Nederlandse spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden (4de druk)


auteur: F.A. Stoett


bron: F.A. Stoett, Nederlandsche spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden. W.J. Thieme & Cie, Zutphen 1923-1925 (vierde druk).  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

1756. De paarden achter den wagen spannen,

d.w.z. de zaak verkeerd aanpakken; de kerk op den toren zetten (zie Antw. Idiot. 639); hy hangt het roer aan de scheg (de steven), hy doet

[p. 131]

zyne dingen verkeert, en achterste voor (Tuinman I, 158). In de 16de eeuw bij Servilius, 5: het peert achter den waghen spannen; bl. 8: de peerden achter den wagen spannen; vgl. ook bl. 4: den wagen voer die peerden spannen. In de 17de eeuw heb ik toevallig nergens deze spreekwijze aangetroffen, doch in de 18de eeuw wel bij Van Effen, Spect. XII, 178; C. Wildsch. II, 275; V. Janus I, 66. In vele talen wordt deze gedachte op soortgelijke wijze uitgedrukt; mlat. ante boves (versum non vidi currere) plaustrum (vgl. Con. Somme, bl. 633: die ploech voor die ossen setten); in het fr.: brider l'âne par la queue (vgl. het Haspengouwsch: een peerd aan 't gat toomen; Rutten, 234 b en Tuinman I, 158); mettre la charrue devant les boeufs; in het hd.: die Pferde hinter den Wagen spannen; die Ochsen hinter den Pflug spannen; das Pferd beim Schwanz aufzäumen (Wander III, 1317; Eckart, 404); in het eng.: to put the cart before the horses; in het fri: hy slacht de hynsders earsling (forkeard) foar de wein. In Zuid-Nederland: den wagen voor de peerden jagen, spannen, te rap handelen (Rutten, 171 a; Antw. Idiot. 1414; Joos, 105); Afrik. die kar voor die perde span.