|
|
|
| |
| | | |
Een boterham met tevredenheid
In de kwart eeuw sinds de oorlog hebben ook de fabrieksarbeiders in Nederland een
kleine welstand bereikt. Het arbeidsrecht beschermt ze tegen de meest
onredelijke uitbuiting; collectieve verzekeringen matigen de gevolgen van
ziekte, ouderdom, invaliditeit en werkloosheid; zolang er volledige
werkgelegenheid voortduurt hoeft een arbeider zich niet bij elke vernedering en
willekeur neer te leggen.
Het probleem is niet langer de verpaupering van de industrie-arbeiders en ook
niet zozeer hun lichamelijke uitbuiting. Die gaat voort, ver van huis, buiten
het gezichtsveld van de witte welvaartswereld van het westen, want hier wordt
geprofiteerd van de ellende daarginds, zonder dat het zelfs maar tot het
bewustzijn doordringt.
De fabrieksarbeiders in het westen verdienen een loon waarmee rond te komen is,
al valt het niet mee om van zeven- of achthonderd gulden schoon in de maand een
gezin te onderhouden; toeslagen voor overwerk, nachtwerk, ploegendienst en
prestatiepremies zijn dan ook meestal onmisbaar. Industrialisering van de
produktie heeft het mogelijk gemaakt, ook voor de fabrieksarbeider, om in zijn
eerste levensbehoeften te voorzien en zich daarbij nog allerlei apparaten aan te
schaffen; een stelsel van sociale verzekeringen verzacht de ontberingen van
zieken, bejaarden en werklozen en vermindert bij de anderen de angst voor
ouderdom en tegenspoed. Dat is de ontzaglijke prestatie van de bestaande
sociaal-economische orde en wie dat niet wil inzien kan ook geen inzicht krijgen
in de gemoedstoestand van de arbeiders die onder dat stelsel leven.
De arbeiders die nu boven de veertig zijn herinneren zich de crisisjaren en de
hongerwinter; de gastarbeiders kennen diezelfde armoe van thuis. Zelfs de
jongste arbeiders hebben nog tijdens hun leven de geleidelijke uitbreiding van
het huishoudelijke machinepark meegemaakt. Gebrek is veelal verdwenen, de angst
is minder scherp en ieder jaar krijgt iedereen een beetje meer.
Deze vooruitgang is verwezenlijkt onder een economisch stelsel waarin ondernemers
met de bedoeling om winst te maken de produktiemid- | | | | delen beheren.
Aan dat stelsel liggen enkele fundamentele afspraken ten grondslag, die nergens
duidelijk zijn vastgelegd, maar die wel geleidelijk leidraad en spelregel werden
voor de onderhandelingen en beslissingen (en niet-onderhandelingen en
niet-beslissingen) over het beheer van de volkshuishouding. Grondgedachte was
dat een voortdurende economische groei de mogelijkheid bood om iedereen te laten
behouden wat hij had en bovendien de aanspraken van verschillende sociale
groepen tegelijk en ten dele tegemoet te komen. Ook al wilde elke groep voor
zichzelf een groter aandeel, zolang de produktie groeide kon aan al die eisen
voor een deel voldaan worden. De politieke strijd ging dus niet om beginselen,
maar om belangen, was niet onverzoenlijk maar pondspondsgewijs te beslechten.
Tenminste, zo leek het.
Het bleek mogelijk om deze eerste doelstelling van economische groei te doen
samengaan met een politiek van volledige werkgelegenheid. Tegelijkertijd kon ook
nog het stelsel van sociale verzekeringen worden uitgebouwd. Zo werd de
arbeidsrust en de politieke vrede nog eens bevorderd. Het aandeel van de
centrale staat in de economie nam op die manier ook sterk toe en wel zo dat in
tijden van economische slapte in de particuliere bedrijven de staat de sociale
uitkeringen voortzette of juist uitbreidde en aldus de nationale bedrijvigheid
op gang kon houden. Door een geleidelijke inflatie toe te laten kon het centraal
gezag bovendien aan de aanspraken van verschillende groepen in schijn, of in
geld gemeten, verder tegemoet komen dan in feite, gemeten in beschikbare
goederen en diensten. Zo liep het onderhandelingsmechanisme nog eens zo
gesmeerd.
Dit stelsel kan alleen functioneren als de industriële produktie zich blijft
uitbreiden. Een andere voorwaarde ligt minder voor de hand, maar is gaandeweg
steeds meer noodzakelijk gebleken: centralisering van de besluitvorming. Daartoe
is het nodig dat de aanspraken en behoeften van afzonderlijke mensen
samengevoegd kunnen worden (en dus onderling gelijkgesteld) tot de programpunten
en onderhandelingseisen van grote organisaties. Want alleen zulke organisaties
hebben toegang tot die gecentraliseerde besluitvormingsorganen. Dat is de
betekenis van georganiseerd overleg. De menselijke behoeften die zich niet zo
laten vertalen of waarvoor niet zulke organisaties zijn opgetrokken, komen in
dit stelsel niet aan bod. Tussen het op produktie gerichte, technologisch denken
en de mentaliteit die heerst | | | | in grote organisaties enerzijds en het
zakelijk en materialistisch mensbeeld dat geldt in de sociale zogenaamde
wetenschappen anderzijds bestaat een samenhang. Voor zover een afzonderlijk mens
lijkt op dat model, of zichzelf ermee in overeenstemming weet te brengen, past
hij in die organisationeel technologische samenleving. Alleen dan worden zijn
strevingen en behoeften ook verwezenlijkt binnen de instellingen van die
samenleving.
Het stelsel heeft ongedachte voordelen opgeleverd en ook de fabrieksarbeiders
hebben daar baat bij gehad. Er is ook een moeilijk te schatten prijs voor
betaald. De verwoesting van de natuurlijke omgeving is niet alleen een
neveneffect, die vernietiging is ook de keerzijde van produktie: het
voortbrengen van fabrikaten is nu eenmaal hetzelfde als het vernietigen van
grondstoffen.
‘Maar iets produceren betekent iets anders vernietigen. Dat is de dynamiek van de
moderne produktie: het moet doorgaan, zolang er nog iets te vernietigen
blijft.’1.
In dit boek gaat het over de produktiefactor menselijke arbeid en het bijzondere
daarvan is ook dat arbeid niet altijd alleen maar offer is of opoffering, maar
dat het, los van het produkt en in zichzelf, ook opbrengst kan zijn en
arbeidsvreugde, bevrediging kan geven. De algemene teneur van de
arbeidsfilosofie in de marxistische traditie is dat dit niet geldt voor de
industriearbeid in de kapitalistische maatschappij, omdat alle lustbeleving
daarin verloren is gegaan door de manier waarop die arbeid georganiseerd is,
door de onttrekking van het beheer van de produktiemiddelen aan degenen die ze
hanteren, de arbeiders. In die zin wordt dus ook de arbeid in het
produktieproces ‘vernietigd’, is geheel en al offer ten behoeve van het produkt,
een afzonderlijke opbrengst in arbeidsvreugde en zingeving bestaat niet.
Het is zeker waar dat sociologen en filosofen, en de meeste geletterde of
leidinggevende beschouwers fabrieksarbeid afschuwelijk vinden om aan te zien,
onverdraaglijk om te doen. Maar de fabrieksarbeiders zelf hebben zich althans op
het oog ermee verzoend. Weinig verzet klinkt uit de fabriekshal door, de
zeldzame protestacties betreffen meestal niet de aard van de arbeid of van de
arbeidsverhoudingen, maar de beloning; de sociale zogenaamde wetenschapsmensen
die de arbeiders hun mening vragen, rapporteren grote tevredenheid met de
arbeidsomstandigheden. Ook al zijn handarbeiders het minst vaak tevreden, | | | | twee derde tot drie kwart en meer zegt vrede met hun werk te
hebben.2. Daarmee zijn de kamergeleerden en cultuurkritici uitgepraat, de
sociologen des velds hebben alweer een existentieel probleem de wereld
uitgeholpen...Als hun waarnemingen geldig zijn tenminste, en dat zijn ze niet.
Maar aangenomen dat de onderzoekers gelijk hebben, en de meeste deskundigen en
chefs geloven dat, dan blijft toch een kwellende vraag bestaan: als mensen
tevreden zijn met omstandigheden die andere mensen onverdraaglijk voorkomen
(zoals fabrieksarbeid immers intellectuelen en leiding gevenden onverdraaglijk
toeschijnt) wat dan te denken van zulke ‘tevreden’ mensen? Of: wat te denken van
iemand die achtduizend maal per dag dezelfde hendel overhaalt en er ‘tevreden’
mee is? - ‘Hij weer niet beter, hij kent niet anders.’ Maar als dat zo is, zou
hij dan als hij wel beter wist, als hij wel anders kende, zou hij dan ontevreden
kunnen zijn, en zou hij dus tevreden, verantwoordelijk kunnen zijn in een betere
arbeidssituatie? En zijn dan niet degenen die beter weten niet in dezelfde
positie als de christenen jegens de heidenen, in een staat van genade, waaruit
de christenplicht voortvloeit tot zending en bekering, of, in dit geval, voor de
intellectuelen en leidinggevenden, de taak om de arbeider in zijn menszijn in te
wijden? Of: - andere tak van de christenheid - ‘hebben de
wilden geen ziel?’, en zijn de arbeiders geen mensen in de zin waarin
bijvoorbeeld de socioloog, de personeelschef of de vakbondsleider mensen zijn,
creatief, verantwoordelijk, bewust?
Als het dus waar is dat de arbeiders tevreden zijn met iets dat voor
niet-arbeiders onverdraaglijk is, omdat die arbeiders ‘niet beter weten’, dan is
het de missie van wie zich volksopvoeder acht om hen uit die onwetendheid te
verlossen en zolang zij in ‘domheid’ leven is er iets vreselijks aan de hand,
of: arbeiders kunnen verdragen wat anderen niet kunnen
verdragen omdat zij geen mensen zijn, geen ‘denkende’ mensen, althans geen
mensen zoals de personeelschef, de sociale deskundige of de vakbondsleider.
Wie ooit een bedrijfspsycholoog over zijn proefpersonen heeft horen praten, of
een bedrijfsleider over zijn personeel, weet dat dit precies het dilemma is dat
hen tot sprakeloosheid doemt of tot volstrekte wartaal brengt...hij moet mensen
benaderen als dingen en voorgeven dat hij met mensen te maken heeft.
Het dilemma wordt naar de andere kant opgelost door de marxisten die | | | | zich met de moderne industriearbeider bezighouden; zij zien, zij zien wat
niemand ziet: de opstandeling, de verzetsman, de rebel, verborgen, maar gloeiend
aanwezig in de diepte van de arbeidersziel en ooit, een dag, zal het vuur naar
buiten spatten. De arbeiders mogen spelen voor ding, spelen voor nummer, spelen
voor loonslaaf, maar ze zijn mensen, ongeacht de tijdelijke schijngestalten.
Uiteraard is deze opvatting ethisch superieur aan die van de sociale deskundigen
en beheerstechnici, omdat hij mensen voor mensen aanziet. Waar beide
uitgangspunten mank gaan, is in de ontstellende armoede aan begrip hoe mensen in
feite geestelijk functioneren onder beperkende en drukkende omstandigheden.
Gegeven dus het heersende sociaal-economische stelsel dat slechts kan
voortbestaan bij voortdurende uitbreiding van de produktie, gegeven ook een
beslissingsmechanisme dat menselijke behoeften slechts in aanmerking neemt voor
zover ze zijn samengevat als de verhandelbare eisen van grote organisaties en
dat andere noden negeert; onder dat stelsel zijn de materiële omstandigheden van
de fabrieksarbeider draaglijk gemaakt en is zijn arbeid fysiek vol te houden.
Voor het overige komt die arbeid de toeschouwer nog steeds onverdraaglijk voor,
omdat de arbeidshandelingen eentonig en geestdodend zijn en omdat alle
beslissingsmacht over arbeidsverhoudingen en bedrijfsbeheer aan hem onttrokken
is. Een paradox ontstaat door het veronderstelde empirische feit dat
fabrieksarbeiders desondanks voor de overgrote meerderheid ‘tevreden’ zijn met
hun werk onder die omstandigheden.
Komt dus de vraag aan de orde naar die ‘arbeiderstevredenheid’.
Om te beginnen is het de gewoonte enquêtes naar de arbeidsvreugde te houden
binnen het bedrijf zelf en in de tijd van de baas.3. In een omgeving dus waar
het alvast niet gebruikelijk is om kritiek en protest openlijk te uiten, behalve
dan tegen de ‘eigen mensen’. De sociologen en psychologen lijken nu juist niet
op collega's, maar integendeel precies op de personeelschef met wie ze spraak,
voorkomen en opleiding gemeen hebben. Dat geeft al weinig aanleiding tot
vertrouwen; des te minder omdat een attitude-onderzoek veel lijkt op het
sollicitatiegesprek en op de tests waaraan de arbeider bij zijn indiensttreding
onderworpen werd en waarvan hij weet dat de resultaten hem voor altijd zullen
volgen in zijn loopbaan binnen het bedrijf. Daarbij | | | | komt dat het
hier gaat om ongeschoolden of laaggeschoolden, een categorie mensen die
gedefinieerd wordt door iets wat ze ontbreekt: diploma's, of door iets waarin ze
gefaald hebben: examens. De beantwoording van vragen (‘duidelijke vragen waarop
een precies antwoord wordt verwacht’) betekent voor hun dus iets anders dan voor
de onderzoeker: wat het welslagen voor deze onderzoeker in de maatschappij heeft
uitgemaakt is nu precies de reden waarom die arbeiders achter de machine zijn
gezet. En daarom, op zijn zachtst gezegd, is de ondervraging met gesloten vragen
niet de geëigende methode tot het verwerven van inzicht in de geestesgesteldheid
van de fabrieksarbeider, en, op zijn hardst gezegd, een domme rotstreek van
mensen die beter zouden moeten weten tegenover mensen die zich er maar
nauwelijks aan kunnen onttrekken.
Maar er is meer aan de hand. De bijzondere vraag: ‘bent u tevreden met uw werk?’
is dubbelzinnig op minstens twee manieren. Als aan Volkswagenbezitters gevraagd
wordt ‘Bent u tevreden met uw auto?’ zal een overrompelend percentage antwoorden
dat het kreng ze best bevalt. En toch sluit dat niet uit dat bijna iedereen
liever een Mercedes had gehad, als hij hem betalen kon. Gegeven de
aanschaffingsprijs zijn Volkswagenbezitters waarschijnlijk in meerderheid
tevreden met hun wagen. Gegeven hun opleiding, maatschappelijke kansen en
verwachtingen zijn veel arbeiders ‘tevreden met hun werk’, met andere woorden
ergens anders is het net zo beroerd en het is ze niet tegengevallen.
Die verwachtingen ten aanzien van het werk zijn voor fabrieksarbeiders
waarschijnlijk lager dan voor anderen. De gedachte dat arbeid in zichzelf
bevrediging moet geven, het gevoel voor eigenwaarde sterken moet en de maat moet
zijn voor iemands aanzien in zijn omgeving, is de gedachte van kleine
zelfstandigen, hogere beambten en ondernemers: van mensen die aan de
arbeidsomstandigheden nog het een en ander kunnen veranderen en die hun werk in
eigen en andermans ogen goed of minder goed, in elk geval op een persoonlijk
bepaalde wijze kunnen verrichten. Als in het resultaat van de arbeid niets terug
te vinden is van degene die het deed, liggen uiteraard de verwachtingen van de
werker volkomen anders.
Iemand die fabrieksarbeid doet, meet zich niet aan zijn arbeid, zoals een
ondernemer of een ambachtsman. Zijn arbeidsgenoegen put hij veeleer uit hobby's
(die hij juist niet als arbeid ziet, terwijl ze vaak | | | | bestaan in bezigheden die voor anderen wel deel van hun werk zijn),
zijn verantwoordelijkheidszin krijgt gestalte tegenover het gezin, zijn gevoel
voor eigenwaarde ontleent hij mede aan de waardering van buurtgenoten en
familieleden. Het werk doet er voor het gevoel niet zoveel toe, het is
noodzakelijke bestaansvoorwaarde om het leven elders mogelijk te maken. Zo knapt
de arbeider dus acht uur per dag met betrekkelijke gelatenheid het karwei op,
zoals zoveel mensen op gezette tijden een noodzakelijk corvee verrichten. Voor
elke afzonderlijke arbeider doet zich immers geen andere mogelijkheid voor om
voor zich en de zijnen in het levensonderhoud te voorzien. Hier grijpt weliswaar
de filosoof van de vervreemding in, van een wijsbegeerte die weigert de arbeid
als een ‘noodzakelijk kwaad’ te aanvaarden en eist dat de mens zin en
bevrediging in zijn arbeid vindt. Maar de arbeider is niet alleen vervreemd van
zijn arbeid, maar ook van de filosofie. Hij is bereid zijn werk te beschouwen
als niet anders dan offer voor de opbrengst van vrije tijd en welstand, juist
zoals in het economisch systeem die arbeid alleen geldt als offer voor de
produktie. Meer verwachten de meeste arbeiders er niet van.
Een tweede misleiding in de tevredenheidsvraag heeft te maken met een
verschillend woordgebruik. Bij uitgebreide gesprekken van vraag en
tegenvraag4. blijkt dat arbeiders tevredenheid niet
opvatten als een gemoedstoestand, maar als een eigenschap of een vermogen: ‘Bent
u tevreden?’ blijkt verstaan te worden als ‘kunt u zich wel schikken in de
omstandigheden?’ En het antwoord luidt dan ook vaak: ‘Ik ben geen kankeraar’, of
‘ik hou niet van die chagrijnige types’. En het gebeurt dan ook dat de vraag
niet begrepen wordt als ‘voldoet het werk aan uw verwachtingen?’, maar: ‘voldoet
u zelf aan uw verwachtingen?’ Zoals in de volgende dialoog: ‘Zou u nou zeggen,
ja het is een beetje een rare vraag, maar we zijn toch bijna aan het einde van
de band, zou u nou zeggen dat u wel een beetje tevreden bent met uw leven?’ -
‘ja, ik kan wel zeggen dat ik geslaagd ben, ja. Mijn opgave is te zorgen dat
mijn gezin geen gebrek lijdt, ook al ben ik zelf ongeschoold. En daarover heb ik
nooit verwijten te horen gekregen.’ Maar dat was de vraag niet, of blijkbaar
wel.
Dit zijn geen incidentele betekenisverschuivingen. Steeds weer blijkt dat
arbeiders de neiging hebben hun levensomstandigheden te herleiden op hun eigen
kwaliteiten en beslissingen. Dat een man heel zijn | | | | leven aan de
machine moet staan is voor hem zelf vaak niet zozeer het resultaat van de
heersende produktieverhoudingen, van het onderwijsstelsel, of van het
personeelsbeleid van het bedrijf, maar van het feit dat hij
geen diploma's heeft gehaald, dat hij geen strever is, dat hij niet zo'n prater
is, dat hij een hekel heeft aan vriendjespolitiek en slijmen. Rypke Sierksma
heeft het in De Gids (4/1971) over ‘de individualisering van het denken’ en
raakt daarmee de kern van het verschijnsel onder een ongelukkige benaming: het
is niet dat het denken geïndividualiseerd wordt, het is dat de scholing tot
denken in sociale en historische termen ontbreekt en dat zulk denken op geen
enkele manier wordt aangemoedigd door het culturele milieu; het blijft dus bij
individualiserend denken. Een denken dus, waarin iemand zijn leefsituatie
verklaart uit zijn eigen tekortkomingen en vergissingen en niet uit sociale en
historische omstandigheden als crisis, oorlog, woningnood...
Zo blijkt in de gesprekken dat arbeiders zich heel goed rekenschap geven van de
crisisjaren en de oorlog en van de veranderingen sindsdien, zonder op de
gedachte te komen dat hun besluit om in die periode van school te gaan en de
fabriek in, niet zo maar het besluit was van de vijftienjarige van toen, maar
ook het bijna onontkoombare resultaat van de sociale omstandigheden van dat
tijdsbestek. ‘Omdat ik toen niet wou doorleren - en dat kon bij ons thuis ook
niet - ben ik de fabriek maar ingegaan’. En daarmee ligt ‘de schuld’ bij hem en
bij thuis.
Op deze manier wordt de vraag naar de tevredenheid van de man met zijn werk niet
een vraag naar de beoordeling door de man van zijn werk, maar naar de
beoordeling door de man van zichzelf. De individualiserend denkende arbeider is
‘zelf schuld’, hij heeft het ‘zichzelf aangedaan’; eerder een teveel aan
persoonlijk verantwoordelijkheidsgevoel, dan een tekort, zoals de arbeiders zo
vaak wordt aangewreven.
Omdat de arbeider zijn sociale positie aan zichzelf wijt, is het in zijn ogen dus
ook de verdienste van hoger geplaatsten dat zij het wel zo ver gebracht hebben.
Daarmee wordt de maatschappelijke orde gerechtvaardigd ten koste van de man
zelf. Omdat hij ‘niet geleerd’ heeft, omdat hij ‘niet zo'n vlotte prater’ is, en
‘niet zo'n studiehoofd’, omdat hij ‘maar een lompe boer is’, is het juist goed
dat hij staat op de plaats waar hij staat en dat een ander meer verdient, leuker
(maar ook ‘moeilijker’) werk doet en de orders geeft die hij moet opvolgen.
Elk maatschappelijk stelsel produceert een rechtvaardiging voor de bestaande
verhoudingen en juist de minst geschoolden worden daarin | | | | het diepst
geschoold en hebben de minste tegenargumenten tot hun beschikking. In sociale
hervormingstheorieën steekt althans een belangrijk genezend effect: ze leggen
‘de schuld’ van het maatschappelijk falen niet bij de enkeling, maar bij
bepaalde maatschappelijke factoren, in elk geval bij ‘de ander’ of ‘iets
anders’.
De conclusie kan zijn dat onder de hogelijk intimiderende omstandigheden van de
enquête de tevredenheidsvraag niet vraagt wat hij vraagt - de evidentie kan
grotendeels als misleidend terzijde worden gelegd. Maar daarmee zijn de
arbeiders nog steeds niet in opstand. Integendeel, in allerlei opzichten
gedragen zij zich hoogst conformistisch, conformerend aan heel andere normen dan
de kultus van de zelfbewuste proletariër zou doen verwachten.
De belangrijkste oorzaken daarvoor zijn dat het economisch stelsel, in
vergelijking met vroeger voor oudere arbeiders of voor gastarbeiders in
vergelijking met thuis, de materiële omstandigheden heeft verbeterd en dat
arbeiders van hun werk niet veel anders verwachten.
Voor het bijzondere conformisme van zogenaamde ongeschoolde arbeiders geldt
bovendien een verklaringsgrond die verband houdt met hun gebrek aan vakscholing.
‘Ongeschoolden’ zijn mensen die geen erkend dagonderwijs gevolgd hebben na de
leerplichtige leeftijd. Dat wil helemaal niet zeggen dat ze daarom ook altijd
eenvoudig werk doen. Dikwijls hebben zij binnen het bedrijf een langdurige
ervaring opgedaan: ze heten ‘geoefenden’ in het fijngevoelige taalgebruik dat
(lichamelijke) oefening zo teder onderscheidt van (geestelijke) scholing. Met de
snelle technische verandering zijn allerlei werkzaamheden opgekomen waarvoor
geen speciale opleidingsscholen bestaan en die ook van oudsher niet als ambacht
zijn erkend, maar die toch een bijzondere vakbekwaamheid vereisen. In
elektronische bedrijven bijvoorbeeld, solderen meisjes met speciale apparatuur
een ragfijn netwerk van honderden draadjes voor computergeheugens:
‘wirewebbing’. De personeelschef die zijn gast rondleidt toont grijnzend dat hij
zelfs niet één draadje vast kan zetten. Het fabrieksmeisje weeft de draden door
elkaar met de kalme zekerheid van een tapijtknoper en dat is precies wat ze is:
alleen zij geldt en wordt beloond als ongeschoolde, ambachtsloze en haar
vakkennis is geheel en al aan het bedrijf gebonden, nergens anders kan ze haar
bekwaamheden gebruiken, geen diploma maakt haar kennis algemeen geldig, de
marktwaarde van haar | | | | vaardigheden is nihil. Daar komt het op aan:
ongeschoolden zijn mensen wier vakkennis geen marktwaarde heeft, soms omdat die
vakkennis er niet is en soms omdat hij niet gestandaardiseerd is en niet erkend
als vrij uitwisselbaar economisch goed. Zo'n geoefende ongeschoolde is ‘aan het
bedrijf gebonden’, afhankelijker dan een gediplomeerd vakman. ‘Nee, je kan die
kennis niet meenemen, d'r is niet nòg een firma waar ze dat doen, maar ik kan
altijd mijn handen laten wapperen en dan begin ik wel weer helemaal van voren af
aan.’
De bijzondere afhankelijkheid van de ongediplomeerde geoefende werkt een zekere
horigheid in de hand en dwingt hem zich aan het bedrijf te conformeren.
Het veel gelaakte consumptiepatroon van fabrieksarbeiders, waaruit hun
verburgerlijking en conformisme blijken moet, lijkt vooral op het patroon van
elke andere tijdgenoot en medeburger en moet dus niet zozeer uit hun bijzondere
omstandigheden verklaard worden, maar uit die omstandigheden die ze juist meer
en meer gemeen hebben met alle andere consumenten in de industriële samenleving.
Met des te meer energie zullen zij zich bovendien op die consumptie werpen,
omdat zij in zoveel opzichten de mindere zijn, terwijl nu juist ‘hun geld even
goed is als dat van een ander.’ Hun televisie en hun auto zijn dus blijk van een
gelijkwaardigheid, die in de arbeid juist ontkend wordt.
Dat de artistieke en literaire smaak van arbeiders niet dezelfde is als die van
hogere beambten en intellectuelen heeft veel te maken met een verschil in
opleiding en een verschil in toegankelijkheid van cultuurgoederen. Maar er is
nog een ander proces aan de gang: een nieuwe elite van beambten, academici en
technici wil zich in een betrekkelijke machtspositie rechtvaardigen door blijk
te geven van een bijzondere gevoeligheid, een goede smaak die ze onderscheidt
van het klootjesvolk. Vandaar dat bijna per definitie bij die elite in de smaak
valt en in de mode is wat ‘gewone’ mensen niet begrijpen, gek vinden of
afwijzen. Zo zou het wel eens kunnen zijn dat de woest hervormingsgezinde VPRO
nu juist aan een categorie van technische, intellectuele en economische stijgers
het cachet geeft en de ‘bijzonderheid’ die zij nodig hebben om zich als nieuwe
elite af te zetten tegen een oudere categorie van de middenklasse en tegen de
arbeiders, die dan ondertussen naar de TROS kijken; het zijn misschien niet
zozeer de arbeiders die verburgerlijken, maar de intelligentsia die zich vermeit
in het aandragen van gedistingeerde cultuurkost voor een nieuwe elite, een | | | | nieuwe burgerij die oude burgerij en arbeiders gelijkelijk
uitsluit.
Is zo de achtergrond met vele zijpaden in kaart gebracht, dan rest de vraag hoe
fabrieksarbeiders zich dan wel tot hun werk verhouden.
Het werk vraagt weinig geestelijke inspanning, het gebeurt als het ware met de
linkerhand, vraagt voortdurend de aandacht zonder de gedachten echt in beslag te
nemen. Daarin lijkt het op autorijden. Het inzicht en het verstand dat een
volwassen mens buiten de fabriek nodig heeft om rond te komen, blijft bij het
werk buiten spel. Maar omgekeerd valt het werk weg zodra de arbeidstijd om is.
‘Als je de fabriek uit bent, ben je het vergeten’. Beslissingen worden niet
verlangd en verantwoordelijkheid wordt de arbeider niet gegeven. ‘Je hebt ook
geen zorgen.’ Anderen regelen, anderen geven de opdrachten. De arbeider doet wat
van hem verlangd wordt en niet meer. De arbeidsanalist en de tijdopnemer hebben
tot in het onwaarschijnlijkste detail uitgerekend wat van de arbeider verwacht
kan worden en hoe dat zal worden beloond en de meeste arbeiders maken er een
punt van ook niets meer dan dat te doen. Wat binnen dat precies bestek is
vastgelegd kan de baas van zijn mensen vragen, daarboven is het een gunst van de
arbeider die gegeven wordt in ruil voor tegengunsten: goed gelegen snipperdagen
of langere pauzes.
Of een arbeider nu hart voor zijn werk heeft of niet maakt voor de kwaliteit van
het produkt nauwelijks iets uit, want zelfs de kwaliteitscontrole wordt niet aan
hem overgelaten. Omdat zijn gevoel en verstand dus niet ter zake doen, heeft de
arbeider vaak het gevoel dat hij op het werk er eigenlijk niet is: ‘Op het werk
dan ben je jezelf niet’. Dit leidt tot een ingewikkeld zelfbedrog, waarvan
vooral jonge arbeiders nogal eens blijk geven: ‘Ik doe het voor de centen en
nergens anders voor, ik doe wat ik doen moet en verder moeten ze mij nergens mee
aankomen.’ Dit alles op een tamelijk triomfantelijke toon, alsof ze daarmee het
bedrijf aardig tuk hebben. Alsof het bedrijf teleurgesteld zou zijn in zijn
warmhartige genegenheid voor de werknemers (bedrijven wenden dat nogal eens voor
bij monde van oudere chefs en sociale werksters). Een stap verder zijn de
uitzendelingen van arbeidsverhuurbureaus bij wie van bedrijfsbinding helemaal
geen sprake is en die als kleine zelfstandigen zonder kapitaal hun arbeid
verhuren. ‘Play the system to beat the system.’ Omdat zij zelf de complete
verzakelijking van de verhouding voltrokken hebben, zien zij zichzelf als kleine
| | | | ondernemers, even slim en even hard. Maar met dat al verdienen
zij nog steeds even weinig en blijft de arbeid even zinloos, alleen zijn ze nu
de knecht van twee meesters.
Zo is iemand op zijn werk en tegelijk ook niet, hij wil er geen betekenis aan
geven, geen plezier van hebben en vooral geen verdriet, geen eigenwaarde aan
ontlenen en de vernedering ontlopen. Veel werkende vrouwen willen voor hun buren
niet weten dat zij op de fabriek werken, dikwijls vertellen fabrieksarbeiders
dat zij hun medearbeiders niet thuis willen ontvangen: ‘Het gaat hun niks aan
wat wij van onze centen doen’. Echtgenote en kinderen hebben de fabriek zelden
van binnen gezien en vaak hebben zij geen idee wat de man er eigenlijk uitvoert.
Als dan in de gezinskring het werk ter sprake komt, blijkt soms die gêne bij de
arbeider.
Is de arbeider dus vaak niet helemaal aanwezig op het werk, soms is hij helemaal
niet aanwezig. Ziekteverzuim is de voornaamste grond voor absenteïsme. Binnen
een context van dwang en tegenzin is ziekte een uitermate dubbelzinnige
aangelegenheid. Iemand die ziek is hoeft immers zijn verplichtingen niet na te
komen en heeft bijzondere voorrechten. Allemaal redenen die voor gezonde mensen
het ziek zijn heel aantrekkelijk kunnen maken. Griep en verkoudheid zijn van die
schaduwtoestanden tussen ziekte en gezondheid. Voor een fabrieksarbeider kan
zo'n licht ziekbed een welkome rusttijd zijn. Het loon wordt doorbetaald, de
chefs zijn niet boos maar onverschillig, hoogstens bezorgd. Voor een
plichtsgetrouwe en gewetensvolle arbeider is het probleem zichzelf te overtuigen
dat hij ziek is en daarin helpt het lichaam vaak op wonderbaarlijke wijze.
Verder geen zorg, want ‘zonder mij gaat het werk ook heus wel door’. Het is dan
ook niet verwonderlijk dat ruim de helft van het aantal verzuimdagen wegens
ziekte (1966-'68) wordt toegeschreven aan ‘ziekten van de ademhalingsorganen’
(onder andere verkoudheid en griep, vierendertig procent) en aan ‘onbekend’
(twintig procent).5.
‘Griepen’ betekent in het Oostnederlands spraakgebruik ook ‘klagen’. Maar
inzicht in het verband tussen onvrede op het werk, verzuim en ziekte blijkt
telkens weer: ‘Alsmaar hetzelfde werk, dezelfde bewegingen, daar word je moe
van. En dan willen de bazen dat het vlugger gaat. Dat slaat op je maag, of op je
zenuwen en daar word je ziek van.’
Ziekte is een toelaatbaar excuus en bovendien nogal oncontroleerbaar. Mensen
worden ziek van de fabriek. Soms blijkt dat rechtstreeks in | | | | onmiskenbaar lichamelijke verschijnselen, zoals hardhorendheid, rugklachten en
dergelijke. Soms ook is het een psychische tegenstand die niet direct tot uiting
kan komen en die de arbeider bij zichzelf moet onderdrukken. De
gezagsverhoudingen in het bedrijf onderdrukken de arbeider, die onderdrukt zijn
eigen tegenstand en dat kan dan weer leiden tot allerlei ziekteverschijnselen
van lichamelijke aard. In ziekteverzuim steekt dus vaak een ‘verzetsmoment’,
zoals Ebels het in De Gids (4/1971) noemt. Maar het betreft
dan toch een verzet dat niet openlijk blijken mag, en dat vaak door de arbeider
zelf niet als zodanig herkend wordt. Het is een functioneel verzet, voor zover
het de arbeider althans tijdelijk bevrijdt van zijn arbeidsonlusten en zolang de
ziekte niet onaangenamer is dan het werk.
Een andere, al even dubbelzinnige, tegenstand blijkt ten aanzien van promoties.
De arbeiders die nu in de vijftig zijn hebben hun schoolopleiding afgebroken
tijdens de crisisjaren, de daaropvolgende generatie kwam vlak na de oorlog de
fabriek in. Door de tijdsomstandigheden kwamen zo een groot aantal mensen in
ongeschoolde posities terecht die naar hun aanleg geschikt waren voor voortgezet
onderwijs. Uit deze mensen zijn vaak later de voorlieden, meesters en het
middenkader gerecruteerd. Maar de meesten zijn ‘op de vloer’ gebleven, vaak
ongeacht hun kwaliteiten. Misschien bij gebrek aan vrijkomende hogere posities,
misschien ook vanwege de onwil om baas te spelen over medearbeiders, een onwil
waarvan de meeste arbeiders nogal heftig blijk geven: ‘Baas worden? da's niks
voor mij. 'n Baas staat aan twee kanten, da's een tweezak die over zijn eigen
mensen baas moet spelen. Hoe kan dat?’ Personeelschefs daarentegen, beweren dat
hen van die onwil weinig blijkt wanneer zij een arbeider uitnodigen om voorman
te worden. Het kan zijn dat arbeiders in een interview de eer aan zich houden
door vol te houden dat zij zouden weigeren, terwijl ze in feite teleurgesteld
zijn dat ze nooit zijn gevraagd. Het kan ook zijn dat de meesten in hun
afwijzing zouden volharden en dat personeelschefs het soort arbeiders promoveren
dat wel bereid is om carrière te maken, dat ‘blijk geeft van een positieve
instelling tegenover het bedrijf’.
Voor jonge ongeschoolde arbeiders zijn de promotiekansen nog veel kleiner. In hun
schooltijd werkte de schudzeef van het onderwijs ongestoord door crisis of door
oorlog. Zij zijn dus intellectueel de minst begaafden, althans dat geloven zij
zelf en dat geloven de chefs | | | | waarmee zij te maken hebben. Bovendien
is het aanbod van geschoolden toegenomen en gelooft de bedrijfsleiding dat voor
leidinggevende functies scholing meer en meer vereist is, zodat de voorlieden
niet meer uit de ongeschoolden zelf gekozen worden.
Bij de gastarbeiders werkt de selectie in omgekeerde richting: de meest
ondernemende en de meest ambitieuze dorpelingen melden zich voor arbeid in het
buitenland. Dit (vermeende?) feit leidt zo te zien tot een positieve
discriminatie: veel bedrijfsleiders en personeelschefs geven bij promoties in
technische functies de voorkeur aan buitenlanders die bijzonder handvaardig en
leergierig zijn gebleken en bovendien ijverig en gehoorzaam. Bij de leiding
blijkt weinig van vreemdelingenhaat, hoogstens van volkomen verzakelijking (‘ik
haal zelf elk jaar een lading Turken hier naar toe’). De Nederlandse arbeiders
zijn soms geïrriteerd door de onmogelijkheid van conversatie en zien de
buitenlandse contractarbeiders vaak als mogelijke stakingsbrekers, maar verder
blijkt weinig van tegenzin of zelfs maar belangstelling.
De vrouwen in de fabriek (en op kantoor) staan op de laagste plaats en doen het
meest afstompende werk (zogenaamde ‘lichte werkzaamheden’); bijna alle
verpakkingswerk is vrouwenarbeid. Voor meisjes en vrouwen geldt in hoge mate
‘dat ze er eigenlijk niet zijn’. De meisjes voelen zich in een tussenfase, nà de
school en vóór het huwelijk. De getrouwde vrouwen zijn ‘eigenlijk’ huismoeders,
die het - ook als het om volle dagen gaat - ‘om de bijverdienste’ doen. Dat een
vrouw het gezinsinkomen verdient is uitzondering, dan moet haar man wel invalide
zijn of asociaal, of ze is gescheiden of ongetrouwd gebleven en dus een ‘oude
vrijster’. De volwassen arbeidster is dus iemand die of alleen maar bijverdient
en daarom de arbeidsverhoudingen niet helemaal ernstig neemt, of iemand voor wie
zich buiten de fabriek al teleurstellingen hebben voorgedaan waarop ze haar
frustraties eerder zal herleiden dan op diezelfde arbeidsverhoudingen.
Vreemde bochten in de arbeidswetgeving leiden tot bijzondere vormen van
uitbuiting. Zo worden vrouwen niet zonder speciale vergunning toegelaten tot de
beter betaalde ploegendienst; in een grote spinnerij doen zij dus het ‘dagwerk’
en tillen klossen tot twintig kilo in kartonnen dozen - het zwaarste werk in de
fabriek dat geen man wil doen omdat hij in de vol-continu dienst meer loon
krijgt voor lichter werk. Geschraagd door een taai vooroordeel bij de vrouwen
zelf, die | | | | immers ‘niet technisch’ zijn en ‘geen echte arbeider’,
wordt de machinebediening meestal aan mannen overgelaten. Wie een machine
bedienen kan, ook al doet hij dat in feite alleen maar af en toe, komt in een
hogere loongroep terecht. Dus worden vrouwen aangenomen in een lagere loonklasse
dan mannen die precies hetzelfde werk doen, omdat de vrouwen traditiegetrouw van
de machine afblijven, terwijl de mannen eraan kunnen komen.
Zijn vrouwen in de fabriek de meest volgzamen en de meest plooibaren, ze hebben
hun eigen ‘verzetsmomenten’: Vrouwen kunnen elke maand één of twee dagen
wegblijven zonder dat een baas of controlerend arts daar iets tegenin kan
brengen, zolang ze het maar periodiek houden. Maar vooral groepsgewijs gebruiken
arbeidsters en kantoormeisjes hun vrouwelijkheid. Op een vrouwenafdeling durven
mannelijke chefs die er niet thuishoren zich meestal maar nauwelijks te
vertonen: staren, aanstoten, giechelen en roepen brengen de superieuren al
dadelijk tot verlegen houdingloosheid. (Waar blijven de handen? Inspecterend
achter de rug ineengevouwen, of moeten de armen heerzuchtig over de borst
gekruist, of toch maar een hand nadenkend voor de mond geslagen?) Het is een
erotisch geladen groepsaanval waartegen een man alleen, een superieur die
beschaafd wil blijven, zich geen houding weet te geven. Op een typekamer krijgen
de meisjes en bloc een slappe-lachaanval die de chef en zijn gasten de zaal
uitjaagt: de meisjes zijn verschoond gebleven van de inspectie en ‘zij kunnen
toch niet helpen dat ze werden aangestoken?’
Peter Schneider6.
beschrijft hoe de vrouwen bij Bosch steeds tegen de langskomende bazen aanbonzen
en de loopjongens bij de lurven grijpen: ‘Zo vindt in de fabriekshal een
voortdurende lichamelijke communicatie plaats, waarbij vergeleken het contact
met woorden van ondergeschikt belang lijkt.’
Maar het lijkt wel alsof die lichaamscontacten juist moeten meedelen wat in
spraak ongezegd moet blijven - agressieve zelfbevestiging: als jullie ons hier
als kerels laten werken, zullen we jullie ook als kerels te pakken nemen.
Het kan zijn dat de verveling en de dwang om op de plaats te blijven een zekere
geilheid oproepen, ook als bevestiging van de eigen vitaliteit (gedenk de lange
middagen op school...). De nadrukkelijke roerigheid van mannen op het werk,
wanneer een vrouw verschijnt moet ook te kennen geven dat die arbeiders niet
zulke doetjes zijn als zij op het | | | | werk wel lijken moeten.
Fabrieksarbeiders staan voortdurend onder toezicht, zij weten het oog van de baas
op zich gevestigd. Een manier om dat gevoel af te schudden is niet op of om te
kijken, zelf blind te zijn. Nog steeds is het voor een chef doodgewoon om
staande naast een arbeider tegen zijn gast over de man te praten alsof hij het
niet horen kon (‘en dit is een ouwe getrouwe, al vijfentwintig jaar bij het
bedrijf’) en de man houdt zich doof. Het is gewoon om een man te tutoyeren, om
hem met een wenk uit zijn werk te halen, om hem in het bijzijn van
buitenstaanders te kapittelen over laatkomen, roken, slordigheid van de
arbeidsplaats of het verzuin een veiligheidsbril te dragen. Op zo'n vernedering
kan de man alleen maar knullig reageren, want een menselijke reactie, een mep of
een vloek, wordt afgestraft. ‘Net schooljongens’, verzucht de chef dan. Zo is
het, de school, te vroeg verlaten, blijft de ongeschoolde altijd bij.
Veel arbeiders houden, als het even kan, vijf minuten voor tijd met hun werk op
en beginnen met eindeloze traagheid hun boeltje in te pakken, zorgvuldig in
beweging blijvend, dùs nog aan de arbeid. Dan staan ze op en schuiven zo
langzaam als maar kan naar de streep. Elk bedrijf heeft een punt (deur, strepen
op de vloer, prikklok) dat geen arbeider passeren mag voor de sirene gaat. Daar
staan dan een paar minuten voor tijd een aantal arbeiders met op hun gezicht een
afwezige uitdrukking: ‘Ik sta hier eigenlijk niet’, tot het tijdsein klinkt en
ze zich in volle draf naar het waslokaal en de bussen begeven.
In deze spelletjes steekt een zeker onuitgesproken collectief verzet, maar het
blijft steken in gezamelijke ‘stoutheid’, omdat de arbeiders zelf niet het
gevoel hebben in hun recht te staan. Veel duidelijker en van veel meer belang is
de collectieve tegenstand die blijkt uit het laag houden van het arbeidstempo,
het ‘drukken’, waar tegenover dan het ‘jagen’ van de chefs staat. Van dag tot
dag en van fabriek tot fabriek is dat de meest directe en algemene
verschijningsvorm waarin de klassenstrijd zich aan de arbeiders voordoet.
De tegenstand gaat verder en moet daarom geheim blijven als het gaat om sabotage
en diefstal. Controle van tassen en jassen bij het uitgaan van de fabriek geldt
in de meeste bedrijven als vanzelfsprekend. Diefstal is grond voor ontslag op
staande voet. Een straf die naar de gevolgen de ernst van een eventueel
strafvonnis ver te boven gaat en | | | | bovendien met veel minder
rechtswaarborgen omkleed is. Ondertussen ‘rommelt’ het leiding gevend personeel
met de onkostenrekening voor veel grotere bedragen, maar als het vergrijp niet
wordt weggelachen, volgt hoogstens een berisping.
Uit gesprekken blijkt dat sabotage vrij vaak voorkomt en door arbeiders dikwijls
wordt goedgekeurd of goedgepraat in tegenstelling tot diefstal, die bijna altijd
wordt afgekeurd.
Een scheur of een losse schroef in de lopende band is een goed begin en er is
altijd wel iemand die de storing verder helpt, tot de band komt stil te staan.
Op een verpakkingsafdeling waar de meisjes in heel hoog tempo pakjes in
kartonnen dozen moesten leggen, gaf het oudste meisje zo om het uur een forse
ruk aan de papierstrook waaruit de machine pakjes perste - het snijmes hakte
dwars door de pakjes heen en de inhoud spoot door de afdeling. De chef, die als
enige de machine mocht bijstellen werd er bijgeroepen en dook dan met zijn hoofd
in het raderwerk om de machine weer aan het lopen te krijgen. Ondertussen zaten
de meisjes te gieren van het lachen - overigens hun enige contact, want ze
spraken alle drie een andere taal. Voordat de machine dan weer in panisch ritme
kon gaan draaien, moesten de meisjes natuurlijk eerst de rommel opvegen, wat ze
met de grootst mogelijke zorg deden, want het was een proper bedrijf.
Deze vorm van sabotage is functioneel, want hij verschaft een arbeidspauze, en
hij is collectief omdat het gebeurt met medeweten en medeplichtigheid van de
collega's. Swados7. vertelt hoe arbeiders in een autofabriek voor zij de staartvin
dichtlassen er eerst nog een handvol bouten ingooien: als de oorzaak van de
rammel al ooit ontdekt wordt is hij toch niet meer te verhelpen.
De omvang en verbreidheid van dit soort sabotage is niet te schatten: de
strengste gedragsnorm onder arbeiders is het volstrekt verbod op klikken en
aanbrengen.
Het ziet er niet naar uit dat eentonige, geestdodende arbeid ‘vanzelf’ verdwijnen
zal, door mechanisering van de handelingen. Moderne verkooptechnieken eisen een
verpakking en afwerking die de behoefte aan eentonige, maar ‘zorgzame’ en dus
niet te mechaniseren arbeid doet toenemen: een derde van de arbeidsuren die aan
de fabricage van een personenauto wordt besteed, is nodig voor het schuren,
plamuren en lakken van de carrosserie en voor afwerking van de binnenbekle- | | | | ding. De duurzaamheid en weerbestendigheid zouden door een enkele
onderdompeling in een verfbad beter verzekerd zijn; al dit ellendig werk wordt
gedaan om de wagen een aantrekkelijker voorkomen te geven. Het grootste deel van
het mensenwerk in de voedingsindustrie is gericht op de verpakking en de
presentatie van de artikelen. Stompzinnig werk dat wordt gedaan door vrouwen en
meisjes die met de grootste zorg bonbons in crêpe-papier vleien, terwijl in hun
eigen woonwijk kinderen onbewaakt oversteken, met veertig tegelijk in een klas
moeten zitten, zonder toezicht op straat moeten spelen, terwijl het ontbreekt
aan gezinsverzorging, ziekenhulp, terwijl ouden van dagen in tehuizen worden
ondergebracht bij gebrek aan wijkverzorgsters.
Nutteloze arbeid, afgedwongen door een blind en verwrongen marktmechanisme dat
voorwerpen met neurotische zorg omringt en mensen tot absurde werkzaamheden
dwingt, terwijl tegelijk andere mensen verkommeren omdat ze de zorgen ontberen
die nu juist hun medemensen die de fabriek in moeten, zouden kunnen geven.
Misschien is sommige stompzinnige arbeid noodzakelijk, een groot deel is zeker
nodeloos en nooit heeft de gemeenschap kenbaar gemaakt dat die inspanningen
werkelijk gewenst worden, dat aan snoepjes en auto's meer zorg toekomt dan aan
mensen. En als dan niet alle geestdodende arbeid gemist kan worden, dan nog is
het niet gezegd dat daarvoor een bepaalde bevolkingsgroep tot aan het eind van
zijn levensdagen moet opdraaien. Als sommige eentonige werkzaamheden volstrekt
onmisbaar zijn, dan zouden ze beurtelings vervuld kunnen worden door ieder die
er baat bij heeft, dat is dus elke consument. Noodzakelijke ongeschoolde en
geestdodende arbeid zou als corvee over de gemeenschap verdeeld kunnen worden;
als het niet uitmaakt wie het doet en het geen scholing vereist, kan dus
iedereen het bij toerbeurt een aantal malen in zijn leven doen. Het kàn, dat wil
niet zeggen dat het gebeurt, en onder dit stelsel zal het zeker nooit zo ver
komen.
Zolang het als vanzelfsprekend wordt aanvaard dat een klein deel van de
samenleving de produktiemiddelen in eigendom heeft en een nog veel kleinere
groep in het bedrijfsleven de dienst uitmaakt, kan van wezenlijke verandering
geen sprake zijn. Alleen als de produktiemiddelen, waarmee de maatschappij
immers moet voorzien in de behoeften van haar leden, onder beheer van de
gemeenschap komen, is | | | | wezenlijke verandering mogelijk. Een
rechtvaardige verdeling van de lusten en lasten van produktie en consumptie kan
alleen ontstaan uit de verovering van de macht over die produktiemiddelen door
de mensen die ze hanteren en die ervan bestaan. Onthullende beschijvingen en
goedbedoelde plannen kunnen misschien de strijdlust vergroten, maar voor een
maatschappelijke omwenteling zijn ze onvoldoende. Die moet komen van de strijd
door de georganiseerde arbeiders zelf. Maar in de tussentijd zou een politieke
gemeenschap die de ontplooiing van al zijn leden hoog in het vaandel heeft
geschreven, zich wat meer kunnen bekommeren om wat de ongeschoolden overkomt. Er
zijn bedrijven gesloten, of de vestiging is ze geweigerd om wat ze in de
natuurlijke omgeving aanrichten; maar in de bedrijven gaat het mensbederf gewoon
door.
A. de Swaan
|
1.John H. Schaar & Sheldon S. Wolin,
‘Education and the technological society’, New York Review of
Books, XIII, 6, 9 oktober 1969.
2.Vergelijk R. Blauner, Alienation and freedom, blz. 29; Berting & De Sitter, Arbeidsvoldoening en arbeidsbeleid, blz. 168; Chr. von
Ferber, Arbeitsfreude, Wirklichkeit und Ideologie, blz.
2.
3.Vergelijk de studie naar ziekteverzuim van Gadourek cum suis, statistisch
zo verfijnd dat de verwerking van gegevens moest wachten op nog beter
rekentuig, maar in de benadering van de arbeiders zo onzorgvuldig dat
middenin het vragenformulier wordt overgegaan van ‘u’ naar ‘je’. Een
afzonderlijk validiteitsonderzoek naar de antwoorden van de enquête
versterkt de hier vermelde twijfels (blz. 65). I. Gadourek, Absence and well-being of workers.
4.De meeste citaten en waarnemingen in dit
artikel zijn ontleend aan een reeks fabrieksbezoeken, een veelheid van
gesprekken met arbeiders, thuis of op de fabriek. Dit maakte alles deel uit
van de voorbereiding van de televisie-documentaire. Een
boterham met tevredenheid in samenwerking met Paul van den Bos. De
complete geluidsbanden en transcripties van de zes gesprekken die in dit
boek gedeeltelijk zijn afgedrukt, zijn gedeponeerd bij de Stichting Film en
Wetenschap te Utrecht.
5.Statistisch zakboek
'70, blz. 26. Het percentage door arbeiders verzuimde dagen is in de
afgelopen tien jaar bijna verdubbeld, tot 8,7 procent in 1969.
6.Peter Schneider, ‘Die Frauen bei Bosch’,
Kursbuch 21, september 1970. In hetzelfde nummer:
Marianne Herzog, ‘Akkordarbeiterinnen bei AEG/Telefunken’. Women's
liberation heeft de belangstelling voor de werkende vrouw in de Verenigde
Staten doen herleven, zie bij voorbeeld de bijdragen van Judith Ann en van
Jean Tepperman in Sisterhood is powerful. Een prachtige
beschrijving geeft Elinor Langer, ‘The women of the Telephone Company’, New York Review of Books, XIV, 6, 26 maart, 1970.
7.Harvey Swados, ‘The myth of the happy
worker’, Identity and Anxiety (Stein, Vidich, White
eds.).
|
|