|
|
|
| |
| | | |

MIJN OOM MARTEN
| |
| | | |
VIII. Levenskeuze
van vrijage tot engagement - polemiek met ds. lutsen wagenaar - aansluiting bij de ‘friesche volkspartij’ -
terug naar groningen - voltooiing mijner studie - vestiging als advocaat
- poging mij voor de liberale partij te winnen - geheime aandrang der
politie - het eerste mei-feest - meeting te heerenveen - jan stap
verdedigd - wijziging in mijne levensbeschouwing - uitnoodiging mij
kandidaat te stellen voor de tweede kamer - mijn antwoord
Thans dient voor de zooveelste maal mijne verhouding tot de vrouw onder de
oogen te worden gezien. Tot mijn 24e jaar was die verhouding van zeer
zuiveren aard gebleven, waartoe de Friesche vrijage, die ik had volgehouden,
zeer zeker het hare had bijgedragen.
In het begin van mijn studententijd had ik een meisje leeren kennen, een
wees, reeds op haar 18e jaar staande aan het hoofd van het boerenbedrijf,
door haar broeder beheerd. Het was een meisje van deftige boerenfamilie.
Toen het echter bekend was geworden, dat ik met haar een relatie had
aangeknoopt, bracht dit in de familie van mijn oom, die dicht bij haar
woonplaats woonde, groote konsternatie. Mijn tante, de vrouw van oom Marten,
ontzegde mij zelfs den toegang tot haar huis, zoolang ik deze verhouding
bleef handhaven. Ook mijne familie thuis had groote bezwaren, maar ik moet
nog steeds mijn Vader hulde brengen voor de wijze, waarop hij zich bij de
behandeling dezer zaak gedroeg. Van oom Marten kreeg ik op een goeden dag de
mededeeling, dat hij mij over dit geval te Groningen zou opzoeken. Daar vernam ik van hem, dat men bezwaren had
tegen bedoeld meisje wegens de reputatie van haar overleden moeder. Dat was
de reden, waarom men van mij de verbreking dezer relatie eischte. Het lag
voor de hand, dat ik er niet aan dacht de verhouding met | | | | haar
te verbreken wegens de vermeende of werkelijke zonden van wijlen hare
moeder, temeer toen een informatie bij enkele mijner kennissen niets
onbehoorlijks aan het licht bracht. Deze eisch stuitte dus af op de
ridderlijke gevoelens, die mij jegens haar bezielden. De houding, die zij
tegenover mij bij mijne bezoeken had aangenomen, was van sympathieken aard.
In verschillende gedichten in mijn Frieschen bundel opgenomen, kan men
uitingen vinden van de stemming, die zij op mijn dichterlijk gemoed
uitoefende+. Allerlei attenties had zij mij
bewezen; zoo had zij mij van de kaas, door haarzelve bereid, verschillende
proeven kadeau gedaan, die leidden tot een ‘kaasfuif’ op mijn kamer.
Intusschen: de komst van mijn oom dreigde en ik wist niet beter te doen, dan
hem een schitterende ontvangst te bereiden. Twee klubs, waartoe ik behoorde
en die gewend waren den Zondagnamiddag in gepaste kortswijl door te brengen,
werden van zijn komst verwittigd. De eene was een klub van Groningers, de
andere een van Friezen. De Friesche klub had koffie en cognac op haar vast
program staan, de Groningsche klub, die wat later bijeenkwam en mede door
ons Friezen werd bezocht, wijdde zich meer uitsluitend aan het bier. Het
gebeurde, dat wij na het einde van de klub het Harmonie-orkest van Becker
met onze soms eenigzins luidruchtige tegenwoordigheid vereerden. De zaak
werd zoo geregeld, dat oom Marten, van wiens jovialiteit ik mijn vrienden op
de hoogte had gebracht, bij deze klub werd ingedeeld. De Club Sunte
Martinus, werkende onder het motto: ‘Dat ik hier mit mien luchien loop, Is
veur mi gijn schande’, benoemde hem zelfs tot eerelid onder den naam ‘Omke’,
een gebeurtenis, die men vereeuwigd kan vinden in de ledenlijst van bedoelde
klub, voorkomend in de Studenten-Almanak van 1885. Weldra daverde zijn luide
lach door de zalen van Mutua Fides. Zoo viel hij midden in het | | | | studentenleven en nadat hij en ik zeer kort over de aangelegenheid, die
hem tot mij voerde, hadden gesproken, zonder tot een konklusie te komen,
vergat hij deze zaak tot zijn vertrek met den ochtendtrein.
Intusschen had ik besloten, vooral met het oog op mijn Vader en wegens de
ernstige bezwaren, die een voortgezette relatie zeker zou meebrengen, uit
eigen beweging een maatregel te nemen, die mij althans het zedelijk recht
zou schenken, zoo noodig voor mijne keuze te staan, tenzij ik om een of
andere reden van gevoelen mocht veranderen. Ik verzocht het meisje onze
volgende bijeenkomst te doen plaats hebben ten huize van haar grootvader,
een geacht Friesch landbouwkundige en mij in de gelegenheid te stellen,
omtrent mijne verhouding met zijn kleindochter de noodige voorstellen te
doen. Dit geschiedde. Ik stelde in het licht de groote risico's voor mij aan
de nog korte kennismaking met zijne kleindochter verbonden en verklaarde mij
niet gerechtigd op grond van dien korten tijd en den tegenstand, dien zij
bij mijne familie had ontmoet, de kennismaking op den gewonen voet voort te
zetten. Ik deed het voorstel, dat wij onze relatie gedurende een jaar zouden
onderbreken en na dat jaar zouden onderzoeken of wij nog gelijk tegenover
elkander zouden staan als op dit oogenblik. In dat geval verklaarde ik mij
bereid, elken tegenstand trotseerende, onze verbintenis te handhaven.
Met deze regeling vereenigden zich zoowel de grootvader van het meisje, als
zij zelf. Ik had eraan vastgeknoopt, dat wij gedurende dat jaar niet de
minste verbinding met elkander zouden hebben. Het jaar was nog niet om of de
jeugdige schoone was al het slachtoffer geworden van de liefdesbetuigingen
van iemand, met wien zij dan ook spoedig is gehuwd.
Deze afloop gaf mij een grooten schok. Het was niet zoozeer het verbreken der
verhouding van den kant | | | | van het meisje, dat hierbij den
doorslag gaf. Het ware zelfs mogelijk geweest, dat, indien zij vrij en met
dezelfde gezindheid van vroeger tot mij was teruggekeerd, nadere
ondervinding en overweging mij tot andere gedachten zouden hebben gebracht;
maar wat zulk een diepen indruk op mij maakte, was, dat mijn vertrouwen in
vrouwendeugd door hare houding zoo sterk had geleden, waardoor een onzuiver
element was gekomen in het liefdeleven, zooals ik het had gevoerd. In
verband met de instinkten van mijn leeftijd en de meer cynische beschouwing
door het gebeurde opgewekt, wendde ik mij tot een kant van het
jongelingsleven, die ik totnutoe had gemeden. De moreele steun, wortelende
in mijn onbedorven natuur, ontviel mij. Onder den invloed der schokkende
ondervinding verloor voor mij tijdelijk Venus Urania+ den
glans, waarin zij steeds in mijn gedachtenleven had gestraald; inplaats van
haar stelde Venus Vulgivaga+ hare eischen, zooals
in mijne omgeving in de studentenwereld zooveel het geval was. De gevolgen
voor mijn zieleleven bleven niet uit.
Het geloof aan het ideaal der schoonheid en zedelijkheid heeft steeds voor
mij in onmiddellijk verband gestaan met mijn houding ten opzichte van de
vrouw. Afwijkingen op dit gebied in mijn leven moesten onwillekeurig een
reaktie teweeg brengen in mijn algemeen gedachtenleven. Ik begon te
twijfelen aan de kracht der idealen, waaraan ik mij had gewijd en voor de
zooveelste maal doemde de vraag der Godheid en van de vastheid, die zij aan
het zoekende, twijfelende en strevende menschenhart belooft, voor mij op.
Het ligt in de rede, dat de tijd, waarover ik thans spreek, slechts als vrij
kortstondige overgangstijd kon gelden, die mij reeds spoedig drong een
toestand te scheppen, die eenerzijds aan mijne behoeften aan vrouwelijke
liefde voldeed en anderzijds aan mijn eischen van idealisme en moraliteit
beantwoordde. Het verlangen naar | | | | een ‘engagement’ werd sterker
en werd door mij in verband gebracht met de gelegenheid, die het Groningsche
studentenbal mij bood om in nadere kennis te komen met een meisje, dat mij
reeds dikwijls door Friesche vrienden en kennissen was voorgesteld, als
geheel passende bij mijne literaire en andere neigingen. Het Groningsche
studentenbal speelt een groote rol op de huwelijksmarkt en ik begon mij voor
te stellen, dat het laatste studentenbal, dat ik zou kunnen bijwonen, ook in
dit opzicht voor mij een belangrijke beteekenis had. Zooals ik in het begin
van dit hoofdstuk heb gememoreerd, waren mijn gedachten over het huwelijk
vastgeknoopt aan mijn gezindheid ten opzichte van het Friesch. Wat ik
totnogtoe op dat gebied had gepresteerd, kon moeilijk den naam van ernstige
vrijage dragen, waarbij de laatste, waarover ik sprak, moet worden
uitgezonderd. Het meisje, dat ik bedoel, had in Groningen meer dan één
vriendin, en met den broeder dier vriendin, dien ik onder mijn intieme
vrienden rekende, besprak ik op een avond op ernstige en vertrouwelijke
wijze de vraag of er geen gelegenheid zou zijn haar uit te noodigen tot het
a.s. Groningsche studentenbal. Men moet de verhoudingen te Groningen kennen, om te weten, dat zulk een uitnoodiging zeer
wel mogelijk is, ook indien men ze richt tot een jonge dame, die men in het
geheel niet kent. Reeds vroeger was mij dit bij ervaring gebleken. Thans
drong mijn vriend er op aan zijne zuster te vragen mij per brief aan de
jonge dame, die buiten Groningen woonde, voor te stellen en het van het
hierop gegeven antwoord te laten afhangen of ik mij persoonlijk met een
invitatie tot haar zou wenden. Deze gemakkelijke manier stond vrijwel in
tegenstelling met den geest, die de verhoudingen tusschen jongelui van
beiderlei kunne te Leeuwarden kenmerkte, althans in de deftige burgerij. De
bevroren verhoudingen, die daar heerschten, gevoegd bij mijn sociale | | | | positie, sloten de waarschijnlijkheid om daar met een jonge
dame uit mijn kring in aanraking te komen, vrijwel uit en dat was juist de
reden, waarom ik de noodzakelijkheid inzag, van deze laatste Groninger
gelegenheid gebruik te maken. Ik werd het dus met mijn vriend eens, dat de
hulp zijner zuster zou worden ingeroepen. Dit werd de aanleiding tot mijn
engagement in Mei 1885.
Het geeft geen pas, waar het later gesloten huwelijk op den duur is moeten
worden ontbonden, op de bijzonderheden van dit engagement nader in te gaan.
Zeker is, dat het berustte op de meest ideëele grondslagen en mij bracht in
een hoogst achtbare familie, waar vooral de moeder, een fijne figuur,
grooten invloed op haar omgeving uitoefende. Eerst later zou het mij
duidelijk worden, welke beteekenis deze lieve vrouw voor mijn leven zou
hebben. Tot haar dood toe bleef ik haar vereeren en een liefde toedragen,
zooals de trouwste zoon maar voor zijne moeder kan gevoelen.
Mijne aanstaande was literair begaafd en heeft dan ook later aan mijn Friesch
tijdschrift medegewerkt en zich ontwikkeld tot de bekende kinderschrijfster
N. van Hichtum. In geestelijken zin had onze verbinding een sterk romantisch
en literair karakter. Zij droeg den stempel van de burgerlijke moraal, die
in het Friesche moderne gezin van dien tijd wordt aangetroffen. Ik burgerde
geheel in de familie in en deed er in zekeren zin een stuk opvoeding op, dat
mij in ons eigen gezin had ontbroken.
Ik deelde reeds mede, dat gedurende mijn verblijf te Leeuwarden, de verhouding tot mijn familie eenigzins was
gewijzigd. Mijn pennestrijd met dominee Lútsen Wagenaar had verdere
gevolgen, dan ik mijzelf had voorgesteld. Zij ontwikkelde zich tot een
opleving in de Friesche letterkunde en bleef niet beperkt tot de
hoofdpersonen. Ik herinner mij in de kouranten van dien tijd | | | | vrij wat over mijn brochure en de daarop verschenen antwoorden te hebben
gelezen, o.a. las ik, dat de titels dier brochures ‘Fy Lútsen’ en ‘Hâld op
Piter’ zelfs op de ijsbaan weerklonken en men kan zeggen, dat zij aan de
popularisatie van het Friesch zeer ten goede kwamen. De aanleiding tot mijne
brochure was eigenlijk hierin gelegen, dat in christelijke kringen, waar
sindsdien de Friesche beweging zich op gezonde wijze heeft ontwikkeld, een
zekere huichelachtige afkeer bestond om aan die beweging mede te doen. Het
Friesch werd in die kringen vrijwel beschouwd als het monopolie der liberale
partij, in het ‘Frysk Selskip fen Tael en Skriftenkennisse’ belichaamd.
Dientengevolge had de heer Wagenaar, een man noch van humor noch van
dichterlijk talent ontbloot en met liefhebberij voor het Friesch,
verschillende verzen, een drama en novellen onder een pseudoniem geschreven.
Toen ik zijn medewerking verzocht voor mijn ‘Ny Frysk Lieteboek’ stuurde hij
mij een paar bijdragen, maar bedong daarbij, dat zij slechts onder zijn
pseudoniem zouden worden opgenomen. Ik nu had besloten de namen mijner
medewerkers voluit te noemen en verzocht hem mij in de gelegenheid te
stellen, ook zijn naam te vermelden. Dit weigerde hij.
Bij de verkiezingen van 1885 trad onder zijn leiding de anti-revolutionaire
partij in het distrikt Sneek tegen den liberalen
kandidaat, den heer Held, in het krijt met een der vele christelijke
baronnen, die in dien tijd de gewone kandidaten dier partij vormden. Het
manifest, waarin zij dezen strijd voerden, op de gewone manier een strijd
tegen de revolutie en de ‘razernij’ van het algemeen kiesrecht, lokte mij
uit mijn tent Voorloopig was het de vrees om voor het Friesch uit te komen,
inplaats waarvan de tale Kanaäns dienst moest doen voor allerlei
reaktionaire bedoelingen, waartegen zich mijn aanval keerde. Het waren
voornamelijk de frissche | | | | erotische liederen+ van mijn
anti-revolutionairen vriend, die ik uit den schuilhoek hunner anonymiteit
aan het licht bracht en in het algemeen zijn frissche natuurlijke uitingen
in het Friesch, die ik stelde tegenover de taal van het bedoelde manifest.
Wagenaar bracht den strijd over op het gebied van het anti-socialisme en de
schoolkwestie en zoo kwam het debat in het teeken der politiek te staan. Een
oudere vriend van beide partijen, J. Hepkema, redakteur van het
‘Heerenveensche Nieuwsblad’ mengde zich in den strijd met een van die
geestige brochures, waarvan hij het geheim bezat, maar ikzelf achtte mij
gedrongen tot een vrij uitvoerig polemisch verweer, dat een pleidooi voor
het algemeen kiesrecht bevatte en ook overigens een meer politiek karakter
droeg. Wat de schoolkwestie betreft, de brandende kwestie dier dagen, daarop
ging ik niet in; ik stond in dit opzicht niet aan de zijde der liberalen.
Alleen voerde ik tegenover de onverdraagzaamheid der liberalen in deze
kwestie die der Calvinisten aan, zooals deze sedert de 17e eeuw in die
partij hoogtij heeft gevierd. Uit een en ander bleek, dat mijn Vader, hoe
onbillijk ook zijn houding inzake de door mij aangebroken pennestrijd mocht
schijnen, daarbij toch in menig opzicht gelijk had. Bij een meer bezadigde
en gemoedelijke houding zijnerzijds had ik dit zeker erkend.
Bij de gevolgen van mijn pennestrijd voegde zich weldra mijn aansluiting bij
de Friesche Volkspartij. De jaren, waarin ik buiten Friesland woonde, hadden
groote veranderingen gebracht in het sociale en politieke leven der
provincie. Als men aan dien tijd terugdenkt, wordt men getroffen door den
toestand van verwording, waarin die provincie toenmaals verkeerde. Op
sociaal gebied de verwoestende gevolgen der konkurrentie met Amerika, dat
nieuwe terreinen voor de produktie van zijn graan had ontsloten en door den
bouw van spoor- | | | |

VEENARBEIDERS-ELLENDE
HET BOLLEJAGEN TE BEETS
| | | | wegen, in handen van de eigenaren dier terreinen, het graan
tegen betaling van de laagst mogelijke vracht op de wereldmarkt wierp. De
Friesche graanbouwende streken werden hierdoor de ruïne nabijgebracht. De
prijzen der landerijen zonken tot een ongekend laag niveau. Ook andere
produkten deelden in deze débâcle; werkloosheid teisterde de bevolking,
armoede en bedeeling wierpen hun schaduw over het leven der arbeiders. Het
kredietstelsel, belichaamd in de notarissen, die tot heden als machtige
geldschieters de bevolking financieel beheerschten, ging zijn ondergang
tegemoet. Tal van faillissementen van notarissen, gepaard met vervolgingen
wegens verduistering, hadden plaats. Het was een krisis, die zich ook
mededeelde aan het politieke leven. Er ontstond een vakbeweging van
landarbeiders, ‘Broedertrouw’, aangesloten bij den Sociaal-Demokratischen
Bond. Groote uitbreiding verkreeg de beweging voor land-nationalisatie, in
den geest van Henry George's ‘Progress and Poverty’+, waarin het
privaat grondbezit als de bron van alle sociale ellende wordt beschouwd.
Deze beweging smolt in Friesland samen met de beweging voor het algemeen
kiesrecht en gaf aan de politiek, niet slechts der arbeiders, maar ook van
tal van boeren, die door de agrarische krisis op de rand van den afgrond
waren gebracht, een buitengewoon élan. Hiernaast stond de stakingsbeweging
der veenarbeiders, die zich gedurende verscheidene jaren bij het sluiten der
nieuwe loonkontrakten met de verveners uitte in het z.g. ‘bollejagen,’ dat
dikwijls gepaard ging met het optreden der militairen, terwijl de
marechaussée in het Noorden sterk werd uitgebreid en van de zijde der
justitie menige daad van onrecht en willekeur tegenover den arbeider werd
uitgeoefend. In dezen toestand van ontreddering zonk Friesland steeds dieper
weg en vergelijkt men die provincie met de andere van ons land, waar het | | | | zeker ook aan verschijnselen van toenemende verarming en van
willekeur der machthebbenden niet ontbrak, dan begrijpt men hoe het juist
Friesland was, dat in de opstandige beweging dier dagen wel de eerste rol
moest vervullen. Het was de Friesche Volkspartij, waarin zoowel de beweging
voor algemeen kiesrecht als die voor land-nationalisatie en de Soc.-Dem.
Bond bezig was, zich tot een gemeenschappelijke aktie te organiseeren. Van
een staatkundige partij kon men in dezen moeilijk spreken, zij bestond uit
gewone burgerlijke radikalen, land-nationalisten, gematigde socialisten,
revolutionairen van verschillende soort à la Domela Nieuwenhuis en in het
algemeen uit ontevreden elementen.
Het was op Pinksteren 1885 - het jaar van de groote betooging in Den Haag -
dat te Leeuwarden vanwege de Volkspartij een groote meeting voor het
algemeen kiesrecht werd gehouden. Mijn vader, wiens militant karakter hem
o.a. in den gemeenteraad tot een hardnekkig bestrijder der nieuwe beweging
had gemaakt, woonde de vergadering bij en ging de beide sprekers Vitus
Bruinsma en Frowein niet zachtzinnig te lijf. Ik gaf mij na afloop der
vergadering op als lid van de Volkspartij. Wij naderen hier het gebied der
politieke geschiedenis, die het onderwerp der volgende hoofdstukken zal
uitmaken.
Een en ander deed groote afbreuk aan mijn studie voor het examen. Mijn geest
was door sociale en politieke onderwerpen te zeer ingenomen. Het veelbewogen
politieke leven in mijn omgeving vervulde mij met indrukken, die geen ruimte
overlieten voor afgetrokken studie. Nieuwe vraagstukken van
praktisch-politieken aard doemden met groote duidelijkheid en gebiedend
gezag voor mij op en dwongen mij tot de studie der verschillende
onderwerpen, die de kern vormden van | | | | het leven en strijden dier
dagen. Ik werd gedrongen op het gebied der land-nationalisatie, van het
algemeen kiesrecht en begon meer en meer belang te stellen in het
socialisme. Het optreden van Domela Nieuwenhuis, dat mijn sympathie niet
had, wegens het gemis aan ethiek en het ontbreken van algemeene
menschenliefde, waarvan het getuigde, trok toch mijn steeds groeiende
belangstelling. Ik had den voet gezet op het nieuwe terrein, waarop ik
eerlang zelf een rol zou spelen; maar nog zonder een voorgevoel te hebben
van hetgeen mij wachtte en zonder iets te gevoelen van de roeping, die mij
later zou zijn beschoren. Wat mij langzamerhand meer en meer begon te
verontrusten, was de feitelijke staking van mijn vakstudie, die door een en
ander was ingetreden. Het gevoel, dat ik gevaar liep de mij wachtende taak,
als advocaat, niet te zullen vervullen, greep mij op angstige wijze aan. Ik
begreep, dat mijn verder verblijf te Leeuwarden mij voor mijne studie in den
weg zou staan. Er moest dus gehandeld worden en ik zag in, dat het noodig
was naar Groningen in mijne studenten-omgeving terug te keeren, als het
eenige milieu, waarin ik afgesloten van de politiek mijn examen-studie ten
einde zou kunnen brengen.
Er was natuurlijk geen sprake van, dat mijn Vader mij daarvoor als vanouds
een toelage zou verschaffen. Ik moest zien mijzelf te redden. Eenige
honderden guldens had ik nog van mijn Vader te vorderen: het was het
erfenisje, mij door mijne Moeder nagelaten, waarvan nog geen afrekening had
plaatsgevonden. Het eerste, wat mij te doen stond, was van hem die
afrekening te vorderen. Verder moest ik trachten door het opnemen van
geleend geld het ontbrekende aan te vullen.
Bovendien was ik te Leeuwarden in de gelegenheid
geweest door het repeteeren met een paar jongelui iets te verdienen. Een
dier jongelui had zich daarbij tot mijn vriend en in zekeren zin tot mijn
geestverwant | | | | ontwikkeld. Het was Jan van Wageningen thoe
Dekema, de eigenaar en bewoner van het reeds genoemde Dekema-state. Zijne
ontwikkeling, als gevolg van zijn omgang met mij, was zeer merkwaardig als
tegenhanger van die, welke ikzelf doormaakte. Wij stonden beiden op het
standpunt der Friesche taalbeweging en hij ging in zijn liefde voor die
beweging zoo ver, dat hij spoedig niet anders dan in een oud-Friesch kostuum
verscheen en van zijn pachters eischte zijn voorbeeld te zullen volgen,
iets, waar niet aan werd voldaan. Hij stamde uit een liberale familie, maar
het duurde niet lang of hij zwoer het liberalisme af en werd
stijf-Calvinistisch. Zijn toewijding tot het oud-Friesche leven uitte zich
dus ook op politiek gebied en het gevaar dien weg op te gaan door het
Friesch als eenig uitgangspunt van mijn beschouwingen te nemen, werd mij
door zijn optreden bewust. Wij bleven vrienden, maar slechts op dat beperkte
terrein. Ik herinner mij, hem eenmaal gezegd te hebben: ‘Wij staan op
hetzelfde standpunt, maar met de ruggen naar elkaar toe, jij ziet in het
verre verleden, ik blik in de toekomst.’ Wat mij in dien tijd vooral
tegenstond in de anti-revolutionaire partij, waarbij hij zich had
aangesloten, was, behalve haar verouderde levensbeschouwing, de strijd der
doleantie, die in Amsterdam leidde tot de bekende inbraak in de Nieuwe Kerk
onder leiding van De Savornin Lohman en Kuyper en met technische medewerking
van den voorzitter van Patrimonium Kater, die blijkbaar van het hanteeren
van de zaag beter op de hoogte was dan zijn genoemde vrienden. In Friesland
leidde deze strijd om het bezit van de Hervormde Kerk overal tot heftige
konflikten; zoo werd o.a. voor het Hof te Leeuwarden een proces gevoerd, als
gevolg van het feit, dat in de kerk te Wons twee
christelijke boeren elkaar den baard hadden uitgescheurd. Men begrijpt, dat
dergelijke uitingen van het christelijk beginsel wei- | | | | nig
geschikt waren de sympathie voor zijn z.g. belijders te versterken.
Mijn vriend maakte intusschen dezelfde ontwikkelingsgang door, die een Fries
van grootere beteekenis, nl. Johan Winkler, de grootvader van mijn lateren
secretaris, die thans redakteur van ‘Het Volk’ is, had doorgemaakt. Deze man
was door zijn fanatisme voor het Friesch zoo bezeten, dat hij indertijd bij
een bezoek van de Koningin te Haarlem haar in het
Friesch toesprak en na hare opmerking, dat zij geen Friesch verstond,
overging in het Leeuwardersch dialekt. Winkler nu werd langzamerhand de
politieke leidsman van mijn vriend van Wageningen, waarbij tijdelijk zijne
relatie met mij een storing ondervond, die later is opgeheven.
Na de groote vakantie in 1886 kwam ik dus weder te Groningen, waar ik mijn
plaats in het Corps, zij het ook met de noodige beperking van het
studentenleven, weer innam en spoedig als senator optrad. Ik had intusschen
bij mijne sociale studiën de ontwikkeling van Cort van der Linden met
belangstelling gevolgd, bracht hem een bezoek en noodigde hem als lid van de
Juristen Debatingklub uit, een uitlating in zijn ‘Richting en Beleid der
Liberale Partij’ in die klub nader uit te werken, aan welke uitnoodiging hij
voldeed. Deze uitlating luidt: ‘De sociale beweging beheerscht de politiek.’
Men vindt ze in het derde hoofdstuk over het algemeen beleid van het
staatsbestuur. Deze korte woorden losten voor mij een twijfelachtig punt op,
dat in mijne gesprekken met mijn liberale vrienden dikwijls het onderwerp
van verschil had uitgemaakt. Evenals zij was ik een kind van het
rationalisme. Als gevolg daarvan was mijn denken op intellektualistische
leest geschoeid en hoewel vurig demokraat had mijn geest geen overtuigend
antwoord gereed, wanneer in die debatten de intellektueele bevoegdheid der
arbeiders om de groote vraagstukken der politiek te begrijpen, werd
betwijfeld. | | | | Hier nu werd betoogd, dat niet intellektueele
overwegingen de politiek beheerschen, doch de sociale beweging. Uit het
doode liberale intellektualisme werd de strijd voor het algemeen kiesrecht
overgebracht op het levende gebied der sociale bewegingen. Voor mij werd een
twijfelachtig punt, dat het algemeen kiesrecht scheen op te leveren,
vervangen door een vasten grondslag, die bovendien een perspektief van
politieke aktie opende. Het waren de hieruit voortvloeiende konsekwenties,
die mij op den duur den moed zouden geven, mij aan de sociale beweging der
arbeiders te wijden. Intusschen naderde de tijd van mijn doctoraal examen,
dat ik met goed gevolg aflegde. Ik herinner mij uit dien tijd een voorval,
voor mij van symbolische beteekenis. Ik stond op een dag op het balkon van
de Kroeg, toen een examenstoet voorbijreed. Het was een zoon van een
Twentsch fabrikant, die zijn doctoraal in de Rechten had gedaan. Dezelfde,
van wien ik reeds melding heb gemaakt naar aanleiding van mijn optreden
tegen het café-chantant. Het was de dag, waarop de schietvereeniging T.I.R.
zijn wekelijksche schietoefening hield, die gewoonlijk werd aangekondigd
door het plaatsen van een roode vlag op het balkon der Kroeg. Onwillekeurig
greep ik die vlag en wuifde daarmee den jeugdigen kapitalist toe.
De tijd was nu gekomen om weer naar Leeuwarden terug
te gaan, waar ik mij voor mijne promotie had voor te bereiden. Nadat deze
had plaatsgehad, vestigde ik mij als advocaat te Leeuwarden en werden de
voorbereidselen gemaakt voor mijn huwelijk.
Dit was dus een tijd, gewijd aan de zorg voor mijn gezin en de vestiging
mijner advocaten-praktijk, waarbij politieke vragen tijdelijk op den
achtergrond werden gesteld. Reeds terstond na ons huwelijk werd mijne vrouw
zwanger en het duurde geen twee jaar of ik | | | | mocht mij in het
bezit van twee bloeiende kinderen verheugen, die mij boeiden aan mijn
huisgezin en dit tot een beeld maakten van een gelukkig familie-leven. Alles
werkte mede mij verre te houden van aktieve deelneming aan het toenmaals zoo
heftige en riskante politieke leven. Zooals het gewoonlijk gaat, had ik voor
deze houding meer of minder fraai klinkende motieven bij de hand. Het eerste
was, dat ik ‘boven de politiek stond’, een bewering, die men dikwijls kan
vernemen van jonge menschen, die òf het noodige inzicht òf den noodigen moed
missen den strijd voor een of andere politieke richting te aanvaarden. Het
tweede motief sproot voort uit mijn aarzeling mij bij de sociale beweging
der arbeiders aan te sluiten, het eenige perspektief, dat voor mij bij
eventueele politieke aktie mijnerzijds denkbaar was. Het was het ethische
motief, dat ik voor die aarzeling aanvoerde. Ik verklaarde niets te voelen
voor den materialistischen strijd, dien de arbeiders voor hun boterham
voerden. Van den hoogen kultureelen kant van dien strijd had ik op dat
oogenblik geen besef. Men ziet, dat het mij niet zoo gemakkelijk is
gevallen, mij van mijn burgerlijke beschouwingen geheel los te maken, en dat
hiervoor een sterke innerlijke verandering in mijn gemoed noodig was.
Intusschen was de aandacht der machthebbers op mij gevestigd. Het was in
dezen tijd, dat ik van het bestuur der Liberale Partij in Friesland de
schriftelijke uitnoodiging ontving, om als bezoldigd propagandist dier
partij op te treden. Zonder verwijl en zonder nadere motiveering wees ik dit
aanbod af. Toen ik hierop den voorzitter dier partij, den eminenten deken
van de Orde der advocaten, Mr. T. van Hettinga Tromp ontmoette, stelde hij
mij de vraag, op welken grond ik dat verzoek had afgewezen. Ik deelde hem
mede, dat ik geen liberaal was en dus moeilijk voor die partij propaganda
kon maken. Hij vroeg mij, wat ik dan was. Mijn | | | | antwoord was:
‘Ja, dat kan ik niet precies zeggen, maar één ding weet ik wel, ik ben
voorstander van het algemeen kiesrecht.’ ‘Die zijn er ook velen in de
Liberale Partij,’ betoogde hij. Ik zeide, dat wanneer ik met mijn Vader,
toch zeker een liberaal, over het algemeen kiesrecht sprak, wij totaal
tegenover elkander stonden en dat ik een dergelijke ervaring in het algemeen
in liberale kringen had opgedaan. Dat het bovendien mij geen
benijdenswaardige taak toeleek in dezen tijd, nu het liberalisme al meer en
meer in botsing kwam met de nieuwe sociale eischen, die in de politiek
werden gesteld, in openbare vergaderingen als wrijfpaal voor de zonden dier
partij dienst te doen, zoodat ik moest volharden bij mijne weigering.
Opmerkelijk is het, dat intusschen ook van den kant van justitie en politie
in mij een buitengewone belangstelling werd gesteld. Op zekeren dag zou in
het Blauwhuis, de vergaderplaats van den ouden Soc.-Dem. Bond, een
propaganda-vergadering plaats hebben, waar de bekende v. d. Veer - sedert
den oorlog een der vurige voorstrijders van het imperialisme in Engeland! -
een socialistische rede zou houden. Een paar dagen tevoren kreeg ik bezoek
van den kommissaris van politie met de vraag of het niet op mijn weg zou
liggen met dezen spreker in debat te treden. Ik antwoordde, oorspronkelijk
niet van plan te zijn geweest die vergadering bij te wonen. Nu hij er mij op
attent maakte, wilde ik er wel heengaan, maar niet om met den spreker in het
krijt te treden, alleen om mij omtrent zijne inzichten en bedoelingen nader
te laten inlichten. Ik ging dus naar het Blauwhuis, maar vervulde daar geen
andere, dan een zwijgende rol.
In het sociale leven nam ik een positie in, die mij van burgerlijke zijde
nogal kwalijk werd genomen. Na ons huwelijk hadden wij verschillende van de
gewone beleefdheidsbezoeken uit die kringen ontvangen, maar | | | |

JAN VAN WAGENINGEN THOE DEKEMA
| | | | de zwangerschap mijner vrouw had tengevolge, dat deze bezoeken
onbeantwoord bleven, wat, om de waarheid te zeggen, mij niet onaangenaam
was. Bovendien verscheen ik niet op de officieele recepties, die jaarlijks
werden gehouden en op den herhaalden aandrang om lid der Groote Societeit te
worden, antwoordde ik daartoe geene neiging te gevoelen, daar ik voorzag
wegens den daar heerschenden geest òf mij te moeten stilhouden als allerlei
vraagstukken werden besproken òf gedwongen te zijn mij geregeld in politieke
debatten te begeven, waarvan ik nu eenmaal het nut niet inzag.
Al stond ik dus feitelijk buiten de bourgeoisie, zonder nog openlijk partij
te hebben gekozen voor de zaak der arbeiders, de verhouding met mijn Vader
was zoo vol spanning, dat slechts een vonk noodig was om het kruit te doen
ontvlammen. Dit gebeurde op het eerste Meifeest. Het Parijsche Kongres der
(later genoemde) Tweede Internationale had plaats gehad in 1889. Het heeft
een program van internationale politieke aktie opgesteld, dat in alle
landen, waar zich de socialistische beweging heeft ontwikkeld, haar
uitdrukking heeft gevonden in den politieken strijd der arbeidersklasse.
Daarnevens werd een motie aangenomen, die van de socialistische arbeiders
eischte, elk jaar op 1 Mei betoogingen te houden gericht tot de regeering om
bij de wet den 8-urigen werkdag in te voeren. Toen de tijd dezer betoogingen
gekomen was, openbaarde zich in de bourgeoisie groote onrust. Te Leeuwarden, het centrum eener provincie, die sterk
was aangetast door de opstandigheid, die het noodzakelijk gevolg was van de
daar heerschende sociale toestanden, was de onrust niet het minst groot. Aan
den buitenkant der stad had een opstandige boer, wien door zijn landheer de
huur was opgezegd, op 1 Mei zijne gansche plaats ter beschikking gesteld van
een meeting voor den 8-uren dag. Deze plaats was gelegen aan een weg, waar
zoowel mijn | | | | Vader als de burgemeester en een andere wethouder,
tevens voorzittend kommissaris der ‘Neerlandia’, de thans nog door mij
beheerde Brandwaarborg-maatschappij, woonden. Voor het huis van elk dezer
heeren was dien dag een politiepost geplaatst en welke militaire
voorzorgsmaatregelen overigens in het geheim waren genomen, kan men wel
gissen. Mijne vrouw was gelogeerd bij hare familie in Gelderland en naar
gewoonte was besloten, dat ik zoolang bij mijn Vader het middagmaal zou
gebruiken. De stad was vol bezoekers en toen ik mij spoedde naar het
meetingterrein troffen mij vooral de talrijke versierde en rood-bevlagde
stoombooten met meetinggangers, die de stad binnenvoeren. Het was een
heerlijke aanblik, die feestelijk gezinde arbeiders, leden dier klasse, die
geen verrukking, geen feestvreugde kende, maar thans medegesleept door den
internationalen stroom van nieuw geloof en nieuwen wil, die vanuit Parijs
over de wereld was losgebroken, zich voor het eerst voelde als de nieuwe
kracht, opgekomen voor het verwezenlijken van een der hoogste eischen der
arbeidersklasse.
Na afloop der meeting ging ik naar het huis mijns Vaders en spoedig zaten wij
aan tafel. Ik had behoefte een woord te wijden aan de zoo prachtig geslaagde
meeting en zei, gedachtig aan de vrees, die gebleken was uit het opstellen
der politie voor het huis der genoemde magistraatspersonen, dat men zeker
moest toegeven, dat de meeting goed was afgeloopen. Hierop antwoordde mijn
Vader: ‘Ja, ik heb geen dronken menschen gezien.’ Dit woord bracht mijn
bloed aan het koken: Waarom moest de mogelijkheid van zooiets worden
ondersteld? Ik vatte die woorden als een beleediging van de arbeiders op. Nu
woonde er in Leeuwarden een raadsheer aan het Hof, dien wij maar voor het
gemak M. zullen noemen, een bekend alcoholicus, die in de zittingen van het
Hof, tengevolge | | | | van zijn verwoest zenuwgestel, steeds allerlei
grimassen zat te maken en in den namiddag de gewoonte had bij tal van café's
en kroegen rond te gaan, waar de borrel meestal reeds voor hem gereed stond,
zoodat hij niets anders had te doen dan die op te nemen en uit te drinken.
Dit schoot mij opeens in den zin, toen mijn Vader de mogelijkheid van
drankmisbruik bij de meetinggangers had verondersteld en op zijn woord: ‘Ik
heb geen dronken menschen gezien’, antwoordde ik: ‘Ik wel: de raadsheer M.’
De woede, die zich daarop van mijn Vader meester maakte, is moeilijk te
beschrijven. Hij luchtte op dat moment al zijn grieven, die hij, wegens mijn
geneigdheid voor de socialistische beweging, koesterde. Hij dreigde mij te
onterven, waarop ik antwoordde, dat zijn geld mij koud liet. Hij zeide mij
te zullen schrappen als zijn opvolger aan de ‘Neerlandia’ en te zullen
zorgen, dat die betrekking door mijn broer zou worden vervuld. Steeds meer
opgewonden zeide ik, dat geld noch baantjes mij zouden kunnen bewegen een
ander te zijn, dan ik volgens mijn geweten zijn moest. Het gesprek nam zulk
een dreigende wending, dat plotseling mijn Vader opvloog van zijn stoel en
naar mij toekwam in een houding, die mij voor het ergste moest doen vreezen.
Ik wist niet anders te doen, dan op hetzelfde oogenblik ook op te staan en
toen hij tot mij was genaderd, zag hij voor zich een eveneens dreigende
figuur, bereid om zich tegen elken aanslag op lijf en waardigheid te
verdedigen. Het schijnt, dat zijn gezond verstand bij hem de overhand
behield. Nadat wij het gesprek aldus een poos hadden voortgezet, begaf hij
zich tenminste weer naar zijn plaats aan tafel. Het was bij die gelegenheid,
dat ik hem zeide: ‘Ons ongeluk is, dat wij teveel met elkaar gemeen hebben;
als ik jong was geweest in uw tijd, dan ware ik liberaal geworden. Als u
jong was geweest in mijn tijd, dan zou er kans zijn | | | | geweest,
dat u zich aan den kant der arbeiders had bevonden.’ Ik besloot met de
verklaring: ‘Denk niet, dat ik die zaak ooit ontrouw zal worden. Ik moet; het is mijn roeping.’
Zoo bracht het eerste Meifeest een beslissend optreden tusschen mijn Vader en
mij teweeg.
De groote meeting van Augustus 1890 te Heerenveen
voor het algemeen kiesrecht voltooide verder het innerlijk proces, waarvan
het voorgaande getuigt. Ik woonde midden in de stad en zag tal van
deelnemers aan die meeting mijn huis voorbijtrekken. Wat mij vooral trof,
dat waren de Bildtsche arbeiders, die plechtstatig in geordende rijen van
vier door de stad schreden. Daar waren de Bildtsche landarbeidersvrouwen,
getooid met hun hoofddeksel, een breed zilveren oorijzer, dat uitsluitend de
gewone dracht van de Bildtsche vrouwen was. Zij waren allen gekleed in
zwarte jakken met rok. Ook de mannen, stoere figuren, wien de bittere ernst
op het gelaat lag, maakten een indruk van wil, ernst en kracht. Het was
aanvankelijk niet mijn doel geweest om deze meeting bij te wonen. Ik stond
nog feitelijk buiten de beweging, maar deze aanblik greep mij zoo aan, dat
ik een onoverwinnelijke neiging gevoelde om ook naar Heerenveen te gaan en
zooals ik het uitdrukte tegenover mijne vrouw, die bezwaren maakte, ‘den
polsslag van den tijd mede te gevoelen.’ Dit was de eerste maal, dat ik, zij
het ook geheel op mijn eentje, mij mengde onder de scharen, die voor het
algemeen kiesrecht betoogden. De indruk van deze meeting was voor mij
overweldigend. Ik zie nog tusschen de duizenden Friesche arbeiders het
duizendtal Amsterdammers naar de meeting opgekomen en hoor hun gezang, de
liederen, die men nog in den zangbundel van den ouden Soc. Dem. Bond kan
vinden, velen meesleepend door hun vaak min of meer sentimenteele | | | | melodie, alle gezongen met een geestdrift en een overgave, die
getuigden van het nieuwe geloof, dat hen bezielde. Daartusschen klonk de
sleepende wijze van het Marianne-lied, zooals het in Friesland werd
gezongen. De redevoering en ademden dien opstandig en geest, die het kenmerk
is van den aanvang van alle groote volksbewegingen. Hier leerde ik voor het
eerst de socialistische beweging kennen in haar revolutionairen vorm. Er was
geen sprake van, dat van de apathie+ tegenover de arbeidersbeweging, die mij in de
eerste jaren van mijn strijd voor mijn gezin en beroep had bevangen, iets
overbleef. De ontvangen indrukken werden verder verwerkt, tot mij de stem
der socialistische arbeiders riep.
Na den definitieven terugkeer in Friesland waren het de groote sociale
vragen, die mij steeds weer in beslag namen. Het getheoretiseer over God
maakte meer en meer plaats voor het zich bezig houden met het menschelijk
leven, zoo droevig, zoo wanhopig, zoo sprekend tot het geweten, als het in
die dagen was. Nadat de afkeer van de politiek, die mij wegens den zorg voor
het dagelijksch brood had bezield, geweken was, stormden de maatschappelijke
vragen als woedende honden op mij aan, beten mij in het geweten en dwongen
mijn geest zich met den toestand der lijdende en ontberende groote massa
bezig te houden. Al spoedig had ik allerlei veelal gratis zaken te
behandelen, waarin turfdiefstallen, stakingsdelikten en dergelijke een rol
speelden en mij menig geheim van den stoffelijken en moreelen achteruitgang
der minder bedeelden werd onthuld. Talrijke faillissementen van kleine
burgers van allerlei aard werden mij opgedragen. Zij toonden duidelijk aan
hoe de kleine middenstand op de meest onbarmhartige wijze door het
kapitalisme werd geproletariseerd. Wat een leed er in die kringen, wier
eenige | | | | redding het faillissement was, werd geleden, is moeilijk
te beschrijven. Zij vonden in mij niet slechts hun juridischen raadsman,
maar ook iemand, die hun lot wilde leeren kennen en hun leed met hen deelde,
iemand, die voelde thans in de leerschool des levens te zijn terechtgekomen
en daar een leerstof op te doen, die hij eenmaal voor den strijd tegen de
oorzaak van zooveel ellende hoopte te gebruiken.
Van de zaken mij ter behandeling opgedragen, was het proces tegen Jan Stap en
van Tuinen, leiders van ‘Broedertrouw’, de voornaamste. Het grondige door
mij ingestelde onderzoek bracht aan het licht, dat de tegen deze lieden
ingediende klacht wegens bedreiging van werkwilligen allen grond miste,
zoodat de officier van Justitie zelf was gedwongen vrijspraak te eischen.
Toen zij evenwel bij mij kwamen om mijne hulp als advocaat in te roepen,
antwoordde ik, mij daarbij niet tot den juridischen kant van het geval te
zullen beperken, doch de gelegenheid te willen waarnemen om hunne
organisatie en hun werken daarin te leeren kennen. Meer dan één dag bracht
ik bij den kloeken arbeider Jan Stap, een dier prachtige figuren uit de
vroegere arbeidersbeweging door en ik had gelegenheid de notulen hunner
vereeniging te bestudeeren. Daarbij trof het mij, dat deze eenvoudige
arbeiders aan de laatste verkiezing der Duitsche sociaal-demokratie een
bijeenkomst hadden gewijd, die aantoonde, dat zij met groote belangstelling
en met goed begrip van de beteekenis van die overwinning dit belangrijke
feit uit het toenmalige internationale politiek gebeuren hadden medegemaakt.
Het was voor mij een openbaring en een groote vreugde tevens, deze
ontdekking te doen.
Zoo was het vooral mijn beroepsarbeid, die mij tot nadere kennismaking met de
arbeidersbeweging drong.
Het waren deze verschillende feiten, onder welker in- | | | | vloed zich
langzamerhand een diepgaande, inwendige verandering in mij had voltrokken.
In mijn laatsten tijd te Groningen had mij het Godsvraagstuk zeer bezig
gehouden; het werk van Henri Lou ‘Der Kampf um Gott’ werd door mij met
groote belangstelling gelezen. In mijn Friesche poëzie had ik op
verschillende wijzen dat vraagstuk behandeld. In mijn gedicht ‘De strijd om
het hoogste’ kom ik tot een andere konklusie dan Multatuli met zijn ‘O, God,
er is geen God’. Het verschil tusschen Multatuli en mij in onze houding
tegenover het Godsgeloof was, dat hij, gesproten uit een godsdienstig
milieu, behoefte gevoelde daartegenover het atheïstische stand punt te
verdedigen, terwijl ik, uit een ongodsdienstig milieu voortkomende, de
ongestilde behoefte naar de Godheid niet geregeld vermocht te onderdrukken.
Zoo eindigt dit gedicht niet met de ontkenning van het bestaan der Godheid,
maar blijft de twijfel daaraan open en geef ik uitdrukking aan de hoop, dat
die twijfel eenmaal zal verdwijnen. Dat is de beteekenis van de klacht, die
ik tot de Godheid richt:
Ik kan mijn leed niet langer dragen
Als 'k niet Uw liefde voelen kan.
Toon mij Uw hemelsch aanzicht dan.
Rijs op, o God!.... kom, blijde dage!’
Door de ervaringen door mij na mijne vestiging te Leeuwarden opgedaan, waren mijn zedelijke aspiraties en
twijfelingen ongemerkt op vasten maatschappelijken bodem geplaatst. De vraag
van God verloor meer en meer haar theoretisch karakter en de mensch in zijn
werkelijken strijd om een hooger en beter leven, waarbij het allereerst zijn
klasse-en lotgenooten zijn, in wier midden hij zijn steun en hoop moet
vinden, drong zich op den voorgrond. Het zedelijke vraagstuk ontviel mij
niet, maar vond niet meer zijn oplossing in een Godheid, | | | | wier
bestaan hoogstens genomen hypothetisch+ is, om wiens figuur de menschen
hun tegenstellingen en twisten uitvechten en die door zijn mystiek karakter
allerlei gelegenheid biedt voor onvruchtbaar gedroom en machteloos streven
naar het ongrijpbare. Later zou ik leeren inzien, dat de zucht naar God een
weerspiegeling is van het diepe besef, dat de mensch deel uitmaakt van den
kosmos, de eeuwigheid, die zoovele onoplosbare raadselen bevat. Het streven
om die eeuwigheid in één begrip uit te drukken, leidt tot de erkenning der
Godheid en beantwoordt voor de meesten onzer aan de geestelijke sfeer,
waarin zij zijn opgegroeid. Ik voor mij, die altijd buiten die sfeer heb
gestaan, nooit heb geleerd te bidden en mij vreemd daaraan gevoel, kan aan
het besef der eeuwigheid, dat ik in mijn diepste wezen erken, niet het
karakter verleenen van een begrip of een wezen, van allerlei attributen
eener besturende en beschikkende Godheid voorzien en die men zich denkt als
iemand, waartoe zich de mensch met zijn zonden, twijfelingen en levensvragen
kan wenden. Ik voelde thans op den goeden weg te zijn en het zoeken naar God
begon mij met rust te laten. In mijn Friesch tijdschrift gaf ik uiting aan
de nieuwe faze van denken en voelen, waartoe ik was gekomen: de juichkreet
van een verloste ziel, die uit het donker voorwaarts treedt in het licht en,
die tot heden ronddolend in onwetendheid omtrent de eerste grondslagen van
het sociale leven, de roep der duizenden, die naar vrijmaking streven, heeft
verstaan. Het is het gedicht ‘Een nieuwe tijd’, dat tegelijkertijd als mijn
laatste burgerlijke uiting en als mijn eerste bekentenis tot het socialisme
kan worden beschouwd.
Het begint met den roep om vrijheid, kennis en recht, aangeheven door de
arbeiders bij het wankelen der oude en het opstaan der nieuwe wereld. De
leuze: éénzelfde recht voor allen en de eisch, dat elk zijn loon en loon | | | | naar werken zal worden gegeven, geven weer, wat in dien tijd
onder de opstandige arbeiders als strijdleuze weerklonk. Met enthousiasme
riep ik uit:
Heil, vierde stand, te laat ontwaakten,
Heil, die der menschheid toekomst zijt;
Heil allen, die hun boeien slaakten,
Gewijd, geschaard ten heil'gen strijd.
Een stroom van recht is niet te keeren,
Hij breekt geweld, hij kent geen dwang;
Uw leus: ‘geen slaven en geen heeren’,
Is tekst voor een triomfgezang.
Daarop geef ik de zucht naar een betere wereld, naar een ideaal weer, die mij
zoo lang heeft gepijnigd. Ik zie in al, wat ik gedacht en gehoopt heb, een
voorbereiding voor de nieuwe belofte, die mij begroet en geef uiting aan het
besef, dat ieder schuld heeft aan het lijden van zijn naaste, zooals dat
zich in het maatschappelijk systeem, dat de millioenen tot geestelijke en
zedelijke ellende doemt, openbaart.
Neemt het voor die millioenen op, roep ik mijzelf en anderen toe.
Daar is uw werk, daar loopt uw baan,
Daar vangt uw eigen leven aan.
Tenslotte deze uitroep:
Heil dan, o tijd, die wij beleven,
Gij, zegenzwangre grootsche tijd,
Nu 't volk zelf werken wil en streven
En strijden de echte vrijheidstrijd.
Geen strijd alleen om 't brood te winnen,
Neen, elke hooge levensbloem,
Kunst, kennis, vrijheid, liefde, roem,
| | | |
Wenkt het een nieuwe wereld binnen.
Die reuze strijd moet niet beginnen,
Hij wordt in 't rond al om ons heen,
Ja, wordt de wereld door gestreen.
Waai, geest der Waarheid, door de zielen
Van 't volk, dat uit zijn dood opstaat
En wijd elks hart tot 't hoogste willen.
En gij, o zelfzucht, beestigst kwaad
Van de eeuw, grond van haar maatschappijen
En daardoor grond van al haar lijen,
U geldt hij, de titanenstrijd
Van deez' geweldig schoone tijd.
Dit gedicht was oorzaak, dat ik besloot afstand te doen van het tijdschrift
‘For hûs en hiem’, dat ik drie jaren aaneen met groot succes had uitgegeven.
Ik bemerkte nl. aan het opzeggen door vele abonnees, die over het algemeen
tot de meer konservatieve elementen behoorden, dat het mij onmogelijk zou
zijn in dit tijdschrift mijn eigenste wezen uit te spreken.
Typeerend voor den geest, die mijn overgang naar de Friesche Volkspartij en
mijne uitingen als voorgaand gedicht bij velen opwekte, was, hetgeen Johan Winkler in de ‘Soc. Gids’ van l925 heeft
medegedeeld: ‘De grootvader van den schrijver dezer regelen, Friesch
taalminnaar en geleerde, schrapte in die dagen de woorden “Friesch dichter”
onder Troelstra's naam op de groote enveloppe, waarin hij's dichters brieven
bewaarde, door en schreef er met felle letters onder en er voor in de plaats
“Sociaal-demokratisch Volksopruyer”. Dit teekent de stemming destijds
tegenover den man, die om hooger doel zijn dichterschap opgaf.’ De schrijver
van het bovenstaande heeft mij in de gelegenheid gesteld, het antwoord in te
zien, dat ik schreef op den brief, waarin zijn grootvader, die altijd mijn
dichterlijk werk had | | | | geprezen en mijn tijdschrift hoog stelde,
naar aanleiding van mijn socialistische uitingen, mij de vriendschap
opzegde:
‘Dit moet ik u bij voorbaat zeggen: dat uw schrijven den
ongeloovige treft en niet den socialist. Kom tot Jezus, is uw refrein, maar
gij weet, dat ik die aansporing vóór dien tijd ook al noodig had. Evenals
nu, stond ik, toen ik nog radikaal (want liberaal was ik nooit) was en nog
tegen het drijven van de mannen der Volkspartij, ook ver van het Kruis van
Christus, waaronder gij mij reeds toen wildet zien plaats nemen. In datgene,
wat voor u de hoofdzaak is, dachten wij reeds toen ongelijk - en toen
noemdet gij mij nog uw vriend....’
‘Wat mij aangaat, ik gevoel, dat ik met vele van mijn vrienden het Kruis van
den Christus op de schouders heb genomen en het nu heendraag door die koude
menschenwereld, door dogma en materialisme bedorven. Het “komt tot Jezus”
heb ik gehoord en verstaan; het beteekent voor mij: werk mede aan het rijk
van liefde en broederschap, waarvan Jezus de groote profeet is geweest en de
eerste fondamenten heeft gelegd. In dat werkdadig
Christendom vind ik, na lang te hebben gezocht en gestreefd, nu den vrede
met mijzelf.
Daarom heb ik voor mijn zielsrust niet noodig naar ds. Wagenaar te gaan. Het
is mij gegaan als Faust; niet in bespiegelingen heb ik de rust gevonden,
maar in het volle rijke menschenleven, in het arbeiden tot nut van anderen,
in het wroeten en worstelen voor het lijdende en vertrapte arbeiders volk,
voor dat volk, waaruit Jezus is voortgekomen en waarmede hij bij voorkeur
verkeerde. Wie met mij daarvoor wil arbeiden ‘geloovig’ of ‘ongeloovig’, is
mij welkom. Aan hem, die dat niet wil doen, vraag ik niet eens, dat hij mijn
optreden aan goede beginselen zal toeschrijven. Want dat wist reeds, voordat
ik het zware eikenhouten kruis van den Christus mede op de schouders nam,
dat zij, die het | | | | dragen, worden gesmaad en geschopt, door
geloovigen en niet-geloovigen, door godsdienstige en door materialistische
konservatieven, door alles wat meent, dat de arbeider tot een minder soort
behoort dan de gewone burger. Door hem, die over de arbeider als voogd wil
optreden, zoowel als door hem, die niets met hem wil hebben uit te staan.
‘Hij, wien het lijden der millioenen eens in de ziel gegrepen heeft, die ziet
zijn tijd met heel andere oogen dan te voren aan, toen hij maar zijn leven
leefde, zorgend voor zich zelf of voor vrouw en kinderen, verdiept in zijn
liefhebberijen, in studie of genietingen, goed en edel vaak in zijn streven,
maar blind voor't ondraaglijk en onmenschelijk bestaan van verreweg het
grootste deel van zijn medemenschen. Die reikhalst er naar om uit het
egoïsme onzer dagen weg te komen en overgeplant te worden in een
maatschappij, die op de wetten van Christus opgebouwd is, op broederschap en
liefde, - in een socialistische wereld, waar niet het elk-voor-zich-zelf,
maar het elk-voor-het-algemeen vooropstaat!’
Intusschen was de verkiezing voor de Tweede Kamer van het jaar 1891 genaderd
en kreeg ik bezoek van den voorzitter der Friesche Volkspartij, mij
mededeelende, dat deze partij plan had mij kandidaat te stellen. Ik achtte
het noodig thans omtrent mijn politieke stelling een duidelijke verklaring
te publiceeren en deel hier het schriftelijke antwoord mede, opgenomen in
het ‘Friesch Volksblad’ en luidend als volgt:
| | | |
Leeuwarden, 19 Maart 1891
Aan het Comité voor de Volkspartij in het district ‘Leeuwarden’.
Mijne Heeren!
‘De voorloopige uitslag der verkiezingen van een candidaat der Volkspartij in
het district Leeuwarden heeft mij aan den eenen kant zeer aangenaam
getroffen, maar daarentegen ook leed gedaan.
Immers, waar het feit, dat op mijn persoon de meeste stemmen zijn
uitgebracht, voor mij een bewijs is van een vast geloof in de oprechtheid
mijner sympathie voor de groote en merkwaardige arbeidersbeweging onzer
dagen, daar doet het mij leed, dat blijk van vertrouwen in mijn persoon en
mijne bedoelingen niet te kunnen beantwoorden op de wijze, het meest in
overeenstemming met den gebleken wensch van diegenen, die mij uit de
achterste rijen der beweging, waarin ik mij steeds ophield, naar voren
hebben geroepen.
Ik zou n.l. bezwaar moeten maken om, indien bij de te houden herstemming de
definitieve keuze op mij mocht vallen, de candidatuur aan te nemen; niet,
omdat ik den strijd voor onze partij schroom - van het tegendeel hoop ik al
meer en meer het bewijs te geven - maar omdat ik nog te kort bezig ben met
de studie der groote vraagstukken van onzen tijd en te weinig politieke
ervaring bezit, dan dat ik met het noodige zelfvertrouwen mijne plaats onder
de leiders onzer partij zou kunnen innemen.
Mijne partijgenooten zullen het dus, naar ik hoop, eerder aan een hoog besef
van de verantwoordelijkheid, aan de candidatuur verbonden, willen
toeschrijven, dan aan gebrek aan belangstelling en offervaardigheid voor
onze partij, wanneer ik hen verzoek bij de | | | | nieuwe te houden
stemming een der mannen te kiezen, die met mij op het grostal zijn gebracht:
een Rauwerda, Gerhard, De Clercq of Van der Goes, mannen die ook bij
verscheidenheid in hunne opvattingen, allen hebben getoond, bekwame,
ijverige en oprechte vrienden te zijn van die breede zoom der bevolking, die
zich in de tegenwoordige maatschappij niet tot een in alle opzichten
menschwaardig bestaan kan ontwikkelen.
Intusschen zal het ontvangen blijk van vertrouwen, waarvoor ik zeer dankbaar
ben, mij een spoorslag zijn, om, met opoffering, als het moet, van veel, wat
het leven rustig en aangenaam maakt, mijn geringe krachten al meer en meer
te ontwikkelen en te besteden ten dienste van wat mij voorkomt te zijn een
plicht van menschelijkheid en gerechtigheid.’
P.J. TROELSTRA
Dit was mijn eerste openbare politieke getuigenis. Ik had mijn levenskeuze
gedaan.
|
+Zie ‘Rispinge’, pag. 104 tot en met de
eerste regels van pag. 107.
+Venus
Urania en Venus Vulgivaga = de beide godinnen, waarvan de eene de
hemelsche liefde vertegenwoordigt en de andere de zinnelijke.
+Venus Urania en Venus Vulgivaga
= de beide godinnen, waarvan de eene de hemelsche liefde
vertegenwoordigt en de andere de zinnelijke.
+erotische liederen = minne-liederen.
+‘Progress and Poverty’ = ‘Vooruitgang en Armoede’.
+apathie =
ongevoeligheid.
+hypothetisch = wat
op een veronderstelling berust.
|
|