Nederlandse spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden (4de druk)


auteur: F.A. Stoett


bron: F.A. Stoett, Nederlandsche spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden. W.J. Thieme & Cie, Zutphen 1923-1925 (vierde druk).  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

201. Een bengel van een jongen.

De oorspr. bet. van bengel is stok, knuppel en vandaar bij overdracht een lomperd, gemeene kerel, deugniet, guit; vgl. een vlegel3), bonk, knoet, knevel, schoft, een gaffel van een jong (Bergsma, 117); het mnl. en 17de-eeuwsche schudde (gaffel, schurk) en het 17de-eeuwsche loer (zie iem. een loer draaien). Vgl. Draaijer, 7: 'n Hele bungel van 'n jonge, een plompe, groote jongen; fri. in bingel; hd. ein Bengel; en zie Ndl. Wdb. II, 1797; Franck - v. Wijk, 49. Gelijksoortige beteekenisovergangen vertoonen ook Limb. prengel, dikke knuppel, stevige jongen; het fr. palot, schop, spade; lomperd, vlegel; nd. slêf (fri. slêf), lepel en lummel; hd. Hunke, been en schurk; Flätz, vlegel en lomperd (zie Kluge Wtb.7 139). Vgl. no. 220.