Nederlandse spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden (4de druk)


auteur: F.A. Stoett


bron: F.A. Stoett, Nederlandsche spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden. W.J. Thieme & Cie, Zutphen 1923-1925 (vierde druk).  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

84. Zijn anker ergens laten vallen,

d.w.z. ergens zijn intrek nemen, om er voortaan - korter of langer - te verblijven, evenals de zeeman zijn anker laat vallen op de plaats, waar hij eenigen tijd moet blijven liggen; Ndl. Wdb. II, 495. Vgl. reeds in het Gr. ἂγκυραν καθιέναι; bij ons Trou m. Blijcken 10, vs. 198: Daer pleech ick gaern mijn ancker te sincken; Kluchtsp. II, 133: Sy hoeven tmynent heur ankertjen niet uyt te smyten, want myn stal en sal gien vreemt man meer beschijten2); fr. s'ancrer auprès de, chez qqn. (vgl. Antw. Idiot. 162: Ievers blijven ankeren, er blijven zitten, hangen, toeven); Goeree en Overflakkee: Zijn anker ergens neerleggen, er blijven eten, logeeren; eng. to drop one's anchor; hd. er geht in jedem Wirtshaus vor Anker; fri. it anker falle litte.