Nederlandse spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden (4de druk)


auteur: F.A. Stoett


bron: F.A. Stoett, Nederlandsche spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden. W.J. Thieme & Cie, Zutphen 1923-1925 (vierde druk).  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

2341. Pronken met een ander(mans) (of geleende) veeren,

d.w.z. mooi zijn met de kleedingstukken of sieraden van een ander; met het werk van een ander eer of roem verwerven; lat. alienis se coloribus adornare (Otto, 15). De zegswijze is ontleend aan de Aesopische fabel van de kraai (Phaedrus, 1, 3), die zich sierde met de veeren van den pauw (Vondel, War. d. Dieren, 48). Zie Hooft, Brieven, 509: Op de rest

[p. 392]

verstaa ik my eeven weinig met d'onervaarendsten in de titsigheeden van 't Hof; ende is derhalven benoodigt, met oneige pluimen te pronken; Sewel, 654: Met een anders veeren pronken, to strut with anothers feathers. Vgl. ook Tuinman I, 4; II, 8; Handelsblad, 15 Maart 1914 (ochtendbl.) p. 6 k. 3: Haast alle vogels prijken met geleende veeren op muzikaal gebied en de spreeuw is de knapste notendief van allen; afrik. hy pronk met anderman se vere; Wander I, 954: sich mit fremden Federn schmücken; fr. c'est le geai paré des plumes du paon, il se fait honneur de ce qui n'est pas à lui (Hatzfeld, 1759 b); eng. to adorn oneself with borrowed plumes; fri. mei in oarmâns fearren pronkje.