d.w.z. vluchten, en bij overdracht: sterven (Zondagsblad van Het Volk, 1906, p. 219); vgl. naar den musschenhemel gaan (Harreb. II, 110 b; I, 303 a), flauw vallen; gaan mollen rooven, begraven worden (Plantijn;
[p. 507]
vgl. fr. s'en aller au pays aes taupes); den aftocht blazen en in de 18de eeuw de mars blazen of slaan1). In Groningen: de kraaimars goan (Molema, 224 a). Wil deze uitdr. misschien zeggen: den weg opgaan naar de kraaien (vgl. Vondel's Roskam, vs. 148 en Geusevesper, 7)? Ook de Grieken zeiden als verwensching ἐς κόρακας! loop naar de raven, de raven mogen uw lijk verteren!
1)Vgl. hd. einem den Marsch blasen, iemand bevelen weg te gaan.