459. Een doodzonde,
vooral met de ontkenning het is geen doodzonde, het is niet erg; eig. het is geen groote zonde, die den staat van genade wegneemt, den mensch van de liefde Gods berooft1); dus eene zonde die de ziel doodt, die haar berooft van de liefde en de genade Gods; vandaar in verzwakte beteekenis onvergefelijke fout. In dezen zin sedert de 17de eeuw. Zie Ndl. Wdb. III, 2884 en vgl. kerk-lat. peccatum mortale; fr. péché mortel; hd. todsünde; eng. deadly (mortal) sin.