931 geheel herbouwd. Midden-17de-eeuws is de trapgevel van Diezerpoortenplas 36, bekroond door een halfrond fronton en versierd met oeil de boeuf en sierankers. Het onderste deel van de gevel is sterk verbouwd.

Het dwarse huis Sassenstraat 72, in de ankers gedateerd op 1659, toont aan de steeg een afgeknotte tuitgevel met bakstenen landlijst en bouwsporen van dichtgemetselde vensters. De voorgevel heeft een hardstenen winkelpui uit 1900 onder de ontlastingbogen van de oude onderpui. Koestraat 6-8 is een complex bestaande uit drie vleugels rond een met een muur van de straat afgesloten binnenplaats. De vroeg-17de-eeuwse westvleugel (nummer 6) is later van een kroonlijst voorzien en gerestaureerd in 1963-'64. De zuid- en de oostvleugel, eveneens met kroonlijst, stammen uit het derde kwart van de 17de eeuw. Sinds 1805 is hier de Grote Sociëteit gevestigd. De straatgevel is in het begin van de 19de eeuw vernieuwd en samengetrokken met het buurpand; de ingangsomlijsting draagt de tekst ‘Sociëteit’. Inwendig bevindt zich onder meer een geschilderd luchtgezicht met de god Mars (derde kwart 17de eeuw) in de hal achter de hoofdingang. Het blokvormige, drielaags hoekpand De Witte Leeuw (Diezerstraat 58) verrees in 1666 in classicistische stijl in opdracht van Albert Brouwer en naar ontwerp van stadsbouwmeester Abraham de Cock. De voorgevel is versierd met gebeeldhouwde festoenen en cartouches met wapenschilden. Boven de ingang hangt een gevelsteen met liggende leeuw die een wereldbol vasthoudt. De dakkapel wordt geflankeerd door gebeeldhouwde hoornen des overvloeds, gedrapeerd over liggende tonnen voorzien van een huismerk. Tot 1873 was het huis tevens in gebruik als likeurstokerij, daarna als winkel. De winkelpui in neorenaissance-stijl dateert uit 1885 en draagt de tekst ‘Hofleverancier Ad. Hendriksen’, de toen in het pand gevestigde modezaak.

In de stad zijn diverse pilastergevels bewaard gebleven. Het diepe huis Melkmarkt 14 heeft een, later gepleisterde, verhoogde halsgevel uit circa 1665. Bij de verdieping zijn dorische pilasters toegepast, bij de geveltop ionische pilasters. De rijk gebeeldhouwde gevel wordt bekroond door een halfrond fronton op een fries met leeuwenmaskers; daaronder zit een oeil de boeuf in kwabornamentomlijsting. De klauwstukken hebben de vorm van adelaars en dolfijnen. De kern van het huis en de achtergevel dateren uit het eerste kwart van de 17de eeuw. Diezerstraat 43 heeft een onder het fronton in 1667 gedateerde halsgevel met tot op de puibalk doorgaande ionische pilasters en rijke gebeeldhouwde klauwstukken en andere ornamenten. De kruisvensters zijn gerestaureerd, de onderpui is in stijl gewijzigd. Het diepe huis Thorbeckegracht 17 heeft een grote, uit 1671 daterende klokgevel met driehoekig fronton en doorgaande pilasters. De gevel is versierd met festoenen. Aan het eind van de 18de eeuw zijn de zandstenen voet en de deuromlijsting aangebracht en is het pand aan de achterzijde verlengd tot de Menno van Coehoornsingel. Een cartouche in de voorgevel draagt het jaartal 1888, dat mogelijk hoort bij de verbouwing waarbij de huidige ramen zijn aangebracht. Het hoekhuis Voorstraat 43 heeft een vergelijkbare pilastergevel met festoenen en oeil de boeufs; de geveltop ontbreekt evenwel. Het pand is in 1666 verbouwd in opdracht van speldenmaker Benedictus Hertenberg. In de 19de eeuw heeft men de gevels gepleisterd en ze nieuwe vensters en deuren gegeven. De twee halsgevels met klauwstukken en gebogen frontons van Nieuwstraat 34 zijn later herbouwd; de ene draagt het jaartal

[p. 302]



illustratie

Zwolle, Woonhuizen Diezerstraat 1-5


1687, de ander het jaartal 1878. De gevels hebben verder een voornamelijk 19de-eeuwse vormgeving.

Eenvoudige klokgevels met driehoekig of gebogen fronton uit het eind van de 17de eeuw zijn Thorbeckegracht 73 (1696), Diezerstraat 52 (1698) en mogelijk ook Eiland 38-38a. Uit de 18de eeuw dateert een groot aantal klok-, hals- en lijstgevels, waarvan we hier een selectie geven. Klokgevels met bekronend fronton bleven de gehele eeuw in zwang. Voorbeelden zijn: Buitenkant 7 (1724), Vispoortenplas 1 (1740), Sassenstraat 53 en 54 (1756), Koestraat 38 (1758), Walstraat 16 (1762; zonder fronton), Diezerstraat 126 (1764), Vijfhoek 1 (1789), Diezerstraat 41, met bekronende vierkante vaas in Lodewijk XVI-trant, Diezerstraat 101 (1792) en Diezerstraat 111 (1796). Uit het derde kwart van de 18de eeuw dateren de klokgevels van Diezerstraat 13, 21 en 31, die in de top een groot rococo-schelpornament hebben. Een eenvoudiger schelpornament is te zien bij de klokgevels van Diezerstraat 67, Praubstraat 7, Waterstraat 32 en 34. Het diepe huis Thorbeckegracht 41 heeft een aardige halsgevel met klauwstukken, in de top gedateerd ‘1721’. Boven de deur zit een gevelsteen voorstellende ‘'t Veer Schip op Utrecht’. Rechts van het huis bevindt zich een osendrop, afgesloten met een deur. Vergelijkbare halsgevels hebben Thorbeckegracht 59 (1740) en Thorbeckegracht 61, voorzien van opnieuw geschilderde alliantiewapens. Het onderkelderde dubbelpand Sassenstraat 27 heeft twee identieke, later gepleisterde halsgevels, met gebeeldhouwde halfronde topafdekking en aanzetvoluten; beide gedateerd 1730. Aan het begin van de Diezerstraat staan drie halsgevels, waarvan de vensters en de onderpuien later zijn gewijzigd. De gevel van Diezerstraat 1 dateert uit 1743 en heeft klauwstukken in metselwerk en een houten gebogen fronton. De halsgevel van Diezerstraat 3 uit 1737 - herbouwd en verhoogd in 1938 - heeft klauwstukken in Lodewijk XIV-stijl. Het huis heeft overigens een middeleeuwse kern. De vergelijkbare halsgevel van Diezerstraat 5 heeft een wellicht later geplaatst, gebogen fronton met het jaartal 1762. Andere halsgevels met klauwstukken en bekroning in Lodewijk XIV-stijl zijn: Melkmarkt 20 (na een brand in 1912 een verdieping lager herbouwd), Melkmarkt 46, voorzien van wapenschild, Diezerstraat 54 en Diezerstraat 18, waarbij de halsgevel merkwaardig genoeg is geplaatst op een kroonlijst.

De binnenstad is vrij rijk aan monumentale 18de-eeuwse lijstgevels, vooral aan de Kamperstraat en de Koestraat. Kamperstraat 10 heeft een voorgevel uit het tweede kwart van de 18de eeuw, voorzien van een middenrisaliet met gebeeldhouwde zandstenen deuromlijsting en balkon in Lodewijk XIV-trant. Boven de waarschijnlijk omstreeks 1800 vernieuwde kroonlijst zit een gebeeldhouwd zandstenen attiek met het alliantiewapen van Wolter van Haersolte tot Oldenhof en Geertruid van Haersolte. Een tegeltableau herinnert aan een latere bestemming als catechisatiegebouw. Achter de gevel verschuilt zich een dwars huis uit de tweede helft van de 14de eeuw. De gang van de begane grond en de kamers-en-suite links daarvan hebben stucplafonds in Lodewijk XIV-stijl. De brede lijstgevel van het herenhuis Kamperstraat 12 dateert uit circa 1747 en heeft geblokte hoekpilasters en een middenpartij met rijk gebeeldhouwde omlijsting. Op die omlijsting prijken krijgsattributen en het alliantiewapen van Christiaan Albrecht graaf van Rechteren van Borchbeuningen en Vellner en Johanna E.A. baronesse van Lintelo tot d'Ehse. Achter de gevel zitten resten van oudere bebouwing, zoals de linker zijgevel met laat-gotische trapgevel voorzien van ezelsruggen. Het pand is recent gerestaureerd; het toen aangebrachte uithangbord met kroon verwijst naar hotel De Keizerskroon dat van 1835 tot 1929 in dit pand was gevestigd. De poort naar het achterterrein zal in die tijd zijn aangebracht. Het onderkelderde dubbele pand Melkmarkt 49 heeft een uit 1731 daterende lijstgevel in Lodewijk XIV-stijl. Op de gevel zit een attiek met alliantiewapen; de dubbele ingangspartij heeft een rijk gesneden houten omlijsting. Sinds 1909 is het pand in gebruik als winkel.

Andere interessante lijstgevels met deuromlijstingen en kroonlijsten in Lodewijk XIV-vormen zijn: Nieuwe Markt 4 (circa 1720), Kamperstraat 11 en 19 (beide omstreeks 1725), de laatste met mezzaninovensters in de kroonlijst, Koestraat 16, Korte Kamperstraat 10 (1738) en Voorstraat 17. Bij enkele lijstgevels zijn boven de ramen gelobde boogvelden met snijwerk aangebracht, zoals bij Melkmarkt 34 (tweede kwart 18de eeuw) en Sassenstraat 47 (derde kwart 18de eeuw), met gebeeldhouwde natuurstenen boogvullingen. Het brede huis Koestraat 10 heeft een sobere 18de-eeuwse lijstgevel. De ondiepe kamer rechts van de ingang

illustratie

Zwolle, Woonhuis Kamperstraat 12


[p. 303]

heeft een bepleisterde balkenzoldering uit de eerste helft van de 17de eeuw en een schouw met eikenhouten betimmering voorzien van Lodewijk XIV-snijwerk; er hangt een schilderstuk met allegorische voorstelling van een vrouw met negerpage. Het Van Haersoltehuis (Blijmarkt 16), een blokvormig classicistisch pand met omlopend schilddak, werd in 1733 gebouwd in opdracht van A.S. van Haersolte. Het huidige uiterlijk kreeg het aan het eind van de 18de eeuw toen ook inwendig een verbouwing in Lodewijk XVI-stijl plaatsvond. Uit die tijd dateren de wanden en het stucplafond van de vestibule, de stucplafonds van de kamers rechts van de ingang en de inrichting van de zaal links van de vestibule. In die zaal bevindt zich een schoorsteenmantel in wit marmer en een wandbetimmering met geschilderde behangsels - vijf dramatische taferelen, wellicht ontleend aan een roman - met daarboven putti; een bovendeurstuk toont een medaillon met emblemen van muziek, toneel en buitenleven. Van 1949 tot 1977 herbergde het pand het kantongerecht. Het pand Thorbeckegracht 27-28 heeft een lijstgevel uit de tweede helft van de 18de eeuw; binnen zijn er stucwerk in rococo-vormen en een trappenhuis met sierlijke ornamenten in Lodewijk XV- en XVI-vormen.

Rondom de Grote Markt hebben vrijwel alle huizen in de tweede helft van de 18de eeuw een lijstgevel gekregen en zijn nu veelal voorzien van moderne winkelpuien. Aan de Bloemendalstraat voorzag men de veelal oudere huizen van strakke lijstgevels, sommige voorzien van consoles in Lodewijk XV-stijl. In de straat woonde een aantal bekende patriotten, zoals Joan Derk van der Capellen tot den Pol (op nr. 12) en Rhijnvis Feith (op nr. 18). Bij de lijstgevel van Diezerstraat 83 is de kroonlijst voorzien van een verhoogd middenstuk in Lodewijk XIV-trant. Diezerstraat 39, dat tegen 1800 de woning van de Franse commandeur was, heeft een kroonlijst voorzien van Lodewijk XVI-decoraties. Van de strakke, ongeornamenteerde lijstgevels uit het eind van de 18de eeuw noemen we Voorstraat 41 - in het achterliggende, oudere pand was van 1633 tot 1694 het Zwolse munthuis gevestigd - en Koestraat 40.

19de- en 20ste-eeuwse huizen De laat-18de-eeuwse gevel van Sassenstraat 41, voorzien van een met festoenen versierde natuurstenen borstwering en een kroonlijst met fronton, kreeg bij een verbouwing omstreeks 1820 empire-ramen met snijwerk in de zwikken. Ook andere 18de-eeuwse lijstgevels kregen een vernieuwd uiterlijk door het aanbrengen van dergelijke ramen, zoals bijvoorbeeld Kamperstraat 21, met fraai gesneden bovenlicht, en Bloemendalstraat 18, met grote, halfrond afgesloten dakkapel. Tot de vroeg-19de-eeuwse gevels behoren Melkmarkt 45, Diezerstraat 42-44, Kamperstraat 16 (1803) en Kamperstraat 29.

In 1853-'54 kwam naar plannen van W. Klinkert het woningblok Eekwal 11-27 tot stand. Deze gepleisterde woningen in neoclassicistische vormen hebben een begane grond en mezzanino en staan op aan elkaar gekoppelde kelders met tongewelven. De kelders zijn restanten van 17de-eeuwse vestingwerken van het Eekwalbolwerk. Op de door de ontmanteling van de vesting vrijgekomen wallen en bolwerken verrezen herenhuizen, bijvoorbeeld de gepleisterde eclectische herenhuizen Eekwal 2-10 en 14-20 uit de jaren zeventig van de 19de eeuw. De villa Eekwal 3 kwam in 1885 gereed in neorenaissancestijl. Op een voormalig bolwerk aan de noordoostzijde van de stad staan de gepleisterde herenhuizen Badhuiswal 8-9, opgetrokken in 1873 in eclectische vormen voor W.J.A. Huberts en W.A. Elberts naar plannen van W. en F.C. Koch. Langs de zuidelijke wal en op het bastion Suikerberg werd de Potgieterssingel aangelegd. Het eenlaagshuis Potgieterssingel 1a ontstond uit een uit 1875 daterend neoclassicistisch tuinhuisje met driezijdige sluiting, behorend bij een pand aan de Blijmarkt. In 1892 werd het in neorenaissance-stijl uitgebreid. De drie voorm. herenhuizen Potgieterssingel 5-6-7 verrezen in 1883-'84 in eclectische stijl. Ook het Van Nahuysplein en het Ter Pelkwijkpark werden op de plaats van bolwerken aangelegd. Het meest monumentale pand daar is de villa Ter Pelkwijkpark 18 uit 1884, gebouwd in rijke neorenaissance-stijl naar plannen van

illustratie

Zwolle, Villa Ter Pelkwijkpark 18


S.J.H. Trooster voor de koopman A.P.J. Trip. De villa heeft onder meer houten serres en een ronde toren met een achtzijdige spits. Van 1916 tot 1967 diende het als gemeentehuis van Zwollerkerspel, nu is het in gebruik bij een begrafenisvereniging. Ter Pelkwijkpark 4 is het voorm. koetshuis. De eclectische herenhuizen Ter Pelkwijkpark 12-13, 14-17 en 19-21 dateren eveneens uit de jaren tachtig. Aan de overzijde van de stadsgracht kwam in 1880 de Hardenberg (Groot Wezenland 30-41) tot stand, een blok van 12 huizen in eclectische vormen, naar ontwerp van W. en F.C. Koch. Een bijzonder ensemble van monumentale huizen verrees ten zuiden van de binnenstad, tussen stadsgracht en spoor (de Weezenlanden). De aan de Burgemeester Van Roijensingel (voorheen Klein Weezenland) gebouwde monumentale villa's zijn nu bijna allemaal in gebruik als kantoren. In het begin ging het om geïsoleerde buitenhuizen met grote tuinen. Het oudste is Van Karnebeekstraat 14-14a, een wit gepleisterd gebouw in neoclassicistische vormen uit 1841. Burg. van Roijensingel 8, oorspronkelijk een eenlaags buitenhuis van H.A.D.J. baron van Haersolte uit 1842, kreeg in 1852 twee zijvleugels naar plannen van M. de Groot en in 1900 een verdieping in aangepaste stijl. Huize Eekhout (Burg. Van Roijensingel 2-3) werd gebouwd in 1860 in vroeg-eclectische vormen voor mr. E.J. Eekhout naar plannen van M. de Groot. Het gebouw

[p. 304]

heeft uitspringende zijvleugels en een mezzanino. Delen van de oorspronkelijk tuin in Engelse landschapsstijl zijn sinds 1911 als openbaar park toegankelijk (Park Eekhout). Aan de achterzijde is recent een grote kantooraanbouw met glazen wanden toegevoegd. Een ander vroeg voorbeeld van eclecticisme is de villa Burg. Van Roijensingel 1, gebouwd in 1862 met een ongebruikelijke asymmetrische voorgevel. In 1913 kreeg het pand een torenachtige aanbouw.

Na de opening van het station in 1868 volgden nieuwe villa's met uitgestrekte tuinen. Burg. Van Roijensingel 4 is een grote blokvormige, gepleisterde villa in eclectische vormen, gebouwd in 1872-'73 naar ontwerp van W. en F.C. Koch voor H.O graaf van Limburg Stirum. Advocaat E.J.I. van Sonsbeek liet in 1872-'74 naar plannen van B.H. Trooster de blokvormige villa Burg. Van Roijensingel 13 bouwen, voorzien van een torenvormig verhoogde middentravee met rijke eclectische decoraties. Burgemeester I.A. van Roijen bewoonde dit pand en liet onder meer in 1900 de werkkamer verbouwen naar plannen van G. Kamphuis. De eclectische villa Burg. Van Roijensingel 5 verrees in 1875-'77 voor kantonrechter L.J. Rietberg naar ontwerp van J. de Groot en heeft een opvallende driezijdig gesloten middenrisaliet met koepel en grote dakkapellen. In de tuin staat een bijgebouw met prieel uit 1884-'85. De villa Burg. Van Roijensingel 6, gebouwd in 1882-'83 voor boterhandelaar S.L. Cohen naar plannen van I. Gosschalk, vertoont een overgangsstijl naar de neorenaissance. Wijnhandelaar J.F.G. van Reede liet in 1883-'85 de villa Burg. Van Roijensingel 18 bouwen naar ontwerp van S.J.H. Trooster; het huis heeft een zeer plastisch uitgewerkte voorgevel in neorenaissance-stijl. De rechterzijde is in 1901 met een verdieping verhoogd. De eenlaags dienstwoning (Burg. Van Roijensingel 17) werd in 1898 gebouwd naar ontwerp van D. de Herder, in neorenaissance-stijl. De villa Burg. Van Roijensingel 7 uit 1891, gebouwd in latere neorenaissance-vormen, kreeg in 1923-'24 een kantooruitbreiding in expressionistische stijl naar ontwerp van J. Leussink.

Langs de Stationsweg staan ook monumentale villa's. Burgemeester jhr.

W.C.Th. van Nahuys liet in 1868-'69 Stationsweg 7 bouwen. Dit oorspronkelijk blokvormige pand in eclectische vormen werd bij de verbouwing tot hotel (Wientjes) in 1929 in aangepaste stijl vergroot en voorzien van een bordes langs de hele voorgevel. De villa Stationsweg 2 is uitgevoerd in eclectische vormen met veel neorenaissance-elementen. Ze verrees in 1881 in opdracht van jhr.

L. Sandberg tot Essenberg naar ontwerp van S.J.H. Trooster.

Het gebied tussen singel en het spoor werd geleidelijk verder volgebouwd met herenhuizen en middenstandswoningen, voornamelijk in neorenaissance-stijl. Aardige voorbeelden zijn Van Karnebeekstraat 12 uit 1883, ontworpen door S.J.H. Trooster voor E.G. Senden, en het dubbele herenhuis Terborchstraat 10-12 uit 1887-'88. Nabij de verlegde Willemsvaart bouwde de Zwolsche Bouwmaatschappij in 1891-'93 de Emmawijk, middenstandswoningen en herenhuizen naar ontwerpen van S.J.H. Trooster, in neorenaissance-stijl. Het grootste en meest rijk uitgewerkte pand is Emmawijk 2, gebouwd in 1893, met grote aangebouwde houten serre en nu in gebruik als kantoor.

Het blok eenlaagswoningen Van Karnebeekstraat 106-114, met souterrain en blokbepleistering, werd gebouwd in 1873 naar plannen van B.J. Ernst. De Van Karnebeekstraat vormde in het oosten van de Stationswijk de overgang naar de wijk Assendorp, waar aan het eind van de 19de eeuw diverse projecten met arbeiderswoningen tot stand kwamen, zoals Eigenhaardstraat 12-46 en Assendorperstraat 41-43 van de woningbouwvereniging Eigen Haard, gebouwd in 1893-'94 naar plannen van W. en F.C. Koch. De woningen Eigenhaardstraat 33-41 hebben gevarieerde topgevels in neorenaissance-vormen. Andere aardige arbeiderswoningen met neorenaissance- of chaletstijl-elementen van omstreeks 1895 zijn Molenweg 44-46, Molenweg 90-126, Groenestraat 4, Tweede Weidjesstraat 8-22 en Assendorperstraat 180; Assendorperdijk 24-30 kwamen in 1899 tot stand.



illustratie

Zwolle, Woonhuis Van Nagellstraat 19


De neogotiek is vrij weinig toegepast bij de huizenbouw in Zwolle aan het eind van de 19de eeuw. Een voorbeeld is Oude Vismarkt 7 uit circa 1895, voorzien van rondboogportiek met visblaastracering. De neorenaissance-stijl komt, zoals hiervoor al is gebleken, veel vaker voor. Nog niet genoemde voorbeelden zijn Diezerstraat 16 (circa 1890), Rodetorenplein 7-9 (1895-1900) en Diezerstraat 35, waarvan de uit 1900 daterende topgevel op bizarre wijze is geplaatst voor een lijstgevel. Opmerkelijk in uitvoering is ook de gevel van Diezerstraat 37, met pseudo-vakwerk en een op slanke kolommen vooruitspringende geveltop in chalet-stijl. Het in 1901-'03 gebouwde woonhuis van architect F.C. Koch, Ter Pelkwijkstraat 1, is door hemzelf en zijn zoon J.D.C. Koch ontworpen in een combinatie van neorenaissance- en chaletstijl-elementen. Het huis is uitgevoerd in rode verblendstenen en heeft een opengewerkt houten balkon boven stenen erker. Vergelijkbaar zijn de door F.C. Koch ontworpen huizen Ter Pelkwijkstraat 3-5 uit 1898. Een laat voorbeeld van neorenaissance is Oude Vismarkt 15, gebouwd in 1907-'08 naar ontwerp van G.G. Post voor A. en L. Marcus. Een gevelsteen draagt de tekst: ‘Yn it Fryske Slachthuws’.

Vanaf circa 1900 werd er veel gebouwd in jugendstil. Aan de Van Nagellstraat, tussen 1898 en 1903 bebouwd in opdracht van de Zwolsche Bouwmaatschappij naar ontwerpen van G.B. Broe-

[p. 305]

kema, zijn de huizen voornamelijk in jugendstil-vormen uitgevoerd, maar er zijn ook andere invloeden. Van Nagellstraat 19 (1898) heeft een opmerkelijk gedetailleerde ingangstravee met oriëntaalse invloed, Van Nagellstraat 4-6 (1902-'03) hebben topgevels in pseudo-vakwerk. De in 1903 in opdracht van K. Admiraal naar ontwerp van G.G. Post opgetrokken woningen Philosofenallee 31-36 hebben duidelijke jugendstil-vormen, zoals de dubbele portieken met hoefijzerbogen. Van dezelfde architect is het dubbele jugendstil-pand Willemskade 17-18 uit 1905. De uit omstreeks 1905 daterende woningen Enkstraat 62-64a en Eigenhaardstraat 9-11a vertonen jugendstil-invloed in de toegepaste verblendsteen- en tegeldecoraties. Kerkstraat 5 is een pand in jugendstil-vormen uit omstreeks 1910, opgetrokken in verblendsteen met een entree in een hoektoren en een houten balkon op korbelen.

De wijk Veerallee werd vanaf circa 1900 volgebouwd en vertoont diverse stijlen. Het zuidelijkste deel, de jhr. Strick van Linschotenlaan, heeft laat-19de-eeuwse villabebouwing met neorenaissance-elementen. Het noordelijke deel, met name de Wilhelminastraat en de Prins Hendrikstraat, kenmerkt zich door middenstands- en herenhuizen in jugendstil-vormen. De vooral naar ontwerpen van G.G. Post en G.B. Broekema gebouwde huizen zijn uitgevoerd in diverse kleuren baksteen met decoraties in verblendsteen en tegeltableaus met florale motieven. Goede voorbeelden zijn Wilhelminastraat 14-16, Prins Hendrikstraat 1 en Prins Hendrikstraat 17-17a; de laatste hebben tevens fraaie glas-in-lood-partijen bij de trappenhuizen. In de Prins Hendrikstraat hebben de huizen rijk bewerkte windveren bij dakkapellen en topgevels. Eveneens een ontwerp van G.B. Broekema is het dubbele herenhuis Veerallee 37-38 uit 1907, uitgevoerd in jugendstil-vormen met een karakteristieke ronde hoektoren met klokdak. Het achter dit deel van de Veerallee gelegen deel van de wijk werd in het interbellum volgebouwd. Aan de Julianastraat en Mauritsstraat staan karakteristieke voorbeelden van volkswoningbouw en aan de Oranje-Nassaustraat middenstandswoningen, zoals het in 1933-'34 naar ontwerp van W.A. Lensveldt opgetrokken Oranje Nassaulaan 8, met grote halfronde erker en halfronde dakkapel.

Voorbeelden van heroriëntatie- of ‘Um-1800’-stijl te Zwolle zijn de villa Eekwal 1a uit circa 1910, het herenhuis Eekwal 12 en de woonhuizen Venestraat 2-20. De laatste werden in 1914 gebouwd naar ontwerp van G.B. Broekema en vallen op door de golvende vormen van de kroonlijsten en de gebogen luifels boven de portieken. Het drielaags ‘flatgebouw’ Westerstraat 28-32 kwam in 1926-'27 tot stand naar ontwerp van D. de Herder. Het gebouw is in zijn plattegrond aangepast aan een bocht in de straat. De invloed van de Delftse School is duidelijk herkenbaar bij het pand Van Nahuysplein 13, met aangebouwde garage. Boven de deur zit een reliëf met de tekst ‘Het huis aan de gracht 1934’. Tot slot kan nog de in 1971-'75 naar ontwerp van A.E. van Eyck en Th.J.J. Bosch verwezenlijkte aangepaste nieuwbouw tussen Nieuwstraat en Waterstraat worden genoemd, die met name door het afgeknotte zadeldak lange tijd als voorbeeld diende voor stadsvernieuwingsarchitectuur.

Winkels. De belangrijkste winkelstraten van de stad zijn de Diezerstraat, de Sassenstraat en de Luttekestraat en verder de Melkmarkt. De binnenstad is rijk aan interessante winkelpuien. De hoge, laat-18de-eeuwse lijstgevel van de drogisterij Diezerstraat 14 heeft nog de originele onderpui - een unicum in deze winkelstraat. De ingang is voorzien van een snijraam met gaper en een voorstelling van goederen met de tekst ‘specerijen en verfwaren’. Het woon- en winkelpand Sassenstraat 21 kreeg zijn huidige uiterlijk met rijke eclectische vormen omstreeks 1880, wellicht naar ontwerp van S.J.H. Trooster, en is in 1985 gerestaureerd. De houten winkelpui heeft een frontonbekroning boven een korfboog op zuiltjes. Het fraaie winkelinterieur bezit het oorspronkelijke stucwerk en betimmeringen met rijke ornamenten. In de 17de eeuw werd het pand bewoond door de schildersfamilie Terborch.



illustratie

Zwolle, Woonhuizen Venestraat 2-20


Rijk geornamenteerde neorenaissancewinkelpuien uit circa 1885 zijn te vinden bij Diezerstraat 40 en 58. Uit dezelfde tijd stammen de neorenaissancepuien van Melkmarkt 18, 24 en 35, maar deze zijn enigszins verminkt. In strakkere neorenaissance-vormen zijn verder onder meer uitgevoerd de hardstenen winkelpuien van Bloemendalstraat 2-2B en Kamperstraat 35-35a, beide uit circa 1900.

Het woon- en winkelpand Luttekestraat 16 dateert uit 1903 en is voorzien van een rijk gedetailleerde neorenaissance-gevel met jugendstil-elementen. Bij de gevel en winkelpui van Kamperstraat 31 uit 1904, een ontwerp van M. Meijerink zijn uitbundige neorenaissance-vormen toegepast. De invloed van de jugendstil komt hier tot uitdrukking in het gebruik van verblendsteen in verschillende kleuren. De voorm. apotheek Meulenhoff (Diezerstraat 93) heeft een lijstgevel uit 1862 en een opvallende

illustratie

Zwolle, Winkelpui apotheek Meulenhoff


[p. 306]

jugendstil-winkelpui uit 1904, naar ontwerp van J.H. de Herder en J.J. Hellendoorn. De pui is uitgevoerd in hardsteen, helder paars geglazuurde baksteen en gelakt hout. De hardstenen delen zijn versierd met zweepslagornamenten en reliëfs, zoals in het midden een voorstelling van Asklepios. De puibalk draagt de tekst ‘1816 Drogerijen Chemicaliën 1904’. Het woon- en winkelpand De Mercuur (Luttekestraat 11) is in 1882-'83 naar ontwerp van W. Klinkert gebouwd; de winkelpui in jugendstil-vormen dateert uit 1909. Sassenstraat 16 kreeg in 1910 een hardstenen jugendstilpui naar plannen van G.G. Post voor Boek-, Muziek- en Kunsthandel J. Tamse. De teakhouten etalageramen hebben bovenlichten met glas-in-lood. Andere vroeg-20ste-eeuwse winkelpuien in jugendstil-vormen zijn onder meer te vinden bij Melkmarkt 16, Diezerstraat 10, Rode Haanstraat 7 en Assendorperstraat 56.

De voorm. werkplaats en winkel van meubelfirma F.J. Schoenmaker, Oude Vismarkt 9 verrees in 1907 naar ontwerp van M. Meijerink. Opvallende elementen zijn de halfronde bovenetalages, de gepleisterde nissenreeksen en de geveltop in pseudo-vakwerk. De voorm. banketbakkerij Assendorperstraat 48-48b werd in 1926-'27 gebouwd voor Th.G. en J.D. Foster naar ontwerp van G.Th. Ruberg, in expressionistische trant. De betegelde pui draagt de tekst ‘Biscuits-Banket-Bonbons’. Het winkelinterieur is nog aanwezig. Een goed voorbeeld van de baksteenarchitectuur uit het interbellum is de gevel van Suisse (Luttekestraat 17), gebouwd omstreeks 1930. De gevel heeft vlaggenmasthouders met siersmeedwerk en een pui met glas-in-lood bovenlichten.

De voorm. sociëteit De Harmonie (Grote Markt 13A) [36] is een neoclassicistisch blokvormig gebouw met souterrain uit 1828. Moderniseringen, zoals het verhoogde terras, hebben het oorspronkelijke aanzicht verminkt.

Banken. De voorm. spaarbank van de Vereniging tot Nut van het Algemeen (Blijmarkt 23) heeft een neorenaissance gevel-uit 1889 naar ontwerp van W. en F.C. Koch. Het in rationalistische vormen opgetrokken bankgebouw Luttekestraat 35, oorspronkelijk van de

illustratie

Zwolle, Kantoorgebouw N.V. Electriciteits Fabriek IJsselcentrale


bank Wertheim & Gompertz, dateert uit 1919-'20. Het bankgebouw Melkmarkt 1-5, oorspronkelijk van de Geldersche Credietvereniging, verrees in 1927-'28 naar ontwerp van G.L. van Straaten in eenvoudige expressionistische vormen.

Kantoren. Uit 1902 dateert het kantoorpand Eekwal 7, opgetrokken naar ontwerp van G.G. Post in een combinatie van chalet- en jugendstil-vormen voor de Overijsselsche Bouwmaatschappij.

Het kantoorpand Burg. Van Roijensingel 9/I kwam in 1914 tot stand in opdracht van de Eerste Onderlinge Aannemers Verzekeringsmaatschappij naar ontwerp van M. Meijerink in traditionele vormen. Het opschrift van het ingangsportaal herinnert aan de tijd dat in dit gebouw de bank van Doijer & Kalff was gevestigd. Het voorm. kantoor annex pakhuis en dienstwoning van de N.V. Stoombootreederij, voorheen J & R. van der Schuyt (Thorbeckegracht 44/Posthoornbredehoek 2) werd gebouwd in 1916 naar ontwerp van J.D.C. Koch in traditionalistische vormen. Het kantoorgebouw van de N.V. Electriciteits Fabriek IJsselcentrale (Zeven Alleetjes 1) [37] kwam in 1939-'46 tot stand naar plannen van A.J. van der Steur en M. Meijerink. De drie in hoogte verschillende bouwdelen zijn in een aan de Delftse School verwante stijl uitgevoerd. De details zijn zorgvuldig vormgegeven in kunstzandsteen, natuursteen en metaal. De trappenhal met groot glas-in-lood-venster en een directie- en vergaderkamer verkeren nog in originele staat. Het kantoorgebouw van Schrale's beton (Willemsvaart 21) is in 1957 door de opdrachtgever zelf uitgevoerd naar ontwerp van G.Th. Rietveld.

Het Hopmanshuis (Rodetorenplein 15) [38] is een groot blokvormig gebouw van drie bouwlagen boven een souterrain met een omlopend schilddak en vier hoekschoorstenen. Het werd omstreeks 1663 gebouwd als handelsmagazijn van Claes Cock en bestond toen voor de helft uit baksteen en aan de achterzijde uit hout; dat deel was boven de stadsgracht uitgebouwd. De huidige naam verwijst naar hopman Jannes Nauta die het pand van 1720 tot 1750 bewoonde. Hij liet in 1725 de bel-etage voorzien van een ingangsomlijsting, een bordestrap en grote vensters. De achterzijde

illustratie

Zwolle, Oliemolen De Passiebloem


[p. 307]



illustratie

Zwolle, Hopmanshuis


werd in steen herbouwd met behoud van de kap over het hele pand. Het interieur bevat nog stucwerk en een spiltrap met gesneden leuning uit 1725. Vanaf 1843 stond het gebouw bekend als de ‘Nieuwe Stadsherberg’ of het ‘Huis met de 99 vensters’. Tegenwoordig is het als kantoor in gebruik.

Windmolen ‘de Passiebloem’ (Vondelkade 175), is een achtkante rietgedekte stellingmolen uit 1776 en in 1867 voorzien van een nieuwe molenas. De langgerekte houten onderbouw diende als voorraadschuur van deze oliemolen. De molen is omstreeks 1986 gerestaureerd.

Bedrijfsgebouwen. Tegen de stadsmuur staan enkele voorm. 18de-eeuwse pakhuizen (Aan de Stadsmuur 79-83), nu in gebruik bij het Oversticht. Het 18de-eeuwse eenlaags pand Thomas á Kempisstraat 38 is sinds 1835 in gebruik als smederij. Een van de twee gevelstenen toont smidsgereedschap, een kroon en het jaartal 1885. De gerestaureerde dubbele hoefstal voor de gevel zal uit dat jaar dateren. De voorm. hoefsmederij Luttekestraat 64-66, nu in gebruik als restaurant, heeft in het interieur een houten dubbele hoefstal uit de tweede helft van de 19de eeuw, die nu als kapstok dient. Het voorm. magazijn Molenweg 169 werd in 1896-'98 gebouwd voor de firma H.G.J. Luken, naar ontwerp van G.B. Broekema in neorenaissance-stijl.

illustratie

Zwolle, Hoge Spoorbrug


Het laat-19de-eeuwse pakhuis Thorbeckegracht 39 heeft een gevel in neorenaissance-vormen. In de Wolweverstraat staan verschillende 19de-eeuwse pakhuizen, vrijwel alle verbouwd tot appartementen. De voorm. lakfabriek van de firma Klinkert & Co. (Hertenstraat 27) is gebouwd in 1914 in rationalistische vormen naar ontwerp van J. van Dijk en J.D.C. Koch. In de trant van de Delftse school is het bedrijfspand Thorbeckegracht 19 uit 1940.

Het voorm. badhuis (Badhuiswal 3-3I) [39] werd in 1842 in opdracht van de gemeente gebouwd. Het gepleisterde pand met uitstekende zijvleugels heeft aan de noordzijde een aanbouw uit omstreeks 1880.

Het station (Stationsplein 16) is in 1863-'68 gebouwd als Staatsspoorstation Ie klasse in een neoclassicistische stijl. Het wit gepleisterde gebouw bestaat uit een tweelaags middendeel, met fronton en pilasters, en lage zijvleugels die op hun beurt weer zijn verlengd met, iets smallere langgerekte vleugels. De meest rechtse vleugel is later naar voren toe uitgebreid. Aan de perronzijde heeft het station een lange bogenrij met pilasters. Van de oude perronkap is één sikkelspant bewaard in de westelijke kopgevel van de nieuwe overkapping. Over het stationsemplacement is in 1882-'83 de Hoge Spoorbrug (Van Karnebeekstraat/Schellerweg) gebouwd naar ontwerp van jhr. ir. M.J. Schuurbecque Boeye. De Kamper firma H. Dalhuisen construeerde deze 107 meter lange brug met drie, voor Nederland unieke, lensvormige

[p. 308]



illustratie

Zwolle, Openlucht Bad- en Zweminrichting (1994)


hoofdliggers. Vanwege de elektrificatie van het spoor is de brug in 1954 circa 80 centimeter hoger gelegd. Bij de restauratie in 1991-'93 zijn de opritten gewijzigd.

De voorm. bioscoop De Kroon (Diezerstraat 64-66) [40] verrees in 1929 naar ontwerp van H.J. Voogden in functioneel-expressionistische vormen. Ongebruikelijk is de hoog opgaande, in het midden geknikte achtergevel met lagere aanbouw aan het Gasthuisplein.

De Openlucht Bad- en Zweminrichting (Ceintuurbaan 1) is in 1933-'34 tot stand gekomen naar ontwerp van J.G Wiebenga in de stijl van het Nieuwe Bouwen. Het complex omvat entree- en kleedgebouwen, enkele kleine baden, een wedstrijdbad met springplanken en (ingekorte) tribune, en een lage uitkijkpost voorzien van vlaggenmast. Het bad is omstreeks 1997 gerestaureerd.

De watertoren (Turfmarkt ong.) werd in 1892 gebouwd naar plannen van J. Schotel. Bij een verbouwing in 1959 heeft men om de oude constructie met ijzeren hangbodemreservoir een nieuwe bakstenen mantel aangebracht.

Bruggen. De Schoenkuipenbrug (Bagijnesingel ong.) over het Overijssels Kanaal is een uit 1906-'07 daterende draaibrug met houten brugwachtershuisje, gebouwd naar plannen van L. Krook. Hij ontwierp ook de in 1908-'09 gebouwde Sassenpoortbrug (Burgemeester Van Roijensingel ong.) [41] over de stadsgracht. Deze in rationalistische vormen uitgevoerde vaste brug heeft een met baksteen beklede, betonnen draagconstructie. Ze is voorzien van het stadswapen en bronzen lantaarns op piëdestals van gepolijst graniet.

Pompen. In de stad staan enkele midden-18de-eeuwse natuurstenen stadspompen in rococovormen met bronzen uitlaten en zwengels, namelijk aan de Grote Markt bij de Hoofdwacht, aan de Blijmarkt naast Koestraat 2 en aan de Sassenstraat bij nummer 35.

De fontein op het Van Nahuysplein, het voorm. Sassenpoortbolwerk, werd in 1892 geschonken door de Zwolse burgerij ter gelegenheid van het 25-jarig ambtsjubileum van burgemeester jhr. W.C.Th. van Nahuys. De firma F.W. Braat uit Delft maakte de in neobarokke stijl uitgevoerde fontein. Bij de vorm van de spuwers diende de beeltenis van de jubilaris als voorbeeld.

Parken. In de eerste helft van de 19de eeuw werden de wallen en bolwerken veranderd in een wandelpark in landschapsstijl, naar plannen van H. van Lunteren. Latere bebouwing heeft deze aanleg met slingerende paden, afwisselende beplanting en gazons veelal tenietgedaan. Het best is de oude situatie nog te herkennen aan de Potgietersingel. Het Engelse Werk is een in 1828 door de stad, waarschijnlijk naar advies van H. van Lunteren, aangelegd wandelpark nabij de IJssel achter de Katerveerdijk. In het fraaie park in Engelse landschapsstijl - waar de naam ook naar verwijst - zijn delen opgenomen van ‘Het Nieuwe Werk’, een in 1698-1701 op advies van Menno van Coehoorn aangelegd vestingwerk, dat in 1809 is opgeheven. De vestinggracht heeft men omgevormd tot bosbeek. Aan de oostzijde ligt een na 1874 naar ontwerp van D. Wattez ingericht en toegevoegd laaggelegen parkgedeelte met een vijver met boseilandjes. Aan de zuidzijde ligt een aanleg uit 1908 (Kieftegat) en in het noordoosten een vanaf 1980 aangelegd recreatiebos (Spoolderbos).

Begraafplaatsen. De door oud geboomte sfeervolle Alg. begraafplaats (Nieuwe Kerkhof) (Meppelerstraatweg 1) is aangelegd in 1823-'25. De toegang wordt gevormd door een ijzeren hek met vier bakstenen hekpijlers met siervazen in rococo-vormen. Ernaast staat een wachtlokaal annex woning (Meppelerstraatweg 3), gebouwd omstreeks 1900 in neogotische en neorenaissancistische vormen. Op de begraafplaats bevinden zich enkele imposante grafmonumenten van vooraanstaande Zwollenaren, waaronder die van Rhijnvis Feith (†1824), vervaardigd door P.J. Gabriël en bestaande uit een hoog voetstuk met reliëf in wit marmer; daarop staat een afgeknotte obelisk met bekronende urn. De R.K. begraafplaats Bisschop Willebrandlaan 62 is in 1841 aangelegd op een terrein geschonken door mr. F.W.J.A. baron van Lamsweerde. De ommuurde begraafplaats heeft een entree met neogotische gietijzeren hekken, met daarnaast een baarhuisje met zadeldak tussen trapgevels. De uit 1883 daterende neogotische kapel met dakruiter en traptorentje werd bekostigd door Paulina M.M. Vos de Waal. Het interieur dateert grotendeels uit de bouwtijd. Bij de Agnietenberg ten noordoosten van de stad ligt de laat-19de-eeuwse, maar deels gemoderniseerde Herv. begraafplaats Bergklooster (Agnietenbergweg 11).

Oorspronkelijk lag hier het laat-middeleeuwse Bergklooster op de Agnietenberg. Ter nagedachtenis aan Thomas à Kempis bevat de begraafplaats een gedenksteen uit 1919, ontworpen door

[p. 309]



illustratie

Zwolle, Katerveersluizen


P.J.H. Cuypers. De aangrenzende Alg. begraafplaats Kranenburg (Kranenburgweg 5) is aangelegd in 1929 in landschapsstijl, naar ontwerp van L. Copijn. Een recente uitbreiding naar ontwerp van J. Copijn heeft een islamitisch gedeelte. Aan de oprijlaan staan vier met siervazen bekroonde, 18de-eeuwse bakstenen hekpijlers, oorspronkelijk behorend bij de buitenplaats Kranenburg. Daarvan bleef verder nog rechts van de laan een bouwhuis uit circa 1800 bewaard. Ten oosten van de stad ligt de Isr. begraafplaats (Kuyerhuislaan 16) uit 1885. Smeedijzeren hekken tussen bakstenen hekpijlers - bekroond met zwarte urnen afgedekt met witte doeken - geven toegang tot een gebouw met rondboogdoorgang en tekstplaat onder de kroonlijst. In het achterste deel van de begraafplaats zijn grafstenen opgenomen die afkomstig zijn van de in 1981 geruimde, sinds 1722 gebruikte Isr. begraafplaats aan de Willemsvaart; hier bevinden zich de stenen van de rabbijnen Hertzveld (†1846) en Fränkel (†1882).

IJsselbruggen. De dubbele spoorbrug over de IJssel (Schellerdijk ong.) werd in 1864 gebouwd voor de lijn Zwolle-Utrecht van de Nederlandsche Centraal Spoorweg Maatschappij. In zijn huidige vorm, met vollewandliggers, hefgedeelte en verstijfde staafboogbruggen, dateert hij uit 1933-'34. Over een nabijgelegen weg ligt een kleine stalen spoorbrug uit 1905. De Oude IJsselbrug (Spoolderbergweg ong.) voor het wegverkeer is gebouwd in 1927-'30. Deze stalen boogbrug met lange bruggen over de uiterwaarden is ontworpen door Rijkswaterstaat en een Duits constructiebureau. Hersteld na zware oorlogsschade is de brug in 1994-'95 nog eens ingrijpend gerenoveerd. De Nieuwe IJsselbrug ernaast dateert uit 1970.

De Katerveersluizen (Katerveerdijk ong.) liggen bij de uitmonding in de IJssel van de Willemsvaart, die ter plaatse een in oorsprong uit 1598 daterende schans doorsnijd. De kleine sluis is blijkens een steen gebouwd in 1818-'19, de grote sluis en de ijzeren ophaalbruggen in 1873. Het sluiswachtersgebouwtje dateert uit circa 1950. De grote sluis is gerestaureerd in 1988 - de sluisdeuren aan de IJsselzijde zijn in 1992 vervangen door een gemaal - en de kleine sluis in 1995. Tot de bouw van de IJsselbrug in 1930 lag bij deze sluizen een van de belangrijkste veerverbindingen in Nederland. Het neoclassicistische Katerveerhuis (Katerveerdijk 3) is gebouwd in 1859 naar ontwerp van J.G.J. van Roosmalen. Erachter staat een tweebeukige schuur uit omstreeks 1880.

De Rademakerszijl (Hasselterdijk ong.), gelegen ten westen van Zwolle, vormt de verbinding tussen het Zwarte Water en de Oude Wetering en is de laatste van de vier schutsluizen van de polder Mastenbroek. De sluis werd aangelegd omstreeks 1365, maar is in 1635 en 1825 ingrijpend vernieuwd. De rechte sluiskolk heeft deels nog 17de-eeuws metselwerk.

Het voorm. dijk-tolhuis (Hassel-

[p. 310]

terdijk 43), gelegen ten westen van de stad, is gebouwd omstreeks 1840 en heeft een portiek met vier houten zuilen onder een overstek van het rieten dak. Aan de achterzijde is recent een dwars huis in traditionele vormen aangebouwd.

Café De Mol (Heinoseweg 32), gelegen aan de weg van Zwolle naar Heino in het dorp Wythmen, is een omstreeks 1800 gebouwde T-boerderij met rieten dak. Bij een recente verbouwing is het aan de achterzijde verlengd en uitgebreid in aangepaste stijl. Verder is er nog een oude inrijschuur met rieten schilddak.

Havezaten. Van het grote aantal riddermatige huizen rond Zwolle zijn slechts enkele bewaard gebleven. De voorm. havezate Den Doorn (De Doornweg 47, Genne) is een eenlaags onderkelderd pand met omlopend schilddak, gelegen op een omgracht terrein. Het huis dateert getuige de ontlastingsbogen boven de vensters voornamelijk uit de eerste helft van de 17de eeuw, maar heeft nog een kelder met laatgotische kruisgewelven. Het huis kreeg zijn huidige vorm in de jaren tachtig van de 19de eeuw toen het westelijke deel van het oorspronkelijk tweebeukige huis werd gesloopt. De zaal heeft een vroeg-18de-eeuws vlak houten plafond met gesneden rankenmotief in Lodewijk XIV-stijl. Het huis is gerestaureerd in 1955-'67. Op het voorterrein staan ter plaatse van het linkerbouwhuis een 19de-eeuwse dwarshuisboerderij en een vrijstaande schuur. Van de havezate Kranenburg (Kranenburgerweg 3, Berkum) die in 1844 werd gesloopt, bleef een van de beide 18de-eeuwse bouwhuizen bewaard. Rond de huisplaats bevinden zich resten van een landschappelijke aanleg. Aan de oprijlaan staat de Prinsenpoort, een monumentaal 18de-eeuws toegangshek.

Buitenplaatsen. Rondom de stad stichtten vermogende Zwolse burgers in de 17de eeuw en 18de eeuw kleine buitenhuizen of spiekers, vaak naast een van hun pachtboerderijen. De meestal eenvoudige geometrische tuinaanleg werd eind 18de en begin 19de eeuw veranderd in een landschappelijke aanleg. Boschwijk (Heinoseweg 11, Wijthmen) is een buitenplaats met uitgestrekt landschapspark. Het midden-18de-eeuwse blokvormige middengedeelte van het huis is in de tweede helft van de 18de eeuw van een verdieping en nog weer later van een klokkentorentje voorzien. De flankerende eenlaags vleugels met erkers zijn omstreeks 1800 toegevoegd. Het landschapspark met serpentinevijver moet omstreeks 1800 zijn aangelegd voor Rhijnvis Feith. Het koetshuis stamt uit 1839. Het empire-toegangshek heeft gemetselde hekpijlers met siervazen uit het eerste kwart van de 19de eeuw. Tot de tuinornamenten behoren twee 17de-eeuwse zandstenen leeuwen afkomstig van de afgebroken Zwolse Diezerpoort. Het midden-18de-eeuwse eenlaags buitenhuis Landwijk (Kuyerhuislaan 4-6, Wijthmen) heeft aan voor- en achterzijde een hoger opgetrokken middenrisaliet met klokgevel bekroond door een natuurstenen rococo-ornament. Van de buitenplaats Soeslo (Heinoseweg 18, Wijthmen) bestaat het huis uit een rond 1770 in opdracht van Derk Royer opgetrokken eenlaags bouwdeel en een in 1815 toegevoegd ondiep tweelaags bouwdeel met lijstgevel en eenvoudige deuromlijsting. Het uit dezelfde tijd daterende koetshuis met mansardedak heeft door lisenen gelede, in het midden ingebogen gevels. Achter het koetshuis staan een kleine 19de-eeuwse langhuisboerderij (Heinoseweg 20) en een schuur, beide met rieten daken. Het geheel ligt in een eenvoudige landschappelijke aanleg. De voorm. buitenplaats Zandhove (Hollewandsweg 17, Hoog Zuthem) heeft als kern een gepleisterd landhuis (nu verpleeghuis) uit 1825. Het drielaags hoofdgebouw heeft een middenrisaliet met gestapelde pilasters. De lagere zijvleugels dateren uit 1880.

De landschappelijke parkaanleg is nog herkenbaar. Huize Arnichem (De Doornweg 17, Genne) is een blokvormig buitenhuis uit de eerste helft van de 19de eeuw met fronton en omlopend schilddak voorzien van hoekschoorstenen. Het koetshuis (De Doornweg 15) dateert uit circa 1850.

De buitenplaats Bikkenrade (Hollewandsweg 40, Harculo) bezit een vroeg-20ste-eeuws blokvormig buitenhuis. Bij de ingang staan bakstenen hekpijlers met natuurstenen dekplaten en siervazen uit 1842. De Bildt (Frankhuisweg 43) is een wit gepleisterd rechthoekig neoclassicistisch buitenhuis uit 1848. Het wit gepleisterde neoclassicistische voorm. buitenhuis Ittersum (Nieuwe Deventerweg 129) dateert uit 1849. Het huisvest nu een kantoor en is in recente tijd uitgebreid. Schellerberg (Schellerbergweg 18) is een nu door nieuwbouw omringde buitenplaats. Het wit gepleisterde eclectische buitenhuis werd gebouwd in 1876 in opdracht van E. Greven ter vervanging van een 17de-eeuwse spieker. Het dienstgebouw (Schellerbergweg 18a) dateert ook uit 1876. In het landschapspark staan enkele 18de-eeuwse tuinbeelden. Nabij het huis bevindt zich een laat-19de-eeuwse hondenkennel.

Ittersum. Dit dorp is inmiddels door nieuwbouwwijken aan Zwolle-Zuid vastgegroeid. De uit 1757 daterende T-boerderij Nieuwe Deventerweg 103 is voorzien van rieten schilddaken. In het in 1878 vergrote woongedeelte bevindt zich nog een kamer met 18de-eeuwse wand- en schouwbetegeling. Ten zuidoosten van de dorpskern liet douairière Van Naamen van Eemnes in 1938 boerderij De Oude Mars (De Mars 2) bouwen naar plannen van P.A. Lankhorst in de vorm van een gesloten hoeve, een type dat buiten Limburg zelden voorkomt.

Berkum. Bij dit dorp ten oosten van Zwolle werd in 1450 ten behoeve van de Hessenweg naar Noord-Duitsland een, inmiddels verdwenen, brug over de Vecht gebouwd. Aan de oever van de omstreeks 1500 ten zuiden van het dorp gegraven Nieuwe Vecht staat de voorm. herberg annex boerderij ‘De Boerendans’ (Campherbeeklaan 98), een T-boerderij uit de eerste helft van de 19de eeuw. Bij de afsplitsing van de Nieuwe Vecht van de Vecht ligt het Nieuwe Verlaat (Maatgravenweg ong.), van oorsprong een schutsluis die nu als keersluis wordt gebruikt. De uit twee hoofden en een gebogen kolk bestaande sluis is in 1914 vernieuwd en in 1987 gerestaureerd.