|
|
|
| |
| | | |
4- Laatmiddelnederlands (circa 1350-1550)
door R. Willemyns met syntaxis door J.M. van der Horst
4.1. Afbakening van het werkterrein
Over het Middelnederlands wordt in dit werk in twee hoofdstukken geschreven; het
onderhavige behandelt het Laatmiddelnederlands. Een afbakening van het
werkterrein moet zowel chronologisch als geografisch gebeuren.
| |
4.1.1. Chronologische afbakening
Bij de chronologische afbakening kampt men met de bekende, traditionele
problemen. De indeling van taalevolutie in verschillende chronologische
fasen berust niet zozeer op interne taalkenmerken als wel op
Forschungsdesiderate en traditie. Dat is ook hier natuurlijk zo, want de
pogingen die al zijn ondernomen om een dergelijke indeling een op
taalevolutieve kenmerken steunende, min of meer rationele basis mee te
geven, zijn er nooit in geslaagd het arbitraire karakter van de indeling
helemaal weg te nemen. Hoewel er in een later hoofdstuk op gewezen wordt,
dat er voor de hier gebruikte indeling een op extra-linguïstische gegevens
berustende, aanneembare basis bestaat (zie 4.2.1.), neemt dat niet weg dat
we met deze indeling eigenlijk vooral aansluiten bij een bestaande traditie,
die vooral gehandbaafd wordt omdat ze ons goed uitkomt.
Het bovenstaande geldt ook voor het tijdstip waarop men het
Laatmiddelnederlands wil laten eindigen. De grote standaardwerken uit het
apparaat van de Middelneerlandistiek hebben allemaal arbitraire beslissingen
genomen en niemand blijkt de behoefte te hebben gevoeld linguïstisch te
argumenteren waarom precies het genoemde jaartal en geen ander het eindpunt
van het Middelnederlands zou betekenen. Er zijn twee extreme opvattingen:
circa 1425 en 1550-1600, het eerste jaartal bij De
Vreese (1962), het andere (impliciet) in het WNT.
Het wil me voorkomen dat men in die hele discussie al te veel uit het oog
verliest dat hét Middelnederlands niet bestaat. Met die uitspraak is op
zichzelf iedereen het natuurlijk wel eens en ze wordt als een gemeenplaats
beschouwd, maar | | | | toch heb ik de indruk dat, als het erop
aankomt, velen nogal eens de neiging hebben ze toch maar liever te vergeten.
Ik heb daar in Willemyns (1979: 31-32) het volgende over gezegd:
‘Met een beetje goede wil kan men het wel hebben over Middelvlaams,
Middelhollands, Middelbrabants, Middellimburgs enz., en voor elk van die
samenstellende onderdelen ligt het eindpunt o.i. anders. Is het naar onze
mening voor het Middel(west) Vlaams zeker te verdedigen daar de hele
zestiende eeuw nog toe te rekenen, de toestand voor het Hollands of het
Brabants is wellicht totaal anders. Er zal dus steeds van geval tot geval
moeten worden beslist. Samenvattend: in het algemeen moet men de 16e
eeuw als een overgangsstadium beschouwen en er rekening mee houden, dat er
regionale verschillen zijn die het, samen met het gebrek aan bruikbare
linguïstische criteria, onmogelijk maken een min of meer precieze datum vast
te stellen, die het einde van ‘hét’ Middelnederlands aan zou duiden.’
Die situatie is inmiddels natuurlijk niet gewijzigd. Omwille van de
afstemming met de overige hoofdstukken beperk ik mij hier tot de periode
1350 tot 1550. Dit heeft het praktische voordeel dat de implicaties van de
Opstand en het ontstaan van de Republiek voor de Nederlandse standaardtaal
in hun geheel in één hoofdstuk, namelijk het volgende, kunnen worden
behandeld.
| |
4.1.2. Geografische afbakening
De problemen in verband met de geografische afbakening liggen anders. Wie
over Nederlands (uit welke periode dan ook) schrijft, denkt natuurlijk
impliciet of expliciet aan een bepaald taalgebied, waarvoor de
neergeschreven observaties geldig zijn. Omdat de geografische begrenzing van
dat taalgebied in de loop der eeuwen wijzigingen heeft ondergaan, doen we er
goed aan zo precies mogelijk (dus expliciet) te omschrijven hoe het er in de
Laatmiddelnederlandse periode uit zag en dan komt men er niet onder uit even
stil te staan bij de vraag wat Nederlands is.
| |
4.1.2.1. Wat is Nederlands?
In Willemyns (1979: 12-14) heb ik geprobeerd een keuze te maken uit
verschillende, op werk van Jan Goossens1
steunende, mogelijke definities. De enige hanteerbare definitie is de derde
van de daar genoemde, waarin een Nederlandse | | | | eenheidstaal in
embryonale vorm als overkoepelend element wordt opgevat.2 In dat geval is het
Continentaal-Westgermaans uit de latere middeleeuwen in het noordwesten van
de continentale Westgermania ook als Nederlands, dat wil zeggen als
Middelnederlands te beschouwen. De schrijftaalvormen die daartoe behoren
zijn, per definitie, die waarin tendensen naar een Nederlandse eenheidstaal
zijn aan te treffen. De grenzen van het Middelnederlands vallen niet samen
met die van het huidige Nederlandse taalgebied. Het Middelnederlandse gebied
is groter (heel Frans-Vlaanderen behoort ertoe evenals een stuk van de
Duitse Nederrijn) maar ook kleiner (het gebied ten oosten van de IJssel is
eerder als Middelnederduits dan als Middelnederlands te beschouwen). Dit is
de opvatting waarin de term ‘Middelnederlands’ meestal wordt gebruikt, zodat
ik me dus aansluit bij een al oudere traditie, die op redelijke gronden
blijkt te berusten.
| |
4.1.2.2. Taalgrensveranderingen
Nadat omstreeks de 11e eeuw de taalgrens tussen het Continentaal-Westgermaans
en het Romaans min of meer definitief was vastgelegd (Gysseling 1976), kan men van taalgebieden spreken. In het
Continentaal-Westgermaanse gebied zouden uiteindelijk vier taalgebieden
ontstaan: het Friese, het Nederduitse, het Hoogduitse en het Nederlandse. De
grootste verandering die daarin later nog zou optreden is de samensmelting
van het Nederduitse en het Hoogduitse gebied tot een Duits taalgebied, niet
zozeer door een verandering van de spreektaalgewoonten van de betrokkenen,
als wel door de geleidelijke ‘overdakking’ van het Nederduitse gebied door
de zich ontwikkelende (Hoog) duitse standaardtaal en de daarmee gepaard
gaande teloorgang van de standaardtaalfuncties van het Nederduits. Ook dat
wijst op het belang van de standaardtaal en de ‘overdakking’ bij het
definiëren van het begrip ‘taalgebied’. Ten aanzien van de hedendaagse
situatie is de enige werkbare definitie van ‘taalgebied’: de verzameling van
plaatsen waar éénzelfde taal de functie van standaardtaal vervult. Het
gebruik ervan veroorzaakt echter problemen voor die perioden uit de
geschiedenis, dat er nog niet van een echte standaardtaal sprake kan zijn
(cf. supra). Voor de periode vóór de 17e eeuw moet het begrip
‘standaardtaal’ dan ook vervangen worden door ‘een naar uniformisering
tenderende, min of meer bovenregionale schrijftaal’. Aangezien dit een vaag
begrip is, zal ook de gebiedsafbakening, die op grond ervan gebeurt,
noodzakelijkerwijs enigszins vaag blijven.
Voor het grootste gedeelte van het Nederlandse taalgebied is dat geen
probleem, voor de grensgebieden, de zogenaamde taalcontactgebieden, wel.
| | | |
Wanneer men de ‘omvang’ van het huidige Nederlandse taalgebied met die in de
Laatmiddelnederlandse periode vergelijkt, dan ziet men dat er ‘winst’ en
‘verlies’ is:
| 1. | Frans-Vlaanderen: het deel buiten ‘de Westhoek’ verfranst. |
| 2. | Het Saksische gebied vernederlandst. |
| 3. | Het Rijn-Maasgebied verduitst. |
Ik ga daar nu iets dieper op in.
In de periode die ons interesseert is een flink stuk van ons taalgebied in
het zuidwesten verloren gegaan. Het betreft hier niet ‘de Westhoek’
(Willemyns 1995), maar andere in Frankrijk gelegen stukken, onder meer
Pas-de-Calais (bijvoorbeeld St.Omer) die langzaam verfransten. Onder graaf
Boudewijn II (878-918) strekte het graafschap Vlaanderen zich uit van de
Zeeuwse eilanden tot aan de Canche. Onder Boudewijn V (1035-1065) werd
Rijks-Vlaanderen met Kroon-Vlaanderen verenigd en werd Rijsel (Lille) de
hoofdstad van het graafschap, dat onder Boudewijn VI zijn grootste
territoriale uitbreiding kende en zich uitstrekte van de Maas tot aan de
Canche. Daarna zou het gebied alleen nog maar inkrimpen.
Het eerste territoriumverlies gebeurt al in 1180. Nadat de alliantie tussen
de Vlamingen en de Engelsen in 1214 de slag bij Boevingen (Bouvinnes) tegen
de Fransen verliest, begint er een vijf eeuwen durende annexatie van Vlaams
grondgebied door Frankrijk en wordt Vlaanderen, voordien een vrij
zelfstandige politieke entiteit, nu een echt leen van de Franse kroon (1226,
Verdrag van Melun). In 1320 moet Robrecht van Bethune (de in Consciences De Leeuw van Vlaanderen zo romantisch het heldendom
ingezongen graaf van Vlaanderen) de Zuidvlaamse steden Rijsel (Lille),
Dowaai (Douai) en Bethune aan Frankrijk afstaan (Verdrag van Parijs).
Weliswaar kwamen ze een halve eeuw later weer terug en zouden tot in de 17e
eeuw met de Nederlanden verbonden blijven, maar de grondslag voor de
verfransing van een deel van dat gebied was toen al gelegd.
Vooral na de nederlaag en dood van Karel de Stoute in 1477 werd zuidelijk
Vlaanderen (een deel van) de inzet van de bittere en langdurige strijd
tussen de Bourgondiërs en hun Habsburgse opvolgers enerzijds en de koning
van Frankrijk anderzijds. In 1529 moet de Franse koning Frans I zijn
leenheerschap over Vlaanderen en Artezië opgeven en beide gebieden worden in
de Bourgondische Kreits opgenomen. Na de troonsafstand van Karel V komen ze,
met de rest van de Nederlanden, in het Spaanse rijk van Filips II terecht.
Het Frans-Vlaamse gebied, de bakermat van de religieuze opstand tegen Spanje,
werd van 1572 tot 1583 een van de door de Opstand het ergst geteisterde en
verwoeste gebieden en dat bleef ook zo na de feitelijke scheiding van de
Nederlanden, omdat de strijd tussen Spanje en Frankrijk met regelmatige
tussenpozen weer oplaaide. Na de beëindiging van de regering van Albrecht en
Isabella werd in 1635 | | | | tussen Frankrijk en de Noordelijke
Nederlanden een vriendschapsverdrag gesloten, dat de aanleiding was tot een
verdere Franse expansie waarvan vooral Frans-Vlaanderen het slachtoffer
werd. Tussen 1639 en 1641 veroverde Lodewijk XIII onder meer Heusden
(Hesdin), Atrecht (Arras), Ariën (Aire), Bapaume en Lens; in 1644 werd, met
de hulp van de Hollandse admiraal Tromp, Grevelingen (Gravelines) door de
Fransen ingenomen en werden kort daarna ook Bethune, Armentières
(Armentiers) en Bourbourg (Burburg) veroverd; in 1648 werden onder meer
Duinkerke (Dunkerque), Sint-Winnoksbergen (Bergues) en Kassel (Cassel) door
de Fransen geannexeerd. De vrede van Nijmegen (1678) brengt die drie
‘kasselrijen’, samen met Belle (Bailleul) definitief onder Frans bestuur
(Ryckeboer 1990). In 1713 werd de vrede van Utrecht getekend, waardoor de
Zuidelijke Nederlanden aan Oostenrijk vielen, maar het gedeelte van
Vlaanderen dat nu als ‘Frans-Vlaanderen’ bekend staat definitief Frans
grondgebied werd.
Vanzelfsprekend verandert een taalgrens niet telkens wanneer een gebied van
kroon verandert; wel hebben we hier te maken met een geleidelijk opschuiven
van de Romaans-Germaanse (dat is Frans-Nederlandse) taalgrens in noordelijke
richting. De grote romaniseringsgolf in het noordwesten van het huidige
Frankrijk dateert uit de 11e-12e eeuw en dan komt de taalgrens tot stand
waar men bij de bespreking van de taalshift in Noord-Frankrijk van uit moet
gaan. In het begin is er nog enige verschuiving over en weer: Kales
(Calais), dat eerder al verfranst werd, wordt in de 13e eeuw weer Nederlands
en zal dat nog lang blijven, zoals uit het occasionele gebruik van onze taal
in officiële documenten blijkt (Gysseling 1966). De precieze evolutie in het
huidige Pas-de-Calais is echter moeilijk te volgen, aangezien na het
verdwijnen van het Latijn als ambtelijke schrijftaal het gebruik van het
Frans werd opgelegd. Dat het Nederlands er nog lang standgehouden heeft is
echter een feit, zoals onder meer blijkt uit de verrassende ontdekking, niet
zo heel lang geleden, van in het begin van de 17e eeuw nog in het Nederlands
gestelde ambtelijke documenten uit het dorp Polincove. Bij de stadsrekening
van 1612 bijvoorbeeld is een kwitantie gevoegd met de volgende, door de
stadsklerk geschreven tekst:
‘Ick Jehan de Malynnes den ouden verkent wel ende duedelyck te
hebben onfaen van Andries Loete by laste van Franchois Verarne ende Jan
Elleboede als sch(y)eepens van dat tselfe jaer dust zes hondert ende xij...
de somme van vij l.... dat den zelven heevet verdynt vor te hebben getymmert
den torre van de proche van Pollynchove vaerrof dat ick my houde content
ende wel betalt...’ (Bougard & Gysseling 1971: 100-101)
Zonder al te veel kans op vergissingen mag men aannemen dat ook in
Pas-de-Calais de adel en het stedelijke patriciaat als eersten de weg van de
verfransing zijn opgegaan. In Sint-Omaars (Saint-Omer) doen ze dat
gedeeltelijk al in de 13e eeuw, maar toch wordt het Frans er pas in de 17e
eeuw de omgangstaal van het gewone | | | | volk. ‘Verder wijzen
verscheidene archiefstukken uit de 14de eeuw op een aantal Vlaamse
straatnamen te St.-Omaars. In dezelfde eeuw waren in deze stad de plakkaten
in het Frans en in her Vlaams (‘in idiomatibus gallico et flamingo’)’,
schrijft Pée (1957: 3), die er ook op wijst dat de stadskeure van 1509
vermeldt dat burgemeester en schepenen ‘de gewoonte hebben hun uitspraken in
strafzaken in het Vlaams te doen opstellen’. Van het plaatsje Sperleke
(Eperlecques) weten we dat er nog in 1748 in het Nederlands werd gepreekt en
de pastoor zijn registers in het Nederlands voerde (Gysseling 1966). Toch
kan men zeggen dat, op enkele uitzonderingen na, het gebied ten westen van
de Aa na de 176 eeuw zo goed als volledig verfranst is en dat in een deel
van dat gebied de taalshift gebeurde in de hier behandelde periode. Het
verhaal van de verfransing van het eigenlijke Frans-Vlaanderen, de
zogenaamde Westhoek, valt buiten het temporele kader van dit hoofdstuk (zie
Willemyns 1995).
| |
Het ‘Saksische’ gebied of het probleem van de westgrens van het
Middelnederduits
De noordoostelijke provincies van het huidige Nederland behoorden in de
Oudnederlandse en het begin van de Middelnederlandse periode niet tot het
Nederlandse taalgebied. Een deel ervan was Fries, een ander Nederduits.
Traditioneel wordt ervan uitgegaan dat in de loop van de periode die in
onderhavig hoofdstuk behandeld wordt, een deel van het noordoosten, althans
wat de schrijftaal betreft, zodanig ‘verhollandste’, dat het als onderdeel
van het Laatmiddelnederlandse taalgebied mag worden beschouwd.
Over de beginperiode bestaat zo veel onzekerheid, dat Heeroma (1963) van
mening was dat een taalgeschiedenis van noordoostelijk Nederland eigenlijk
niet kan worden geschreven. Dat heeft veel daarmee te maken dat precies in
dat gebied lang in het Latijn geschreven werd (Niebaum 1994) en dat er
überhaupt weinig schriftstukken zijn overgeleverd. Uit de periode van 1245
tot 1406 zijn er voor Groningen minder dan 200
oorkonden overgeleverd, zegt Niebaum (1994: 207) die verder vermeldt ‘rond
1370 wordt dan in Groningen ook de volkstaal voor het eerst op schrift
gesteld’. In wat we hier de Laatmiddelnederlandse tijd noemen bestond er,
zegt hij,
‘een Nederlands-Nederduits continuüm waarbinnen het huidige
Oost-Nederlands samen met het Westnederduits bezien dient te worden... De
schrijftaal van Groningen (inclusief Oostfriesland) is een noordwestelijke
variant van het Middelnederduits, die gekenmerkt wordt door Nederlandse en
Westfaalse invloeden, hetgeen vooral tot uiting komt in de vele
dubbelvormen’ (Niebaum 1994: 207).
Een fonologische beschrijving van de taal van enkele Groningse teksten uit de
16e en het begin van de 17e eeuw vindt men in Niebaum (1991).
Als grens van het Oudnederlands tegenover het Oudnederduits geldt traditio-
| | | | neel de westgrens van de Oudsaksische ‘eenheidspluralis’
(uitgang -et in het presens indicatief), de zogenaamde
Rijn-IJssellijn, die wellicht ook al in de vroegste Middeleeuwen bestond.
Hij verliep ten westen van Zwolle, Zutphen, Bocholt, Essen, Wuppertal en
Wipperfürth en stootte dan op de noordgrens van de tweede klankverschuiving,
de Benrather Linie.
Deze traditionele opvatting is allicht te simpel en zeker niet onomstreden,
zoals onder meer in Goossens (1991) overtuigend wordt aangetoond. Wanneer we
de huidige Oostnederlandse dialecten bekijken, dan blijkt het niet moeilijk
te zijn een grenslijn te tekenen die er als een belangrijke scheiding tussen
twee verschillende dialectgebieden uitziet, die dan graag ‘saksisch’
respectievelijk ‘Nederfrankisch’ worden genoemd. Wel moeilijk blijkt te zijn
aan te tonen dat het hier om een oude grens zou gaan, die terug te voeren is
op de oude stamgrens tussen Saksen en Franken. Heel wat auteurs zijn vroeger
wel van die hypothese uitgegaan, waarbij de isoglosse van de Saksische
eenheidspluralis als ongeveer met die oude stamgrens gelijklopend werd
beschouwd. Daarmee wordt bedoeld de grens in de 1e en 3e persoon mv. tussen
de zuidwestelijke uitgang -en en de noordoostelijke
uitgang -et. Deze grens wordt door Goossens (1991) in
navolging van Jellinghaus als volgt beschreven: zij overschrijdt bij
Doesburg onmiddellijk de IJssel, buigt enkele kilometers voor de Zuiderzee
in noordoostelijke richting af, steekt tussen Zwolle en Kampen nog eens de
IJssel over in de richting van Oostfriesland, waar ze de Ems bereikt tussen
Leer en Emden. Impliciet of expliciet moet men bij deze redenering aannemen
dat
| 1. | de dialectgrens van de IJssel tot de Zuiderzee representatief is; |
| 2. | op die manier een oude territoriale tegenstelling tussen twee
verschillende Oudgermaanse stammen en hun talen wordt voortgezet. |
Het is echter de vraag hoe legitiem dit alles is. De waarde die aan de
IJssel-Zuiderzeegrens wordt toegekend, berust eigenlijk niet op vroegere
gegevens, maar op de assumptie dat, aangezien de pluralisisoglosse ongeveer
daar verloopt waar men de oude stamgrens vermoedt, we dan wel met de
reflexie van die stamgrens te doen zullen hebben. Niet alleen echter is hier
het gevaar voor een cirkelredenering bijzonder groot, het is bovendien
vaststelbaar dat zelfs de ‘Saksische eenheidspluralis’ als zodanig een
moeilijk hanteerbaar criterium is. Enerzijds komt de eenheidspluralis op
-t ook buiten het Saksische gebied (in een groot
Zuidwestduits gebied) voor, anderzijds hebben ook delen van het Nederlandse
taalgebied (waaronder het Noordoosten) en van het Nederduitse gebied (onder
meer heel het Oostnederduitse gebied) een eenheidspluralis, zij het dan een
op -en. Alleen indien aangetoond zou kunnen worden dat die
pluralisisoglosse een onderdeel van een belangrijke isoglossenbundel, met
zeer oude taaltegenstellingen, is, zou ze als representatief kunnen worden
beschouwd.
Goossens (1991) heeft uit Weijnens indelingskaart
(Weijnen 1966) een bundel | | | | van
tien isoglossen overgenomen, waarvan men zou kunnen aannemen dat ze aan de
bovengenoemde voorwaarden voldoen.3 In een zorgvuldige studie van die isoglossen toont
Goossens aan dat het hier telkens gaat om lijnen die opdringende westelijke
expansie aanduiden. We hebben hier, met andere woorden, niet met oude
taalgrenzen te maken, maar integendeel met de reflexies van (relatief) jonge
Hollandse vernieuwingen, die in een deel van het Oostnederlandse gebied
werden overgenomen:
‘Alles in allem erweckt das ostniederländische Gebiet den Eindruck
einer Aufbruchlandschaft, die vom Westen her mit Neuerungen überschichtet
wird. Ein geschlossener sächsischer Komplex ist nicht mehr zu erkennen. Was
sich in östlicher Reliktstellung befindet, hat mehrheitlich früher auch im
Westen existiert; es hängt zwar mit dem Niederdeutschen zusammen, es ist
aber historisch nicht niederdeutsch, sondern gehörte einem gröβeren
westgermanischen Bereich an... In diesem ganzen Komplex ist das Gebiet
Twente-Achterhoek eine ausgeprägte Reliktlandschaft.’
Een ander belangrijk criterium, zegt Goossens, is de zogenaamde
Sekundärumlaut. Niet alleen heeft die in het oosten gewerkt en in het
zuidwesten niet, maar vooral ook heeft westelijke expansie ervoor gezorgd
dat de morfologische functie van deze umlaut4 in het oosten
van het Nederlandse taalgebied grotendeels verloren is gegaan. Die
Sekundärumlaut kon slechts blijven bestaan waar morfologische alternanties
geen rol spelen, bijvoorbeeld in gruun, dat geen
umlautloze vorm naast zich heeft.
De conclusie kan dus zijn dat van een oude tegenstelling tussen Nederduits en
Nederlands in de noordoostelijke dialecten nauwelijke enige sporen te vinden
zijn. De verschillen die we aantreffen berusten op het onderscheid tussen
westelijke vernieuwingen en relicten van verschijnselen die allang
autochtoon zijn.
In vooral Groningen en Noord-Drenthe is de umlautsalternantie in vele
gevallen verdwenen. De verklaring daarvoor heeft te maken met de ontfriezing
en de manier waarop die in zijn werk is gegaan. Het Fries werd in dit gebied
vervangen | | | | door een taal die sterk met de aangrenzende dialecten
in het zuidwesten en zuiden overeenstemde. De stad Groningen overspoelde dat
gebied eerst met Nederduitse, later met Hollandse invloed. Kloeke heeft bij
de verbreiding van dialectverschijnselen in dat gebied een steeds toenemende
westelijke, dat wil zeggen vooral Hollandse druk gezien zodat, in Goossens'
woorden, ‘der Eindruck einer ununterbrochenen Übergangslandschaft zwischen
Utrecht und der dt. Grenze entsteht, die durch einseitigen Druck aus dem
Westen entstanden ist’. Heeroma was veeleer van mening dat de vernieuwingen
in dit gebied uit het zuiden en zuidwesten gekomen zijn, zonder daarom de
Hollandse invloed uit te sluiten. In elk geval is er na de verwestelijking
(verhollandsing) van de schrijftaal een ‘Überschichtungsprozeβ’ van de
Oost-Nederlandse dialecten begonnen, dat al in de Middeleeuwen begint, maar
sinds de 17e eeuw een ‘explosionsartige Beschleunigung’ kent.
De genoemde verwestelijking berust op een historische basis van politieke
veranderingen. In de 11e en de 12e eeuw werden de middeleeuwse territoria
uitgebouwd: de bisschop van Utrecht krijgt het Oversticht (ten oosten van de
IJssel: Overijssel en Drenthe), de graaf van Gelre en het graafschap
Zutphen. Het politiek tot het bisdom Utrecht behoren en de voorbeeldfunctie
van het schrijfwezen aldaar zorgen onmiddellijk voor een sterke Nederlandse
invloed op de schrijftaal: Nederlandse kenmerken verspreiden zich over de
IJssel nog verder naar het oosten. Vooral in de steden aan de IJssel is de
laatmiddeleeuwse schrijftaal sterk door het Nederlands beïnvloed: er
ontstaat een linguïstisch menggebied, dat taaltypologisch tussen het
Middelnederlands en het Westfaalse Middelnederduits geplaatst moet worden.
De schrijftaal van de IJsselsteden kan op grond van haar Nederduitse basis
niet zonder meer Nederlands en op grond van de sterke Nederlandse invloed
niet zonder meer Nederduits worden genoemd. Daarom, vindt Peters (1980),
dringt een meer neutrale benaming zich op, namelijk IJssellands. Het gebied van dat IJssellands is Deventer, Zwolle,
Kampen en de Gelderse steden Zutphen en Doesburg. Die schrijftaal krijgt een
belangrijke betekenis, wanneer in het begin van de 15e eeuw in Deventer en
in Zwolle de religieuze vernieuwingsbeweging bekend als de Devotio Moderna
ontstaat. In de geschriften van deze beweging wordt een literaire taal
gebruikt die stoelt op de schrijftaal van de steden in kwestie en
typologisch ‘tussen het Middelnederlands en de Westfaalse variant van het
Middelnederduits in’ staat (Niebaum 1985: 7).
In de 17e eeuw wordt het IJssellandse taaltype in Deventer, Zwolle en Kampen
helemaal door de Nederlandse schrijftaal verdrongen:
‘De schrijftaal die in de 17de eeuw de Middelnederduitse opvolgde,
was die van Holland, her dominerende gewest in de Republiek der Verenigde
Nederlanden. Deze westelijke schrijftaal was een aangepaste, ietwat
gemoderniseerde en verhollandste, voortzetting van de Middelnederlandse der
vorige eeuwen.’ (Heeroma 1963: 144)
| | | |
De spreektaal uit de laatmiddeleeuwse en vroegste nieuwe
tijd in het gebied ten oosten van de IJssellijn kan, zegt Niebaum (1994),
tot het Middelnederduitse taalgebied worden gerekend.
| |
Het zuidoosten
Het ontstaan van een alsmaar duidelijker wordende taalgrens tussen Nederlands
en Duits wordt door een aantal factoren beïnvloed. De kaart van Goossens
(1984: 292) laat zien hoe men in het overgangsgebied tussen de Nederlanden
en Duitsland rekening moet houden met de invloed van vijf systemen, c.q.
subsystemen: Fries, Nedersaksisch, Noordnederfrankisch, Zuidnederfrankisch
en Hoogduits (Ripuarisch).
De aanzetten tot de mogelijkheid van taalgrenstrekking in dat gebied ontstaan
eerst, wanneer in de continentale Germania de volkstalen meer en meer het
Latijn als schrijftaal gaan vervangen. Daarbij kan men twee centra en
expansiepolen onderscheiden: het Bovenrijnse zuiden en het Vlaamse
noordwesten. Hoewel de in beide centra ontstane schrijftalen duidelijk van
elkaar onderscheiden zijn, moet men er toch rekening mee houden dat in de
(geografisch toch nog vrij gedifferentieerde) Middelnederlandse schrijftaal
nog glijdende overgangen naar het Nederduits (van Utrecht-Brabant tot
Oostwestfalen) vast te stellen zijn, terwijl anderzijds de Middelripuarische
schrijftaal, ondanks de zuidelijke, Hoogduitse basis, nog op heel wat punten
met het Nederlandse noordwesten verbonden blijft.
De schrijftalen, die als een dunne overdakking over de dialecten heen
schuiven, gaan nu meer en meer als aantrekkingspolen werken en leiden op den
duur tot de vorming van twee verschillende ‘planeten’, onder meer omdat
veranderingen in de dialecten nu niet meer alleen door onderlinge
beïnvloeding ontstaan, maar ook - en in steeds toenemende mate - door
beïnvloeding ‘van boven’, dat wil zeggen door de overkoepelende schrijftaal.
Vanaf de 16e eeuw zorgen politieke veranderingen ervoor dat de
Nederfrankische Nederrijn meer en meer zijn westelijke bindingen verliest en
alsmaar ‘Duitser’ wordt. Een rechtstreeks gevolg voor de taalsituatie is dat
in het grensgebied de gecompliceerde, triglossische functieverdeling
(dialect, Nederlands, Duits) geleidelijk door een gescheiden, diglossische
(dialect en Nederlands tegenover dialect en Duits) wordt vervangen. Er
ontstaat dus een taalgrens op het niveau van de standaardtaal (in de beginne
eigenlijk vooral ‘schrijftaal’), die echter daarna ook op andere niveaus
doorwerkt: de ‘Umgangssprache’ valt almaar meer uiteen in enerzijds een op
het Nederlandse systeem en anderzijds een op het Duitse systeem geënte
variant en uiteindelijk groeien zelfs de dialecten, door de verschillende
overkoepeling, steeds verder uit elkaar.
De vooral sociologisch verklaarbare evolutie dat het gebruik van dialect en
‘Umgangssprache’ in meer en meer omstandigheden door meer en meer mensen
door het gebruik van de standaardtaal wordt vervangen, geeft uiteindelijk de
doodsteek aan de ‘geleidelijke taalovergang’ in dat gebied en leidt tot de
situatie | | | | met een vrij scherpe taalgrens tussen Nederlands en
Duits, die vrijwel volledig met de politieke (rijks)grens samenvalt.
Het Nederrijngebied, een van de oudste cultuurhaarden in het noordelijke deel
van de Germania, is ook de streek waar de Wachtendonckse Psalmen werden
geschreven. Volgens Gysseling gebeurde dat in de
buurt van Krefeld, dat dus als een van de ontstaansplaatsen van de
Nederfrankische variant van de Nederlandse schrijftaal moet worden
beschouwd. Nu zit er ook vandaag in het dialect van datzelfde Krefeld (maar
natuurlijk niet alleen daar) nog heel wat ‘Nederlands’ taalgoed (Bister
1989); alleen wordt dat dialect er, zoals net gezegd, steeds minder en
minder gesproken, behoren stad en ommeland nu tot het Duitse taalgebied en
wordt de (vroegere) band met het Nederlands er nauwelijks nog gevoeld, al is
de rijksgrens er niet ver uit de buurt.
Veel intensiever en ook langduriger was de Nederlandse invloed in het
noordelijke deel van het Nederrijngebied, te weten in Kleve (Kleef) en
omgeving. Pontus de Heuiter beschouwde het ‘Kleverlands’, naast het Vlaams,
het Brabants en het Hollands als een van de belangrijke componenten van het
Nederlands. Kleef was heel erg op het westen georiënteerd en de vele
calvinistische vluchtelingen uit de Nederlanden zouden die invloed
versterken en duurzaam maken. De invloed van de religieuze naijver tussen
rooms-katholieken, lutheranen en calvinisten zou het taalgebruik in het hele
grensgebied van Oost-Friesland tot de Nederrijn heel sterk markeren, zij het
op heel verschillende wijze. In het hoofdzakelijk katholieke Kleverland werd
het gebruik van het Nederlands, dat als de autochtone taal werd beschouwd,
vooral gezien als een vorm van oppositie tegen het Hoogduits van de
protestantse heersers uit Pruisen. Die waren overigens op taalgebied vrij
tolerant en het duurde tot 1739 vooraleer zij eisten dat er in het Duits met
de centrale overheid in Berlijn zou worden gecorrespondeerd. Tot na de
napoleontische tijd echter gebeurde het lokale bestuur in het Nederlands,
dat ook tot dan de voertaal van het onderwijs bleef. Het duurde tot het
midden van de 19e eeuw vooraleer het Nederlands er als kerktaal in onbruik
geraakte.
In het noordelijker Bentheim speelde de godsdienst
weer een heel andere rol. In dit nauw met Twente verbonden gebied
verhinderde het calvinisme de overgang naar het met het lutheranisme
geassocieerde Hoogduits, die elders in het Nederduitse gebied rond het einde
van de 16e eeuw al stevig op gang kwam. Ook hier bleken Pruisen noch
Hannover aanvankelijk van plan tegen de al maar sterker wordende Nederlandse
expansie veel te ondernemen en het duurde tot de 19e eeuw, vooraleer de
‘verhoogduitsing’ krachtig werd aangepakt. Tot 1853 bleef het Nederlands in
Bentheim de taal van de school en tot het einde van de 19e eeuw ook die
waarin het lokale bestuur werd afgehandeld.
Het iets oostelijker gelegen Lingen ten slotte was
een geval apart, aangezien dit gebied in 1551 door de Nederlanden werd
gekocht. Tot 1648 veranderde het niet alleen een paar keer van ‘eigenaar’,
maar ook van religie. Toen het in 1648, als enclave in Duitsland, officieel
Nederlands gebied werd, was het ook alweer enige tijd | | | | rooms-katholiek. Het Nederlands werd er wel de gebruikelijke en ook de
officiële taal van het bestuur, de rechtbanken, de kerken en de scholen. Dat
bleef ook zo na de inlijving bij Pruisen in 1702 en veel van de katholieke
priesters kwamen uit Nederland en behoorden bij het bisdom Utrecht. Na 1810
loste Hannover Pruisen af en het Nederlands verloor in Lingen in vrij korte
tijd zijn dominante positie ten voordele van het Hoogduits.
| |
Andere wijzigingen
Een deel van het Friese taalgebied vernederlandst
De evolutie van de Nederlands-Friese relatie is er sinds lange tijd één van
functieen territoriumverlies van de tweede ten gunste van de eerste. In de
Laatmiddelnederlandse periode zijn zowat alle gebieden buiten de provincie
verloren gegaan. Er is sprake van een vernederlandsing, waaraan een periode
van ‘vernederduitsing’ is voorafgegaan. Hoe dat in zijn werk is gegaan kan
men, wat de Groningse Ommelanden betreft, in Foerste (1957) nalezen. Niebaum
(1994: 209) vat het kort samen: ‘In de ooit Friestalige Ommelanden was vanaf
de veertiende eeuw sprake van een “ontfriesingsproces” dat van de stad
Groningen uitging; dit proces was rond 1500 grotendeels afgesloten.’ De
vernederlandsing is later gekomen:
‘Na de reductie van Groningen in 1594 maakten de stad Groningen en
de Ommelanden deel uit van de Republiek der Verenigde Nederlanden; het
Noordoosten van het tegenwoordige Nederland begint zich eerst politiek, maar
later ook cultureel anders te oriënteren: men kijkt niet meer zozeer naar
het oosten als wel naar het zuidwesten, naar Holland. Deze heroriëntatie
heeft natuurlijk ook voor de (schrijf)taal gevolgen. De aansluiting aan de
Republiek betekende een toenemend gebruik van het Nederlands in het
officiële verkeer.’ (Niebaum 1994: 209-210)
Ook in Friesland zelf moest het Fries op tenminste drie niveaus verliezen
incasseren:
| - | Territoriaal: het Fries werd vroeger gebruikt in een veel groter deel
van Nederland dan thans het geval is: ook in Groningen en het
noordelijke deel van Noord-Holland. Die ontfriezing, en dus gedeeltelijk
de vergroting van het Nederlandse taalgebied, had gedeeltelijk plaats
tijdens de hier relevante periode. De ontfriezing van Het Bildt is pas
in de 17e eeuw begonnen. |
| - | Verticaal: in sommige stedelijke gebieden is sinds de 16e eeuw het
zogenaamde ‘Stadsfries’ ontstaan, een variëteit die, ondanks de naam,
eerder Hollands met Friese inslag dan wel omgekeerd is. |
| - | Functioneel: in een aantal gevallen maken ook Friessprekenden van het
Nederlands gebruik en in de drie bovengenoemde domeinen, te weten
school, |
| | | |
| kerk en administratie, is het Fries niet de enige
gebruikte taal, maar moet het die rol met het Nederlands delen.
Bovendien zijn de meeste Friessprekenden tweetalig, zodat het gebruik
van Fries of Nederlands ook door een aantal sociale variabelen wordt
beïnvloed (Gorter 1993). |
|
1Zoals op pagina v van het betreffende boek wordt
gezegd, is het deel van de Inleiding waaruit hier
geciteerd wordt, grotendeels van de hand van Jan Goossens.
2‘Het geheel van de Continentaalwestgermaanse taalvormen die
door de Nederlandse cultuurtaal overkoepeld worden: overkoepelend
element is de cultuurtaal van het ogenblik af dat en daar, waar zij in
embryonale toestand voorkomt.’
3Het betreft: 1.
de vermoede grens tussen Saksen en Franken; 2. de [mys]/[mus]-isoglosse;
3. de oud-goud / old-gold-isoglosse; 4. de isoglosse
van de sjwa-apocope in bijvoorbeeld oge, deure; 5. de
isoglosse van de apocope van de nasaal in bijvoorbeeld ogen, deuren; 6. de isoglosse van het pronomen wie
>< oostelijk wel; 7. de isoglosse van de
enclitische vorm van de subjectvorm van het pronomen 3e pers. enk.:
westelijk ie, noordoostelijk ǝ 8. de isoglosse van het
pronomen je / ge: noordoostelijk ie;
9. de isoglosse van de vocalen in dief, groen, hoed:
noordoostelijk deef, grön, hoot (Hoogduits Dieb, grün, Hut staat op hetzelfde standpunt als het
Nederlands); 10. de terugtochtgrens van het pronomen du.
4In
bijvoorbeeld de meervoudsvorming, de vervoeging, de trappen van
vergelijking, de diminuering en de woordvorming.
|
|