1246. Dat is koren op zijn molen,
d.w.z. dat komt hem te pas, dat dient hem, dat bevalt hem, evenals den molenaar het koren dat hij krijgt te malen. Eerst bij Sewel, 496 trof ik deze zegswijze aan: Dat is koorn op zyn molen, that is profit for him; Harreb. I, 439. Ook kende men: dat is water op zijn molen (zie Winschooten, 157; Halma, 357 en vgl. hd. das ist Wasser auf seine Mühle, waarbij men te denken heeft aan den molen, die door stroomend water in beweging wordt gebracht1). In Limburg zegt men ook nog in denzelfden zin dat is boter op zijn wagen (Welters, 110); in Groningen: da's wind op zien meulen (Molema, 474 a). Voor Zuid-Nederland zie Schuermans, 279 a en 419 a: dat is olie in mijne lamp;