Nederlandse spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden (4de druk)


auteur: F.A. Stoett


bron: F.A. Stoett, Nederlandsche spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden. W.J. Thieme & Cie, Zutphen 1923-1925 (vierde druk).  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

2371. Iemand verneuken,

d.w.z. iemand beetnemen, bedriegen, verneuriën. Zie o.a. Molema, 447; D.H.L. 14 en vgl. verneukbroer (in Nest, 76); verneukeratief (in D.H.L. 13; Slop, 21). Verneuken is eene samenstelling van ‘neuken’, welk ww.

[p. 404]

in Zuid-Nederland de beteekenis heeft van stooten, stompen1), plagen, tergen, foppen; vgl. De Bo, 737: Iemand in 't water, in den gracht neuken. Hij doet niet liever, hij kan niet anders dan menschen neuken. Als hij u eerst geneukt heeft, dan komt hij u vleien en dienen; Schuermans, 407; Bijv. 208; Antw. Idiot. 853: neuk of neuking, stomp, stoot; neuken, bedriegen, foppen; neukes, bedrieger; Waasch Idiot. 457: neuken, werpen; neuking, rammeling, pak slaag; Tuerlinckx, 410: neuken, foppen; Teirl. 34: afneuken, afranselen, bedriegen, foppen; Loquela, 342: neuken, bruien, brillen; Rutten, 152: neuk, misslag bij 't kegelspel. Hiernaast het door ver versterkte verneuken (Schuermans, 793; De Bo, 1283; Waasch Idiot. 700). Voor den overgang der beteekenissen vgl. bruien, slaan, afranselen, plagen, eene vrouw beslapen, schoffeeren (Ndl. Wdb. III, 1640 vlgg.). Vgl. ons opneuker, opstopper.