|
|
|
| | | | | |
Ilja M. Veldman
Coornhert en de prentkunst
| |
Niet iedereen die met ‘prenten van
Coornhert’ wordt geconfronteerd zal zich
realiseren dat deze graveur dezelfde is als de bekende literator/filosoof
Dirck Volkertsz. Coornhert. Toch heeft in het leven
van de schrijver het etsen en graveren een zeer belangrijke rol gespeeld. In
een periode waarin de prentkunst aan het begin van een enorme bloei stond heeft
hij meer dan driehonderd ontwerptekeningen van Noord- en Zuidnederlandse
kunstenaars in het koper gesneden, waardoor deze prenten onder brede lagen van
de bevolking verspreiding vonden. Graveren zal voor Coornhert in de eerste
plaats een broodwinning betekend hebben, maar ook ideële motieven moeten
hebben meegespeeld. Zijn inbreng bij het bedenken en vormgeven van
verschillende van de uitgebeelde thema's is namelijk onmiskenbaar. Met name in
periodes waarin het publiceren van zijn literaire werk problematisch was moet
het zijn bedoeling zijn geweest om ook op visuele wijze gestalte te geven aan
zijn moraal-filosofische en religieuze ideeën. Het is daarom niet
verwonderlijk dat hij als graveur vooral actief was in zijn vroege Haarlemse
periode, toen hij gedwongen was om voor hem en zijn vrouw de kost te verdienen,
èn tijdens zijn ballingschap, toen het onmogelijk was om geschriften in
druk te laten verschijnen. Opmerkelijk is dat heel verschillende kunstenaars
naar zijn concept voorstellingen hebben ontworpen. Het kan niet anders of
Coornherts persoonlijkheid moet bijzonder inspirerend zijn geweest.
| |
Coornhert als etser en graveur naar
Maarten van Heemskerck (1547-1559)
Coornhert zal om financiële redenen met graveren begonnen
zijn. Eind 1539 was hij met
Cornelia Symons uit Haarlem getrouwd, een
meisje uit een onbemiddeld gezin dat twaalf jaar ouder was en wier zuster Anna
de bijzit was van
graaf Reinoud III van Brederode. Coornherts ouders
waren sterk tegen dit huwelijk gekant en toen hij na de dood van zijn vader
Neeltje toch tot vrouw nam werd hij overeenkomstig eerdere dreigementen door
zijn moeder onterfd.
1
Waarschijnlijk op voorspraak van zijn schoonzuster Anna kreeg
Coornhert een betrekking als huismeester op Slot Batenstein in
Vianen, de residentie van Reinoud III. Niet lang daarna verhuisde
hij naar Haarlem, de geboorteplaats van zijn echtgenote, want in 1541 kocht hij
van Anna en zwager Jan een huis in de Sint-Janssteeg.
2 En
hoewel Coornhert aanvankelijk nog diensten voor Reinoud III moet hebben
verricht, zal hij daar toch naar andere arbeid hebben omgezien.
| | | |
In Haarlem woonde de schilder
Maarten van Heemskerck die sinds zijn terugkeer uit
Rome (1536/37) belangrijke en eervolle opdrachten voor altaarstukken en andere
schilderijen had gekregen.
3 Incidenteel was naar zijn ontwerp wel eens een prent
verschenen, maar het is onbekend of deze gravures naar tekeningen zijn gemaakt
die door Heemskerck specifiek bedoeld waren om in prent te worden omgezet. Het
moment waarop Heemskerck met de vierentwintig jaar jongere
Coornhert in contact kwam zou echter van
doorslaggevende betekenis voor Heemskercks artistieke produktie worden. Want
vanaf het begin van hun samenwerking tot Heemskercks laatste levensjaren - hij
stierf in 1574 - heeft de schilder een groot gedeelte van zijn energie in het
ontwerpen van prenten gestoken. Zijn prentoeuvre bestaat immers uit bijna
zevenhonderd prenten, terwijl het aantal bewaarde schilderijen nauwelijks boven
de honderd komt. Waarschijnlijk had Heemskerck in Coornhert de ideale persoon
gevonden die zowel om idealistische als commerciële redenen het nieuwe
middel van de prentkunst daadwerkelijk wilde propageren: commercieel vanwege de
afzet bij een breed publiek, idealistisch vanwege de inhoud en de strekking van
dit prentoeuvre dat onmiskenbaar in het teken staat van morele levenslessen
voor de medeburgers.
Dat Coornhert ook inhoudelijk ten aanzien van Heemskercks prenten
een belangrijke inspirator is geweest wordt bevestigd door een passage in Carel
van Manders
Schilder-boeck (1604).
Van Mander, die in Haarlem aan zijn overzicht van de
schilderkunst werkte en daar over Coornhert en Heemskerck informatie uit de
eerste hand kreeg van
Jacob Rauwaerd, een vriend en voormalige leerling van
Heemskerck, zegt (in modern Nederlands omgezet) het volgende: ‘Er zou
geen eind aan komen als men alle prenten zou willen gaan opsommen die
Heemskerck ontworpen heeft, alle kunstige allegorieën [“sin-rijcke
beduytselen”] die de wijsgerige Coornhert voor hem bedacht en die de
schilder in beeld bracht.’ Vervolgens gaat Van Mander over op de
plaatsnijders die deze inventies in prent brachten en, hoewel behalve Coornhert
nog een reeks andere graveurs prenten naar Heemskerck hebben gesneden, is
Coornhert de enige die Van Mander met name noemt: Coornhert ‘wiens geest,
verstand en handen bekwaam en vaardig waren te begrijpen en uit te voeren alles
wat het de mens mogelijk kan zijn te begrijpen en te doen.’
4
De eerste aanwijzing voor deze samenwerking - en tevens de eerste
indicatie van Coornherts nieuwe beroep - stamt uit 1547. Over dat jaar treft
men in de thesauriersrekeningen van Haarlem een uitgiftepost aan waarin
Coornhert zestien ponden ontvangt voor het in hout snijden van een
loterij-affiche dat in opdracht van de burgemeesters door Heemskerck ontworpen
was.
5 Stedelijke loterijen
waren in die tijd een groot festijn. De prijzen, vaak zilveren voorwerpen,
werden op een affiche afgebeeld tezamen met de voorwaarden voor deelname.
Vanwege de tijdrovende organisatie van zo'n loterij bestond de regel dat in het
land geen twee loterijen tegelijk gehouden mochten worden.
6 Zo kon het gebeuren dat
midden onder de voorbereidingen de Haarlemse loterij, waarvoor het stadsbestuur
al in 1545 een octrooi had aangevraagd en waarvoor Heemskerck en Coornhert het
affiche al gemaakt hadden, in 1547 door een verbod getroffen werd omdat
gebleken was dat ook Antwerpen een loterij aan het organiseren
was.
| | | |
Het is dus niet verwonderlijk dat van het Haarlemse affiche geen
exemplaren bewaard zijn. Toch was de Haarlemse drukker
Symon Claesz. Bijbel al met drukken begonnen en in
1546 speciaal naar Antwerpen gereisd om papier te kopen. Nadat de
loterij was afgelast verkocht Bijbel een deel van het overgebleven papier aan
Coornhert.
7 Het kan niet toevallig zijn dat vanaf 1548 een lange reeks prenten
verschijnt die door
Heemskerck ontworpen en door Coornhert geëtst
waren, prenten die waarschijnlijk gedrukt werden op het papier dat
oorspronkelijk voor het loterijplakkaat was bestemd. Coornhert lijkt de prenten
aanvankelijk in eigen beheer te hebben uitgegeven, want hoewel zij vaak
voorzien zijn van de naam van de inventor (de ontwerper) en van de
graveur - vanaf 1550 ging Coornhert steeds vaker zijn prenten signeren -
ontbreekt in de eerste jaren de naam van de uitgever. Voor het vermelden van
een uitgeversnaam op de prent was een officiële registratie nodig, die de
graveur kennelijk niet bezat. Na enkele jaren kwam echter verandering in het
produktieproces: vanaf 1553 treft men op de meeste prenten van Coornhert naar
Heemskerck de naam aan van de Antwerpse prentuitgever
Hiëronymus Cock, die als eerste in de Nederlanden
een grote en professioneel opgezette prentdrukkerij en uitgeverij had opgezet
en die dus de verkoop en verspreiding van Coornhert en Heemskerck overnam.
8
Hoewel uit de rekeningen aangaande het loterijplakkaat op te maken
is dat Coornhert de techniek van het houtsnijden beheerste, zijn er geen door
hem gesigneerde houtsneden bekend. Uit de veertiger, begin vijftiger jaren
stammen echter een aantal houtsneden naar Heemskercks ontwerp waarvan het zeer
aannemelijk is dat Coornhert de houtsnijder was. Het betreft
De overspelige vrouw en de series
De verloren zoon en
De geschiedenis van Tobias
9.
De eerste prenten die door Coornhert gesigneerd werden zijn echter etsen. In
deze techniek wordt de tekening met een etsnaald op een met etsgrond bedekte
koperen plaat overgebracht. Vervolgens wordt de plaat in een zuurbad gelegd
zodat de lijnen, die door de etsgrond heen op de koperplaat zichtbaar zijn
geworden, chemisch worden uitgebeten. Het resultaat is een prent die het
getekende voorbeeld dicht benadert.
Vanaf het begin van de jaren vijftig ging Coornhert zich steeds
meer op de gravure richten, die in de zestiende eeuw de meest gebruikelijke
grafische techniek zou worden. Met een scherpe burijn worden de lijnen direct
in de koperen plaat uitgesneden. Die lijnen staan meestal dicht op elkaar
terwijl donkere partijen door arceringen en kruisarceringen verkregen worden.
Waar Coornhert deze grafische technieken heeft geleerd is onbekend. In
Haarlem bestond in die tijd geen echte prenttraditie, maar een
handig persoon zal zich de kunst gemakkelijk eigen hebben kunnen maken, vooral
daar de schilders/ontwerpers gedetailleerde tekeningen leverden die de graveur
via het systeem van ‘doorgriffelen’ heel nauwkeurig op de
koperplaat kon overbrengen.
Heemskercks tekening ten behoeve van Coorherts ets
Waarschuwing tegen arrogantie en onverdiende
eer (1549) (afb. 20) stamt uit 1548. Op het eerste gezicht is dit
een merkwaardige voorstelling: mensen die een beeld van Isis aanbidden dat door
een ezel rondgedragen wordt. De ezel denkt echter dat het volk voor hèm
neerknielt, tot hij door de ezeldrijver uit de droom geholpen wordt. Het
onderwerp | | | |

20 Coornhert naar Maarten van Heemskerck,
‘Waarschuwing tegen arrogantie en onverdiende eer’
(1549).
| | | |

21 Coornhert naar Maarten van Heemskerck, ‘Het
gevaar van de menselijke ambitie’ (1549).
| | | | en ook het Latijnse vers op de prent zijn
ontleend aan
Alciati's
Emblemata (Lyon 1547), maar het thema gaat
terug op antieke dierfabels. De bedoeling van de voorstelling is een
waarschuwing aan het adres van mensen die in de onjuiste veronderstelling
verkeren dat hun, op grond van de positie die zij bekleden, eer bewezen wordt
en zich daarop laten voorstaan.
10
Een andere levensles is vervat in
Het gevaar van de menselijke ambitie (1549)
(afb. 21), een monumentale ets op twee platen. Allerlei soorten
hoogwaardigheidsbekleders, mensen die ook op de maatschappelijke ladder hoog
opgeklommen zijn, beklimmen een rots en trachten vervolgens over een smalle
plank de afgrond over te steken. Slechts een gedeelte van hen bereikt veilig de
overkant; de andere storten halverwege de diepte in, ontdaan van hun tekenen
van waardigheid. Naast de afgrond, op veilige bodem, genieten mensen die minder
ambitieus waren van een onbezorgd leven.
11 Andere prenten van
Coornhert en
Heemskerck, zoals
De nutteloosheid van de hoop op geld (1550),
waarschuwen tegen het najagen van materiële zaken.
12 Ditmaal betreft het een serie, waarin de geschiedenis als in een
stripverhaal te volgen is. De mens poogt tijdens zijn leven rijkdom te
verzamelen maar blijkt daar tijdens zijn stervensuur niets aan te hebben. De
strekking van de serie en de andere prenten uit deze groep - de waarschuwing
tegen ambitie, het hechten aan aards bezit en andere lichamelijke bevredigingen
- is geheel in de lijn van Coornherts levensfilosofie, die ook Heemskerck
bijzonder moet hebben aangesproken. Verschillende van de in de prenten
verwerkte elementen vindt men terug in Coornherts later gepubliceerde
Zedekunst dat is wellevenskunste (1587) of
gedichten uit het
Lied-boeck. ‘Of ist gheen dwaasheyd het
zekere ende alderbeste ghoed te verlaten ende het onzekere, snode gheld te
verkiezen?’ zegt Coornhert bijvoorbeeld in de Wellevenskunste en
citeert dan een oud rijmpje: ‘Zy zyn zot ende gheheel onvroed/ Die hier
verkiezen 'tverghanckelyck voort eeuwighe ghoed./ Want alst ghaat op een
scheyden,/ En hebben zy gheen van beyden.’
13 Vergelijkbaar zijn verzen uit lied
nr. XVI van Coornherts Lied-boeck: ‘U hert oock niet en stelt/ Op
hoogheyd eer of gheld,/ Want het u maar quelt int begheven./ Verkiesen doet
verliesen een gerustigh leven.’
14
Ook Coornherts
Van Hooft ende Hert-sorghe (1562) en zijn
Comedie van Lief en Leedt (1567) staan vol met
dergelijke waarschuwingen. Uit al die geschriften van Coornhert spreekt de
overtuiging dat de mens niet op aarde is gekomen om eigen voordeel te zoeken
maar om anderen zo veel mogelijk ten dienste te staan, een opvatting die ook
door een groot deel van Heemskercks prenten wordt uitgedragen.
De onderschriften van
De nutteloosheid van de hoop op geld zijn niet
in het Latijn, zoals bij de
Waarschuwing tegen arrogantie en onverdiende
eer en
Het gevaar van de menselijke ambitie van het
jaar daarvoor het geval was. De verklarende onderschriften van de vier prenten
uit 1550 bestaan voor het eerst uit tweeregelige Nederlandse versjes, die
zonder twijfel door Coornhert zelf speciaal voor de prenten geschreven zijn.
Dit geldt ook voor een aantal andere gedichtjes op prenten uit het begin van de
vijftiger jaren. Prentopschriften in het Nederlands waren in die tijd overigens
niet erg gebruikelijk, wèl voor houtsneden die voor een groter en wat
minder geschoold publiek waren bestemd. Coornhert was echter een groot
voor- | | | | stander

22 Coornhert naar Maarten van Heemskerck,
‘Heraclitus en Democritus: een aansporing tot het beteugelen van de
hartstochten’ (1557).
| | | |

23 Coornhert naar Maarten van Heemskerck, ‘De
zondeval’ (1548).
| | | |

24 Coornhert naar Maarten van Heemskerck, ‘De
geboorte van Izaak’ (1549).
| | | | van het gebruik van de volkstaal. Toch is op
zijn prenten uit de tweede helft van de vijftiger jaren het Nederlands
vervangen door het modieuzere Latijn, wellicht op verzoek van
Hiëronymus Cock die toen als uitgever ging
optreden. De bijschriften op de prenten die
Coornhert tijdens zijn ballingschap in
Duitsland graveerde hebben echter, naast een versie in het Latijn,
consequent weer Nederlandse teksten. De verzen op Coornherts prenten moeten dus
als een (tot nog toe onbekende) aanvulling op Coornherts literaire oeuvre
beschouwd worden.
In andere prenten, zoals de
Allegorie op de ware harmonie
15 (1554) en
Heraclitus en Democritus: een aansporing tot het beteugelen
van de hartstochten uit 1557 (afb. 22), benadrukken
Heemskerck en Coornhert de noodzaak van de ratio,
het verstandelijk denken als tegenstelling tot het meegeslept worden door
emoties. Vanaf de vijftiende eeuw ziet men de huilende en de lachende filosoof
uitgebeeld, maar Heemskerck en Coornhert geven het onderwerp een heel eigen
interpretatie.
16 In navolging van het
Navis stultifera (1497) van
Sebastian Brant beelden zij de wereld met een zotskap
uit. Maar op de prent wordt niet alleen de wereld als dwaas gekarakteriseerd,
ook het gedrag van beide filosofen. De tekst op de prent houdt Democritus voor
dat hij zijn tijd beter aan de wetenschap kan besteden, terwijl Heraclitus, die
onophoudelijk tranen stort, zelfs gewaarschuwd wordt dat hij zo een
wereldcatastrofe kan veroorzaken. De moraal staat te lezen in de cirkelvormige
cartouche middenonder: ‘toleres abstineasque’, lijd en mijd. Dit
gevleugelde woord van de stoïcijnen komt als spreuk steeds in Coornherts
eigen werk terug.
17
Ook toen Coornhert met graveren voor Heemskerck was gestopt - de
laatst gesigneerde prenten dateren uit 1559 - is de invloed van zijn
ideeën nog te bespeuren. Heemskerck werkte in 1560 aan de
ontwerptekeningen voor de serie
De ellende van rijkdom. De prentenreeks werd in
1563 gegraveerd door
Philips Galle, een Haarlemse graveur die het vak naar
alle waarschijnlijkheid van Coornhert had geleerd en die vanaf het eind van de
vijftiger jaren Coornhert als Heemskercks graveur begon te vervangen. De
prenten benadrukken opnieuw de nutteloosheid van geld en hoge posities en qua
inhoud vertoont de moraal onmiskenbaar verwantschap met Coornherts eerder
geschreven
Troerspel vande kettersche werelt.
18
Heemskerck en Coornhert waren niet alleen actief in het uitbeelden
van actuele zedenlessen. Vanaf het begin van hun samenwerking hebben zij zich
tevens met volle inzet gewijd aan het in beeld brengen van de
Evangelieën en het Oude Testament, met name
boek Genesis. Heemskercks ontwerptekening voor
Job op de mestvaalt dateert uit
1548 en Coornherts ets naar die tekening moet dus uit de allervroegste periode
stammen.
19 In datzelfde jaar maakte Heemskerck ook de ontwerptekeningen voor
een serie van
Het leven van Christus die uit
dertig prenten bestaat. De reeks begint met de
Zondeval (afb. 23) en de
Uitdrijving uit het Paradijs en
gaat dan over in de
Aankondiging van de geboorte van
Christus en het verdere leven van Christus.
20 Zo werd in navolging van
Albrecht Dürers Passie-serie de zondeval gecombineerd met de verlossing.
Hiernaast werkten Heemskerck en Coornhert van 1548 tot en met 1550 aan het
chronologisch in prent brengen van Genesis: de geschiedenis van
Abraham, Izaak, Jacob en
Jozef.
21
Nooit tevoren waren de verhalen van de aartsvaders zo uitgebreid - in series
van zes of acht | | | | prenten - in beeld gebracht.
Heemskerck koos scènes die, met uitzondering van
misschien middeleeuwse historiebijbels, nauwelijks tot het repertoire van de
beeldende kunsten hadden behoord, bijvoorbeeld
De geboorte van Izaak (afb. 24)
uit
De geschiedenis van Abraham ,
Genesis wordt afgesloten met
De twaalf patriarchen (1550),
de zonen van Jacob.
22
De laatstgenoemde serie is van zowel Latijnse als Nederlandse
verzen voorzien. Terecht moeten de makers gemeend hebben dat op grond van de
tamelijk ingewikkelde iconografie deze reeks te gecompliceerd was om alleen
visueel verstaan te worden, net zoals de eerder besproken allegorische
levenslessen enige toelichting behoefden. De overige bijbelse verhalen uit deze
periode zijn niet van verklarende onderschriften voorzien. De voorstellingen
zijn zeer narratief van karakter en geven de verschillende verhaalmomenten
gedetailleerd in beeld, waarbij Heemskerck nauwkeurig de bijbeltekst heeft
gevolgd.
Coornhert was thuis opgegroeid met een Nederlandse
bijbel, iets wat in die dagen toch een uitzondering was.
23 Het
ziet er naar uit dat beide kunstenaars bij het zo uitgebreid in beeld brengen
van de bijbelse geschiedenissen vooral een didactisch oogmerk hebben gehad.
Door middel van hun prenten konden mensen die geen bijbel bezaten toch kennis
nemen van de inhoud van de heilsgeschiedenis. Maar ook voor gelovigen die
wèl de beschikking over een bijbel hadden zullen de prenten zijn
bestemd. Traditiegetrouw had het beeld immers niet alleen een didactische en
memorisatie-functie, maar was het tevens een middel bij uitstek om de
beschouwers ook emotioneel bij de uitgebeelde scènes te betrekken.
In dezelfde tijd wijdden Heemskerck en Coornhert zich aan de
uitbeelding van gelijkenissen uit het Nieuwe Testament.
De gelijkenis van de ondankbare
dienaar (Matteus 18:23-35) stamt uit 1549 en
ook de uit vier prenten bestaande
Gelijkenis van de barmhartige
Samaritaan (Lucas 10:30-35) (zie afb. 25
voor de tweede prent).
24 In 1551 ontstond de serie
De gelijkenis van de rijke man en de arme
Lazarus (Lucas 16:22-31).
25 Het kan haast geen toeval zijn dat Coornherts
Comedie vande Rijckeman uit 1550 stamt. In dit
spel proberen de personificaties van Broederlijke Liefde en Geweten de rijke
man nog tot bezinning te brengen, maar vergeefs: de rijke zal in de hel
belanden, zoals ook door Heemskerck en Coornhert is uitgebeeld. Hun laatste
gezamelijke prentenreeks is
De gelijkenis van de koning die een feestmaal
aanrichtte uit 1558/9, ontleend aan Matteus
22:2-14 en Lucas 14:16-24 (afb.26).
26 De keuze van
de gelijkenissen lijkt heel bewust te zijn: opnieuw blijken naastenliefde en
het wijzen op de nutteloosheid van aards bezit een rode draad te zijn.
Ook op de bijbel gebaseerd - op Spreuken 31:10-31 -
is de serie
Lof op de deugdzame huisvrouw
(1555). De prenten zijn uitgegeven door
Cornelis Bos die als uitgever en graveur toen in
Groningen werkte. De serie is voorzien van bijbelcitaten ontleend
aan een Duitse Zwingli-vertaling en dus waarschijnlijk bestemd voor
verspreiding onder reformatorisch noord-oost Nederland.
27 De deugden van de oudtestamentische huisvrouw -
spinnen en naaien (zie afb. 17), maaltijden bereiden (zie afb. 18), handel
drijven en de armen aalmoezen geven - blijken in de zestiende eeuw nog
bijzonder actueel te zijn. Deze eigenschappen worden ook benadrukt in de
Institutio foeminae christianae (1523) van
Juan Luis Vives, die zelf herhaaldelijk | | | |

25 Coornhert naar Maarten van Heemskerck, ‘De
barmhartige Samaritaan’ (1549).
| | | |

26 Coornhert naar Maarten van Heemskerck, ‘De
gast die zonder bruiloftskleed naar het feestmaal van de Koning komt
(1558/9).
| | | |

27 Coornhert naar Maarten van Heemskerck, ‘De
inname van Tunis door Karel v’ (1555).
| | | |

28 Coornhert naar Maarten van Heemskerck, ‘Het
leger van Karel v in Amerika’ (1555).
| | | | naar Spreuken 31 verwijst.
Coornhert moet het boek van
Vives goed gekend hebben
28 en bovendien treft men in zijn
Lied-boeck onder de titel ‘Het lof eender
deugzamer vrouwe’ (nr. XVII) een parafrase op Spreuken 31 aan.
Het zijn ook de prenten met religieuze allegorieën waaruit
duidelijk wordt dat Coornherts godsdienstige overtuiging invloed op
Heemskerck heeft gehad.
29 Uit deze
geloofsallegorieën blijkt duidelijk dat Heemskerck, evenals Coornhert,
ervan overtuigd was dat de mens tijdens zijn leven in staat is om zijn eigen
zondigheid en die van de zondige samenleving te verbeteren en dat hij zo actief
mee kan werken aan het verkrijgen van de hemelse zaligheid. Vanuit een vast
geloof en uitgerust met kennis van goed en kwaad, met zelfkennis, lijdzaamheid
en tolerantie, en altoos op zoek naar de waarheid - dit alles gebaseerd op het
bijbels woord - moet de mens trachten zich te houden aan Gods geboden waarvan
het gebod tot naastenliefde, het dubbelgebod uit Deuteronomium
6:5, het belangrijkste is.
Er zijn echter ook prenten die Coornhert in het koper sneed zonder
dat hij enig aandeel in de keuze van het onderwerp had. Een voorbeeld is
De overwinningen van Karel V (1555/6), een
serie van twaalf prenten die door uitgever
Hiëronymus Cock bij Heemskerck waren besteld ter
gelegenheid van de troonsafstand van
Karel V en de opvolging van
Filips II.
30 De prenten laten duidelijk zien hoe groot
Coornherts vakmanschap was. Ze zijn tot ver in de zeventiende eeuw vele malen
herdrukt en het is ook de enige prentenserie die
Van Mander met name vermeldt.
31 De
uitgebeelde scènes hebben betrekking op militaire successen van Karel V.
Uitgebeeld zijn bijvoorbeeld de gevangenneming van de Franse koning Frans I
(1525), de plundering van Rome (1527), het ontzet van het door de Turken
belegerde Wenen (1529), de inname van Tunis (1535) (afb. 27) en de strijd tegen
de opstandige Duitse vorsten (1546/7). Tevens is aandacht besteed aan Karels
troepen in Amerika (afb. 28): naakte Indianen doden soldaten, hakken ze in
stukken, rijgen de ledematen aan het spit en braden die boven het vuur. Hoewel
deze scène op het eerste gezicht meer van een nederlaag heeft, wordt
door het Latijnse onderschrift verklaard in welk opzicht de landing in Amerika
als een overwinning beschouwd kan worden: ‘Terwijl ze zich voorheen
voedden met mensenvlees, zijn de Indianen nu beschaafd geworden, bedwongen door
de onoverwinnelijke wapenen van de keizer.’
| |
Coornhert als graveur naar
Frans Florits,
Lambert Lombart en
Willem Thibaut
Coornherts graveertalenten bleven niet tot Heemskercks werk of tot
Haarlem beperkt. In 1554, toen hij definitief van de etstechniek
op de gravure was overgestapt, maakte hij een
Hercules en Cacus naar ontwerp van Frans Floris,
een Antwerpse schilder die net als Heemskerck in Italië was geweest en in
een stijl werkte die op Rafael en Michelangelo was gebaseerd.
32 Enkele jaren later graveerde Coornhert twee andere,
bijzonder monumentale prenten naar Floris:
Het oordeel van Salomo (1556)
(afb. 29) en
De koningin van Sheba voor Salomo
(1557). De prenten werden uitgegeven door
Hiëronymus Cock die ook als uitgever was opgetreden
van Coornherts prenten naar Heemskerck. Een
Kruisafname van Coornhert naar
de | | | | Luikse schilder
Lambert Lombard is 1556 gedateerd en eveneens door
Cock gepubliceerd.
33
De prenten naar
Floris en Lombard hebben onderwerpen die in de beeldende
kunst zeer gebruikelijk zijn. Er is dan ook geen enkele reden om aan te nemen
dat Coornherts rol meer inhield dan het graveren van deze prenten. Uit Van
Manders
Schilder-boeck weten we echter dat
Coornhert Frans Floris wèl op een ander gebied van
advies diende en wel met betrekking tot diens alcoholprobleem. Frans Floris,
vertelt
Van Mander, was zo ten prooi gevallen aan de bekende
‘Nederlandtsche sieckte van dranck-liefdicheyt’ dat men hem
algemeen voor een even grote dronkaard als schilder hield. Coornhert zond hem
op een goede dag een brief waarin hij hem, op rijm, een droom meedeelde die hij
over Floris had gehad. In de droom was
Albrecht Dürer als een oude, statige man aan
Coornhert verschenen en had hem verteld dat hij Floris' werk bijzonder
prijzenswaardig vond, maar dat hij zijn levenswijze sterk afkeurde. Volgens Van
Mander besloot Coornhert het relaas van deze droom met de woorden ‘en als
het niet waar is dat ik deze droom heb gehad, dan moet je het toch voor waar
houden dat deze dingen eens krachtig tegen je zijn gezegd.’
34
Naar de naam van de Haarlemse glasschilder
Willem Thibaut zal men vergeefs bij Van Mander zoeken.
Thibaut was niet alleen glasschilder, maar maakte ook ontwerpen voor prenten en
behoorde tot de vriendenkring van
Heemskerck. De gravures die Coornhert naar zijn ontwerp
graveerde dateren uit 1556/7 en zijn weer uitgegeven door
Hiëronymus Cock. De zes naar Thibaut gegraveerde
prenten hebben alle een nar tot onderwerp die in verschillende handelingen is
verwikkeld en zo de dwaasheid van de mens symboliseert. De dwaze mens laat zich
door verschillende slechte zaken meeslepen: door geldzucht, gierigheid,
drankzucht, lichamelijke begeerte en agressie. De thematiek is voor de
beeldende kunst vrij uniek en inhoudelijk sluiten de voorstellingen zo nauw aan
bij Coornherts eigen gedachtenwereld, dat men niet anders kan concluderen dat
Coornhert ook de inspirator van deze uitbeeldingen is geweest.
35
De grootste en mooiste prent uit deze groep is
De dwaasheid van hebzucht en
gierigheid (afb. 30).
36
Uitgebeeld is een vers uit Ecclesiasticus, het apocriefe
bijbelboek Jezus Sirach 10:10, dat in een Latijnse versie ook
als onderschrift dient: ‘Daar is voorwaar niets onrechtvaardiger dan een
geldgierige, want deze biedt ook zijn eigen ziel te koop.’ De dwaasheid
van de vrek wordt benadrukt door de zotskap die een duivelse demon met
pijlenkoker (vergelijk Efeziërs 6:16) hem op het hoofd
drukt. Door geld aan te nemen van een gevleugelde wolf, het symbool van
roofzucht en gierigheid, maakt de vrek het voor de duivel achter hem mogelijk
zich meester te maken van zijn ziel. Dit wordt letterlijk uitgebeeld: de duivel
berooft de vrek van zijn hart. Boven de voorstelling zit de personificatie van
Bedrog, die met geldbuidels en valse kennis als lokaas de onwetenden aan haar
hengels vangt.
Coornherts Haarlemse graveerperiode loopt rond 1559 ten einde. 1559
Is namelijk het laatste jaartal dat voorlopig op Coornherts prenten verschijnt.
Na een plaatsnijdersperiode van ongeveer dertien jaar vroegen andere zaken zijn
aandacht die hem op dat moment waarschijnlijk meer ter harte gingen. Samen met
Jan van Zu- | | | | ren,

29 Coornhert naar Frans Floris, ‘Het oordeel van
Salomo’ (1556).
| | | |

30 Coornhert naar Willem Thibaut, ‘De dwaasheid
van hebzucht en gierigheid’.
| | | | de latere burgemeester van
Haarlem, en twee andere inwoners vroeg
Coornhert in 1560 toestemming voor het oprichten van een
boekdrukkerij en in 1561 kwamen de eerste uitgaven van de persen. Coornhert was
de bewerker of vertaler van tenminste vijf van de tien gedrukte werken.
Bovendien werd hij in 1561 notaris, het jaar erop een van de drie
stadssecretarissen van Haarlem en in 1564 secretaris van de burgemeesters.
37 Voor
graveren was geen tijd en - althans voorlopig - geen financiële noodzaak
meer.
| |
De Duitse ballingschap: Coornhert als graveur naar
Adriaan de Weert,
Hendrick Goltzius en anderen
Toen Coornhert het graveren weer opnam was dat, net als in het
begin van zijn carrière, waarschijnlijk uit zuivere noodzaak: er moest
brood op de plank komen. Inmiddels was hij in een zeer moeilijke periode van
zijn leven beland: zijn ballingschap in Duitsland, waar hij in 1567 om
politieke redenen naar had moeten uitwijken. Op zijn zwerftocht deed hij
Keulen, Goch, Wezel, Emden
en Xanten aan. In 1572 keerde hij tijdelijk naar
Haarlem terug maar was snel weer gedwongen om te vluchten. Hij
vestigde zich in Xanten totdat de Pacificatie van
Gent het hem in 1576 mogelijk maakte om naar Haarlem
terug te keren.
38
Een belangrijk project tijdens die ballingschap - en ook een van
de weinige prenten uit die periode die te dateren zijn - was het graveren van
het titelblad en de illustraties van
Das Buch Extasis van de Zuidnederlandse dichter
Jan van der Noot. Van der Noot was als protestant in 1567
uit Antwerpen gevlucht en naar Londen vertrokken.
Rond 1570 verhuisde ook hij naar het Rijnland, waar hij Coornhert
moet hebben ontmoet. Tussen 1573 en 1576 verscheen Das Buch Extasis in
een Duitse versie te Keulen. Behalve de titelplaat en een portret
van Van der Noot bevat het zeventien gravures. Twee ervan zijn 1571 gedateerd
en voorzien van zowel Coornherts monogram als dat van de tekenaar, de onbekende
CKVS.
39 Na Van der Noots
terugkeer naar de Nederlanden werd in 1579 te Antwerpen een Nederlandse en
Franse versie met dezelfde gravures uitgegeven onder de titel
Een cort begryp der XII. boecken
Olympiados.
40 De illustraties blijken gemaakt bij
de inleiding op het boekje, de
Apodixe geheten, waarin in dialoogvorm de inhoud van het
verhaal wordt naverteld en de allegorische betekenis verklaard. Ongetwijfeld
stamt ook de Apodixe van de hand van Coornhert, want in de samenspraak wordt
gezegd dat de inleiding geschreven is door degene die ook de titelplaat heeft
gegraveerd.
41 Coornherts prenten zijn overigens nog eens extra voorzien van
verklarende Latijnse verzen. Dit lijkt erop te wijzen dat Coornhert
oorspronkelijk een aparte editie van de prenten heeft willen uitbrengen.
Het verhaal gaat over de lotgevallen van een dichter, maar moet
gelezen worden als een allegorische pelgrimage van de ziel. Mercurius als
patroon van de poëzie onthult de dichter het bestaan van Olympia, de
personificatie van hemelse schoonheid en deugd die in de wolken troont.
Verliefd geworden tracht de dichter (oftewel de ziel) Olympia terug te vinden.
Tijdens een avontuurlijke reis ontmoet hij allerlei allegorische figuren,
deugden zowel als ondeugden. Zo komt hij de ‘deugde- | | | | lijke
matrone Theude’ (de door God gegevene) tegen, die in het gezelschap
verkeert van ‘devote maagden’ als Pistis en Elpis, Geloof en Hoop
(afb. 31). Tenslotte slaagt hij erin Olympia terug te vinden (afb. 32) en kan
het huwelijk gesloten worden.
Is de identiteit van de tekenaar van deze illustraties nog
onduidelijk, een andere kunstenaar wiens ontwerpen
Coornhert tijdens zijn ballingschap graveerde is ons wel
met name bekend:
Adriaan de Weert. Afkomstig uit Brussel
vestigde De Weert zich, na een reis naar Italië, in het jaar van de
Beeldenstorm (1566) in Keulen waar hij tot zijn dood, omstreeks
1590, zou blijven. Ook De Weert was waarschijnlijk om godsdienstige redenen
naar het Rijnland gevlucht. Van zijn eigenhandig werk zijn slechts
enkele tekeningen bewaard gebleven: landschappen en bijbelse voorstellingen die
in de figuurstijl de invloed van
Parmigianino verraden.
42 Het is vooral dankzij Coornherts
burijn dat het oeuvre van De Weert ons nog enigszins bewaard is gebleven.
Behalve Coornhert heeft ook de eveneens uit Brussel afkomstige
Isaac Duchemin tekeningen van De Weert in prent
gebracht.
43
Opnieuw moet men constateren dat Coornhert onmiskenbaar een stempel
heeft gedrukt op de inhoud van de prenten die hij naar ontwerp van De Weert
heeft gegraveerd. Ook deze kunstenaar moet dus, net als
Heemskerck en
Thibaut, onder indruk gekomen zijn van Coornherts
ideeën en persoonlijkheid. Dat de relatie tussen Coornhert en De Weert
niet een zakelijke was blijkt ook uit Coornherts
Lied der Liedekens, dat onder de titel ‘Van
ware vrundschap’ een onvoltooid lofdicht op hun vriendschap bevat.
44
Bovendien spreekt ook
Van Mander over allegorische voorstellingen die Coornhert
voor De Weert bedacht.
45 Beide emigranten moeten zich met dezelfde problematiek
hebben beziggehouden. Aan die thematiek, die vooral aan de Waarheid is gewijd,
gaf De Weert op een soms visionaire wijze gestalte, waarop Coornhert de
tekeningen in prent omzette en Latijnse en Nederlandse onderschriften
toevoegde. Commerciële belangen kunnen bij deze prentproduktie nauwelijks
een rol hebben gespeeld, want zelfs in het tolerante Rijnland waren Coornherts
ideeën niet bijzonder populair. Het grootste gedeelte van Coornherts
prenten naar De Weert is ook pas veel later - na Coornherts dood - uitgegeven
en dan nog in kleine oplagen. Een gedeelte van de prenten werd uitgegeven door
Maarten Spiegel, de zoon van Coornherts boezemvriend
Hendrick Spiegel.
46 Sommige ervan verschenen in een tweede editie bij de Haagse
uitgever en graveur
Hendrick Hondius, die in 1597 in het gilde werd opgenomen
en dus vanaf die datum zijn signatuur op prenten mocht aanbrengen.
Opvallend zijn de parallellen tussen de door Coornhert gegraveerde
prenten en zijn in ballingschap geschreven literaire werk, zowel toneelstukken
als theologische traktaten. Allegorische figuren die in de prenten een hoofdrol
spelen zijn Waarheid, Verkeerde Opinie, Deugd en Schijndeugd (zie bijvoorbeeld
afb. 16). De meeste voorstellingen gaan vergezeld van letterlijke citaten uit
de bijbel of van Nederlandse versjes die opnieuw van Coornherts eigen hand
stammen. Sommige gegraveerde dichtregels komen bijna letterlijk in Coornherts
gepubliceerde gedichten terug, zoals het vers op de vierde prent van een
prentenserie naar De Weert die
De kracht van de Waarheid uitbeeldt (afb. 33).
Het vers luidt: ‘Coopt waerheit | | | |

31 Coornhert naar de monogrammist CKVS,
‘De dichter ontmoet Theude’ (1571).
| | | |

32 Coornhert naar de monogrammist CKVS,
‘De dichter hervindt Olympia’ (1571).
| | | |

33 Boven: Coornhert naar Adriaan de Weert, ‘Wie de
waarheid boven 's werelds bedrog verkiest vindt Christus’.
| | | |

34 Rechts: Coornhert naar Adriaan de Weert, ‘De
schepping van zon en maan’.
| | | |

35 Coornhert naar Adriaan de Weert, ‘Het sterfbed
van de rijke’.
| | | |

36 Coornhert naar Hendrick Goltzius, ‘De wereld
door verkeerde overtuiging te gronde gericht’.
| | | | waer voor? Om niet, dats om de logen,/ T'vleesch
wijsheit werp wech, zij heeft u bedrogen.’ Het vers doet sterk denken aan
twee regels uit het beginvers van Coornherts
Lied der liedekens: ‘Men koopt waarheyd om
niet, dats om den loghen:/ Die mist elck gaarn, als hy hem vindt
bedroghen.’
47 Op de prent is afgebeeld hoe de wijs geworden mens,
‘Contemptor mundi’ geheten (‘hij die het wereldse heeft leren
verachten’), het masker dat hem een verkeerde visie had verschaft
afwerpt, de wereld de rug toe keert en zo tot de Waarheid komt die innig met
Christus verbonden is. Naast het Nederlandse vers staan de eerste twee woorden
uit de Latijnse versie van Spreuken 23:23 gegraveerd dat ook de
basis vormt voor het Nederlandse onderschrift: ‘Koop waarheid en verkoop
ze niet, wijsheid en vermaning en verstand.’
Zekerheid omtrent Coornherts auteurschap ten aanzien van de verzen
op zijn prenten hebben we tenminste in één geval: Coornherts
serie van de
Scheppingsdagen, eveneens naar
ontwerp van
Adriaan de Weert (zie afb. 34 voor de vierde prent van de
serie,
De schepping van zon en maan). Elke prent is van
twee Latijnse en twee Nederlandse versregels voorzien. De Latijnse verzen staan
opgenomen in het
Liber Epigrammatum van
Cornelis Schonaeus, de rector van de Latijnse school in
Haarlem met als toevoeging ‘ex vernaculo
Theodori Coerenhartii,’ uit de volkstaal van de hand
van
Coornhert.
48
Maar ook de thematiek die zo kenmerkend was voor zijn Haarlemse
periode en de prenten naar
Maarten van Heemskerck blijft Coornhert trouw. Hoe
nutteloos aards bezit en aardse gevoelens zijn wordt gedemonstreerd in
Het sterfbed van de rijke (afb. 35).
49 De stervende wordt in zijn laatste
uur geconfronteerd met twee figuren: Satan en iemand die in het Latijnse
onderschrift als ‘de vrome mens’ wordt aangeduid. Satan houdt de
stervende de wereld voor en wijst hem op zijn geld, zijn bezittingen, zijn
vrouw, kinderen en vrienden. De tweede heeft een bijbel in de hand en richt de
aandacht op Christus die in de hemel troont. Het Nederlandse vers onder de
prent luidt: ‘Sathan wijst ons met dootliker siecten gequelt/ Op wijf,
kindt, vrunden, werelt en opt snode gelt./ De Christ wijst op Christum. Wildi
tleven eruen/Leerdt gesondt, eer ghi sterft, u zinlicheit steruen.’ Met
andere woorden: wanneer de mens het eeuwige leven wil verkrijgen moet hij
tijdens zijn leven al leren om zijn begeerte naar materiële en andere
aardse zaken te overwinnen.
Ten slotte speelde zich in het Rijnland nog iets af dat
voor de Nederlandse prentkunst van bijzonder groot belang zou blijken te zijn.
Rond 1574 kwam
Hendrick Goltzius vanuit Duisburg bij
Coornhert in Xanten in de leer. Goltzius ontwikkelde zich tot een
van de grootste graveurs die Nederland gekend heeft, maar het ziet er naar uit
dat hij van Coornhert niet alleen leerde hoe hij prenten in het koper moest
snijden. Onder invloed van Coornherts denkbeelden ontwierp ook hij
voorstellingen die weer door Coornhert werden gegraveerd, prenten die opnieuw
als het produkt van twee geesten beschouwd moeten worden: de een die de
ideeën levert en het resultaat uitvoert, de ander die aan die ideeën
vorm geeft.
50 Toen Coornhert in 1576 verlof kreeg om naar de
Nederlanden terug te keren, volgde Goltzius zijn leermeester naar
Haarlem waar hij tot zijn dood in 1618 zou blijven.
Waarschijnlijk is in Haarlem de serie ontstaan die
De verkeerde overtuiging richt
| | | |
de wereld te
gronde genoemd kan worden.
51 De vier prenten dragen niet de
signatuur van
Goltzius maar vertonen onmiskenbaar zijn stijl. Op
allegorische wijze behandelt de serie de tegenstelling tussen Waarheid en
Verkeerde Overtuiging. Dwaze Wereld wordt door Bedrog ertoe verleid om aan die
Verkeerde Overtuiging geloof te hechten en Waarheid onschadelijk te maken.
Wanneer Waarheid de mond gesnoerd is kan Verkeerde Overtuiging de wereld naar
de verdoemenis kruien, terwijl Gerechtigheid machteloos moet toekijken (afb.
36). Opnieuw zijn er talloze overeenkomsten te signaleren met passages over
Leugen en Waarheid in Coornherts
Wellevenskunste (1587) en het toneelwerk uit die
periode.
De chronologie van de prenten die
Coornhert tijdens zijn ballingschap en de periode daarna
graveerde is overigens moeilijk vast te stellen. Voor geen van de prenten is
een ontwerptekening bewaard gebleven en de prenten zelf zijn evenmin gedateerd.
De enige uitzondering is de serie
De scheppingsdagen (afb. 34) die
de datum 1597 draagt. Dit is echter de datum waarop
Maarten Spiegel de prenten heeft uitgegeven en niet de
datum van ontstaan. Dat Coornhert na zijn terugkeer in de Nederlanden, behalve
de genoemde serie naar Goltzius, nog meer gegraveerd zal hebben is op te maken
uit een passage in een van Coornherts brieven. Deze brief is waarschijnlijk aan
Jacques Walraven gericht en 1583/4 te dateren. Coornhert
bedankt de geadresseerde voor diens ‘royale gift’ die hem in staat
heeft gesteld om koperen platen te kopen ten behoeve van het graveren.
52
Tot op hoge leeftijd moet Coornhert dus de prentkunst - naast zijn
literaire werk - als een geëigend middel beschouwd hebben om zijn
medemensen te stichten en te onderwijzen. Als een diep gelovig Christen heeft
Coornhert op deze wijze strijd geleverd tegen onverstand en dwaasheid (in zijn
visie een basis voor het zondigen) en poogde hij zijn medemensen te behoeden
voor de verdoemenis door hen - ook visueel - aanwijzingen voor een juiste
levenswandel te geven door hen in de vorm van prenten een spiegel voor te
houden. Het is niet ondenkbaar dat deze spiegel bij sommigen meer effect heeft
gesorteerd dan het geschreven woord.
|
1B. Becker,
Bronnen tot de kennis van het leven en de werken van
D.V. Coornhert (Den Haag 1928) 78 en H. Bonger,
Leven en werk van D.V. Coornhert (Amsterdam
1968) 23.
2Becker, Bronnen, 3-4, nr. 2.
3Zie voor Heemskerck I.M. Veldman,
Maarten van Heemskerck and Dutch humanism in the
sixteenth century (Amsterdam/Maarssen 1977), met name voor de
relatie tussen Heemskerck en Coornhert, 55-93. Zie voor de schilderijen R.
Grosshans,
Maerten van Heemskerck. Die Gemälde
(Berlijn 1980).
4Carel van Mander,
Het schilder-boeck (Haarlem 1604), fol.
246v.
5Gemeente Archief Haarlem,
Thesauriersrekeningen 1547, fol. 94. Gepubliceerd door A. van der Willigen,
Geschiedkundige aantekeningen over Haarlemsche
schilders en andere beoefenaren van de beeldende kunsten (Haarlem
1866), 40-41, met onjuiste vermelding van het jaartal als 1546, zie H.J.
Laceulle-van de Kerk,
De Haarlemse drukkers en boekverkopers van 1540
tot 1600 ('s-Gravenhage 1951) 8.
6Zie G.A. Fokker,
Geschiedenis der loterijen in de
Nederlanden (Amsterdam 1862) 16-42.
7Laceulle-van de Kerk,
Haarlemse drukkers, 18-19 en 307
(Transportregister 1540-46, fol. 131a en Thesauriersrekeningen 1546-47, fol.
94b).
8Zie T. Riggs,
Hieronymus Cock (1510-1570) : printmaker and publisher
in Antwerp at the sign of the Four Winds (Ann Arbor
1975).
9F.W.H. Hollstein,
Dutch and Flemish etchings, engravings, woodcuts ca.
1450-1700 (Amsterdam z.j.) 8, 234-236 (met afbeeldingen).
10Zie voor een uitgebreide analyse van het
thema: Veldman,
Maarten van Heemskerck, 44-48 en I.M.
Veldman,
Leerrijke reeksen van Maarten van Heemskerck,
tentoonstellingscatalogus Frans Halsmuseum Haarlem (Den Haag 1986)
20-22.
11Veldman, Leerrijke reeksen,
18-20.
12I.M. Veldman,
‘Een serie allegorische prenten van Coornhert met een
ontwerptekening van Maarten van Heemskerck’, Bulletin van het
Rijksmuseum 19 (1971) 70-76 en Veldman, Leerrijke reeksen
22-25.
13D.V. Coornhert,
Zedekunst dat is wellevenskunste, ed. B.
Becker (Leiden 1942) 204 (III.6.19).
14Het vers is in zijn geheel afgedrukt bij
Bonger, Coornhert, 346.
15Veldman, Heemskerck, 74-76 en afb.
51.
17Vergelijk Coornherts vers ‘Myt ende lyd,
dit leert een Heyden’ [n.l. Epictetus], in
Recht ghebruyck en misbruyck van tydtlijcke
have, opgenomen in
Wercken van Dieryck Volckertsz. Coornhert, (3
dln., Amsterdam 1630) 3, fol. 502. De spreuk komt ook voor in een van de
Liedekens, Werken I, fol. 497v. Vergelijk ook
de
Wellevenskunste, 372 (V.7.59).
18Veldman, Leerrijke reeksen,
26-35.
19Hollstein,
Dutch and Flemish etchings 8, 238, nr.
84.
20Ibidem, 232. De ontwerptekeningen zijn
gereproduceerd bij J. Garff,
Tegninger af Maerten van Heemskerck (Statens
Museum, Kopenhagen 1971), afb. 1-23 en 25.
21Hollstein, Dutch and Flemish etchings 8, 237,
nrs. 16-19 en 24-31, p. 238, nrs. 33-45 en 46-51 (zeer onvolledig).
22I.M. Veldman en H.J. de Jonge,
‘The sons of Jacob: the twelve patriarchs in
sixteenth-century Netherlandish prints and popular liteature’,
Simiolus 15 (1985) 176-196.
24I.M. Veldman,
‘De boekillustratie als inspiratiebron voor de
Nederlandse prentkunst van de zestiende eeuw’, Eer is het Lof des
Deuchts. Opstellen over renaissance en classicisme voor dr. Fokke
Veenstra (Amsterdam 1986) 261-277, afb. 3 en Hollstein, Dutch en
Flemish etchings 8, 239, nrs 105-108.
25Hollstein, Dutch and Flemish etchings
8, 239, nrs. 95-98.
26Ibidem, 239, nrs. 99-104.
27I.M. Veldman,
‘Lessons for Ladies: a selection of sixteenth and
seventeenth-century Dutch prints’, Simiolus 16 (1986) 113-127,
afb. 2-7.
28P. van der Meulen,
De comedies van Coornhert (Assen 1945)
78-80.
29Veldman, Heemskerck, 55-93 en I.M.
Veldman,
‘Maarten van Heemskercks visie op het geloof’,
Bulletin van het Rijksmuseum 35 (1987) 193-210.
30Hollstein, Dutch and Flemish etchings
4, 231, nrs. 216-227.
31Van Mander,
Schilder-boeck. fol. 246v.
32Zie voor Frans Floris C. van de Velde,
Frans Floris (1519/20-1570). Leven en werken (2
dln.; Brussel 1975).
33Zie voor de prenten naar Floris en Lombard:
Hollstein, Dutch and Flemish etchings 4, 228-229, nrs. 76-77 en
116.
34Van Mander, Schilder-boeck, fol.
240.
35I.M. Veldman,
‘Leerzame dwaasheid. De invloed van het Sotten
schip (1548) op zottenvoorstellingen van Maarten van Heemskerck en Willem
Thibaut’, Nederlands Kunsthistorisch Jaarboek 37 (1986)
195-224.
36Cat.
Kunst voor de beeldenstorm. Noordnederlandse kunst
1525-1580 (Rijksmuseum Amsterdam, Den Haag 1986) cat. nr. 251 (zie
voor drie andere prenten van Coornhert naar Thibaut cat. nr. 252. 1-3).
37Bonger, Coornhert, 28-47.
39De identiteit van de ontwerper van de prenten is
nog een probleem. Fontaine Verwey suggereerde om het monogram te lezen als
J.G.V.K., Johan Golssen van Kaiserswerth, de vader van Hendrick Goltzius (H. de
la Fontaine Verwey,
Uit de wereld van het boek. I. Humanisten, dwepers en
rebellen in de zestiende eeuw (Amsterdam 1975) 107). Een andere
mogelijkheid is de graveur en uitgever Christoffel van Sichem I, die zich van
het monogram cvs bediende en wiens vader Karel heette.
40Zie voor het boek en de illustraties C.A.
Zaalberg,
‘Das Buch Extasis’ van Jan van der
Noot (Assen 1954) en C.A. Zaalberg,
The Olympia Epics of Jan van der Noot. A facsimile edition
of ‘Das Buch Extasis’, ‘Een cort begryp der XII. boecken
Olympiados’ and ‘Abrégé des douze livres
Olympiades (Assen 1956).
41J. Wille,
‘De godsdienstige denkbeelden van Jan van der
Noot’, Studies aangeboden aan Prof. Dr. Gerard Brom (Nijmegen
1952) 223-244 (225, noot 8) en K. Bostoen,
Dichterschap en koopmanschap (Deventer 1987)
65-66.
42Zie voor de tekeningen K.G. Boon,
Netherlandish Drawings of the Fifteenth and Sixteenth
centuries (2 dln.; Den Haag 1978), 178-9, nrs. 483, 484 en 485
(drie bladen in het Rijksprentenkabinet te Amsterdam) en Heinrich Geissler,
Zeichnung in Deutschland. Deutsche Zeichner
1540-1640 2 (Staatsgalerie Stuttgart, Stuttgart 1979/80) 80, nrs.
L2 en L3 (twee bladen uit Wenen).
43Zie voor de prenten van Duchemin Hollstein
Dutch and Flemish etchings 6, p. 8. De prenten van Coornhert naar De
Weert zijn het onderwerp van een tentoonstelling die 1990 in Museum Het
Catharina Gasthuis te Gouda gehouden wordt.
44Bonger, Coornhert, 350. Het vers is
opgenomen als nr. XXXII in Coornherts Werken I, fol. 504.
45Van Mander,
Schilder-boeck, fol. 230: ‘Oock eenighe
sinnekens van Coornhert, de vier geestlijcke Jachten gheheeten/ d'een jaghende
nae giericheyt/ d'ander nae oncuysheyt/ en soo voort/ doch den lesten naer
Godt.’
46Dat deze Maarten Spiegel, die niet in de
literatuur voorkomt, inderdaad een van de kinderen van Spiegel is geweest die
is blijven leven, werd bevestigd door dr. Henk Bonger die mij vriendelijk
inzage verschafte in de aantekeningen die Bruno Becker destijds verzameld
heeft.
47Coornhert, Werken I, fol. 498, vs. 13-14.
Zie voor de prentenserie de tentoonstellingscatalogus Gouda 1990, nrs. 8. 1-8,
afb. 33-40.
48B. Becker,
‘Latijnsche vertalingen van Coornhert's
geschriften’, De Gulden Passer 14 (1936) 1-27 (24) en W.
van Hooff-Gualthérie van Weezel,
‘Een onbekend gedicht van Coornhert’, Het
Boek 24 (1937) 257-59. Het Latijnse vers van Schonaeus is afgedrukt
in zijn
Coediarum altera pars. His accesserunt Libellus I Elegiarum
et alter Epigrammatum, Haarlem 1592 (p. 492, zonder de toevoeging
van Coornherts naam) en de editie Amsterdam 1599 (p. 298, met het in de tekst
gegeven citaat). Zie voor de prentenserie de tentoonstellingscatalogus Gouda
1990, nrs. I. 1-8, afb. 1-8.
49Zie voor andere prenten van de serie de
tentoonstellingscatalogus Gouda 1990.
50Zie Van Mander,
Schilder-boeck, fol. 282r en v en E.K.J.
Reznicek,
Die Zeichnungen von Hendrick Goltzius (2
dln.; Utrecht 1961) 3.
51Zie voor de serie de tentoonstellingscatalogus
Gouda 1990, nrs. 5. 1-4, afb. 15-18.
52H. Bonger en A.-J. Gelderblom,
Weet of rust. Proza van Coornhert (Amsterdam
1985), 103 en 142. Zie voor de originele versie van de brief Coornhert,
Werken 3, 126-127.
|
|