|
|
|
| |
606. Iemand (of iets) in de gaten hebben (of krijgen),
d.w.z. iemand in het oog hebben, op hem scherp acht geven, met zijne gedragingen en bedoelingen bekend zijn (o.a. Dievenp. 27; 36; Boefje, 22; Falkl. IV, 88). Onder gaten kan men hier verstaan de gaten in het standvizier van een vuurwapen (Ndl. Wdb. IV, 337), doch liever de oogen, de kijkgaten; vgl. de uitdr. kijk uit je gaten, uit je oogen, je doppen (Jord. 66); het loopt in de gaten (o.a. Dsch. 159), de aandacht wordt er op gevestigd; ook pass. ik ben in de gaten geloopen (Nkr. IV, 17 Juli, p. 3); het Antw. de gaten uit zijn, uit het oog verdwenen (ook Waasch Idiot. 230). Synonieme zegswijzen zijn: iemand in de ramen hebben (Jong, 173; Ppl. 12; Dievenp. 164; Köster Henke, 32), in 't appeltje (oogappel) hebben; ook iemand in de loer hebben (Gunnink, 164; Ndl. Wdb. VIII, 2564); in de buis, verrekijker (Ndl. Wdb. III, 1767; Schuermans, 84 a; Waasch Idiot. 149); lang uw oogen uit en kijk uit uw putten (oogholten; Waasch Idiot. 540); op 't schut, in 't vizier hebben (Tuinman I, 188); in 't schot hebben (Köster Henke, 60); in den
| | | |
kijker(d) hebben (zie Mghd. 140) naast het liep in den kijkerd, het viel op (Boefje, 162), in den snuf hebben (Schuermans, 643 b), in de snuif hebben, iem. snuiven (o.a. Jord. 42), in 't snotje (neus, o.a. M. de Br. 118), in den neus hebben; in de lamp hebben (in Twee W.B. 99; Opr. Haarl. Cour. 14 Aug. 1922, p. 2), in de lampies hebben (in Menschenw. 165; vgl. eng. lamps, oogen); in de mot hebben (Ganderheyden, 10; Molema, 127 b; Fri. Wdb. II, 148; V.d. Water, 109; Schuermans, 393; Joos, 85; 105; Hoeufft, 396; Taalk. Magazijn I, 319 en Harrebomée II, 105 b); in de smiezen hebben (o.a. Ppl. 64; Leersch. 94; Landl. 58; 140; 160; Boefje, 59; 99; 168; Dievenp. 10); in de smiezen loopen (Handelsblad 21 Dec. 1914 (A), p. 5 k. 3); in de kieren hebben of krijgen, waarin kier wel de beteekenis zal hebben van oogspleet d.i. dus oog (Boekenoogen, 421; Köster Henke, 32); in de spiezen krijgen (Boekenoogen, 975; Lvl. 36); in de spiezen hebben (in Groot-Nederland, 1914 (Oct.), bl. 455; Schakels, 121); in de doppen hebben (zie no. 474); in de linken krijgen (Zandstr. 32; Landl. 115); in de glimmeriken hebben (Köster Henke, 22; Amst. 91); in de venesiaander hebben (Prol. 11); in het Friesch: ik hab him yn 'e lampe of yn 'e mik, 'e gaten; 'e smiezen, 'e loer.
|
|
|