Nederlandse spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden (4de druk)


auteur: F.A. Stoett


bron: F.A. Stoett, Nederlandsche spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden. W.J. Thieme & Cie, Zutphen 1923-1925 (vierde druk).  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

2414. Dat heb ik nog nooit op de viool hooren spelen,

d.w.z. zoo iets geks of zonderlings heb ik nog nooit gehoord of gezien; dat vind ik al zeer ongerijmd. Vgl. Harreb. I, 193: Wie heeft het ooit op de viool (of fluit) hooren spelen?; Het Volk, 11 Juni 1914, p. 1 k. 4: Onverwacht had hij hen op 't lijf gegooid, niets meer of minder dan de strafrechtelijke sanktie van het kollektieve kontrakt. Dat hadden ze nog nooit op de viool hooren speelen; A. Jodenh. II, 2: Nee hoor, dat heb ik nog nooit op de viool hoore speule; 'n jonge van twee en twintig

[p. 425]

jaar zal nie kenne danse!; Druiventros, 16: Het huis te klein .... het loon te laag .... het werk te zwaar .... Maar te triest! .... God zal me kraken, te triest! .... dat had hij nog nooit op de viool hooren fiedelen; fri. hwa het dat ea op 'e fyoele spyljen heard, wie heeft het ooit zoo dwaas gehoord?; Breuls, 84. In Zuid-Nederland: dat heb ik nog nooit op eenen klomp hooren spelen (Claes, 115) of dat heb ik nog nooit in mijn pap gevonden, dat ben ik nog nooit tegengekomen, dat heb ik nooit ondervonden (Antw. Idiot. 1958).