zitten, zij het dan ook van alle gemakken voorzien en met veel ‘aanspraak’.
Overigens begin ik er wel een beetje genoeg van te krijgen, maar ondragelijk is het in geen
geval, en wij worden ruim van etenswaren voorzien. Ja, het is wel merkwaardig, dat ik midden in
de dominees zit; overigens vereenigen geen theologische banden ons, maar zuiver
vriendschappelijke, en gedeeltelijk ook lucullische. De een is Ds. Wybenga uit Dronrijp, de ander Henkels uit Heerenveen, maar
alleen de eerste is een Fries. En dan speel ik vierhandig Mahler met Ds. Kelder uit Zeeland.
Verder schaak ik veel, heb mijn ‘philosofische’ essays88 voltooid, gedeeltelijk in aansluiting aan gesprekken met
Prof. Pos (ik heb nu ruim 300 pag., en ben er nu maar eens mee
uitgeschejen), ben met een roman begonnen, en heb gisteren gevochten, hetgeen zich overigens
bepaalde tot een schop, die, minder hard, beantwoord werd; voor een behoorlijk vuistgevecht was
er helaas geen plaats, want de ruzie viel voor bij de waschbak, waar veel lieden zich
verdrongen. Zoo zie je, aan afwisseling is geen gebrek, en men wordt roekeloos in deze
omstandigheden. Wat je over
Het Uur U
schreef leek me wel juist. Het is merkwaardig hoe veel hier gedicht wordt, o.a. door
Geyl; ook Donkersloot kwam met een heele
sonnettencyclus uit Scheveningen hier. Lezen kan ik hier weinig, men
wordt sterk afgeleid; ook voor het schrijven moet ik mij trouwens inspannen om een geschikte
entourage te vinden. Ik schrijf je later nog wel eens; er staan nog verschillende brieven op
mijn programma.
Hart. gr. van je
Simon.