|
|
|
| |
| | | |
2630. Om zeep gaan (of raken),
d.i. doodgaan, om chajes (hebr. chajoes, leven1)) gaan (Köster Henke, 18); mortje gaan (Jord. 48); ook: in zwijm vallen, den wind kwijt raken (in N. Taalgids XII, 149), in katzwijm vallen2). De uitdrukking wil eig. zeggen: uitgaan om zeep te halen, eene boodschap te doen, daarna: dit voorwenden om weg te kunnen gaan, en vervolgens weggaan, verdwijnen, sterven3). Sedert de 17de eeuw is zij algemeen in Noord- en Zuid-Nederland bekend. Vgl. Huygens IV, 43:
Als Tryn uyt snoepen gaet, soo seidt sy dat's om seep gaet,
En datmen wasschen moet; maer Jan, die voor de sweep gaet,
En siet syn schoone geld verdwijnen en vergaen,
Wel, seidt hij, dit's wat vreemds, dus staegh om seep te gaen.
Maer emmers, moet het zyn, en moet ick door den reep,
Wat schaedde 'twijf? maer all mijn goedjen gaet om seep.
Rusting, 323:
Kees ging om Zeep, en brak den hals, was dat niet leep?
Men vroeg waar Kees was? en zyn moer zei, hy 's om zeep.
Focquenb. Klucht v.d. Weyery, 1ste bedr.: Toen quamse de strop los maecken, en seyde 't is nouw genoegh Vaer, je raeckten aers light om siep. Op dezelfde wijze gebruikt men ook om mosterd gaan4), eig. mostaard gaan halen, doch daarna in de algemeene beteekenis van eene boodschap gaan doen, uitgaan; iemand om mosterd zenden, iemand wegzenden, met een mooi praatje de deur uit krijgen (Paffenr. 99); om uien trekken, met de noorderzon vertrekken, bankroet gaan; iemand om raapzaad zenden en om raapzaad zijn, varen, dood zijn of gaan. Thans kennen wij nog om een luchtje gaan of zijn (no. 1442), dat te vergelijken is met iemand om een luchtje of een wandelingetje zenden, iemand wegzenden, wegjagen (V. Janus, 178); dial. is ook bekend om kroosjes, -ies (kleine pruimen)
| | | |
gaan1); om kool gaan, om kool te koop zijn (zie Nav. XXIII, 621); elders üm küyer gaon, uitgaan om te kuieren, sterven (Gallée, 24 b); in Friesland naast om sjippe gean ook nei Gichem om nije nuten gean2); in Zuid-Nederland: wiss(ch)en snijden gaan ('t Daghet XII, 159; Rutten, 279 b); reepen snijden (Antw. Idiot. 1019). Zie verder Tijdschrift XV, 122-127; Nkr. II, 29 Nov. p. 3; VI, 25 Mei p. 4; Het Volk, 15 April 1914 p. 1 k. 1: Het Grieksche treurspel, waarin de hoofdpersonen om zeep gaan; Handelsblad, 17 Maart 1914 p. 6 k. 6 (avondbl.): Anderen, die meenen dat indien zij niet blijven door manifesteeren heel hun arbeid om zeep is; Prikk. II, 59; Amstelv. 56; De Bo, 336; 1422: Om zeepe gaan, -loopen ten onderen gaan, vergaan, te kwiste gaan, gezegd van personen en zaken; Rutten, 284 b: om zeep, arm; om zeep gaan, achteruit gaan; Antw. Idiot 1473; Waasch Idiot. 756: om zeep gaan of zijn, ten onder gaan, ten onder zijn, vergaan, sterven. Hiernaast iemand om zeep brengen of helpen, iemand dooden; vgl. o.a. Schoolm., 25: Wij moeten hier handelen als mannen of wij worden om zeep gebracht; Handelsblad, 21 April 1915 (avondbl.) p. 1 k. 4: Hier deze mannen om mij heb ik om zeep gebracht; Handelsblad, 3 Maart 1914 (avondbl.) p. 5 k. 1: De Duitsche Rijksdag heeft verleden week zelfmoord gepleegd. Hij heeft zich om zeep gebracht; De Arbeid, 29 Aug. 1914 p. 2 k. 1: Alle constitutioneele rechten en alle democratie worden in weinige uren om zeep gebracht; Slop, 159: Als je er eentje om zeep brengt; Handelsblad, 12 Juni 1921 (O.) p. 2 k. 4: De tyran wordt op het juiste oogenblik door een sluipmoordenaar met een edel gezicht om zeep geholpen.
|
1)Zie Voorzanger en Polak, 130: gajut, toestand van leven, levenslust.
2)Hiermede wordt bedoeld de kortstondige bezwijming, of liever een stuip, van een kat. Sedert de 17de eeuw is de uitdr. bekend. Zie o.a. Winschooten, 307; Doedijns, Merc. I. 445; Van Effen, Spect. I. 119; Esopet, Napelsche Hengst, 8; Boere-Pinxstervreugt, Rotterdam, 1733, bl. 18: Hy viel van angst en schrik en 't schreinen van den kogel in katzwijm op zyn' rug; Sewel, 381; Halma, 257; Het Volk, 20 Aug. 1915 p. 5 k. 4: De gansche pers van Rechts ligt in katzwijm over dit vreeselyk geval. - In zeemanstaal beteekent deze uitdr. windstilte hebben, het slap neerhangen der zeilen; stuurloos zijn ( Ndl. Wdb. VII, 1883).
3)Zie n o 1810; 1833; vgl. Taal- en Letterbode I, 48. Op dezelfde wijze zijn ook verschillende uitdrukkingen te verklaren, die beteekenen een middagdutje doen, een uiltje knappen (zie n o. 2306). Zoo geeft men te Zutphen voor naar Gorssel te gaan, te Harlingen naar Piaam, te Woudsend naar Balk, te Drachten naar Bakkeveen (Harreb. II, XXVI), te Breda naar Oosterhout, in de Zaanstreek naar Wormer, te Amsterdam naar Buiksloot, naar Kadoelen, naar Landsmeer of over 't IJ; te Vollenhove naar Meppel (Harreb. II, LII); te Corinchem naar Heusden (Harreb. II, XXX); te Appingadam: nao Zuudbrouk (Driem. Bl. IX, 106); enz. Zie Noord en Zuid XIX, 167 en Schrijnen, Volksk. II, 127.
4)Westerbaen II, 28; 549: Het singht'er of op straet al wat bij avond-ty om zeep of mostert gaet.
1)Laurillard, Sprokkelhout, 228; Opprel, 68 a.
|
|