|
|
|
| |
| | | |
[Het geloof in de moderne kunst]
Bijna dertig jaar geleden, in 1958, hield Hans Jaffé een rede getiteld ‘Het
probleem der werkelijkheid in de beeldende kunst der xxe
eeuw’.1 Met die toespraak aanvaardde hij een
docentschap aan het Kunsthistorisch Instituut van de Universiteit van Amsterdam,
maar tevens bleef hij werkzaam in het Stedelijk Museum onder Sandberg. Dat
duurde tot 1963, toen hij het museum verliet om de eerste hoogleraar moderne
kunst aan een Nederlandse universiteit te worden. In zijn rede uit 1958 hield
Jaffé een warm pleidooi voor de moderne kunst. De abstracte kunst gold voor hem,
gezuiverd als ze was van natuurnabootsing en een verhalende inhoud, als ‘de
uiterste consequentie’ van een ontwikkeling die aan het begin van de twintigste
eeuw was begonnen. Jaffé zag moderne kunst als niets minder dan een
wereldbeschouwing. De moderne kunstenaar zocht naar ‘algemeen geldende waarden,
die de eenzame dingen en de vereenzaamde mensen onderling verbinden’. Wij
moesten volgens Jaffé proberen ‘de hoop en de blijde boodschap der nieuwe kunst
te verstaan’. Aan het slot van zijn rede kwam hij nogmaals op die verheven taak
terug, de tekens van de moderne kunst ‘eerbiedig en geduldig (te) duiden’. Het
ging hem uiteindelijk om de verhouding van de mens tot de werkelijkheid, die
verweven was met ‘de verbondenheid van de mens met zijn naaste’.
Juist de abstracte kunst werd in die jaren opgevat als ‘de laatste, meest recente
stap’ op weg naar een universalistisch wereldbeeld, als een wereldtaal die een
nieuwe gemeenschap zou kunnen vormen, kortom als een utopie. In de Verenigde
Staten legde Meyer Schapiro, kunsthistoricus en politiek linkse geestverwant van
Jaffé, in dezelfde tijd eenzelfde nadruk op de gemeenschap en het bevrijdende,
bijna religieuze karakter van de abstracte kunst.2 Dit geloof - want dat is het -
werd al voor de oorlog beleden door Alfred Barr jr., werkzaam in het Museum of
Modern Art in New York, het oudste en meest prestigieuze museum voor moderne
kunst. Barr was in 1936 de auteur van een tentoonstelling en publikatie getiteld
Cubism and
| | | |
Abstract Art. Zijn initiatief werd door zijn bewonderaar
Sandberg in 1938 in het Amsterdamse Stedelijk Museum gevolgd en Jaffé werkte als
jeugdig conservator aan de tentoonstelling mee. In de Verenigde Staten besprak
Meyer Schapiro het boek van Alfred Barr en schreef in 1937 onder meer dat de
abstracte kunst van enige van de beste Europese kunstenaars ‘een frisheid en
zekerheid toont die ontbreekt in de nieuwe realistische kunst’.3
Dat arbitraire oordeel lijkt geheel ingegeven door een opvatting van de moderne
kunst waarin de abstractie, om met Barr te spreken, ‘de logische en
onvermijdelijke slotsom is waarheen de kunst zich bewoog’. Die voorstelling van
zaken deed geen recht aan het werk van kunstenaars die al in de jaren twintig de
abstracte kunst hadden ingeruild voor een vorm van realisme, of aan kubisten van
het allereerste uur die zich nooit tot de volledige abstractie hadden bekend:
Picasso en Bracque. Dat dit arbitraire beeld na de Tweede Wereldoorlog met veel
overtuigingskracht werd uitgedragen, heeft alles te maken met de bijna
religieuze status van de abstracte kunst en met haar martelaarschap. Moderne
kunst, in het bijzonder abstracte kunst, had veel te lijden gehad onder de
dictatuur van de Duitse nazi's. De onderdrukkende rol van de Sovjetunie bleek
voor linkse intellectuelen moeilijker te aanvaarden. Naoorlogse verdedigers als
Schapiro, Herbert Read, Werner Haftmann, Jaffé en verschillende andere critici,
museummedewerkers en kunsthistorici, legden veel nadruk op de bevrijdende
kwaliteiten van de abstracte kunst en de humanitaire waarde ervan.4 Bovendien trad na de oorlog een nieuwe
generatie abstract of bijna abstract werkende kunstenaars naar voren. Zo kon
Jaffé in zijn rede van 1958 behalve naar grote voorgangers als Kandinsky, Klee,
Mondriaan en Malewitsj, ook naar Roger Bissière verwijzen. Met Jean Bazaine, uit
wiens Notes sur la peinture d'aujourd'hui vaak werd geciteerd,
en Alfred Manessier gold Bissière als de toenmalige voorhoede. Van Amerikaanse
abstract-expressionisten wist men voor 1960 vrijwel niets in Nederland.5
Op dat beeld van de moderne kunst bleken nogal wat correcties nodig. Die zijn
aangebracht, maar aan de gelovigheid veranderde dat weinig. Dat is vreemd, zeker
omdat we van kunsthistorici mogen verwachten dat ze met alle sympathie voor de
moderne kunst en het geloof erin, toch kritisch blijven denken. Als partijkiezen
leidt tot | | | |

Jean Bazaine, ‘De aarde en de hemel’, 1950. Olie/doek, 195×130 cm.
Saint-Paul de Vence, Fondation Maeght.
| | | | vrijwillig opgezette oogkleppen, is er iets mis. Helemaal als die
gedeeltelijke, zelfgekozen blindheid wetenschappelijk wordt gelegitimeerd. En
daarop lijkt het soms met al die wetenschappelijke medewerkers en gestudeerde,
zelfs gepromoveerde museumdirecteuren die zich met de moderne kunst bezighouden.
Het gebeurt maar al te vaak dat de laatste trend voorzien wordt van een
kunsthistorisch voorouderschap, zonder veel kritische reflectie. De
kunstgeschiedenis lijkt er soms alleen te zijn om prestige te verlenen aan de
laatste geloofsartikelen.
De kunsthistorisch opgeleide directeur van het Van Abbemuseum en artistiek leider
van de Documenta in Kassel van 1982, Rudi Fuchs, waardeerde Jaffé als
bemiddelaar ‘tussen geschiedenis en eigen tijd’.6 De jongste kunst
had zijn interesse ‘als de toekomst van de geschiedenis’, aldus Fuchs, die op
zijn beurt Jaffé's standpunt op haast karikaturale wijze heeft uitvergroot in
een voor de modernste kunst relevante richting, de romantiek. Deel twee van de
Documenta-catalogus opent met een plaatje van de vroegromantische
landschapschilder Caspar David Friedrich.7 Met deze Documenta-tentoonstelling wilde Fuchs de waardigheid
van de kunst eren en in de presentatie de voorwaarden voor de zo noodzakelijke
contemplatieve rust scheppen. Eerbied voor de kunst en haar dienaren en
martelaren, dat was de boodschap. De kunstenaar zoekt volgens Fuchs een
gevaarlijk avontuur met alleen zijn eigen geest als instrument. Fuchs is een
volbloed romanticus die gelooft in romantische clichés. Dat blijkt uit zijn
recente bericht over Kwaliteit, uit de Documenta 1982 en
eerder al bij een polemiek die zich afspeelde rond de tentoonstelling ‘In het
licht van Vermeer’, waaraan ik een kleine bijdrage heb geleverd door alle
kritieken te lezen en te bespreken.8 Op die
tentoonstelling in 1966 waren merendeels prachtige schilderijen uit de
vijftiende tot en met de vroege twintigste eeuw in een volstrekt ahistorisch
verband geplaatst. De critici, ook de kunsthistorici onder hen, vonden het bijna
zonder uitzondering schitterend en waren geheel betoverd door het metafysische
licht dat over de schilderijen scheen. De kunsthistorische vervalsingen werden
niet als zodanig herkend en door een opgewonden Lambert Tegenbosch verdedigd als
een bijdrage aan de moderne kunst.9 Ook Fuchs schoof bij die
gelegenheid de historisch gefundeerde, contextuele kritiek van Utrechtse | | | | kunsthistorici ongeduldig terzijde. Hij gaf zich over aan ‘een
slopende activiteit’, door zich ‘naakt en alleen’ - de woorden zijn van Fuchs
zelf - voor het kunstwerk op te stellen.
In latere tentoonstellingen en geschriften leunde Fuchs steeds opnieuw op
kunsthistorische mythen, die buiten de bestudering van de moderne kunst allang
in onbruik waren geraakt. Eén ervan is de tot grote proporties opgeblazen
constatering dat het er beneden de Alpen anders uitziet dan erboven. De
culturele noord-zuid tegenstelling in verband gebracht met het verschil in
klimaat en de bodemgesteldheid, heeft een lange voorgeschiedenis, maar leidde
uiteindelijk in de negentiende eeuw tot de constructie van een noordelijke,
Germaanse geest, die zeer metafysisch is gestemd en gekweld wordt door
angst.10 Dat
alles zou in de kunst worden weerspiegeld volgens een ander cliché, dat van de
Zeitgeist, een vermeende geest van de tijd die zich op geheimzinnige wijze
openbaart in alle uitingen van die tijd. Wie het gelooft ziet het ook, net als
de nieuwe kleren van de keizer. Fuchs heeft ongetwijfeld verbeeldingskracht en
ziet veel. Hij bevindt zich wat zijn waardering voor het noorderlicht betreft in
gezelschap van Robert Rosenblum, die in 1975 een invloedrijk boek publiceerde
onder de programmatische titel: Modern Painting and the Romantic
Tradition: Friedrich to Rothko. De visuele parallellen tussen
romantische en moderne kunstwerken die Rosenblum laat zien, zijn pakkend genoeg
en ook zijn schildering van de achterliggende ideeën werkt overtuigend. Wat
ontbreekt is een nauwkeurige bewijsvoering. Een wat ongelukkig geschilderd kind
van Philipp Otto Runge lijkt oppervlakkig op een dito van Vincent van Gogh, die
echter bij mijn weten nooit een werk van Runge heeft gezien en nergens zijn naam
noemt in zijn brieven. Het boek van Rosenblum voorzag in de eerste plaats in een
behoefte aan geloof en mythe om de nieuwste kunst een diepzinnig aanschijn te
geven. Inhoud werd van steeds groter belang geacht naast de formele aspecten die
lange tijd alleenzaligmakend waren als criterium.
De nieuwe kunst, de kunst van de toekomst werd als concept in de romantiek
ontworpen en dat maakt de romantische kunsttheorie zo bruikbaar voor de nieuwe
kunsthistorische constructie ten dienste van de modernste uitingen. Dat de
generatie van Schapiro en Jaffé nog niet op deze vroegromantische bron wees, zal
te maken hebben | | | | met het dogma van de originaliteit. Moderne kunst
is per definitie nieuw en origineel en kan dus niet al te zeer met het verleden
worden belast. Bovendien verschillen de minutieus geschilderde landschappen van
Friedrich in formeel opzicht te veel van de abstracte werken van Kandinsky of
Mondriaan. Er kan nog een andere reden voor die veronachtzaming zijn geweest. De
kunst van Friedrich werd door de nazi's en hun geestverwanten opgevat als de
uitdrukking van de Duitse ziel, de befaamde ‘deutsche Innerlichkeit’. Met deze
verkeerde gelovigen wilde men na de oorlog liever niet in verband worden
gebracht, al had de kunsthistoricus Klaus Lankheit al in 1951 het verband tussen
abstracte kunst en de vroege romantici aangetoond.11
Er bestond echter ook een oudere en in verband met de moderne kunst van de
twintigste eeuw positieve Friedrich-reputatie. In 1906 was het werk van
Friedrich ruim vertegenwoordigd in de Berlijnse Nationalgalerie, op een grote
overzichtstentoonstelling van Duitse kunst. De man achter deze tentoonstelling
was Hugo von Tschudi, een groot voorvechter van de moderne kunst, die hij zag
voorbereid in de geschriften van Philipp Otto Runge en de schilderijen van
Friedrich. Von Tschudi waardeerde in Friedrich niet in de eerste plaats ‘de
melancholische grondtoon’ en de ‘mystieke ontroering’ die voor Rosenblum later
zo belangrijk bleken, maar ‘het steeds veranderende spel van licht en
lucht’.12 In dergelijke bewoordingen schreef Von Tschudi over Friedrichs
werk. In zijn visie nam Friedrich de trekken aan van een Duitse voorloper van
het impressionisme. Op die manier hoopte hij de uit Frankrijk afkomstige moderne
kunst acceptabel te maken voor het nationalistische Duitse publiek. Ook Von
Tschudi gebruikte de kunstgeschiedenis met het oog op de toekomst, al moest hij
daarvoor geheel voorbijgaan aan de bedoelingen van Friedrich en zijn
tijdgenoten.
De moeilijkheid waarvoor de historicus van de moderne kunst zich geplaatst ziet,
is duidelijk. Het toekomstperspectief dreigt hem voortdurend het zicht op het
verleden te ontnemen. Hij wordt als het ware voortdurend uitgenodigd vooruit te
kijken naar het verleden en dat leidt spoedig tot mentale nekkramp. Dat is
ongezond en de conclusie zou kunnen luiden dat de kunsthistoricus met
wetenschappelijke ambities terughoudend moet zijn als het om de kunst van zijn
eigen tijd gaat, en al helemaal waar het gaat om die van de toekomst. | | | |

Anselm Kiefer, ‘Geloof, hoop en liefde’, 1984-1986. Gemengde
techniek, 280×380 cm. Sydney, Art Gallery of New South Wales.
| | | |

Caspar David Friedrich, ‘Kruis aan de Oostzee’. Olie/doek, 46×33,5
cm. Keulen, Wallraf-Richartz-Museum.
| | | | Vanwaar toch die intellectuele stilstand van veel kunsthistorici
die werken voor galerieën en musea, ateliers bezoeken en kunsttijdschriften
volschrijven? Vanwaar de krompraat waarover Gerrit Komrij zich zo vrolijk kon
maken? Vanwaar dat gedrag als van draaiderwisjen, leden van een religieuze
broederschap die zolang in kringen rondlopen tot zij de kluts kwijtraken, iets
zien wat niet zichtbaar is, horen wat niet hoorbaar is of kleuren horen en tonen
zien. Heinrich Heine, aan wie ik deze vergelijking ontleen, bedoelde het
kritisch.13 Hij kon niet weten dat de synesthesie - want zo wordt het
verschijnsel genoemd - een courant geloofsartikel zou worden in de
symbolistische en vroeg-abstracte kunst. Het moest evenals het gedraai van de
derwisjen leiden tot een staat waarin ‘het absolute’ zich openbaart. ‘De wegen
van het absolute zijn die van het irrationele’, schreef de schilder Jean Bazaine
en voor zijn boek Exercice de la peinture gebruikte hij een
motto van de Spaanse mysticus San Juan de la Cruz, waarin het ‘niet-weten’ wordt
aangeprezen.14 Anders dan de kunstenaar, moet de kunsthistoricus deze
raad vooral niet opvolgen, maar zich eerder afvragen in hoeverre het succes van
de moderne kunst gestimuleerd is door de religieus-mystieke status ervan. En
verder moet hij zich afvragen waar en wanneer dat geloof in de moderne kunst aan
de dag treedt en bij wie. Ik wil een paar momenten aanstippen.
Het begon allemaal kort voor 1800 bij kunstenaars als William Blake, Runge en
Friedrich. In het symbolisme rond 1900 maakte het geloof in de kunst een
bloeiperiode door om een hoogtepunt te bereiken in de abstracte kunst van
Kandinsky, Klee, Mondriaan en Malewitsj. Maar ook de jongste, weer figuratief
geworden kunst put volop uit mystiek, mythen en legendes, al gaat dat vaak met
veel ironie en dubbele bodems gepaard. Dat die gelovige verbanden tussen
verschillende op het eerste gezicht zo uiteenlopende stromingen bestaan, is niet
verwonderlijk, omdat de status van de kunst weinig veranderde. De schone kunsten
maakten zich in de loop van de achttiende eeuw los van de andere kunsten en van
de wetenschappen, die zich zo spectaculair hadden ontwikkeld. De waarde van de
kunst moest elders gezocht worden en de kunst moest zich vrijelijk kunnen
ontwikkelen, meenden vooral de kunstenaars. Het belang van de kunst lag nu in
haar ‘belangeloze belangrijkheid’, zoals de beroemde formulering van de filosoof
Kant luidt.15
| | | |
Wassily Kandinsky, ‘Romantisch landschap’, 1911. Olie/doek, 94,3×129
cm. München, Städtische Galerie.
| | | |
Deze opvatting vond haar neerslag in de romantische strijdkreet ‘l'art pour
l'art’, de kunst om de kunst. Kunst die zich als modern en avantgardistisch
wilde onderscheiden, moest autonoom zijn, niet gebonden aan kerk of staat of aan
particuliere opdrachtgevers. Weliswaar leidde die opstelling tot problemen,
zowel voor de kunstenaars als voor het publiek, maar de autonomie heeft het
glansrijk gewonnen. Ook waar alternatieven werden beproefd, bleef de zuiver
artistieke maatstaf gelden, hoe mooi en behartenswaardig de zaak waarvoor de
kunstenaar zijn talent in dienst stelde ook was. Het maakt achteraf weinig
verschil of het gaat om de kunst uit het Vaticaanse museum voor de nieuwe
religieuze kunst, om het socialistisch realisme of om feministische kunst. De
speciale esthetica die voor de eigen groep werd ontworpen, houdt geen stand
tegen de aanspraken van de autonome kunst en de esthetica die daarbij hoort.
Blijkbaar is de groep goedgeschoolde kenners die de vrije artistieke maatstaf
hanteert nog steeds het sterkst en dient het concept van de autonome kunst hun
streven om zich maatschappelijk te onderscheiden en althans op dat punt de
hegemonie te veroveren. Die belanghebbende groep is afkomstig uit de burgerij
die aan het eind van de achttiende eeuw naar de macht greep en haar
machtspositie in de negentiende eeuw wist te consolideren. In onze eeuw zien we
vervolgens een professionalisering van deze groep, bijvoorbeeld door het volgen
van kunsthistorische colleges. Hun kapitaal bestaat immers uit het bezit van
cultuur en het vermogen erover mee te praten. Volgens de sociologen heeft deze
groep er belang bij haar aanspraken en vermogen tot oordelen in artistieke zaken
te mystificeren.16 Van de moderne
kunst mag sociologisch geredeneerd verwacht worden dat zij de mogelijkheden tot
die mystificatie zelf aandraagt. Een kunst die door iedereen begrepen kan
worden, is onbruikbaar als middel om zich te onderscheiden en de eigen
exclusiviteit te onderstrepen. ‘Over kwaliteit wordt vandaag de dag alleen maar
“onder ons” gesproken’, begint Fuchs zijn verhandeling over de kwaliteit, om nog
in dezelfde zin te reppen over de ‘toverwoorden der kunstbeoordeling’.17
De autonomie van de kunst begon schuchter, maar werd in de loop van de
negentiende en twintigste eeuw steeds groter. We leven nog steeds, in toenemende
mate zelfs, met deze romantische conditie. Rond 1800 was de vrijheid nieuw en
glanzend. De kunstenaars zet- | | | | ten zich aan een nieuwe kunst, de kunst
van de toekomst. Allereerst moest er een artistiek probleem worden opgelost. De
grote kunst uit het verleden was vrijwel zonder uitzondering religieuze kunst.
Nu was door allerlei oorzaken de rol van de religie verzwakt. Waar moest de
inspiratie vandaan komen en welke nieuwe inhoud kon wedijveren met de oude
sacrale kunst? De kunstenaars hadden verschillende mogelijkheden. De weg terug
naar de kerk werd door nogal wat kunstenaars bewandeld, met meestal desastreuze
resultaten voor hun kunst, gemeten naar de louter esthetische maatstaf. Heinrich
Heine maakte zich al vroeg vrolijk over kunstbroeders die in de rij stonden voor
de rooms-katholieke kerk. ‘Men keek in Duitsland zeer bedenkelijk’, schreef hij
in zijn Romantische Schule, toen protestantse jongelieden zich
‘opnieuw in de oude geestelijke kerker binnendrongen, waaruit hun voorvaders
zich met zoveel inspanning hadden bevrijd’18. Dat
sloeg met name op de Nazareners, een groep Duitse schilders die hun
kunstenaarsbestaan in Rome naar het voorbeeld van kloosterbroeders had
ingericht. Het voorbeeld was hun aangereikt door de auteurs Wackenroder en
Tieck.19 Later kwamen uit de
symbolistische kring rond de schilder Paul Gauguin enkele figuren voort die ook
een sacrale kunst voorstonden. Jan Verkade trok er zelfs een pij voor aan en
Maurice Denis betrok een voormalige abdij in de omgeving van Parijs. Het
bekendste Nederlandse voorbeeld is natuurlijk Jan Toorop. Hij zei de artistieke
avant-garde vaarwel om op den duur in een wel zeer conservatief katholiek milieu
terecht te komen waar men in Mussolini een krachtige verdediger van het geloof
zag.
Een andere mogelijkheid om de kunst te verjongen werd gezocht in een vernieuwing
van de maatschappij in materieel en geestelijk opzicht, vanuit een socialistisch
perspectief. Dat ideaal heeft zoals bekend een grote aantrekkingskracht op
kunstenaars uitgeoefend en het heeft tot opmerkelijke resultaten geleid. Een
fundamentele verandering in de positie van de moderne kunst bracht dat echter
niet teweeg, ondanks alle goedbedoelde pogingen. Het kon zelfs leiden tot
zelfcensuur en ernstige conflicten. Een conflict met tragi-komische kanten werd
in de Sovjetunie door de suprematist Malewitsj uitgevochten. Deze schilder had
de abstractie tot een extreme vorm doorgevoerd met een geheel wit schilderij.
Hij schilderde ‘ikonen | | | | van het niets’ en publiceerde in 1922 een
artikel onder de provocerende titel ‘God is niet onttroond’.20 Het lokte scherpe kritiek uit. Proletarische
kunstenaars konden nu eenmaal geen godzoekers zijn met in de linkerzak Das Kapital van Marx en in de rechter een gebedenboekje. De
materialistische criticus sprak afkeurend van abracadabra en vond het
noodzakelijk ‘het absolute’ en ‘het fantoom van de zuivere idee’ krachtig te
bestrijden. De gevolgen zijn bekend. Abstracte kunst werd als formalisme
verboden en de onderdrukkende lijn van Moskou werd zonder aarzelen door de
nazi's in Duitsland overgenomen. De moderne kunst werd geknecht en vernietigd.
Deze trieste geschiedenis zou zich tijdens de culturele revolutie in China
herhalen.
Vrijwillige of gedwongen dienstbaarheid van de kunst leverde niet het gewenste
resultaat op. Er bleek uiteindelijk maar één vruchtbare mogelijkheid: de kunst
moest niet de staat of de religie dienen, maar proberen er zelf de plaats van in
te nemen. Dat proces zette al vroeg in. Voor de streng protestants opgevoede
Philipp Otto Runge kon de kunst nog niet gelijk gesteld worden met het geloof.
Toch wekte hij door verwachtingen die hij had en de religieuze vergelijkingen
die hij voortdurend maakte, wel die indruk. Runge werd door zijn familie
onderhouden om zich geheel aan de kunst te kunnen wijden. Wie als kunstenaar een
eigen weg gaat, het publiek ongevraagd wil bereiken maar wel economisch
afhankelijk is, zal zich rekenschap willen geven van zijn drijfveren en
bedoelingen. Dat heeft vaak een neerslag gevonden in brieven en autobiografische
geschriften, bij Runge en bij een groot aantal kunstenaars na hem. Het is een
voor de moderne kunst typerend verschijnsel geworden. De moderne kunstliteratuur
is bekentenisliteratuur, met als een van de hoogtepunten de brieven van Vincent
van Gogh aan zijn broer Theo. De rol van Theo van Gogh toont veel overeenkomst
met de functie die Daniël Runge voor zijn schilderende broer had. Dertig jaar na
de dood van Philipp Otto gaf Daniël Runge in 1840 de brieven en andere
geschriften van zijn broer uit, waaronder een sprookje en een kleurenleer.21 In die geschriften had hij de
moderne kunst voorzien, zoals we van Von Tschudi hoorden. De brieven van Runge
zijn doorspekt met bijbelcitaten en verwijzingen naar de bijbel, wat natuurlijk
niet verwonder- | | | | lijk is voor een protestantse kunstenaar van
burgerlijke huize. Hij citeerde Marcus (8;35): ‘Wie zijn leven behouden wil, die
zal het verliezen; wie het echter verliest omwille van de liefde, zal het
eeuwige leven beërven.’ En, voegde hij er direct aan toe: ‘Deze strijd is het
leven van een kunstenaar.’22 Runge, die een nieuwe kunst
voor ogen zweefde, werkte uit liefde voor God, maar niet minder uit liefde voor
de onsterfelijke kunst. In een brief aan de schrijver Tieck heet het, opnieuw
met een bijbelse vergelijking: ‘Het is niet anders mogelijk of deze kunst moet
vanuit de diepste mystiek van de religie begrepen worden, want van daaruit moet
zij komen en dat moet de vaste grond ervoor zijn, anders valt ze in elkaar als
het huis dat op zand is gebouwd.’23 Volgens Mattheus (7;26) en Runge moeten zowel het geloof als de
toekomstige kunst op stevige rotsgrond worden gebouwd. Het geloof dat Runge op
het oog had, is de geopenbaarde religie die hij vond in het werk van de mysticus
Jacob Böhme. De bron van zijn kunst zocht hij als elke romanticus in de diepten
van zijn eigen innerlijk. Daarom ook vond Runge het overbodig om op kunstreis
naar Italië en Parijs te gaan. Thuis kon hij beter zijn eigen oorspronkelijkheid
behoeden. Dat standpunt werd al evenzeer een modern cliché als zijn afwijzing
van het kopiëren. Niet dat het Runge aan eerbied voor de antieken ontbrak, maar
als hem een idee helder voor ogen stond, schreef hij, hoefde hij alleen maar
naar antieke kunstwerken te kijken, studeren was niet nodig. Runge is een van de
eerste kunstenaars die de academie alleen bezoeken om er zich later tegen af te
kunnen zetten, kan men met enige overdrijving zeggen.24
In een ambitieus opgezette cyclus van de vier ‘Tageszeiten’ (morgen, avond, dag
en nacht) probeerde Runge aan zijn verheven opvattingen vorm te geven. Hij
streefde in zijn eigen woorden naar ‘een abstract schilderkunstig
fantastisch-muzikaal gedicht met zangkoren, een compositie voor drie kunsten
samen, waarvoor de bouwkunst een eigen gebouw moest uitvoeren’. Runge hoopte, na
een bezoek aan de gotische dom van Meiszen, dat er mensen zouden zijn die ergens
bij een kerkhof een kapel zouden willen oprichten om zijn cyclus in onder te
brengen. Pas dan zou ‘de symboliek of de eigenlijke poëzie’ tot haar recht
komen. Die poëzie omschreef Runge nader als ‘de innerlijke muziek van de drie
kunsten’, die zich uitte door woorden, lijnen en kleuren. Runge droomde van een
Gesammt- | | | |

Philipp Otto Runge, ‘De morgen’, ‘De avond’, ‘De dag’ en ‘De
nacht’, 1803. Pentekeningen, resp. 71,7×48,2, 71,9×48,3, 71,6×48 en
71,3×48,1 cm. Hamburger Kunsthalle.
| | | | kunstwerk met een abstract-symbolische betekenis, dat later
in de eeuw door Wagner beproefd zou worden en bij de symbolisten een heilig
leerstuk werd.25
Van Runges kapel is niets gekomen, maar het duurde niet lang of een verzamelaar
liet zijn privé-galerie met een kapel uitbreiden, ontworpen naar hetzelfde
voorbeeld dat Runge geïnspireerd had: de dom van Meiszen. Het is een antwoord op
een klacht van Wackenroder, die de in de achttiende eeuw opengestelde
schilderijengalerieën had vergeleken met jaarmarkten, terwijl het tempels zouden
moeten zijn. Het idee van de kunstkapel bleef voortleven. Het werd niet alleen
gerealiseerd door Maurice Denis met de decoraties voor zijn voormalige
abdijkerk, maar ook door de bewonderaars van de Zwitserse kunstenaar Segantini.
Zij wijdden even buiten Sankt Moritz in 1908 een mausoleumachtig gebouw in, waar
onder de centrale koepel Segantini's triptiek ‘Werden, Sein, Vergehen’, of in
het Italiaans ‘La vita, la natura, la morte’, een plaats vond. Segantini had
aanvankelijk een Alpensymfonie willen schilderen van kolossale omvang.26 Toch kan wat uiteindelijk tot
stand kwam gemakkelijk met Runge wedijveren waar het de kosmische iconografie
betreft. Een bekend voorbeeld met abstracte schilderijen is de Mark Rothko-kapel
die in 1971 in Houston werd geopend. Het is een streng ogend gebouw met een
centrale ruimte waar voor de doeken van Rothko gemediteerd kan worden door
gelovigen van verschillende religies, maar vooral door gelovigen in de moderne
kunst. Rosenblum wijst in zijn geciteerde boek op de parallellen met Runges
plannen en de praktijk van Caspar David Friedrich, die in 1808 zijn eigen
atelier tot cultusruimte herschiep om er een landschap tentoon te stellen met
een kruis op een berg in de ondergaande zon. Het was dan ook bestemd om als
altaarstuk te dienen.27
‘Ieder echt kunstwerk wordt in een gewijd uur ontvangen en in een gelukkig uur
geboren’, schreef Friedrich, niet minder religieus dan Runge.28 Ook voor hem stond vast dat de kunst uit het innerlijk moest
voortkomen en zelfs afhankelijk was van de zedelijke en religieuze wereld van de
kunstenaar. Het schilderen werd door Friedrich dan ook vergeleken met bidden.
Zoals de vrome bidt zonder woorden en door God wordt verhoord, zo schildert de
gevoelige | | | |

Caspar David Friedrich, ‘Kruis in de bergen’ (Tetschener-altaar).
Olie/doek, 115×110,5 cm. Dresden, Staatliche Kunstsammlungen,
Gemäldegalerie Neue Meister.
| | | | kunstenaar. En niet alleen de voelende mensen begrijpen en
herkennen dat, ook zij die meer afgestompt zijn hebben tenminste een vermoeden,
meende Friedrich oprecht. Door deze vergelijking bracht hij een hiërarchie aan
in zijn publiek en zette hij zich tegelijkertijd af tegen een schilderkunst die
de goddelijke openbaring op een sprekende, dat wil zeggen verhalende manier zou
uiten. Friedrich wilde een nieuwe religieuze kunst scheppen die zich duidelijk
zou onderscheiden van de oude historieschildering. Zijn genre werd het
landschap.29
Noch voor Friedrich, noch voor Runge stond de kunst gelijk met religie, hoeveel
trekken de kunst er ook van aannam. Later in de negentiende eeuw vervaagden de
grenzen steeds meer en aan het eind van de eeuw werd de idealistische
kunsttheorie opnieuw actueel in de geschriften van Paul Gauguin en zijn kring,
waartoe de schrijvers-critici Albert Aurier en Charles Morice behoorden.30 De symbolistische kunstenaar blijkt even irrationeel als zijn
romantische voorganger. Zijn gevoeligheid moet volgens Aurier zelfs zo groot
zijn, zo transcendentaal, dat hij de ziel kan laten trillen voor ‘het pulserend
drama van de abstracties’. Non-figuratieve kunst bestond rond 1890 nog niet,
maar men sprak en schreef wel over de abstractie en vooral over de Idee. Vincent
van Gogh heet bij Aurier een schilder van religieus geladen beelden als de zon
en de zaaier, een ‘geëxalteerde gelovige, iemand die gulzig schone utopieën in
zich opzuigt en slechts leeft voor ideeën en dromen’.31 Emile Bernard, in zijn
jeugd zowel met Gauguin als Van Gogh bevriend, werd later streng katholiek. Voor
hem bestond zowel in de kunst als in de religie slechts het absolute. Bernard
riep zijn collega's toe: ‘Schilders, werp iedere morgen dit gebed in het gelaat
van de atheïstische en goddeloze eeuw; wij geloven in God, in Titiaan en in
Rafael.’32 Zijn keuze van
kunstenaars is opmerkelijk, het was gebruikelijker om naar Fra Angelico te
verwijzen. Deze Italiaanse primitief uit de vijftiende eeuw schilderde op zijn
knieën, zoals Van Gogh opmerkte. Angelico's kunst bestond volgens Maurice Denis
uit een mengsel van symbolisme en sentimenteel idealisme, dat echter niet
academisch was. Fra Angelico was een vriend in droeve dagen, een vertrooster en
een beschermheilige.33 Met deze
laatste kwalificatie was Denis iets te vroeg. Pas in 1983 werd Fra Angelico, na
langdurig onderzoek, door | | | |

Roger Bissière, ‘Hommage aan Fra Angelico’, 1949. Olie/doek,
46,5×60 cm. Amsterdam, Stedelijk Museum.
| | | | de paus ‘in het volle gebruik van zijn macht en met apostolisch
gezag’ zalig verklaard.34 Deze opmerkelijke zaligverklaring valt te beschouwen als het
antwoord van de kerk op het geloof in de moderne kunst, dat in haar ogen niet
anders dan bijgeloof kan zijn. Maar blijkbaar wel door belangrijke groepen
aangehangen.
Alleen in het voorbijgaan wil ik op het troostende aspect wijzen. Daarin komt de
met de religie vergelijkbare status van de moderne kunst tot uiting. Het
vermogen om te troosten was traditioneel aan de filosofie en de religie
voorbehouden, maar werd sedert de romantiek een onderwerp dat ook onder
schilders besproken werd. Dat komt duidelijk bij Van Gogh naar voren, die op de
verschillende kamertjes waar hij woonde een prent aan de muur had naar het toen
beroemde schilderij van Ary Scheffer, ‘Christus Consolator’, de troostende
Christus.35
De troost kwam uit de voorstelling. In later jaren probeerde Vincent van Gogh
zelf troostrijke schilderijen te maken, zoals ‘La Berceuse’. Daarvan zou de
werking niet alleen berusten op de voorstelling, maar evenzeer of zelfs meer op
de kleur en de lijnvoering.
Van de symbolistische kunstenaars werd verwacht dat zij, zonder zich aan
instituties te binden, het oneindige zouden openbaren en mysteries onthullen.
Hun kunst en die van hun abstracte en bijna abstracte Nachwuchs was bestemd voor
ingewijden. ‘Kunst maakt zichtbaar’, luidt een veel, ook door Jaffé geciteerde
uitspraak van Paul Klee.36 Die uitspraak
komt voor in zijn boek Das Bildnerische Denken. Beeldend
denken is woordeloos denken en schilderen is, wat het al bij Friedrich was, een
vorm van bidden. Wat de kunst zichtbaar maakt, daarover kan niet gesproken
worden. De mystificatie van het kunstoordeel is in volle gang.
Het aantal geschriften waarin het geloof in de moderne kunst wordt beleden is
zeer groot en komt voort uit een behoefte tot zelf-rechtvaardiging gecombineerd
met zendingsdrang. Een van de zwaarwichtigste bijdragen is Kandinsky's boek Über das Geistige in der Kunst en verder de almanak Der Blaue Reiter, die hij samen met Franz Marc in 1912
maakte.37 Marc schreef voor de
cultuurconsumenten het openingsartikel ‘Geistige Güter’. De almanak was
opgedragen aan de nagedachtenis van Hugo von Tschudi, de man die ik eerder
aanhaalde als pleitbezorger van de moderne kunst, waarvan Runge | | | |

Paul Klee, ‘Zichtbaar maken’, 1926. Pentekening, 11,1×30,1 cm.
Zwitserland, particuliere verzameling.
| | | | en Friedrich als voorlopers werden gezien. In het artikel van Marc
komen hun namen niet voor, wel die van ‘de oude mysticus Greco’, door
Meier-Graefe en Von Tschudi in triomf toegevoegd aan de naam van ‘vader
Cézanne’. Want, argumenteerde Marc: ‘Beiden voelden in het beeld van de wereld
de mystiek-innerlijke constructie, die het grote probleem van
de huidige generatie vormt.’ Deze woorden zouden evengoed van Friedrich of Runge
afkomstig kunnen zijn. El Greco was in die tijd de mystieke voorloper van Van
Gogh, die met een reproduktie in de almanak vertegenwoordigd is. Vincent van
Gogh, de ‘geëxalteerde gelovige’ van Aurier, heet bij Meier-Graefe een
godzoeker.
Het kubisme wordt wel als een fundamentele breuk gezien met de voorafgaande
stromingen. Hoe dat ook zij, het mysterie verdween niet. Een meevoelende
criticus als de dichter Guillaume Apollinaire wachtte zich ervoor het
kubistische geheim prijs te geven. Hij maakte zich in een niet direct voor
publikatie bestemde brief kwaad op enkele kubisten die wel de geheimen van de
nieuwe kunst hadden onthuld. Dat moet slaan op Gleizes en Metzinger en hun boek
Du Cubisme uit 1912. Apollinaire stelde in zijn brief aan
een collega criticus vast: ‘Er is geen voorbeeld, noch in het verleden, noch in
het heden, van een waarlijk ingewijde die de mysteriën ontsluierde.’ Hij had ook
nog nooit een paus gezien die de stoel van de Heilige Petrus verliet met de
boodschap niet te geloven. De criticus aan wie Apollinaire zijn brief richtte,
kreeg een pluim omdat hij alleen de nieuwsgierigheid van het publiek had gewekt,
het op gedachten had gebracht en gecharmeerd, maar dat vooral zonder het te
laten begrijpen.38 Als zo vaak bij Apollinaire is
de toon ironisch, maar dat is niet in tegenspraak met de verheven gedachten en
de functie van de kritiek als middel om de sociaal-culturele scheidslijnen in
stand te houden.
Ironie is een al door de vroege romantici aangeprezen middel om het verhevene en
het laag bij de grondse, boven- en onderwereld, het tragische en het komische,
met elkaar te contrasteren om een glimp van de waarheid op te vangen. Juist de
kunstenaar zou de spanning ervaren tussen de volmaakte ideeënwereld en de
realiteit van alledag en dat leidde dan tot een ironische geestesgesteldheid.
Door nu in een kunstwerk bewust van ironische contrasten gebruik te maken, | | | |

Paul Klee, ‘Lachende gotiek’, 1915. Aquarel, 26×13,5 cm. New York,
Museum of Modern Art.
| | | | kan het absolute zich openbaren.39 Deze zwaarwichtige ironie
vinden we in ruime mate in de literatuur, maar niet in de romantische
schilderkunst. De eerste echt ironische tekeningen en schilderijen die ik ken
zijn van Paul Klee, die daarmee eens te meer zijn romantische herkomst verraadt.
Pas Marcel Duchamp bouwde vrijwel zijn gehele oeuvre op de ironie en dat sluit
aan bij zijn symbolistische beginfase. De humor van de dadaïsten en surrealisten
was doorgaans zwartgalliger en getuigde van een grotere wanhoop. Juist waar in
de moderne kunst ironische grappen gemaakt worden, is het geloof niet ver weg.
Soms wordt de ironische kunstgreep niet meer herkend. Een curieus voorbeeld deed
zich voor op de laatste Documenta (1982). Luciano Fabro ontwierp voor de
monumentale hoofdingang een golvend baldakijn met een soort medaillons waarop
‘mensen uit de kunstwereld’ waren afgebeeld. Door Fuchs werden ze vergeleken met
heiligenbeelden aan de ingang van een kathedraal, ondanks de klassicistische
architectuur van het tentoonstellingsgebouw.40 Kortom, een nogal voor de hand liggend, ironisch kunstwerk
om het Documenta-gebeuren te heiligen. Maar de kunstenaar werd er niet vrolijk
van en artistiek leider Fuchs zag in het vreemde baldakijn ‘geen enkel
theoretisch principe’. Hij worstelt ook met de vraag of Picasso dan wel Charlie
Chaplin de grootste kunstenaar van de twintigste eeuw is.41 Nu koesterde Picasso, zelf niet
vrij van clownsambities, grote bewondering voor Chaplin. Fuchs, weinig gevoelig
voor ironie, vindt beiden de moeite waard, maar zijn hart gaat goddank uit naar
de ‘zwartwitte vlam van Malewitsj’. Op een tentoonstelling die ooit nog eens
georganiseerd gaat worden onder de titel ‘Das ironische Zeitalter’ of een
vergelijkbare titel, zullen zeker de films van Chaplin als kunstwerken vertoond
worden. Een echt vrolijke tentoonstelling zal het niet worden, daarvoor is de
romantische ironie te diepzinnig-mystiek en de postmoderne variant te
schizofreen. Het ironische contrast werd op den duur gespletenheid. De
kunstenaarstypen die met deze grof geschetste ontwikkeling overeenkomen zijn de
ironicus, de clown, die zowel komisch als tragisch is, en de geesteszieke, de
heilige dwaas die in sommige samenlevingen wordt vereerd. Zij hebben met elkaar
gemeen dat ze in hun kunst een sleutel bezitten die de poort van het irrationele
kan openen.
| | | |
Wassily Kandinsky, ‘Allerheiligen II’, 1911. Olie/doek, 86×99 cm.
München, Städtische Galerie.
| | | |
Over de theosofische en antroposofische achtergronden van de abstracte kunst van
Kandinsky, Klee, Mondriaan en verschillende andere kunstenaars is de laatste
decennia veel gepubliceerd.42 Onze
kennis van andere mystieke inspiraties rechtvaardigt de conclusie dat het niet
om incidentele voorbeelden gaat, om enkele vreemde afwijkingen die er weinig toe
doen, maar om een fundamentele karaktertrek van de gehele moderne kunst. De
moderne kunst is een exclusieve, maar bloeiende kerk met een eigen
geloofsgemeenschap en eigen rituelen. De plaats van de kunsthistoricus daarin is
ongemakkelijk. Sociaal gesproken behoort hij natuurlijk tot de groep, maar
wetenschap verdraagt zich slecht met geloof in het irrationele. Sandberg,
kunstenaar, aanhanger van de Mazdaznan-beweging en museumdirecteur, begreep dat.
Hij koketteerde met zijn verachting van de kunstgeschiedenis. Het probleem is
echter zo oud als de kunst voor de toekomst, bijvoorbeeld de kunst van Caspar
David Friedrich. Zijn landschappelijke altaarstuk dat zo ademloos werd bewonderd
toen het vlak voor Kerstmis op zijn atelier was tentoongesteld, trok tenminste
één kritische toeschouwer, de geleerde kamerheer Von Ramdohr. Juist omdat hij
grote artistieke kwaliteiten zag in het Tetschener-altaar, de naam waaronder het
landschapstuk bekend staat, en gecharmeerd was door het talent van Friedrich,
keek Von Ramdohr beter dan de gelovige aanbidders. Over de kritiek wil ik het
niet hebben, maar hij doorzag de consequenties van de nieuwe romantische
kunstopvatting en waarschuwde tegen de gevaren ervan in zijn artikel uit
1809.43 Vooral zijn tirade tegen het mysticisme lijkt achteraf
door een helderziende geschreven. Een lang citaat: ‘Mystiek die nu overal
binnensluipt en ons zowel uit kunst als wetenschap, uit filosofie als religie
tegemoet walmt als een narcotische wasem! Mystiek, die symbolen, fantasieën
uitgeeft voor schilderkunstige en poëtische beelden en de klassieke oudheid wil
verruilen voor gotisch snijwerk, het stijve werk van kleine meesters en voor
legendes! Mystiek, die in plaats van begrippen woordspelletjes verkoopt, op
vergezochte analogieën beginselen bouwt en overal slechts wil vermoeden, waar
men óf zou kunnen weten, óf bescheiden zou moeten zwijgen. Mystiek, waarvan de
aanhangers onwetendheid wat feiten en literatuur betreft, tot wachtwoord dient!
[...] Mystiek, die wakkere, rustige geestdrift die zeer goed met het ware
christendom samengaat wil | | | |

Paul Klee, ‘Een tuin voor Orpheus’, 1926. Pentekening, 46,8×32,1
cm. Paul Klee-Stiftung, Kunstmuseum Bern.
| | | | verwisselen voor smachtend gekwezel voor het kruis! Die mystiek
tenslotte, die mij voor de gevolgen ervan voor de tegenwoordige tijd doet beven
en mij herinnert aan het einde van het Romeinse keizerrijk met haar verval van
ware geleerdheid en smaak! Want toen als nu traden neoplatoonse sofisten op,
gnostische en orfische sjamanen; toen als nu speelde men met legendes,
declamaties, met amuletten en symbolen; toen als nu misvormde men de kunst door
de aanmatiging haar naar de oorspronkelijke eenvoud terug te voeren.’ Dit in de
ogen van Von Ramdohr zo kwalijke mysticisme leidde tot een kunsttheorie waarin
volgens hem voortdurend gezwateld werd over god en gemoed, zonder aan het eerste
gebod van waarheid en kundigheid te gehoorzamen. Voor Von Ramdohr was het
verlangen naar de oorspronkelijke eenvoud, de ‘eenvouds verlichte waters’
waarover de dichter-schilder Lucebert later sprak, een aanmatiging.44 Een
verstandig mens besefte de onmogelijkheid ervan. Maar zoals we zagen, wilden de
moderne kunstenaar, zijn criticus en zijn publiek niet verstandig zijn en dus
kwamen alle voorspellingen van Von Ramdohr uit. Het gespeel met legendes,
amuletten en symbolen bijvoorbeeld in de kunst van de Nieuwe Wilden. En als Von
Ramdohr het heeft over ‘orfische sjamanen’, wie zou dan niet denken aan Joseph
Beuys, die zich gehuld in een vilten deken waaruit een wandelstok stak liet
opsluiten in een kooi met een wolfshond. De kooi stond in een kunstgalerie.45 Het orfisme werd een officiële, door
Apollinaire ten doop gehouden kunstrichting. Kortom, het mysticisme waartegen
Von Ramdohr waarschuwde, vierde hoogtij. Een stoet van mystici trok voorbij en
het einde is nog niet in zicht. Van Jacob Böhme, die door de romantici werd
vereerd, tot San Juan de la Cruz, waarop kunstenaars als Bazaine, Manessier en
nu Arnulf Rainer zich baseren. Van Swedenborg en de Rozenkruizers tot Madame
Blavatsky en Rudolf Steiner, die ook zelf de kunsten beoefende en erover
schreef. In zijn geschriften grijpt hij behalve naar Goethe ook naar romantici
als Jean Paul en Novalis terug.46 Op zijn beurt inspireerde
hij Joseph Beuys.
Het mysticisme leidde in de kunst tot alles wat Von Ramdohr voorzag. Voor
kunsthistorici lijkt mij de houding van deze criticus nog altijd voorbeeldig.
Hij eerde het talent van Friedrich en voelde vriendschap voor de kunstenaars,
zonder hun onvoorwaardelijke partijganger te worden.
|
1Herdrukt in Beeld (1984) 3
(speciaal nummer rond Hans Jaffé [1915-1984]), pp. 23-30. Jaffé's oratie uit
1963 droeg de titel ‘Het beeld en het woord’. Daarin brengt hij ook de
romantiek ter sprake. Zie verder: Over utopie en werkelijkheid
in de beeldende kunst. Verzamelde opstellen van H.L.C. Jaffé
(1915-1984), samengesteld door A.W. Reinink, E. van Voolen en J.H.
Sassen, Amsterdam 1986.
2Meyer
Schapiro, Modern art 19th & 20th centuries. His
selected papers, vol. 2, New York 1979. De opvattingen van Schapiro
werden kritisch besproken door Roger Shattuck in ‘Meyer-Schapiro's
masterclasses’, opgenomen in de bundel The innocent eye on
modern literature & the arts, New York 1986. Shattuck
schrijft in die bundel ook behartenswaardig over de mythe van het
onschuldige oog, het onbevooroordeeld kijken als een ideaal, in ‘The
innocent eye and the armed vision’.
3‘Not that abstract art is dead, as its philistine enemies have
been announcing for over twenty years; it is still practised by some of the
finest painters and sculptors in Europe, whose works show a freshness and
assurance that are lacking in the newest realistic art.’ Schapiro in ‘Nature
of abstract art (1937)’, in op. cit. in noot 2, p. 187.
4Haftmann heeft grote invloed uitgeoefend door zijn veel
vertaalde en herdrukte overzichtswerk Malerei in 20.
Jahrhundert, dat in 1954 voor het eerst verscheen. De derde,
vermeerderde en herziene druk is van 1962. Voor Haftmanns vaderrol voor de
Documenta, zie Documenta. Idee und Institution,
herausgegeben von Manfred Schneckenburger, München 1983. Voor Read, van wie
veel in het Nederlands werd vertaald, zie David Thistlewood, Herbert Read, formlessness and form, an introduction to his
aesthetics, London 1984. Voor een verhelderende vroege kritiek van
George Orwell uit 1945, zie The collected essays, journalism
and letters of George Orwell, vol. iv,
Harmondsworth 1970, pp. 69-73.
5Een goede graadmeter vormt het blad van de moderne
kunstmusea, Museumjournaal, dat in 1955 van start ging.
Zie voor een overzicht van de eerste dertig jaargangen: Adi Martis, ‘De
kunstkritiek volgens Museumjournaal’, Metropolis M (1987)
⅚, pp. 120-127.
6Beeld, op. cit. in noot 1, p. 7.
7Het gaat om het
iconografisch goedgekozen schilderij uit de Kunsthalle in Hamburg, ‘Das
Eismeer (Die verunglückte Nordpolexpedition, Die verunglückte Hoffnung)’,
ca. 1823-24. De inleiding van Fuchs in de catalogus is uiterst
summier.
8Rudi Fuchs, Kwaliteit (een bericht), Amsterdam 1985. ‘In het licht van
Vermeer’, Den Haag 1966, was de afscheidstentoonstelling van A.B. de Vries
als directeur van het Mauritshuis. De polemiek speelde zich hoofdzakelijk af
in het weekblad Vrij Nederland, dat op 19 november 1966
een pagina aan de pennestrijd wijdde onder de titel ‘Spitsuur in het
straatje van Vermeer’, waarop onder anderen Rudi Fuchs en zijn tegenspeler
Eddy de Jongh vertegenwoordigd waren, evenals Jan Emmens. Voor de
opvattingen van Fuchs, zie Hans Ebbink, ‘Rudi Fuchs en het model van de
taal’, Metropolis M (1982) 3, pp. 15-24.
9Tegenbosch bundelde
zijn kritieken in Kans op kunst, Utrecht 1969. Hij kwam in
de winter van 1985 op de kwestie terug tijdens een serie lezingen en
discussies in het kader van een studium generale van de Rijksuniversiteit
van Utrecht over de kunstkritiek.
10De romantische revolte werd niet zelden
gegoten in de vorm van een opstand van het noorden, dat christelijk
middeleeuws was, tegen het zuiden, dat heidens klassiek was. De Germaanse
geest stond tegenover de Latijnse. Het oversteken van de Rijn was voor menig
Fransman een angstig avontuur. Zie Madame de Stael, De
l'Allemagne (1810), een boek dat de Fransen bekend maakte met de
nieuwe romantische kunst-opvattingen. Voor de noord-zuid tegenstelling, zie
de registers van René Wellek, A history of modern
criticism, 4 vols., New Haven and London, 1965. Het verband tussen
angstgevoelens en het streven naar abstractie werd benadrukt door Wilhelm
Wörringer in zijn Abstraktion und Einfühlung uit 1908, dat
door de toenmalige artistieke generatie werd ontdekt en gebruikt. Edvard
Munch vertolkte het noordelijke ideaal het meest adequaat in zijn werk ‘De
schreeuw’. Munchs populariteit is op dit moment weer zeer groot.
11Klaus
Lankheit, ‘Die Frühromantik und die Grundlagen der “gegenstandlosen”
Malerei’, Neue Heidelberger Jahrbücher (1951), pp. 56-90.
Lankheit spreekt nog van ‘diepgewortelde vooroordelen ten opzichte van het
begrip romantiek’.
12Hugo von Tschudi, Gesammelte
Schrifte zur neueren Kunst, München 1912, pp. 203-04. Klaus
Wolbert, ‘“Deutsche Innerlichkeit”. Die Wiederentdeckung im deutschen
Imperialismus’, in Caspar David Friedrich und die deutsche
Nachwelt, herausgegeben von Werner Hofman, Frankfurt am Main
1974.
13Heinrich Heine, ‘Religion und Philosophie
in Deutschland’, in Sämtliche Schriften, Band 5
(1831-1837), herausgegeben von Karl Pörnbacher, Frankfurt am Main 1981, p.
632.
14Jean Bazaine, Exercice de
la peinture, Paris 1973. Het motto luidt: ‘Surtout il faut passer
au non-savoir; car en ce chemin, laisser son chemin, c'est entrer en
chemin.’ Bazaine was met zijn ‘Notes’ de modernste kunstenaar in Walter
Hess, Dokumente zum Verständnis der modernen Malerei,
Hamburg 1956.
15Kants Kritik der
Urteilskraft begint met een ‘Analytik des Schönen’. Zie Immanuel Kant,
Over schoonheid. Ontledingsleer van het schone,
inleiding en aantekeningen van Jacques de Visscher, vertaling van
Jean-Pierre Rondas en Jacques de Visscher, Meppel 1978.
16Abram de Swaan vat de recente
ontwikkeling van wat ‘de klasse van de cultuurkapitalisten’ wordt genoemd
samen in Kwaliteit is klasse. De sociale wording en werking van
het culturele smaakverschil, Amsterdam 1986.
17De openingszin van Fuchs' Kwaliteit (een
bericht), Amsterdam 1985.
18Heinrich
Heine, Sämtliche Schriften, noot 13, p. 381.
19‘Herr Ludwig Tieck hat durch seinen Roman
“Sternbalds Wanderungen” und durch die von ihm herausgegeben und von einem
gewissen Wackenroder geschrieben “Herzensergieszungen eines kunstliebenden
Klosterbruders” auch den bildenden Künstlern die naiven, rohen Anfänge der
Kunst als Muster dargestellt. Die Frömmigkeit und Kindlichkeit dieser Werke,
die sich eben in ihrer technischen Unbeholfenheit kund geben, wurde zur
Nachahmung empfolen.’ Heine, ibidem, p. 377.
20Voor de tekst van het artikel, de reacties erop en commentaren:
K.S. Malévitch, De Cézanne au Suprematisme (ecrits 1),
Lausanne 1974 en Le miroir suprématiste (ecrits 2),
Lausanne 1978.
21Philipp Otto Runge, Briefe und
Schriften, herausgegeben und kommentiert von Peter Betthausen, Berlin
1983, is de meest recente uitgave.
22Runge, op. cit. in noot 21,
p. 131. Het is een brief van 3 april 1803 aan Johann Heinrich Besser,
boekhandelaar en zoon van een predikant.
23Runge, ibidem, p. 109.
‘So ist es auch nicht anders möglich, als dasz diese Kunst aus der tiefsten
Mystik der Religion verstanden werden müszte, denn daher musz sie kommen,
und das musz der feste Grund davon sein, sonst fällt sie zusammen wie das
Haus auf dem Sande.’ Zie ook Christa Franke, Philipp Otto Runge
und die Kunstansichten Wackenroders und Tiecks, Marburg
1974.
24Anti-academisme was wijdverbreid en komt zowel bij William Blake als bij
Runge en Friedrich voor. Zie Lorenz Eitner, Neoclassicism and
romanticism 1750-1850, vol. i: Enlightenment/Revolution, London 1971, pp. 113-25, het gedeelte
‘Against the academy’. Het negatieve voorbeeld van Friedrich was de Zweedse
boer en schilder Per Höberg, wiens talent op de academie verknoeid zou zijn.
Hij is een vroeg voorbeeld van een ‘zondagsschilder’.
25Runge, op. cit. in noot 21, p. 130 en p.
133 (brieven aan Daniël Runge uit 1803). Voor het werk van Runge, zie Jörg
Traeger, Philipp Otto Runge und sein Werk. Monographie und
kritischer Katalog, München 1975 en Evert van Uitert, ‘Beeldende
kunst en muziek’, in Carel Blotkamp e.a., Kunstenaren der Idee.
Symbolistische tendenzen in Nederland ca 1880-1930, Den Haag 1978,
pp. 67-75.
26Franz Servaes, Giovanni Segantini. Sein
Leben und Werk, Leipzig 1920; Giovanni Segantini, sein
25. Todestag 1899-1924, Sankt Moritz 1925 (redevoeringen,
gedichten, aforismen, kranteartikelen en citaten van Jean Paul en Runge);
Francesco Arcangeli, Maria Cristina Gozzoli, L'opera completa
di Segantini, Milano 1973.
27Helmut Börsch-Surpan, Karl Wilhelm
Jähnig, Caspar David Friedrich. Gemälde, Druckgraphik und
bildmäszige Zeichnungen, München 1973 (het zogenaamde Tetschener
Altar is cat. nr. 167); Caspar David Friedrich in Briefe und
Bekenntnissen, herausgegeben von Sigrid Hinz, Berlin 1968.
28Friedrich/Hinz, op. cit. in noot 27. De meest pregnante
uitspraken zijn te vinden in Friedrichs ‘Äuszerung bei Betrachtung einer
Sammlung von Gemälden von gröszenteils noch lebenden und unlängst
verstorbenen Künstlern’. Daarin verklaart hij in de lijn van Runge: ‘Wer
selber Geist hat, kopiert nicht andere.’ Zijn uitspraak ‘Ein Bild musz nicht
erfunden, sondern empfunden sein’, zou vele malen worden geparafraseerd,
onder anderen door Picasso, die altijd voorgaf niet te zoeken maar te
vinden.
29Rafaels hooggeprezen ‘Sixtijnse madonna’
in Dresden werd door vroege romantici soms als een landschap opgevat, omdat,
zoals Runge in een brief van 9 maart 1802 naar aanleiding van dit schilderij
schreef, alle fraaie composities naar het landschap neigden, dat religieus
moest worden opgevat. Friedrichs vriend Carl Gustav Carus noemde Rafaels
Madonna in Dresden visionair en waarlijk mystiek. Zie Italienische Kunstwerke in Meisterbeschreibungen, ausgewählt und
erläutert von Wilhelm Waetzold, Leipzig 1942, p. 147.
30Aurier publiceerde in 1890 een artikel over Van Gogh, in
1891 over Gauguin en in 1892 zijn laatste artikel ‘Les peintres
symbolistes’,. gebundeld in Oeuvres posthumes, Paris 1893,
verzorgd door Remy de Gourmont. Zie verder Patricia Townley Mathews, G.-Albert Aurier's symbolist art theory and criticism, The
University of North Carolina at Chapel Hill, 1984 (dissertatie); Charles
Morice, La littérature de tout a l'heure, Paris 1889, is
een ook voor de schilderkunst belangrijke vroege bron. Charles Delsemme, Charles Morice, theoreticien du symbolisme, Paris
1958.
31In
het beroemd geworden artikel ‘Les Isolés: Vincent van Gogh’ waarin Aurier
Vincent van Gogh en zijn werk al tijdens diens leven hemelhoog prees, tot
niet onverdeeld genoegen van de schilder. Het artikel verscheen in de Mercure de France 1 (jan. 1890). Nederlandse vertaling in
Rond de roem van Vincent van Gogh, Amsterdam 1977
(Rijksmuseum Vincent van Gogh), pp. 38-43.
32Emile Bernard, L'Esthétique
fondamentale & traditionelle d'après les maitres de tous les
temps, Paris z.j. (waarschijnlijk in 1910 geschreven), p. v en vi.
33Maurice Denis, Théories 1890-1910, Paris 1920 (1913), pp. 30-44. Het artikel
‘Notes sur la peinture religieuse’ werd voor het eerst in 1896 gepubliceerd.
De specifieke reputatie van Fra Angelico is grotendeels gebaseerd op de
levensbeschrijving van Vasari, die er de nadruk op legt dat kunstenaars die
religieuze onderwerpen schilderen zelf devoot dienen te zijn. Maar dat mag
geen excuus zijn voor een tekortschietend vakmanschap.
34Zie voor de Franse tekst La documentation catholique, 1 er janvier 1984, no. 1865,
pp. 3-4.
35Het schilderij werd in 1853 aangekocht
door Fodor en in diens verzameling in Amsterdam tentoongesteld. In het
protestantse Nederland was Scheffer de religieuze schilder bij uitstek, zijn
werk heet evangelisch-christelijk. Het doek bevindt zich nu in het
Amsterdams Historisch Museum, maar is vrijwel nooit tentoongesteld.
36Een dagboeknotitie van 10
december 1918 luidt: ‘Bei der Kunst ist das Sehen nicht so wesentlich wie
das Sichtbarmachen’ (1134). En op 28 mei 1918 noteerde hij: ‘Das Wort ist
doch recht weit vom Mysterium weg, Ton und Farbe an sich schon Mysterium’
(1121). Tagebücher von Paul Klee 1898-1918, herausgegeben
und eingeleitet von Felix Klee, Köln 1957. De reputatie die Klee na de
Tweede Wereldoorlog genoot, komt tot uiting in Werner Haftmann, The mind and work of Paul Klee, London 1954, waarin Klee in feite
‘the real moral criterion for the painting of our day’ wordt genoemd. ‘His
spirit and his ideas should by rights inspire all present-day art schools
and academies’ (p. 16). Haftmann legde ook het verband met de romantiek:
‘Romanticism. That seems an important word’ (p. 150).
37De almanak is in 1965 heruitgegeven met een
voortreffelijke ‘Wissen-schaftlicher Anhang’ van Klaus Lankheit, door de
oorspronkelijke uitgever Piper in München. Über das Geistige in
der Kunst (1910) werd in 1962 in het Nederlands uitgegeven,
vertaald en ingeleid door Charles Wentinck.
38Oeuvres complètes de
Guillaume Apollinaire, edition établi sous la direction de Michel
Décaudin, Paris 1966, tome iv, p. 897. De brief, uit
1918, is gericht aan Roland Chavenon.
39Voor een
introductie op dit probleem, zie Katherine Everett Gilbert and Helmut Kuhn,
A history of esthetics, New York 1972 (1939). Een
korte inleiding met bibliografie geeft D.C. Muecke, Irony and
the ironic, London 1982 (1970).
40De
vergelijking met de gotiek is natuurlijk romantisch. Fuchs, op. cit. in noot
8, p. 14.
41Fuchs, ibidem, p. 8 e.v.
42Sixten Ringbom, The sounding cosmos. A study in the spiritualism of Kandinsky and the
genesis of abstract painting, Aabo 1970; Robert Welsh, Piet Mondrian's early career. The ‘naturalist’ periods, New York
1965 (dissertatie); Geurt Imanse, John Steen, ‘Achtergronden van het
symbolisme’, in Blotkamp e.a., op. cit. in noot 25, pp. 26-35.
43Friedrich/Hinz, op. cit. in noot 27, waarin de
kritiek met alle reacties is afgedrukt. Zie ook The triumph of
art for the public, the emerging role of exhibitions and critics,
selected and edited by Elisabeth Gilmore Holt, Garden City, New York 1979,
pp. 148-68.
44Lucebert dichtte: ‘Ik tracht op poëtische wijze/Dat wil
zeggen/Eenvouds verlichte waters/De ruimte van het volledig leven/Tot
uitdrukking te brengen’, Apocrief/De analphabetische naam
(1952). In dit manifestachtige gedicht komen ook de regels voor: ‘...
schoonheid heeft haar gezicht verbrand / zij troost niet meer de mensen’,
waarin de afstand tot de romantiek duidelijk wordt. Het verlangen naar de
oorspronkelijke eenvoud heeft de verzamelnaam ‘primitivisme’ gekregen. Zie
‘Primitivism’ in 20th century art, ed. by William
Rubin, 2 vols., New York (The Museum of Modern Art) 1984.
45Joseph Beuys, ‘I like America and America likes Me’,
performance in Galery René Block, New York, 23-25 mei 1974. Zie: Götz
Adriani, Winfried Konnertz, Karin Thomas, Joseph Beuys, Leben
und Werk, Köln 1981.
46Een vermeerderde
vertaling van Steiners Kunst und Kunsterkenntnis,
verscheen in het Nederlands: Rudolf Steiner over kunst.
Voordrachten en essays, Zeist z.j.
|
|