1037. Iemand (of iets) aan de kaak stellen,
d.w.z. iemands schande openlijk bekend maken, laten zien; iemand of iets openlijk aan de verachting van anderen overgeven, ‘aan de schandpaal nagelen’1). De kaak was vermoedelijk oorspr. een ton; later een houten of steenen zuil, een schandpaal, een schandzuil, waarop misdadigers eenigen tijd te pronk gesteld werden en overgegeven werden aan de algemeene bespotting, en ook dikwijls aan den moedwil van het volk2); in later tijd soms een houten stelling, een schavot. In de middeleeuwen zeide men op die kaecke setten3), - staen; doch ook aen die kaecke, dat thans de gewone uitdrukking is geworden, was toen niet onbekend4), waarbij men denke aan den misdadiger, die tegen den schandpaal was gezet met een ijzeren halsband om en de handen geboeid; soms werden ze met één oor aan de kaak gespijkerd en trokken dan zoo lang tot ze los waren, om met anderhalf oor het hazenpad te kiezen; vgl. Sewel, 371: Op of aan de kaak zetten, to set in the pillory; Tuinman I, 39: Die wierd lelyk aan de kaak gezet; Harrebomée I, 369; Ndl. Wdb. VII, 623. Ook in het hd. zegt men: einen an, auf, in den (oder zum) Pranger stellen; fr. mettre quelqu'un au pilori; pilorier qqn; eng. to put a p. into the pillory; to pillory a p.