terug  begin  verderprepost
[p. XI]

Inleiding.

De Visscher's behoorden tot de gezeten burgers van Amsterdam, denzelfden kring, waaruit de Amsterdamsche patriciërs zijn voortgekomen, maar zij hebben het niet tot ambten en waardigheden gebracht. De vader van Roemer was lakenkooper in de Oudebrugsteeg, één zijner ooms van vaderszijde houtkooper, eene tante van hem was getrouwd met een rijken bakker, eene andere met een apotheker. De lakenkooper Pieter Jacobsz. Visscher was getrouwd met Anna Roemers, dochter van een zeepzieder. Uit dit huwelijk werd Roemer Visscher geboren, waarschijnlijk in 1547; hij werd genoemd naar zijn grootvader Roemer Pietersz.

In 1558 verloor Roemer Visscher zijne ouders te gelijk; zij werden samen den 7den Juli in de Oude Kerk begraven. Het schijnt, dat zijn veel oudere broeder Jacob Pietersz, die ongehuwd in het ouderlijke huis was blijven wonen, eerst de zorg voor den elfjarigen knaap op zich heeft genomen, maar Jacob Pietersz volgde spoedig zijne ouders en werd den 2den November 1559 in de Oude Kerk begraven. Er bleef nu nog eene zuster over, Geerte Pieters, die getrouwd was met Jacob van Campen Hugenzoon; deze werd voogd over den jongen en schijnt de zaak van zijn schoonvader te hebben voortgezet; hij huurde althans het huis in de Oudebrugsteeg met winkel en kelder.1)

Roemer Visscher blijkt eene goede opvoeding te hebben ontvangen; hij kende ten minste Latijn, want hij heeft uit Martialis, Catullus en latere Latijnsche schrijvers vertaald, en Fransch. Misschien ook Italiaansch, want hij spreekt van Petrarcha2) en heeft de

[p. XII]

Decamerone van Boccaccio gelezen.1) Het is mogelijk, dat hij zich al die kundigheden op lateren leeftijd heeft eigen gemaakt, maar dat is niet waarschijnlijk. Want toen had hij eene drukke zaak, waarvoor hij veel moest reizen, schreef verzen en was een ijverig rederijker. En een mensch kan niet alles, ten minste niet alles te gelijk.

Reeds op jeugdigen leeftijd schreef hij verzen2), o.a. een paar, waarin gezinspeeld wordt op den beeldenstorm in de Oude Kerk3), en die dus in 1566 moeten zijn gedicht. Uit dienzelfden tijd dateeren zeker nog andere verzen, waarin op de eene of andere wijze gezinspeeld wordt op de vrijheid van godsdienstoefening voor de katholieken4). Waarschijnlijk gingen aan die gedichten nog amoureuse liedekens vooraf, want die heeft Roemer in groot aantal geschreven. Hij was zeer verliefd van aard en ontwikkelt in één zijner Iammertjens5) uitvoerig het thema: ‘Ik houd van alle vrouwen.’ Het gedicht eindigt aldus:

 
‘Ick bemin, die jongh, en oock die out zijn van Jaren,
 
D' een my met schoonheyt, d' ander met manieren sert6),
 
Eindelijck alle Dochters die oyt gepresen waren,
 
Sy zijn vet of magher, bleek, blanck of swert,
 
Bemin ick altsamen uyt de gront van mijn hert.’

Uit al die verzen en uit de grootere gedichten T'lof van de Mutse7) en Het Lof van een blaeuwe scheen8) blijkt, dat hij op 't gebied van de liefde heel wat ervaring had opgedaen, voordat hij in Maart 1583 in het huwelijk trad met Aefgen Jansdr. van Delft9). Zijne vrouw was protestant en waarschijnlijk was Roemer toen ook reeds tot het protestantisme overgegaan; de kinderen werden althans alle in dat geloof opgevoed10).

[p. XIII]

Roemer was ongeveer 36 jaar oud, toen hij huwde, en hij zal, nu de woelige jeugd achter den rug was en de vrouwen niet meer zoo volkomen zijn hoofd en hart vervulden als vroeger, wel het meerendeel van die rake versjes hebben gedicht, waarin hij de eigenaardigheden en hebbelijkheden van vele zijner medemenschen hekelde en zijne eigene levensbeschouwing ten beste gaf. Uit die versjes leeren wij hem kennen als een eenvoudig en oprecht man, die de dingen bij hun naam noemt en niets zoo zeer verafschuwt dan valschen schijn. Hij merkt snel op, wat belachelijk is en weet er partij van te trekken. Hij vindt den tijd, om de kennis, in zijne jeugd opgedaan, belangrijk te vermeerderen en is voor iemand van zijn beroep, zeer belezen. Zijne verzen maakten opgang door de goedronde, wel eens ruwe scherts, door het gezond verstand, waarvan zij blijk gaven, en door de zuiverheid van de taal, waarin zij waren geschreven. En toch waren zij niet uitgegeven, maar gingen in handschrift van hand tot hand, zooals toen ter tijd en ook nog veel later meermalengeschiedde. Eerst toen in 1612 een gedeelte zijner verzen buiten zijn weten te Leiden het licht had gezien1), besloot Roemer zelf eene verbeterde en vermeerderde uitgave te bezorgen; zij verscheen in 16142). Dit wijst wel op grooten eenvoud van den dichter.

Door zijne verzen kwam Roemer natuurlijk met andere dichters in aanraking; hij kende Jan van Hout, den secretaris van Leiden3), en Jan van der Does4), den moedigen verdediger van die stad, die zich naam heeft gemaakt als Latijnsch dichter en ook enkele Nederlandsche versjes heeft geschreven. Maar vooral was hij bevriend met Henrick Laurensz. Spieghel. Deze was een paar jaren jonger dan

[p. XIV]

Roemer, van deftige familie en eveneens koopman. Zij waren nog jong, toen zij elkander leerden kennen1), misschien wel in de rederijkerskamer ‘In Liefd' bloeyende’, en zijn altijd groote vrienden gebleven2). Spieghel was ernstiger, geleerder en meer wijsgeerig aangelegd dan Visscher; toch heeft hij eenige verzen geschreven, die gelijken op die van zijn vriend en deze heeft ze, na Spieghel's dood (1612), achter zijne Brabbeling laten drukken3). Het is dan ook niet te verwonderen, dat Visscher heeft meegewerkt aan Spieghel's bekend werkje Kort Begrip, leerende recht Duidts spreken, oock waarheit van valschheit te scheyden4), dat in 1584 uitkwam, en evenmin, dat één der onderdeelen van het boekje, de Twééspraak, hem en een anderen medewerker, Gedeon Fallet, in den mond wordt gelegd.

Roemer was, evenals Spieghel, één der meest invloedrijke leden van de Kamer ‘In Liefd' bloeyende’, waar hij waarschijnlijk ook Laurens Reael leerde kennen, van wien maar enkele verzen tot ons zijn gekomen. In het gedicht T' lof van Rethorica5) legde Roemer getuigenis af van zijne liefde voor die schoone kunst; het gelijkt zelfs meer op de ouderwetsche rederijkersgedichten dan zijne overige verzen.

Intusschen was er voor dichten en studeeren niet heel veel tijd over, want er moest hard gewerkt worden in den graanhandel, om den kost te verdienen; Roemer toch had geen geld van eenige beteekenis geërfd6). Maar de zaken gingen goed, vooral toen hij niet alleen als graankooper, doch ook als assuradeur optrad. Hij deed o.a. zaken als lid van de Hollandsche Compagnie - de Oost-Indische Compagnie was nog niet opgericht - waartoe ook de bekende Isaac le Maire behoorde7). Knap koopman als hij was, verdiende Roemer veel geld8) en werd een steunpilaar van de Amsterdamsche

[p. XV]

beurs. In de eerste jaren der 17de eeuw was hij één der acht gezworen broodwegers en bekleedde dus een kleinen post van vertrouwen1).

Roemer woonde met zijn gezin eerst op de Oudezijds Kolk2), later aan de Geldersche Kade, waar hij een huis kocht en in 1594 nieuw liet bouwen, of verbouwen3). De Geldersche Kade, die toen Engelsche Kade heette, was geene zeer gezochte buurt, want er waren vele pakhuizen; ook naast Roemers huis was een pakhuis, dat hem toebehoorde en meer dan 16 meter breed was4). Het woonhuis was niet groot en heette de ‘Korendrager’; de meisjes Visscher plantten wingerd tegen den voorgevel, die hoog opgroeide5). In 1603 was de stadsuitbreiding, waarmede men in 1593 begonnen was, voltooid; de stadsmuren van den Schreierstoren tot den Montalbaanstoren, en langs Kloveniersburgwal en Singel waren afgebroken en de huizen daar in de buurt waren in waarde toegenomen. De magistraat besloot van de eigenaars dier huizen eene zoogenaamde ‘melioratie’-belasting te heffen. Roemer wilde zich niet aan die belasting onderwerpen, evenmin als zijn vriend Spieghel, en beiden lieten zich in 1604 gijzelen, maar gaven spoedig toe en passeerden den 27sten Augustus eene acte, waarbij zij, hoewel zij zich hunne rechten voorbehielden, hunne huizen bezwaarden met de ‘melioratie’-brieven, ‘overmits datse een seer luchtigen vrijen uytsicht gekregen hadden’6). Roemer noemde naer aanleiding van dit geval zijn hond ‘Schabaet’7), blijkbaar omdat hij (Roemer) wel eenig geldelijk nadeel had van de verandering, maar zijn huis toch aantrekkelijker was geworden.

Naar het huis aan de Geldersche kade bracht hij dus in 1594 zijn gezin over, nl. zijne vrouw, zijne dochtertjes Anna (geb. in 1583)8), Geertruy (geb. in 1588) en Marritgen, die nog maar enkele maan-

[p. XVI]

den oud was; twee kinderen waren in 1590 en 1592 op jeugdigen leeftijd gestorven.1) De kleine Marritgen was den 25sten Maart 1594 geboren2) en werd den 3den April in de Nieuwe Kerk gedoopt3), waarbij Aeltje Jans, de zuster van hare moeder, als peet optrad4). Nu had Roemer drie maanden vóór de geboorte van Marritgen een duchtigen tegenslag in zaken gehad. Den 24sten December 1593 had een geweldige storm erg huisgehouden onder 140 koopvaardijschepen. die zeilree lagen in het Marsgat bij Texel en Vlieland, om voor het meerendeel naar Italië te varen. In de laatste jaren werd nl, een groote handel met Italië gedreven, waarheen men vooral graan invoerde, en Roemer was in dien handel zeer geinteresseerd. Door dien storm sloegen de meeste dier schepen van hunne ankers en gingen er meer dan twintig te gronde, terwijl er vele matrozen verdronken. Het was een slag voor vele groote Amsterdamsche kooplui5) en o.a. voor Roemer, die zeker, en als graanhandelaar en als assuradeur, groote verliezen leed. Als herinnering aan dat verlies gaf hij zijn kleine dochtertje den naam van Tesselschade6). Ongeveer in 1600 werd het gezin nog vermeerderd door de geboorte van een zoon7), die naar zijn grootvader Pieter werd genoemd.

De meisjes werden op geheel andere wijze opgevoed, dan de gewoonte was in den maatschappelijken kring, waartoe de Visschers behoorden. De opvoeding van vrouwen bepaalde zich in dien tijd en ook veel later, zelfs in heel wat deftiger kringen, meestal tot huishoudelijke bezigheden, een beetje Fransch en een beetje muziek. Maar Roemers dochters leerden Fransch en Italiaansch, welke taal

[p. XVII]

toen meer in de mode was in de Zeven Provinciën dan later. Zij leerden verder zingen en één of meer instrumenten bespelen, teekenen en schilderen, graveeren op glas, kunstig borduren, sierlijk schrijven. Zij oefenden zich in de poëzie en leerden de schoonheid waardeeren in het werk ook van vreemde dichters. Ja, zij leerden zelfs zwemmen ‘in haer vaders tuyn, alwaer een grachte met water was extra urbem1), wat als eene groote bijzonderheid wordt aangeteekend2). Tesselscha kon later niet alleen op het orgel spelen, maar ook paardrijden, doch dat heeft zij zich misschien eigengemaakt, toen zij getrouwd of weduwe was.

De opmerking is gemaakt, dat Visscher in onze letterkunde het spiegelbeeld der Renaissance voltooit, doordat hij de vroolijkheid en levensvreugde der ouden in zijne verzen trachtte weer te geven3). En ook door de vrijzinnige opvoeding, die hij aan zijne meisjes gaf, toonde hij, welk een invloed de herleving der classieke letteren op zijne wereldbeschouwing had. Naast de vele vrouwen, die in andere landen ten gevolge van de Renaissance de vrijheid hadden veroverd, om wetenschap en kunst te dienen, mag men hier te lande met trots wijzen op de dochters van Roemer.

Natuurlijk vormde zich in zijn huis een groote kring van kunstenaars en dichters rondom den geestigen gastheer en zijne mooie kunstvaardige dochters. Daar kwamen Spieghel, Hooft, Reael en de jongere Vondel en Bredero. Daar teekende de bekende Hendrik Goltzius in 1612 de portretten van Anna en Tesselschade. Er heerschte daar eenvoud, gezelligheid en vroolijkheid:

 
‘Verwaende courtosy comt hier niet inne,
 
Beleeft en goet ronts nae Hollantsche aert,’

zegt Roemer in zijn Tafelrecht4). En verder:

 
‘Ten minsten moet elck een Liedeken quelen:
 
. . . . . . . . . . . . . . . .
 
Voort leeft boertich en eerlijck, nae u selfs begeeren,
 
Geschiet er schimp, trots, smaet, onwil,
 
Soo moet de wiste hier swyghen stil:
[p. XVIII]
 
Elck doe voort zijn best, om 't geselschap te vermaken,
 
Morgen moet men daer niet ten quaden of kaken1):
 
Dese Wetten gaf Roemer in zijn eyghen huys,
 
Diese niet en behaghen, die blyve t' huys.’

Was er eene kleine verandering gekomen in het gezin van Roemer, doordat zijne tweede dochter Geertruy in Juni 1609 trouwde met Claes van Buyl2), die in 1635 onderschout van Amsterdam is geworden3), andere veranderingen bleven voorloopig uit. De mooie en bevallige Tesselschade is natuurlijk omringd geweest door een grooten kring van aanbidders, maar zij was niet zoo ontvlambaar als haar vader in zijn jongen tijd en liet zich niet overreden, zelfs niet door de opdracht der Lucelle en de minneliedjes van Bredero4), die haar ijverig het hof heeft gemaakt. Hij kon de ‘Goddinne die de naem van 't schip-rijck Eylant voert’, door zijn minneklachten niet verteederen.

Anna en Tesselschade bleven zich bezig houden met hare liefhebberijen; de eerste vertaalde de Cent emblemes chrestiens van Georgette de Montenay in Nederlandsche verzen5), richtte in 1615 en volgende jaren gedichten o.a. aan Daniel Heinsius, den beroemden Leidschen professor, Jacob van Zevencote, Grotius en Huygens6), en bezorgde in 1620 eene tweede uitgave der Zinne-poppen van haar vader, die in 1614 waren verschenen, maar waaraan zij nu tweeregelige versjes toevoegde. Zij maakte naam als dichteres en werd bezongen door Heinsius, Zevencote en Huygens7). Waarschijnlijk heeft ook Tesselschade in deze jaren verzen geschreven, maar wij kennen ze niet. De beide meisjes maakten in Februari 1619 kennis met Constantijn Huygens, toen deze een poosje in Amsterdam was, om de bruiloft van een neef te helpen vieren. Huygens leerde toen ook Hooft kennen. Tesselschade schijnt eerst niet veel indruk op hem te

[p. XIX]

hebben gemaakt; in zijn ‘Dagboek’ spreekt hij ten minste van ‘Anna Roemers, Hooft en de anderen.’ Zoowel voor Hooft als voor de meisjes Visscher is Huygens tot hun dood toe een trouw vriend geweest.

In diezelfde maand Februari stierf Aefgen Visscher en nog geen jaar later volgde Roemer zijne vrouw1); hij was 72 jaren oud geworden. De kinderen bleven in hetzelfde huis wonen, maar de graanhandel werd niet voortgezet - Pieter was waarschijnlijk nog te jong, om eene groote zaak te besturen2) - en het pakhuis werd in 1621 door Anna, die als oudste alles regelde, verhuurd3). De vrienden bleven het gastvrije huis van Roemer, ook na zijn dood, bezoeken en de vriendschap met Hooft werd nog inniger. In dezen tijd hooren wij voor het eerst van bezoeken der meisjes Visscher op het Muiderslot4), waar Hooft sedert 1609 als Drossaard van Muiden, baljuw van Gooiland en hoofdofficier van Weesp en Weesperkarspel het grootste gedeelte van het jaar doorbracht. De verhouding tot Huygens werd nog vriendschappelijker; Tesselschade mengt zich, evenals hare zuster, in een poëtischen wedstrijd tusschen Hooft en Huygens5). In Roemers huis kwamen Vondel, Hooft en Reael een tijd lang dagelijks bijeen, om samen eene prozavertaling te maken van de Troas van Seneca6), welke de groote dichter in verzen omwerkte tot de Amsterdamsche Hekuba; het treurspel zag in 1625 het licht. En het blijkt ook voldoende uit de slotregels van Vondels Lof der Zee-vaert (1623):

 
‘in 't saligh Roemers huys:
 
Wiens vloer betreden word, wiens dorpel is gesleten
 
Van Schilders, Kunstenaers, van Sangers, en Poëten,’

dat de meisjes Visscher, ook na den dood van haar vader, de kunst

[p. XX]

hebben verstaan, zijn huis het middelpunt te doen blijven van denzelfden kring, die er zich bij Roemers leven verzamelde.

Maar ook daaraan kwam na enkele jaren een einde. Tesselschade, die tot nu toe altijd ongevoelig was gebleven voor het smeeken van vele aanbidders, werd in 1623 getroffen door de pijlen van den ‘Mingod, streng van heerschappij’. Mogen wij geloof schenken aan één der bruiloftsgedichten van Vondel, dan zag zij in de kerk een jongen man, die zulk een indruk op haar maakte, dat zij bewusteloos werd1). Hij heette Allard Crombalgh en was officier op een oorlogsschip der Staten2). De jongelui werden verloofd, teekenden den 1sten November 1623 aan3) en den 26sten van die maand trouwden zij4). Vondel, Hooft en Huygens schreven bruiloftsdichten5) en namen deel aan het feest; Huygens kwam er in onstuimig weer voor over uit den Haag6) en werd zoo verliefd op Machteld van Campen, een nichtje van de bruid, dat hij al spoedig Tesselschades voorspraak bij haar verzocht7) Na het huwelijk trokken de jongelui naar Alkmaar en gingen wonen in de Korenstraat8).

Van Allard Crombalgh is bijna niets bekend. Zijne familie hoorde te Alkmaar thuis, maar de naam Crombalgh komt vóór Allard in geen enkel archiefstuk, doop-, trouw- of begrafenisboek voor. Waarschijnlijk is dus Allard Jansz Crombalgh de eerste van zijn geslacht, die een familienaam heeft aangenomen. Hij was zeeofficier, waarschijnlijk bij de Admiraliteit van het Noorderkwartier, maar de commissieboeken van dat college ontbreken over deze jaren. Na zijn huwelijk schijnt hij niet meer gevaren te hebben, want in de vele brieven, door Tesselschade en Hooft gewisseld, wordt er nooit op gezin-

[p. XXI]

speeld. Daardoor wordt het ook onwaarschijnlijk, dat hij het bevel heeft gevoerd over een klein oorlogsschip, dat de wacht hield op onze rivieren en dat hij dus een post bekleedde, zooals de tooneeldichter Meynert Pietersz. Voskuyl. Hij schijnt dus niets omhands te hebben gehad, behalve dat hij sedert 1626 het ambt van regent van de huisarmen bekleedde1). Uit het wederzijdsch testament, in 1625 door hem en zijne vrouw gemaakt2), blijkt eene zekere pietluttigheid. De vrienden van Tesselschade hadden hem blijkbaar ook niets in de rekening; Hooft noemt hem, als hij van hem spreekt, meestal Crommetje. Zij betreurden het blijkbaar, dat eene zoo talentvolle en bekoorlijke vrouw zulk een onbeduidend man had getrouwd. Hij was zeker iemand, die er van hield, zich met alle huishoudelijke dingen te bemoeien en zich overdreven veel met zijn kinderen bezig te houden. Maar hij was ongetwijfeld een mooie man.

Na het huwelijk van Tesselschade schijnt hare zuster Anna het wat eenzaam gevonden te hebben; misschien had Roemers huis nu veel van zijne aantrekkelijkheid voor de vrienden verloren en was broer Pieter geen bijzonder aangenaam gezelschap. Althans Anna trouwde den 11den Februari Mr. Dominicus Boot van Wesel, geboren in den Haag, maar wonende in de Wieringewaard, waar hij landerijen had. Van Wesel was 38 jaar oud, Anna Visscher 40; zij gingen wonen in de Nieuwe Zijpe. Het is wel eigenaardig, dat de beide zoo talentvolle zusters met volkomen onbeteekenende mannen zijn getrouwd.

Anna heeft haren echtgenoot twee zoons geschonken3). Pieter bleef het huis aan de Geldersche Kade alleen bewonen, want hij is niet getrouwd. Hij heeft de betrekking van ‘vader van de wijnroeiers’ bekleed4) en is ook secretaris geweest der kamer ‘In Liefd Bloeyende’, zooals blijkt uit eene opdracht aan hem door den schrijver van de Boertighe Klucht van de Feyl5) (1628), eene opdracht, waarmee hij weinig eer kon inleggen, want het is ongeveer de vieste

[p. XXII]

klucht van dien tijd, en dat wil heel wat zeggen. In 1639 sloeg Pieter woon- en pakhuis op de Geldersche Kade in publieke veiling aan, verkocht het pakhuis en verhuurde het woonhuis1). In het volgende jaar komt hij in eene acte voor als ‘wonende tot Amersfoort, althans zijnde hier ter Stede’2), maar hij schijnt later naar Amsterdam te zijn teruggekeerd3). Het is niet bekend, wanneer hij gestorven is.

Het was voor Tesselschade wel eene groote verandering, om den intellectueelen kring van de groote koopstad te verruilen voor de saaiheid van het kleine stadje, al heeft het dan ook eene schoone omgeving. Crombalchs ouders waren gestorven, evenals zijne zuster Teet, die getrouwd was geweest met Dirck Jansz. Quintingh, een tijd lang schepen van Alkmaar4). Verder woonden er drie neven Sammer en nog eenige familieleden van haar man5). Waarschijnlijk zal zij den omgang met den huisdokter Pieter Pauw boven dien van hare aangetrouwde familie hebben gesteld; hij was een zoon van Pieter Pauw (+ 1617), professor in de anatomie en botanie te Leiden, had daar gestudeerd en trouwde in 1626 met een Leidsch meisje, Josina van Leeuwen. En zeker heeft zij zich aangetrokken gevoeld tot Francisca Duarte, één der dochters van een rijken Portugeeschen Israëliet, die bankier en handelaar in juweelen was te Antwerpen en een groot kunstbeschermer. De familie was zeer muzikaal en Francisca vooral had eene prachtige stem. Zij woonde te Alkmaar, waar zij getrouwd was met een neef van haar, die ook Duarte heette.

In de eerste jaren van haar huwelijk zal Tesselschade zich wel voornamelijk aan huishoudelijke zorgen hebben gewijd. Den 19den Februari 1625 werd Teettge Crombalch gedoopt6), die genoemd werd naar de overleden zuster van haar man, of naar zijne moeder. Enkele maanden vóór Tesselschades bevalling maakten zij en haar man een wederkeerig testament7). In het laatst van 1628 werd Maria Tesselscha geboren8) en den 19den April 1631 werd een kind van Crombalch begraven9). In 1629 woonde het jonge huisgezin in

[p. XXIII]

de S.te Magdalenastraat1) en het volgende jaar in de Langestraat2), zooals oprechte Alkmaarders betaamt.

Niet alleen door de zorg voor de kleine kinderen zullen de bezoeken van Tesselschade op het Muiderslot in de eerste jaren van haar huwelijk weinig in aantal zijn geweest. In Juni 1624 had Hooft zijne vrouw, Christina van Erp, verloren en bleef hij als kinderloos weduwnaar alleen in het groote, sombere gebouw achter. Maar de vriendschap met Tesselschade bleef standhouden3), al zag men elkander weinig. En Hoofts tweede huwelijk met Leonora Hellemans, den 30sten November 1627 gesloten, leidde voor den drost een tijdperk van vreugde en voorspoed in. Leonora, in 1595 uit Zuid-Nederlandsche ouders te Hamburg geboren, was op 17-jarigen leeftijd gehuwd met Jan Battista Bartolotti, lid eener groote bankiersfirma te Amsterdam. Haar echtgenoot was na eenige jaren gestorven en had haar twee dochtertjes nagelaten. De jonge, knappe weduwe was eene vrouw van de wereld, volkomen in staat, om naast haar eenigszins deftigen en vormelijken echtgenoot de ‘honneurs’ van het slot waar te nemen en als waardige en vriendelijke gastvrouw op te treden in den smaakvollen kring, dien de Drost zoo gaarne om zich heen zag. Van de dochterjes uit haar eerste huwelijk was Susanna in 1627 dertien jaren en Constantia vier jaren oud; zij zullen de donkere vertrekken en gangen van het oude slot hebben doen weergalmen van haar gelach en gestoei. Na Hoofts tweede huwelijk beginnen dan ook eerst recht de beroemde bijeenkomsten van den Muiderkring. Eén of twee malen in den zomer, als de familie Hooft te Muiden was - een deel van den winter bracht zij meestal te Amsterdam door - werden familieleden, vrienden en vriendinnen uitgenoodigd de vele logeerkamers van het ruime, oude gebouw te bevolken. Dan werden er groote wandelingen gedaan, vruchten gegeten in den moestuin, verzen voorgedragen, muziek gemaakt en gezongen. En er werd feest gevierd, niet op de ruwe wijze, die toen zoozeer de mode was, maar op waarlijk beschaafde manier. Dichters, geleerden, kooplui en diplomaten vertelden van hun werk en van hunne liefhebberijen, geestige

[p. XXIV]

gezegden deden opgang, niet het minst bij de mooie vrouwen, die in smaakvolle kleeding het feest opluisterden en door zang, luitspel en geestigen kout het hare bijbrachten. Onder haar was Tesseltje wel degene, die door hare schoonheid en vroolijkheid, door haar prachtig zingen en snarenspel, en door hare verzen, hare kennis, haar smaak en kunstvaardigheid in allerlei dingen het meest de aandacht trok. Aan eene bijeenkomst van den Muidenkring ontbrak dan ook heel veel, als zij er geen deel aan nam, en het was zeker niet alleen de vriendschap van Hooft voor haar, die dezen bewoog, zich dikwijls eerst van hare komst te verzekeren, voordat hij zijne verdere uitnoodigingen verzond, maar ook het verlangen, om zijne vrienden te onthalen op het beste, wat hij hun kon geven, het gezelschap van Tesseltje.

Tot Hoofts familieleden, die dikwijls aan de bijeenkomsten op het Muiderslot deelnamen, behoorde in de eerste plaats ‘Mon Frere’ Joost Baeck, die getrouwd was met Magdalena van Erp. Hij was koopman en reeder te Amsterdam, en, evenals zijn vader Laurens Joosten, Vondels vriend. Ook zijn broeder, de advokaat Jacob, was een beschermer van kunsten en wetenschappen. Joost Baeck stelde groot belang in de historische werken van den Drost. Guilielmo Bartolotti, hoofd van een groot bankiershuis, was getrouwd met Jacoba van Erp en een broer van Jan Battista Bartolotti, den eersten man van Leonora Hellemans; hij was dus door beide huwelijken van Hooft met dezen verwant. Zijne zuster Maria Bartolotti was getrouwd met Wijnand Schuyl, ook koopman te Amsterdam. Een vierde zwager was Mr. Pieter Cloeck, advokaat, die met Johanna Hooft, eene zuster van den Drost, gehuwd was. Hooft was in de verte verwant met Joachim de Wicquefort, die eigenlijk Jacob van Wickevoort heette en een broer was van den bekenden diplomaat en geschiedschrijver Abraham de Wicquefort. Ook Joachim was diplomaat, agent van Bernard, Hertog van Saksen-Weimar, en sedert 1639 resident van Hessen-Cassel bij de Zeven Provinciën; hij was gehuwd met Anna de Wilhem, eene zuster van Mr. David le Leu de Wilhelm, zwager en ambtgenoot van Huygens. Met dezen en met Barlaeus was hij zeer bevriend en hij stelde veel belang in kunsten en wetenschappen.

[p. XXV]

Onder de oudere vrienden van den Drost namen Reael en Mostaert eene belangrijke plaats in. Laurens Reael was in dienst geweest der Oost-Indische Compagnie en in 1619 naar het vaderland teruggekeerd, nadat hij drie jaren lang het ambt van gouverneur-generaal had bekleed; daarna is hij meermalen gezant geweest.

Hij hield zich veel met letterkundigen arbeid bezig en heeft gedichten geschreven, die voor het meerendeel verloren zijn gegaan. Daniel Mostaert was secretaris van Amsterdam; hij schreef een treurspel en een boek, Zendbriefschrijver, droeg verzen voor en was een kundige en vroolijke man. Ook Dr. Samuel Coster bezocht dikwijls het Muiderslot; tot zijn 40ste jaar was hij een persoon van beteekenis geweest in de letterkundige wereld van Amsterdam, maar in 1622 had hij zich daaruit teruggetrokken en zich geheel gewijd aan de medische wetenschap, die hij toepaste in het Gasthuis.

Huygens was een zeldzame gast te Muiden, want zijne drukke bezigheden als secretaris van Prins Frederik Hendrik boden hem bijna nooit gelegenheid eens een paar dagen uit te breken, vooral niet in den zomer, wanneer de Prins te velde was. Zijne vrienden Van der Burgh en Brosterhuisen zag men ook te Muiden. Jacob van der Burgh was lange jaren secretaris van den Graaf van Brederode en van Graaf Ernst van Nassau, daarna werd hij agent der Staten-Generaal te Luik en secretaris van de Nederlandsche afgevaardigden bij de vredehandeling te Munster. Hij was rechtsgeleerde, maar tevens een niet onverdienstelijk dichter. Ook zijn boezemvriend Joan Brosterhuisen schreef verzen, maar schilderde tevens, was botanicus en philoloog, vertaalde uit allerlei talen en was iemand van zeer groote indolentie. Dirck Graswinckel was juist het tegenovergestelde; hoewel hij advokaat was en later advokaat-fiskaal bij het Hof van Holland, schreef hij, behalve vele juridische boeken, Latijnsche gedichten en letterkundige werken.

Vondel zag men niet, of zelden op het Muiderslot, wel in Hoofts huis te Amsterdam; dat was eveneens het geval met Anna Roemers. In later tijd maakten Gerardus Vossius, één der meest bekende philologen van zijn tijd en professor te Amsterdam, en zijn ambtgenoot Barlaeus dikwijls deel uit van den beroemden kring. In nog later tijd kwam ook Jan Vos, glazenmaker van beroep, maar die op jeug-

[p. XXVI]

digen leeftijd beroemd was geworden door zijn treurspel Aran en Titus (1641), in het gevolg van Barlaeus, wiens beschermeling hij was, wel eens te Muiden, waar Duarte en zijne vrouw Francisca dikwijls gasten waren1). Al deze menschen zag Tesselschade in Hoofts omgeving en hen bekoorde zij door haar persoon, haar gezang en spel en hare natuurlijke vroolijkheid.

Van de gedichten van Tesselscha kan men niet altijd met zekerheid den tijd aanwijzen, waarin zij werden geschreven. Maar dat is wel mogelijk met het vers Antwoort2), dat echter eenige toelichting noodig heeft3).

In 1625 was de regeering van Amsterdam gematigder geworden tegenover de Remonstranten, zeer tegen den zin van eenige zeer heftige Contra-remonstrantsche predikanten, waarvan Adriaen Smout de voornaamste was. Ten gevolge van zijn opstoken ontstond er op 13 April 1626 een relletje, waarbij de Arminianen met steenen werden gegooid, hun godsdienstoefeningen verstoord en het huis, waar deze gehouden werd, geplunderd; de schutterij ging verdere baldadigheden tegen, maar om deze te voorkomen, verbood de magistraat het houden van Remonstrantsche vergaderingen. De dichters van de Amsterdamsche Academie, Vondel en Coster, zeiden openlijk wat zij dachten over deze oproer predikende dominés, en zij bleven dat doen, toen deze Heeren voortgingen met hunne pogingen, om de burgemeesters, uit angst voor het gepeupel, geheel naar hunne hand te zetten. In Februari en Maart 1628 waren er opnieuw opstootjes en daarna werd gestookt onder de schutterij, die de openbare orde te bewaken had, waartoe zelfs de hulp der Synode werd ingeroepen. Men liet deze nl. uitspraak doen over de vraag, of een lidmaat van de Gereformeerde Kerk wel een eed mocht doen, strekkende tot nadeel der ware Gereformeerde Religie. Op verzoek van den magistraat zond de Prins troepen naar de stad, en eene poging, om de Staten van Holland in de questie te laten ingrijpen,

[p. XXVII]

mislukte. De schutters moesten een nieuwen eed afleggen en het advies der Synode werd door den magistraat in eene afkondiging bestreden, welk voorbeeld door de Staten van Holland werd gevolgd. Eenige predikanten, en vooral Smout, gingen intusschen door met oproer preeken en toen vermaningen van den magistraat niet hielpen, werd Smout den 7den Januari 1630 uit de stad verbannen en kreeg de kerkeraad eene duchtige inzegening.

Vondel, die naar aanleiding van dezen strijd het ééne scherpe hekeldicht op het andere had laten volgen, schreef nu, in het begin van 1630, zijne bekende prijsvraag uit met den titel: D'Amsterdamsche Academi aen alle Poëten en Dichters der Vereenighde Nederlanden, Liefhebbers van de goude vryheyt1), waarin allerlei vragen gesteld werden. Er kwamen zoovele antwoorden in2), de meeste als vinnige bestrijding van Vondels vers bedoeld, dat de stadsregeering den 12den April verbood ‘in druck voor te stellen uyt te gheven ende te vercoopen seeckere vragen op de name van de Academie binnen deser stede ingestelt mit de andwoorden daer op gevolght,’ omdat zij den haat nieuw voedsel gaven3). Het beste en nobelste antwoord is zeker dat van Tesselscha4), dat Hooft den 10den April ‘betuttelt’ aan haar terugzond. Tesseltje had nl. de gewoonte, om hare gedichten aan Hooft te zenden, die er dan kleine veranderingen en verbeteringen in aanbracht, vooral in de spelling, want daarin was zij niet sterk. Dat verbeteren en beschaven heette in den Muiderkring altijd betuttelen.

In November 1632 herdachten Crombalch en Tesseltje den dag, waarop zij negen jaren geleden gehuwd waren, misschien met eenige plechtigheid, want Hooft richtte bij die gelegenheid een gedicht ‘Aen de soete Tesselschaê En hare' ujtverkoore gae’5). En in het volgend jaar is zij, na eene lange tusschenpoos, in vrij druk verkeer met Huygens, die haar een gedicht toezendt, in April geschreven6), haar in een ander vers verzoekt, Vondel aan te sporen, om Frederik Hendrikte bezingen7), wat deze ook gedaan heeft8), en als Constanter haar ook een uitvoerig gedicht schrijft, om haar later zijne vertalingen naar John Donne aan te bieden. Dezen Anglikaanschen geestelijke -

[p. XXVIII]

hij was deken van St. Paul te Londen - en bekenden satyrischen dichter had Huygens in 1622 te Londen ontmoet en hij stelde hem hoog, misschien wel voor een deel, omdat de verzen van den Engelschman enkele eigenaardigheden vertoonen, welke met die van Huygens overeenstemmen, nl. eene zekere gewrongenheid en duisterheid. In 1630 had hij eenige verzen van Donne vertaald en in het najaar van 1633 hervatte hij dat werk. In den Muiderkring vond men die vertalingen, toen men ze in Maart 1634 leerde kennen, buitengewoon mooi, maar Vondel lachte met ‘de diepzinnige puntdichten’; hij vond ze ‘een banketje voor den Drost, En voor ons kameraetje, Het zoete Tesselschaedtje’, aan wie hij echter den raad geeft: ‘O lieve Nymfje Tesselschaê, verstaeje 't niet, zoo slaet 'er nae, Of laet het u bedieden’1), en eindigt met te zeggen, dat ‘wy dees lekkernyen U geenzins en benyen’. Als Huygens dit vers heeft leeren kennen, zal hij het zeker niet aardig hebben gevonden. Nog voordat alle vertalingen gereed waren, schreef Huygens er dan eene soort van opdracht voor aan Tesselschade, die aldus aanvangt: ‘'T vertaelde scheelt soo veel van 't onvertaelde dicht, Als lijf en schaduwen’; men heeft die vergelijking in den Muiderkring niet spoedig vergeten. Dat hij zijne verzen aan Tesselscha opdroeg, is misschien hieraan te wijten, dat hij haar kort te voren te Alkmaar een bezoek had gebracht. In Augustus deden hij en zijne vrouw nl. een reisje door Noord-Holland, sliepen den 15den te Alkmaar, deden den volgenden dag een tocht naar Heer Huigenwaard, waar Huygens grond bezat, en keerden 's avonds naar Alkmaar terug. Op 17 Augustus teekende Huygens in zijn Dagboek aan2): ‘Wij hebben gelegenheid om te Alkmaar muziek te maken.’ Zeker zijn Huygens en zijne vrouw toen de gasten geweest van Crombalch en Tesselschade en heeft ook Francisca Duarte deelgenomen aan het muziekpartijtje. Den volgenden dag reisden de gasten weer af. Het was de eenige keer, dat Huygens zijne vriendin in haar huis heeft bezocht.

‘Tesseltje, leef je noch,’ schreef Hooft den 28sten Mei 1634 en liet er eene uitnoodiging op volgen, om met de Duarte's en de Pauw's op het Muiderslot te komen logeeren3). Gelukkig bracht Hoofts

[p. XXIX]

vrouw, die den brief te Amsterdam op de post zou doen, hem terug, omdat zij daar hoorde van den vreeselijken slag, die de arme Tesselschade had getroffen. Haar dochtertje Teetje, negen jaar oud, was gestorven aan de kinderpokken en Crombalgh had den volgenden dag eene bloedspuwing gekregen en was daarin gebleven. Den 29sten Mei werden vader en dochter te gelijk begraven1). De vrienden wisten niet, hoe zij de arme vrouw moesten troosten; Hooft en Huygens spoorden elkander aan, het eerste woord te spreken2); de laatste schreef een gedicht3), de eerste zweeg en het was de moedige Tesselscha zelve, die hem door een allerliefsten brief4) de spraak teruggaf en hem de gelegenheid verschafte, haar als ‘heldinne, daer de helden bij ter schoole behoorden te gaen,’ te prijzen wegens hare ‘ongelooflijke manhaftigheit’5). In Juni bracht hij haar een bezoek te Alkmaar, vond haar ‘standvastigh boven (s)ijn hoope’ en overhandigde haar het vers en een troostbrief van Huygens6).

Wanneer het wederzijdsch testament, door Crombalch en zijne vrouw in Januari 1625 gemaakt7), bij zijn dood nog van kracht was, dan kreeg Tesselschade het vruchtgebruik van het vermogen van haar echtgenoot, zooals ook in de huwelijksche voorwaarden bepaald was8). Mocht zij hertrouwen, dan moesten de kinderen, op wie dat vruchtgebruik dan overging, haar jaarlijks f 200 uitbetalen. Tesselschade is in de Langestraat blijven wonen en heeft later nog een huisje even buiten de stad aangekocht, dat zij Belvedere doopte9). Haar Zwager Nicolaes van Buyl werd voogd over haar dochtertje10). Zij is den vreeselijken slag te boven gekomen en kon in November weer een opgewekten brief schrijven aan Hooft, die toen met zijne vrouw en oudste stiefdochter te Brussel vertoefde wegens geldzaken van Leonora11).

In het laatst van 1635 verscheen eene nieuwe figuur in den Muiderkring, die er weldra een groot sieraad van zou zijn, de Amsterdamsche professor Barlaeus. Caspar van Baerle, zooals zijn naam eigenlijk luidde, was in 1584 geboren te Antwerpen, waar zijn grootvader en vader griffier van de stad waren. Toen Antwerpen door

[p. XXX]

Parma genomen was (1585), week Caspar van Baerle Sr. met zijn gezin uit naar de Noordelijke Nederlanden, vestigde zich eerst te Leiden en werd in 1588 rector der Latijnsche School te Zalt-Bommel, waar hij in 1595 stierf. De Van Baerle's, een vermogend en geleerd geslacht, hadden al hunne bezittingen verloren en het kostte hun heel wat inspanning, zich door de wereld te slaan. De jonge Caspar werd na den dood van zijn vader toevertrouwd aan zijn oom Jacobus, rector te Brielle, studdeerde in het Staten-College te Leiden en werd in 1608 predikant te Nieuwe Tonge. Twee jaren later trouwde hij Barbara Sayon, een meisje te Brugge geboren, maar ook uitgeweken; in 1612 werd hij benoemd tot sub-regent aan het Staten-College en in 1617 tevens tot professor in de logica. In 1619 werd hij wegens zijne remonstrantsche gevoelens uit beide ambten ontslagen; hij ging een jaar in de medicijnen studeeren in de Fransche Universiteitsstad Caen en kwam als Med. Dr. terug. Maar hij heeft geen praktijk uitgeoefend, doch bleef te Leiden wonen en verdiende den kost voor zijn groot gezin door privaatlessen te geven, jongens aan huis te nemen en Latijnsche verzen te schrijven. Als Latijnsch dichter had hij zich een grooten naam verworven en hij maakte daarvan gebruik door historische gebeurtenissen van beteekenis, vorsten en staatslieden te bezingen en de geschenken daarvoor te aanvaarden. In 1631 werd hij te gelijk met Vossius, die evenals hij in 1619 te Leiden was ontslagen, benoemd tot professor aan de pas opgerichte Illustre School te Amsterdam, waar hij de bespiegelende wijsbegeerte doceerde. Barlaeus was niet alleen een groot geleerde en een gevierd dichter, maar buitendien een zeer geestig man en een aangenaam prater. Hij was een groot vriend van Huygens en Wicquefort en het is zeker vreemd, dat hij eerst nu nader in aanraking kwam met Hooft.

In Juni 1635 had Van Baerle zijne vrouw verloren, maar de 52-jarige professor was nog jong van hart, vroolijk en opgewekt en een groot bewonderaar van vrouwelijk schoon. Geen wonder, dat Tesseltje, toen hij haar in Februari 1636 leerde kennen, veel indruk op hem maakte. Hij wijdde dadelijk gedichten aan haar, zelfs in het Hollandsch1), die zij beantwoordde2), en schonk haar Hollandsche

[p. XXXI]

vertalingen van twee zijner redevoeringen1). De vrienden, Hooft en Huygens vooral, hadden veel schik in het geval, spraken beiden moed in en plaagden hen tevens.2)

Natuurlijk waren er van beide zijden groote bezwaren tegen een huwelijk van den professor en de schoone weduwe, die tien jaren jonger was dan hij. Van Baerle had een huis vol kinderen en daaronder volwassen dochters. Maar de liefde redeneerde zijn bezwaren weg. Bij Tesseltje was dat niet het geval. Hoe fijn beantwoordt zij Hoofts aansporing: ‘Faites, avec les fleurs, renaistre les amours’3) met een gedicht, geschreven op den sterfdag van haar man4). Van Baerle schijnt haar in het voorjaar of in den zomer van 1636 ten huwelijk gevraagd te hebben5), maar te vergeefs. Toen Hooft hem dan ook in Augustus te gelijk met Tesselschade te Muiden noodigde, kwam hij niet; misschien was de reden echter, dat Huygens hem erg geplaagd had. In Juli waren nl. Huygens en Wicquefort met hunne vrouwen, Vossius, Barlaeus, Schuyl, Baeck en Bartolotti met mooi weer van Amsterdam naar Muiden gezeild en hadden daar den dag doorgebracht. Toen het tegen den avond stormachtig weer was geworden, gaven Vossius, Barlaeus en Wicquefort er de voorkeur aan, om op het slot te blijven logeeren, terwijl de anderen terugzeilden. In eene serie van Latijnsche gedichten had Huygens Van Baerle daarmede geplaagd en hem ook een beetje belachelijk gemaakt tegenover Tesselschade6). De professor had zich wel met vele verzen verdedigd7), maar men vond toch, dat hij in den poëtischen strijd het onderspit had gedolven. Hoe het zij, in September 1637 waren beiden te gelijk weer gasten van den Drost8). Kort daarna schreef Tessel haar fraai gedicht over het overlijden van Susanna van Baerle, Huygens' echtgenoote9). Dit werd in 1638 gevolgd door een Italiaansch vers ter eere van het bezoek van Maria de Medicis aan Amsterdam; het is in plano uitgegeven en werd zeer

[p. XXXII]

geprezen1). In 1639 droeg Vondel haar zijne vertaling der Electra van Sophocles op.

Waarschijnlijk heeft Van Baerle het niet bij ééne poging gelaten, om Tesselschade te veroveren, want telkens als hij haar ontmoette, kwam de oude liefde weer boven en maakte hij het hof aan de schoone weduwe. Maar zij bleef weigeren, zeker tot groote spijt van Hooft, die beiden gaarne mocht lijden, zich verheugd zou hebben in hun geluk en het betreurde, dat Tesseltje den onbeteekenden ‘Crommetjen’ niet kon of wilde vergeten. Toch gedroeg Barlaeus zich steeds op dezelfde wijze tegenover haar, ook toen met de jaren zijn hartstocht zeker wat bekoeld was, en daar de vriendschap was gebleven, bleef ook zijne groote hoffelijkheid tegenover haar en werd hij, zooals Hooft het uitdrukte2), Tesselschades ‘vrijer om den deun3), oft om den welstaens wil.’4)

Huygens, die in Mei 1637 zijne vrouw had verloren, deed enkele jaren later, alsof hij een mededinger was van zijn vriend Van Baerle, wat aanleiding gaf tot allerlei poëtische scherts tusschen hen beiden en tot groote vroolijkheid der overige vrienden. Maar wat bij Van Baerle, althans gedurende langen tijd, gemeend was, was het bij Huygens niet. Van zijne jeugd af is hij een zeer welwillend vriend van Tesselschade geweest, maar hij had geene trouwplannen. Als goed vriend en als man van de wereld trad hij haar te gemoet met eene hoffelijkheid, die hij wel eens zal hebben overdreven, om Van Baerle te plagen en de vrienden een vroolijk oogenblik te verschaffen. Totdat Tesselschade van geloof veranderde en hij ruw tegen haar uitviel.

In Februari 1640 vezamelde Hooft in zijn huis op de Keizersgracht een groot aantal vrienden om zich heen. Daar waren Barlaeus, Vossius en Vondel, die te Amsterdam woonden, en Anna Roemers en Tesselschade, die er logeerden. Uit den Haag kwamen Wicquefort en Huygens. Van Baerle schreef een brief aan Wicquefort en Latijnsche verzen aan Anna Roemers en Huygens, om hen voor te bereiden op het genot, dat hun te wachten stond, en de laatstgenoemde antwoordde op dezelfde wijze. Den 16den Februari

[p. XXXIII]

kwam Huygens met den bouwmeester Jacob van Campen en genoot eenige dagen van het samenzijn met zoovele belangwekkende menschen en goede vrienden. Vier dagen later wilde hij weer afreizen, maar de zeven aanwezige vrouwen sloten een kring om hem heen en beletten hem te vertrekken. Hij gaf toe en maakte op het geval een gedicht, dat door Tesselschade werd beantwoord, terwijl Barlaeus het feit in drie verzen bezong en Van Campen eene schets ontwierp van Huygens door de zeven vrouwen omringd en gevangen gehouden1). Eerst den 22sten Februari keerde hij met paard en wagen over het bevroren Haarlemmermeer terug2).

Den 30sten November hielpen Tesselschade en Van Baerle te Amsterdam den trouwdag van Hooft en Leonora vieren3) en in den zomer van het volgende jaar ontving Tesseltje weer een bezoek van haar aanbidder te Alkmaar, maar zij bleef onverbiddelijk4) en Van Baerle stelde in Augustus zijn bezoek te Muiden eerst uit en kwam ten slotte met ééne zijner dochters5). Mar hij was weer geheel verteederd, toen Tesseltje bij eene aderlating flauw viel, zooals blijkt uit zijn Latijnsch gedicht op dat voorval6).

Het schijnt, dat Tesselschade reeds sedert jaren veel gevoelde voor den katholieken godsdienst. In April 1633 richtte Huygens aan haar het gedicht Aen Ioffw. Tesselschade Visscher, drijvende een' schoone dochter van Mr. Pieter van Veen, in sijn leven uytnemend schilder, tot het geestelick leven7). Nu beteekent ‘geestelick leven’ op zich zelf natuurlijk niet het leven eener non, maar volgens den inhoud van het gedicht wordt er ongehuwd leven mede bedoeld en dat is geen protestantsch ídee. Huygens' vers is geschreven, voordat Tesselschade haar man had verloren. Toen Van Baerle in Maart 1636 in een brief aan Huygens de bezwaren opsomde, die er bij hem bestonden tegen een huwelijk met Tesselschade, schreef hij o.a.: Er zijn vele dingen, die ik in haar vereer en bewonder. Er is iets, dat mij mishaagt, en daarvan is het teeken †9). Daaruit blijkt, dat Tesselschades vrienden zeer goed wisten, dat zij reeds toen overhelde tot het Katholicisme. Grooten invloed op hare denk wijze heeft waarschijnlijk pater Petrus Plemp van de Societeit van Jezus gehad,

[p. XXXIV]

die van 1615 tot zijn dood in 1640 zendeling te Alkmaar was en zeer vele menschen bekeerd of tot de Moederkerk teruggebracht heeft. Hij was een broeder van den bekenden Kornelis Gysbertsz Plemp, die advokaat en literator was. Petrus Plemp werd in 1640 als zendeling te Alkmaar vervangen door Isaac van der Meije, die in 1642 aftrad1). In het laatst van 1641 of het begin van 1642 is Tesselschade tot het Katholicisme overgegaan.

Kort vóór haar, nl. in het najaar van 1641, had Vondel den katholieken godsdienst omhelsd en hij had van zijne bekeering getuigenis afgelegd in zijn treurspel Peter en Pauwels, dat aan Eusebia is opgedragen. Is Eusebia Tesselschade, of iemand anders?2) Het is eene questie, die moeilijk is uit te maken, vooral ook, omdat de slotregels van de opdracht niet overduidelijk zijn. Het voornaamste argument, om Tesselschade met Eusebia te vereenzelvigen, is wel, dat zij zich zelve in een brief de ‘Alckmaersche Eusebia’ noemt. Maar dat kan een antwoord geweest zijn op eene opmerking van één harer vrienden, zonder meer. Het voornaamste argument er tegen is m.i., dat er van eenigen omgang tusschen Tesselscha en Vondel, nadat zij elkander in Febr. 1640 ten huize van Hooft ontmoet hebben, geen enkel bewijs is. Dat kan natuurlijk geheel toevallig zijn; het gebeurt zelden, dat eene briefwisseling een paar eeuwen lang bewaard blijft. Dat Vondel in de brieven en verzen van den Muiderkring, die tot ons zijn gekomen, in later tijd niet dikwijls meer genoemd wordt, is te begrijpen; door eigen onhandigheid had hij den Drost van zich vervreemd3). Maar is het niet vreemd, dat hij na Tessels overgang tot het Katholicisme geen enkel gedicht aan haar heeft gericht? Zij

[p. XXXV]

kenden elkander sinds jaren, zij deden ongeveer gelijktijdig den zoo gewichtigen stap, om in den schoot der Moederkerk terug te keeren, een stap, waardoor zij gevaar liepen vele vrienden van zich te vervreemden, en die dus moest leiden tot het verlangen, zich nauwer bij elkander aan te sluiten. En toch geen woord1). Na Tesselschades overlijden schrijft Vondel geen lijkdicht. Hij overleeft zijne vriendin dertig jaren, maar haar naam komt niet meer voor in één der vele gedichten, die hij in al dien tijd schrijft. Is de Peter en Pauwels aan Tesselschade opgedragen? Het is niet waarschijnlijk, maar het is mogelijk. En, als er zekerheid was, dat Tesselschades brief aan Hooft met het bijgevoegde gedicht Die Rejsen wil op aerdt, hoe stercker, hoe bequamer, enz.2) door mij juist is gedateerd, dan zou men, in weerwil van het bovenstaande, haar vers kunnen beschouwen als een antwoord op Vondels opdracht en tevens als eene kennisgeving aan de vrienden van haar overgang. Maar het blijft eene gissing3).

De vrienden namen Tessels overgang tot eene andere kerk, dan waartoe zij zelf behoorden, verschillend op. Hooft was een zeer gematigd man, die de zaken dezer wereld op wijsgeerige wijze beschouwde en volstrekt niet hield van krasse maatregelen. In het laatst van Januari 1642 wordt Tesseltje alweer in zijn huis te Amsterdam genoodigd4) en in den zomer van dat jaar komt zij meermalen te Muiden5). Van Baerle was goedig van karakter, was zelf het slachtoffer van geloofsvervolging geweest en was bovendien verliefd. De eerste maal - voor zoover wij weten - dat hij na Tesselschades bekeering over haar schrijft, maakt hij niet eens melding van het feit6). Anders was het met Huygens, die een zeer geloovig

[p. XXXVI]

protestant was. Hij had juist suikerwerk van Tesselscha en van Anna ontvangen - wat een tactvol verzoek, om haar zijne vriendschap niet op te zeggen, - had daarvoor bedankt in twee versjes en er nog een derde aan Tessel bijgevoegd, toen hij den volgenden dag hoorde van hare bekeering1). Terstond greep hij naar de pen en schreef het vinnige vers De tweede Tesselschade2). En daarbij bleef het niet. Toen hij eenige dagen later hoorde, dat Tesseltje ziek lag aan scharlakenkoorts, volgde De gesonde roos in 't aensicht van Ioff.w Tesselschade Vischers3), en toen in Februari haar linkeroog in een smidswinkel door een vonk getroffen werd en misschien verloren ging, het ruwe Verstaet ghij't Tesselscha?4) Deze aanvallen waren niet te verontschuldigen, zooals hij trachtte te doen, o.a. met den versregel ‘Ick spaer de roede niet, ick hebb het kind te lief’5). En toch was Huygens in vele opzichten verdraagzaam. Hij had den strijd tusschen Contra-remonstranten en Remonstranten beleefd, waarin Barlaeus aan de zijde der laatsten eene vrij belangrijke rol had gespeeld, en toch werd deze één zijner meest intieme vrienden. Van zijne jeugd tot zijn dood was hij zeer bevriend met al de Duartes, die Portugeesche Joden waren. Hij was een vriend van den priester Bannius en van Descartes, die goed katholiek was, en stond in drukke briefwisseling met den Franschen geleerde pater Mersenne en met den Zuid-Nederlandschen sterrenkundige, pater Wendelinus. Hij had groote vrienden onder de tallooze katholieke Fransche officieren, die onder Frederik Hendrik in het leger der Staten dienden, en er is bijna geen tijdperk van zijn leven, dat hij niet met eenige geleerde Jezuieten in betrekking stond.

Op Huygens' eersten aanval antwoordde Tesselscha met het aardige Deuntje6) en zijn ruwe uitval werd op vrouwelijk zachte wijze gekeerd. En hoe hoog hij Tesselscha bleef stellen, blijkt wel uit de lofspraak in zijn brief aan Erycius Puteanus, in Augustus geschreven7). De storm was, voorloopig althans, bedaard en Tesseltje bleef, wat zij vroeger altijd geweest was, met Hooft het middenpunt van den Muiderkring. Barlaeus bleef even hoffelijk, schreef een Latijnsch vers op het ongeluk met haar oog8), noodigde haar uit, om

[p. XXXVII]

ter eere van Prinses Elisabeth van Boheme te dichten1) - zij wilde echter liever haar goeden vriend Hooft eeren2) - en zond haar aardbeien, vergezeld van een Latijnsch gedicht3). Haar vers op Hooft was niet het eenige, dat zij in 1642 heeft geschreven; waarschijnlijk dateeren uit dat jaar ook hare verzen op Maria Magdalena4) en zeker de beide lofdichten op Ban's Zangh-Bloemzel5), welk werk in het voorjaar het licht zag. De Haarlemsche priester Jan Albert Ban (of Bannius) was een zeer geleerd man, een groot musicus en een vriend van Huygens, Hooft en Descartes. Hij vond eene nieuwe theorie der muziek uit en componeerde ook; in het boven genoemde bundeltje zijn o.a. gedichten van Hooft en ook Tesselschades Onderscheyt tusschen een wilde, en een tamme Zanghster6) op muziek gezet. Een van hare lofdichten is in het werkje opgenomen.

Midden April 1643 kwamen de vrienden bij Hooft te Muiden bijeen. Tesseltje, die op hare reis Haarlem bezocht en Ban een bezoek had gebracht7), was aanwezig, evenals Van Baerle, Van der Burgh8) en Jan Vos. Uit den Haag kwamen Huygens, Wicquefort en drie dames, o.a. Mevrouw Anna Treslong, die prachtig zong. Zij was, uit naam van Hooft, door Barlaeus met een Latijnsch vers uitgenoodigd9) en zong o.a. Hoofts Klachtvan Koning Henrik de Groote, over't afwezen van Maria van Mommorency, Prinsesse van Conde10). Maar het feest was van korten duur, omdat Huygens plotseling bevel van den Prins ontving, om naar den Haag terug te keeren, en alle Hagenaars toen met hem vertrokken. In eene Verbintenisse aen den Heere Hooft11), door Huygens gedicht, beloofden allen wel, het volgende jaar terug te zullen komen, maar het feest was toch verstoord en Tessel gaf een geestig woord ten beste wegens het schaken van hare nieuwe vriendin door 's Prinsen secretaris12). En Barlaeus beschuldigde zijn vriend in een Latijnsch vers van dezelfde misdaad13), wat deze natuurlijk niet op zich liet zitten14).

In het laatst van 1643 of het begin van het volgende jaar zag te

[p. XXXVIII]

Amsterdam een boek het licht, waarin zeer vleiende woorden over Tesselscha voorkomen. Het was de Wetsteen der Vernuften, Oft Bequaam Middel, om van alle voorvallende zaken aardighlik te leeren spreken1). De schrijver, Joan de Brune de Jonge, was een neef van Vossius, had in de rechten gestudeerd en, nog heel jong zijnde, als dichter eenigen naam gemaakt. Hij was nog geen dertig jaren oud, toen hij optrad met een boek, dat in onze letterkunde iets nieuws was. De Wetsteen is nl. in proza geschreven, maar overal staan versjes tusschen den tekst en de meest verschillende onderwerpen worden er in behandeld; deze zijn op aardige wijze aaneengeregen, terwijl ernstige vertoogen worden afgewisseld met tal van anecdoten en gedichten in allerlei talen. Niet ten onrechte vergeleek Mostaert in een lofdicht het dan ook met de Essais van Montaigne. Nu haalt De Brune o.a. vijf stanza's aan van Tasso en voegt er aan toe2); ‘Ten dienste van eenige mijner landgenoten zou ik dees XL Italiaansche verssen wel in Neerlandsche rijm overzetten, indien de noit volpreze Maria Tesselscha Roemers, weduwe van wijlen de Heer Allard van Krombalgh, met dat wondermaaxel niet bezigh was. Ik zou de menighvoude verdiensten van haar Ed. wel doodverwen3) willen; doch het gaat 'er mee als 't met die heiligheden doet, daar men niet als met een t'zitterende bevreestheit moet by komen,’ enz. En dit is alleen het begin van de lofspraak! Zij is de aanleiding, om hier bijeen te brengen wat van dezen arbeid van Tesselschade bekend is.

Reeds vóór haar huwelijk was zij bezig met het vertalen van Tasso's heldendicht La Gerusalemme liberata4). In den zomer van 1633 is zij, zooals Hooft het uitdrukt, ‘weder aen 't rijmen geraeckt en in dien diepen Tasso verzoopen’5); ook Huygens spreekt er van in de opdracht zijner vertalingen naar Donne en vraagt ongeduldig: ‘Wanner will 't besigh hert Geleggen van die draght’6). In 1639 zinspeelt Vondel in de opdracht der Elektra op hare vertaling7) en

[p. XXXIX]

in het volgende jaar is Tessel bezig met ‘uytschryven van (haer) Tasso’ en zendt de vertaling van één couplet uit den 3den zang aan Barlaeus1). Daar ‘uytschryven’ hier zonder twijfel beteekent ‘in het net schrijven’, geeft de brief geene aanwijzing, hoever zij met het vertalen van de zo canto's was gevorderd. Dit couplet is het eenige fragment van de vertaling, dat tot ons is gekomen. Van Baerle zinspeelt op Tasso in het voorjaar van 16462). In de opdracht aan Huygens van G. Brandt's Lykreeden over den Heer P.C. Hooft - zij is gedateerd van 25 Juli 1647 - spreekt de schrijver van ‘de vermaarde Tesselschade, die nu Tassoos Ieruzalem en Marinoos Adoon uit der handt laat vallen’3). Uit de uitdrukking moet men opmaken, dat de vertaling toen geheel of bijna geheel voltooid was. Brandt kan goed op de hoogte zijn geweest, omdat hij veel bij Van Baerle aan huis kwam. Maar het zinnetje kan ook wel niets anders zijn dan een stylistische fraaiigheid. Jan Vos zinspeelt in zijn gedicht Vreede tusschen Filippus de Vierde, Koning van Spanje, En de Staaten der Vrye Nederlanden (1648), waarin hij Tesselschade sprekende invoert, op hare vertaling4) en eveneens in zijn lijkdicht op haar5). Dit is alles wat van haar groote werk bekend is.

Brandt is de eenige, die spreekt van eene vertaling door Tesselschade van Marino's L' Adone, welk uitvoerig gedicht in 20 zangen in 1623 te Parijs was uitgegeven. Hooft en Tesselschade lazen samen verzen van den Italiaanschen dichter6); hij vertaalde in 1630 enkele versregels van hem7). en Brandt zegt, dat hij ook de Adone ‘in 't Hollandtsch ten deele hadt vertaalt’8). Noch van Tesselschades vertaling, noch van die van Hooft is iets voor het nageslacht bewaard gebleven.

In 1644 werden achter Jacobi Westerbani Minne-dichten negen gedichten van Tesselschade opgenomen9), waarvan er zes vroeger

[p. XL]

gedrukt waren. Hoe de Amsterdamsche uitgever loost Hartgersen aan de drie andere verzen gekomen was, blijft een raadsel; het boekje was nl, een nadruk van een in hetzelfde jaar door den schrijver zelf uitgegeven bundeltje Gedichten, dat te Leiden was verschenen1). Had Westerbaen zelf de uitgave der Minne-dichten bezorgd, dan was het zeer verklaarbaar, dat er in den bundel vroeger ongedrukte verzen van Tesselschade en Barlaeus voorkwamen, omdat juist in dezen tijd de dokter in ruste weer met zijn ouden leermeester in het Staten-College te Leiden in aanraking was gekomen2). Maar nu kan men het opnemen dier verzen in de Minne-dichten alleen verklaren door het feit, dat het in dien tijd de gewoonte was op ruime schaal afschriften te maken van verzen, van welke een exemplaar licht in handen kon komen van een onbescheiden uitgever.

Den 31sten Mei trouwde Constantia Bartolotti, de tweede stiefdochter van Hooft; zij deed een deftig huwelijk. Haar bruidegom was Mr. Johan van der Meyde, die zitting had in den magistraat van Rotterdam en kort na zijn huwelijk burgemeester werd. Natuurlijk was Tesselschade op de bruiloft genoodigd en ook Van Baerle was van de partij. Daar hij tusschen Tesselschade en eene Rotterdamsche matrone aanzat, maakte hij vergelijkingen, die niet in het voordeel van de laatste uitvielen3). In het uitvoerige Latijnsche bruiloftsvers, dat hij voor deze gelegenheid had geschreven, liet hij Tesseltje ook optreden; toen hij het haar later toezond, bedankte zij met een paar woorden, onderteekend met: ‘Sachte Sedeles’4), een naam, dien Hooft haar vroeger gegeven had, terwijl hij de letters van het woord Tesselschade op andere wijze had geschikt. Tessels antwoord was weer zoo tactvol, dat de professor wel moet hebben ingezien, dat hij onbescheiden was geweest.

In het laatst van Augustus was er weer feest te Muiden. Daar waren Tesselscha, Van Baerle, de advokaat-fiskaal bij het Hof van Holland, Dirck Graswinckel, en Jan Vos; Hooft schreef een brief, die door zijne vrouw en door alle gasten onderteekend werd, om Huygens te herinneren aan zijne Verbintenisse van het vorige jaar5),

[p. XLI]

en alle aanwezigen, behalve Leonora, voegden daar een vers aan toe1). Al die verzen, behalve dat van Jan Vos2), zijn verloren gegaan. Huygens antwoordde den 12den September uit het kamp bij Assenede3), maar toen had het geheele gezelschap zich al weer verspreid en was Tesseltje, die aan koorts leed, al lang vertrokken.

Het schijnt, dat er in die dagen te Muiden getheologiseerd is, en dat Tesselscha in het najaar daarop terugkwam. Zij schreef tenminste een brief aan Barlaeus, waarin met enkele woorden belangrijke theologische questies worden besproken, en verzocht hem, aan zijne belofte, om haar te Alkmaar te komen bezoeken, te voldoen en dan tevens zijn antwoord op hare vragen mee te deelen4). Van Baerle zond haar brief aan Huygens, die hare vraag op niet zeer zachtzinnige wijze met eene wedervraag beantwoordde5). Tesselschade gaf geen kamp, maar zond een antwoord in verzen aan Hooft, om het aan Huygens mee te deelen6), en toen deze, omdat hij ziek was, dat niet wilde of kon doen, een afschrift aan Van Baerle7). Dat antwoord, dat verloren is gegaan, werd aan Hooft toegezonden8). Zij schijnt Huygens te hebben verweten, dat hij, als dienaar van den Prins, geen vrij man was, en dat zijne overtuiging afhing van wat hem voordeel bracht. Vol fierheid antwoordde de onkreukbare dichter-staatsman met het fraaie sonnet:9)

 
‘Mijn' Tong en was noijt veil, mijn' Penne noyt verkocht,
 
Mijn' Handen noijt in strick van Goud of Diamanten,
 
Mijn' Vrijheid noijt verslaeft,’ enz,

om dan verder de getuigenis af te leggen, dat hij al zijne gaven in dienst stelt der Oranjes, omdat zij strijd voeren tegen den Spanjaard en tegen het Katholicisme, en ten slotte van haar te eischen ‘strengh recht, geen' gunste, geen' gena'.’

Tesseltje heeft blijkbaar ingezien, dat zij te ver was gegaan, want zij heeft Huygens' uitnoodiging, tegelijk met het vers verzonden, om spoedig bij hem te komen logeeren10), aangenomen. Hooft kwam ook enkele dagen, maar Van Baerle sloeg de uitnoodiging af wegens

[p. XLII]

zijn ambtelijke bezigheden. Tesselscha kwam den 19den Februari 16451) en vertrok ongeveer eene week later2), tot groote spijt van Huygens. Natuurlijk heeft hij haar niet alleen zijne serie verzen, Heylighe Daghen getiteld, die juist door de zorg van Barlaeus in een bundeltje het licht hadden gezien, voorgelezen, maar ook de opdracht aan haar zelven3), die eerst later aan de serie is toegevoegd. In die opdracht wordt heel wat getheologiseerd en daaraan zal het ook verder niet ontbroken hebben, want Huygens gaf zijne pogingen, om haar tot het Protestantisme terug te brengen, nog niet op. Waarom is zij eerder weggegaan dan haar gastheer gedacht en gehoopt had? Zeker niet wegens een eenigszins schuin versje van Huygens4), waarom ook later door de vrienden nog erg werd gelachen; dat vond men in dien tijd, en ook later nog, zoo erg niet. Misschien wordt hare handelwijze verklaard door Huygens' gedicht 'T misverstand5), dat een half jaar later geschreven werd. Heeft Tesselschade gemeend, dat de secretaris van den Prins haar ten hnwelijk wilde vragen? Dat zou niet getuigen van groote menschenkennis, want Huygens was er de man niet naar, om eene vrouw te nemen, die in godsdienstzaken geheel anders dacht dan hij. En zou zij, als hij haar gevraagd had, hem hebben genomen? Onoplosbare vraag, die men slechts door eene andere kon beantwoorden: is het niet eigenaardig, dat Tesseltje, die heel gewoon in briefwisseling stond met Baerle, zich nooit, voor zoover wij weten6), direct tot Huygens heeft gericht, maar altijd de tusschenkomst van Hooft of van Barlaeus heeft ingeroepen?

In December was Tesselschade te Amsterdam, waar zij eene opvoering bijwoonde van Brandt's treurspel De vcinsende Torquatus, dat een paar maanden te voren voor het eerst vertoond was. De jonge dichter, een beschermeling van Barlacus, was er zoo mede vereerd, dat zij zijn stuk was komen zien, dat hij een vers schreef op dat feit. In Maart van het volgende jaar herinnerde Huygens, door bemiddeling van Aeltje Bruno, dochter van een predikant te Alk-

[p. XLIII]

maar en zuster van Hendrik Bruno, den goeverneur van Huygens' zoons, Tesselschade aan hare belofte, het vorige jaar gedaan, om weer bij hem te komen logeeren1). Maar zij schijnt te hebben geweigerd2). Van Baerle bezong haar verjaardag3) en bracht haar ook een bezoek; hij vond haar bezig met het versieren van haar tuin - bij Belvedere? - met rotsen en andere sieraden, met dichten, lezen en schilderen, en schreef ook daarop een vers. In het laatst van Juli bezocht hij haar nogmaals4) en in September, toen hij met zijn oudsten zoon en schoondochter te Muiden kwam, vond hij daar Tesseltje, Dr. Coster en de vrouw van Mostaert5). Het was de laatste maal, dat zij in den tuin van het gastvrije slot vol vroolijkheid pruimen zouden eten - Tessel schudde aan de boomen, dat de rijpe vruchten het gezelschap om de ooren vlogen - want de beminnelijke gastheer overleed den 21sten Mei 1647. Er was een einde gekomen aan de schitterende bijeenkomsten van den Muiderkring.

Zonder twijfel was Tesselschade zeer geschokt door het overlijden van haar trouwen vriend, dien zij zoovele jaren had gekend. Zij had hare vrooklijkheid teruggekregen6), toen zij zelve werd getroffen; den laatsten Augustus stierf haar eenig overgebleven dochter, die naar haar genoemd was, op 19-jarigen leeftijd7). Het was een vreeselijke slag; de arme vrouw bleef nu geheel alleen over. Den geheelen winter leed zij aan koorts en moest hare kamer houden. Maar zij bleef heldhaftig en geduldig8). Van Baerle, die in het najaar erg gesukkeld had, stierf plotseling den 14den Januari 1648; in hem verloor zij een tweeden goeden vriend. Zij had nog den moed, een vriendelijk gedicht te richten aan Boetius van Elslandt, een leerling van Barlaeus, die de Latijnsche lijkrede op den professor in het Hollandsch had vertaald en een uitgebreid lijkdicht aan die vertaling had toegevoegd9). In Mei overleed ook hare zuster Truitje, de vrouw van Claes van Buyl10).

[p. XLIV]

Tesselschade is het verlies van hare dochter niet te boven gekomen; zij bleef sukkelen. Misschien is zij naar Amsterdam verhuisd; daar is zij in de tweede helft van Juni 1649 gestorven1) en er den 24sten van die maand in de Oude Kerk begraven2). Huygens, Aeltjen Bruno, Jan Vos en S. Ingels hebben haar dood bezongen.

 

Sommige verzen van Tesselschade zijn zeer verdienstelijk en zij staat als dichteres ver boven hare zuster Anna. Maar het zijn niet hare gedichten in de eerste plaats, die haar recht geven op de belangstelling en de bewondering van het nageslacht. Tesselschade was de eerste Nederlandsche vrouw, die blijk heeft gegeven van eene zeer hooge en fijne beschaving. Zij kende een paar vreemde talen, las veel, dichtte zelf, maar was volstrekt geen blauwkous; integendeel, zij springt dikwijls heel vreemd om met de spelling - een gebrek, dat in dien tijd en later meer voorkomt - en schaamt zich niet dat te erkennen en de vrienden te verzoeken, haar geschrijf te verbeteren. Zij zingt verrukkelijk, bespeelt een paar instrumenten, teekent en schildert, graveert op glas, munt uit in allerlei vrouwelijke handwerken. Maar zij laat zich nergens op voorstaan. Zij is mooi en bekoorlijk, geestig en vroolijk. Maar zij is tevens eenvoudig, natuurlijk en tactvol in alles. Zij wordt bewonderd door velen en is de vriendin van al onze groote dichters van dien tijd, van Vondel, Hooft, Huygens en Bredero. Zij is het middenpunt van den smaakvollen Muiderkring en allen, die daartoe behooren, bewijzen haar hunne hulde. En door dit alles is zij voor ons de meest aantrekkelijke vrouwenfiguur uit de 17de eeuw.

[p. XLV]

Na Tesselschades dood wordt haar naam weinig meer genoemd. Van de andere leden van den Muiderkring waren de meesten heengegaan en zij, die waren overgebleven, Vondel en Huygens, kwamen hoogst zelden met elkander in aanraking. Vondel noemt nergens meer haar naam, Huygens eerst in het laatst van zijn leven1), maar uit zijn gedicht blijkt dan ook, dat hij haar waarlijk niet vergeten had. Ook sommigen van het jongere geslacht hielden haar in aandenken. Van der Burgh schrijft in 1657 aan Huygens over eene belangwekkende en innemende vrouw, die hij heeft ontmoet2): ‘voor 't overige is sy, van geest en inborst, d'onnoosele3) en geestige Tesselschade niet ongelyck.’ Brandt neemt, als hij het tweede deel der Verscheyde Nederduytsche Gedichten (1653) uitgeeft, daarin elf gedichten van Tesselschade op4) van welk er drie weer zijn overgenomen in het Iste deel van Klioos Kraam, vol verscheiden gedichten (1656)5). Ook in de door Brandt verzamelde bloemlezing Apollos Harp (1658) werd een nog onuitgegeven gedicht van Tesselschade opgenomen6). In zijn Leeven van P.C. Hooft (1677) spreek hij7) van diens ‘vriendin, met welke hy byna een halfhondert jaren vriendtschap hield, de schrandere en zeedige Dichteres Tesselschade.’ - Tobias van Domselaer nam in de Hollandsche Parnas (1660) twee nog onuitgegeven verzen van haar op8).

Den 7den April 1681 schreef de 84-jarige Huygens het volgende gedicht:9)

Tesselschades wijs onderwijs. 1637.

 
De kloecke Tesselscha, die 'k noijt en kan vergeten,
 
Heeft m' haer' vertroosting eens soo geestigh toegemeten
 
Dat vriend en Vreemdeling bekennen, wie het hoort,
 
Dat noijt soo stercken sin geschroeft stack in een Woord.
 
Sy sagh mij quijnen in een diepen rouw, met reden,
 
Daer noch mijn oude Hert kan suchten aen besteden,
 
Sij raedde, wild' ick eens ten kortsten zijn verlicht,
 
Dat ick mijn' klachten heel uijt rijmen soud' in Dicht.
[p. XLVI]
 
Dus seid sij 't, (hoort, en leert soo spreken, Mans, en Vrouwen)
 
Heer, stelt uw leed te boeck, soo hoeft ghy
 
't niet t'onthouwen1)

Er is maar één portret van Tesselschade bekend, nl. dat van Goltzius, in 1612 geteekend2), toen zij achttien jaar oud was. Het is zeer te betreuren, dat wij geen later portret van haar kennen, toen zij eene gelukkige getrouwde vrouw was en het hoogtepunt van haar schoonheid had bereikt. Was zij, die leefde in de gouden eeuw der Nederlandsche portretkunst, te bescheiden, om zich te laten schilderen?

Hare handschriften, kunstvoorwerpen, enz. kwamen later in het bezit van haar neef Romanus of Roemer van Wesel. Hij was de eenig overgebleven zoon van Dominicus Boot van Wesel en Anna Roemers Visscher en werd den 27sten Februari 1625 geboren3). Met zijn één jaar jongeren broeder Johannes was hij sedert 1640 te Brussel in een instituut der Jezuïeten opgevoed - Anna was nog vóór Tesselschade katholiek geworden - en werd in 1646 te Leiden, waar zich ook zijne ouders vestigden, als student in de rechten ingeschreven. Johannes van Wesel was daar het volgende jaar gestorven. Waarschijnlijk is Romanus daar gepromoveerd vóór 6 December 1651, toen zijne moeder te Alkmaar stierf, waar zij was gaan wonen. Romanus van Wesel, die evenals zijne moeder, katholiek was, vestigde zich als advokaat in den Haag en werd er later bevriend met Huygens, die het zeker heel aardig vond, op zijn ouden dag met den zoon en neef van twee vriendinnen uit zijn jeugd in aanraking te komen. Romanus dichtte in het Latijn en in het Nederlandsch en heeft met Huygens menig versje gewisseld4).

Op verzoek van Brandt bracht Johannes Vollenhove, predikant in den Haag, in Februari 1679 aan Romanus een bezoek en gaf den 20sten van die maand daarvan het volgende verslag aan Brandt5): ‘Den Heere Advokaat Romanus van Wezel heb ik niet vergeefs, als Uw Eerw. zien kan, kennis gegeven van uwe begeerte en aan-

[p. XLVII]

biedinge; en by die gelegenheid fraaie kunst gezien van zyne moeder en moei, Anna, Tesselschade Roemer Visschers, bestaande in schilderyen, borduursel, aardig schrift en beelden op glas, by zo aanzienlyke steden, als Dordrecht en Antwerpen, met papiere en zilvere dankzeggingen vergolden, en niet weinig poëzye van Anna Roemer Visschers, waar in niet weinig kon verbetert worden door de hand van een keurig kenner, ook naar van Wezels oordeel, maar geestig te achten naar gelegenheid van die tijdt en die sexe. Hij hadde nog eenige boeken van Tassoos verlost Jerusalem, door Tesselschade vertaalt, een onvoltrokken werk, en verhief de gedichten van zyne moei boven zyne eige moeder .... Maar van Tesselschade heeft de neef het minste, en al wat by hem berust, is onvoltooit, of zulx op papier geworpen, dat het naulyx leesbaar is. Hij dreigt de werkjes van beide die zusters eens teffens met de zyne uit te geven....’ Romanus heeft echter aan dat voornemen geen gevolg gegeven en de papieren van Tesselschade zijn vernietigd of bevinden zich in handen van hartstochtelijke autographenverzamelers, die hunne schatten zorgvuldig bewaken tegen de nieuwsgierige oogen van hen, die de autographen kunnen lezen1). Door dezen brief weten wij althans, dat de vertaling van Tasso niet voltooid is.

Eene enkele maal komen bij eene verkooping van autographen handschriften van Tesselschade voor, die waarschijnlijk niet afkomstig zijn van de verzameling van Romanus van Wesel. Er bestaat een brief van Tesselschade aan Hooft, natuurlijk zonder datum,

[p. XLVIII]

waarin een gedicht van haar is opgenomen met den beginregel: Dat Barlaeus pen soo met my om wou springen1). Er is een ‘album amicorum’ van Jerome de Backere2), waarin Barlaeus, Heinsius, Roemer Visscher, Anna en Tesselschade hebben geschreven3). Maar dit album is even onvindbaar als de zoo even genoemde brief. Dat er verscheiden verzen van Tesselschade verloren zijn gegaan, blijkt uit de hierachter gedrukte briefwisseling.

En het staat nog slechter met hare glasgravure4). Voor Hooft graveerde zij op een roemer de woorden A demain les affaires. Toen het glas gebroken was, verzocht hij de woorden op nieuw te graveeren en tevens op twee kleinere glazen respectievelijk Speculum mentis. Fomentum amoris en de vertaling dier woorden Spiegel van de binneborst. Doojnat op de minnevorst5). Uit het antwoord blijkt, dat één beker gebroken was en het Hollandsche opschrift te uitvoerig, waarom zij alleen een roemer zendt met het Latijnsche opschrift6). In 1633 graveerde zij op een roemer voor Leonora Hellemans de woorden Altijts vroo7). In 1640 verzocht Hooft haar, op een roemer te graveeren Pergens in melius8) voor zijn schoonzoon, en drie jaren later om een roemer met zijn devies Omnibus idem en zijn blazoen, ‘eene zon’, en om een anderen met het devies zijner vrouw Par la grace de Dieu en ‘een stuksken velds met drie strujken witte leelijen’ als blazoen9). Zij schijnt die roemers gezonden te hebben te gelijk met een derden, die echter gebroken was; dat was minder erg, omdat het Italiaansche opschrift daarvan foutief was; er had noi moeten staan en niet me10). Ongeveer een jaar later zinspeelt Hooft nog eens op een roemer met hetzelfde, maar verbeterde opschrift11); het blijkt echter niet, dat Tesselschade aan zijn verlangen heeft voldaan.

Wij weten verder, dat Huygens in 1623 Anna en Tesselschade

[p. XLIX]

verzocht ‘om twee beschreven ruyten’1), voor zijn nichtje Susanne van Baerle, en dat Tesselschade, waarschijnlijk voor Barlaeus, een roemer heeft versierd met eene Latijnsche spreuk, die aanvangt met de woorden Bona mente2).

Weinig of niets is er overgebleven van die glasgravures, dat wij met zekerheid aan Tesselschade kunnen toekennen. De Heer A.D. Schinkel bezat een fraaien roemer met de spreuk A Demain les Affaires3), die thans deel uitmaakt van de verzameling in het Nederlandsch Museum voor Geschiedenis en Kunst te Amsterdam, en hier, bij blz. 97 is afgebeeld. Dit kan de roemer zijn, dien zij in 1632 aan Hooft schonk4), daar zij in haar brief niet duidelijk zegt, welke roemer gebroken is, en Hooft in dezen tijd een versje schreef Op de Roemer beschreven by Joff.re Tesselscha5).

1)Zie voor het bovenstaande Mr. N. de Roever, Oud-Holland, I, 1883, blz. 243-249.
2)Vgl. Brabbeling van Roemer Visscher. Bij hem selven oversien, en meer als de helft vermeerdert. (Vignet: Twee kannen en een glas; daarboven: Elck wat Wils). t' Amsterdam, By Willem Jansz. op 't Water, inde Sonne-wyser, 1614, blz. 142.
1)Zie t.a.p., blz. 43, Quicken, III, 2. en blz. 180 in 'T Lof van de mutse.
2)Verscheidene daarvan zijn aangewezen door J.F.M. Sterck, Oud-Holland, XXXIII, 1915, blz. 213-215.
3)Vgl. Quicken, V, 57; IV, 24; III, 14 (vgl. Brabbeling, blz. 75, 40, 55).
4)Zie Sterck, t.a.p., blz. 216, 217. Het zijn Quicken, IV, 21; Rommelsoo, I, 3 (vgl. Brabbeling, blz. 55 en 104). Daaraan kan nog worden toegevoegd Quicken, III, 29; V, 34 (t.a.p., blz. 43 en 70).
5)No. 5 (vgl. Brabbeling, blz. 150).
6)tergt.
7)Zie Brabbeling, blz.173.
8)T.a.p., blz. 163.
9)Den 26sten Februari werd het paar in het kerk-inteekenboek te Amsterdam in ondertrouw aangeteekend. Zie De Roever, t.a.p., blz. 240. In dien tijd waren er nog geene puiboeken, waarin de huwelijken van niet-protestanten of gemengde huwelijken werden aangeteekend.
10)Dat blijkt uit eene acte van 1622, waarin zij alle vier grond afstaan voor eene pastorie in de Zyp. (Vgl. Sterck in het Vierde verslag der Vereeniging Het Vondel Museum, Amsterdam, 1910, blz. 41). Het kan echter zijn, dat hij de Katholieke kerk den rug heeft toegekeerd zonder tot het protestantisme over te gaan. Dat deden zeer velen in dien tijd. En daarmee zijn zeer goed de voorzichtige woorden van Wagenaar, Amsterdam, 8o. XI, blz. 200, te verklaren, die zegt: ‘Ik meen, dat Roemer Visscher, even als Spieghel, zich altoos gehouden heeft bij de Roomse Kerke, in welke hij opgevoed was.’
1)Nl. T' loff vande Mutse, ende van een blaewe scheen; Met noch ander ghenoeghelicke boerten ende quicken, Soo uyt het Griecks, Latijn, en Franchoys in rijm overgheset, als selffs Poeetelick ghedicht. Tot vermaeckelickheyt van alle luyden nieuwelickx in druck ghebracht. Tot Leyden. By Ian Paets Iacobszoon. Anno 1612.
2)Dit is de Brabbeling; zie den titel boven.
3)Zie Rommelsoo, I, 3 (vgl. Brabbeling, blz. 104.
4)Zie Quicken, V, 3-5 (vgl. Brabbeling, blz. 77), Rommelsoo, I, 58 (t.a.p., blz. 117), en Dousa's gedicht aan Spieghel in de Voor-reden der Leidsche uitgave.
1)Vgl. Sterck in Oud-Holland, 1915, blz. 216.
2)Zie Rommelsoo, I, 55, 56, 61, 62; II, 34, 35 (vgl. Brabbeling, blz. 115, 118, 119, 123).
3)Blz. 195-217.
4)bestaande in vier deelen: 1. Twééspraack van de Nederduytsche letterkunst, 2. Ruygh-bewerp van de Redenkaveling. 3. Kort begrip des redenkavelings, in slechten rijm, 4. Rederijckkunst, in rijm op 't kortst vervat.-Dat Visscher daaraan heeft meegewerkt, blijkt uit een brief van Bredero (vgl. De werken, III, 1890, blz. 147).
5)Zie Brabbeling, blz. 156-162.
6)Vgl. De Roever, t.a.p., blz. 244, 245. Zie vele zijner kleinere verzen en ook het gedicht Strijdt tusschen Waerheyt en Schijn (vgl. Brabbeling, blz. 182).
7)Zie daarover en over andere handelstransacties van Roemer, Sterck, t.a.p., blz. 221-242, waar ook vele acten zijn afgedrukt.
8)In 1592 leende hij de stad f 600 voor het aanleggen van fortificaties. (Vgl. De Roever, t.a.p., blz. 245)
1)Zie t.a.p.
2)Het 4de huis van den Zeedijk en het 9de van het Kamperhoofd. (T.a.p., blz. 246).
3)Zie Sterck, blz. 235.
4)Zie over huis en pakhuis, De Roever in De Navorscher, XXIX, 1879, blz. 558-561.
5)Zie Vondels gedicht De tortsen van A. Krombalch...., vs. 267 (vgl. beneden, blz. 51).
6)Vgl. De Roever, Uit onze oude Amstelstad, Amsterdam, III, 1891, blz. 87-89.
7)Vgl. Ernst Brinck, eerste secretaris van het Nederlandsch gezantschap te Constantinopel, later burgemeester van Harderwijk, meerendeels naar onuitgegeven bronnen geschetst door Jhr. F.A. Ridder van Rappard .... Niet in den handel .... Utrecht (1867), blz. 30.
8)Waarschijnlijk was zij in het laatst van dat jaar en niet in 1584 geboren, zooals meestal wordt opgegeven. (Vgl. De Roever, in Oud-Holland, t.a.p., blz. 242, 243).
1)Zie J.H.W. Unger in Oud. Holland, III, 188, blz. 165.
2)Gewoonlijk wordt 21 Maart als haar geboortedag opgegeven, maar in 1646 schreef Barlaeus het gedicht In natalem Tesselae qui Martij fuit XXV (zie beneden, blz. 323), en, zoo iemand, dan zal hij haar verjaardag wel precies geweten hebben.
3)Mr. W.R. Veder, archivaris van Amsterdam, was zoo vriendelijk, op mijn verzoek een onderzoek in te stellen in de doopregisters. In dat van de Nieuwe Kerk komt op 3 April voor: ‘roemer fysgher en efgen jans syn huyssrou ende al jans als peet het kint heet marritgen’.
4)Aeltje Jansdochter van Delft was in 1590 uit Roemers huis getrouwd met Lieven Pietersz en woonde te Rotterdam. (Zie De Roever, t.a.p., blz. 246).
5)Zie Wagenaar, Vaderlandsche Historie, VIII, blz. 381.
6)Ernst Brinck (t.a.p.) bericht dat met de volgende woorden: ‘Sijn jongste dochter heet Tesselschae omdat sy geboren was, op dien tijt, als in Tessel veel schepen bleven, oock omdat hy daer veel by verloor.’
7)In eene acte van 1640 geeft hij zich op als ‘out omtrent 40 jaren’. (Vgl. Sterck, t.a.p., blz. 241).
1)‘buiten de stad.’
2)Door Ernst Brinck, t.a.p.
3)Vgl. Dr. J. te Winkel, De ontwikkelingsgang der Nederlandsche letterkunde, Haarlem, 1, 1908, blz. 350.
4)Rommelsoo, I, 43 (vgl. Brabbeling, blz. 113).
1)van spreken.
2)Zie Unger in Oud-Holland, I, blz. 167.
3)T.a.p., blz. 197.
4)Zie beneden, blz. 3-12). Waarschijnlijk heeft Bredero nog meer verzen aan haar gericht, maar van deze alleen staat het vast, dat zij op Tesselschade doelen.
5)Zij zijn uitgegeven door A.D. Schinkel, Honderd Christelijke Zinnebeelden naar Georgette de Montenay door Anna Roemers Visscher, uitgegeven naar het oorspronkelijk Handschrift, 1854, en door Dr. N. Beets, Alle de gedichten van Anna Roemers Visscher ... Utrecht, 1881, blz. 13-112.
6)Vgl. Beets, II, blz. 1-55.
7)T.a.p., blz. 6, 16, 34, en Gedichten van Constantijn Huygens, naar zijn handschrift uitgegeven door Dr. J.A, Worp, Groningen, I, blz. 129, 134, 135, 140.
1)Aefgen werd 26 Febr. 1619, Roemer 11 Febr. 1620 in de Oude Kerk begraven (vgl. Unger, t.a.p., blz. 164).
2)Pieter ontvangt 23 Juni 1620 volmacht om een stuk land in de Zijpe te transporteeren aan den Raadsheer Ellert de Veer (zie Bijlage I), den zoon van den bekenden geschiedschrijver, wiens vader was Dirck Jacobsz. Quintingh, en neef van Dirck Jansz. Quintingh, den zwager van Allard Crombalgh.
3)Zie Sterck, t.a.p., blz. 240.
4)Zie Hoofts vers Een Majeboom .... en Huygens' Muydsche reis .... (vgl. beneden, blz. 19 en 20).
5)Zie blz. 17.
6)G. Brandt stelt dit in het jaar 1625 (vgl. zijn Leven van Vondel, uitgegeven door Verwijs, 1866, blz. 21, 22), maar dat is zeker foutief. Zouden Hooft en Reael met Vondel zijn samengekomen voor zulk een doel, in een huis, dat alleen bewoond werd door den 25-jarigen Pieter Visscher?
1)Zie De tortsen van Allard Krombalch ...., vs. 287, vlgg. (vgl. blz. 52).
2)Zie Vondels Vechtzangk.... vs. 41, vlgg. (vgl. blz. 42).
3)In het Puiboek wordt gevonden 1 November 1623. Compareerden voor Claes Pietersz en Cornelis Schellinger, Allart Jansz Krombalch van Alckmaar, geen ouders hebbende, geassisteert met sijn swaager Dirck Jansz Qui[n]tingh, woonende tot Alckmaer, alwaer de gebooden mede gaen, met Tesselschaa Visschers, out 28 jaaren, geen ouders hebbende, geassisteert met Truytie Visschers, haar suster, op de Gelderse Kai. Get.: Allart Janssoon Crombalch. Tesselscha Roemers Visschers. Vgl. Van Lennep's Vondel, VI, Nalezing en Aanteekeningen, blz. 13. Maar waarom in het Puiboek en niet in het Kerkelijk inteekenregister?
4)Zie den brief van Tesselschade op blz. 99-100.
5)Zie blz. 37 en 54.
6)Zie op blz. 56 zijn gedicht Op de selve Bruijloft Reise. Over Haerlem.
7)Zie op blz. 57 zijn gedicht Vier en Vlam.
8)Daar woonden zij althans in 1628; zie Hoofts brief op blz. 76-77.
1)Mededeeling van Juffr. C.E.C. Bruining te Alkmaar.
2)Zie Bijlage IV.
3)Zie over Anna's huwelijk, Beets, t.a.p., II, blz. 211, vlgg.
4)Vgl. De Roever in De Navorscher, 1879, blz. 561. Er was te Amsterdam een college vijf wijnroeiers, die wijnen, brandewijnen en traan in ongeijkte fusten moesten peilen. De Roever kende het ambt van ‘vader van de wijnroeiers’ niet.
5)Zie Dr. J.H. Gallée in De Nederlandsche Spectator, 1877, blz. 324.
1)Vgl. De Roever, t.a.p. blz. 559 en 561.
2)Vgl. Sterck, t.a.p., blz. 241.
3)Vgl. De Roever, t.a.p., blz. 561. Zie nog over hem Bijlage VII.
4)Zie Bijlage V.
5)Zie Bijlage IV.
6)Mededeeling van Juffr. C.E.C. Bruining.
7)Zie Bijlage IV.
8)Haar naam komt niet in de Alkmaarsche doopboeken voor; zie echter de brieven van Hooft op blz. 76 en 77-78.
9)Ook de naam van dit kind komt niet voor in de doopboeken; Juffr. Bruining deelde mij den dag der begrafenis mede.
1)Zie blz. 79.
2)Zie blz. 83.
3)Zie blz. 72-73.
1)Hier zijn alleen zij genoemd, van wie wij uit Hooft's brieven weten dat zij Tesselschade ontmoet hebben. Het aantal van hen, die gasten waren van den Drost is veel grooter.
2)Zie blz. 81.
3)Zie voor het volgende, Wagenaar, Amsterdam, 8o, IV, blz. 375-486, passim, en Dr. J.H. Gallée, Academie en Kerkeraad, 1617-1632, Utrecht, J.L. Beijers, 1878, blz. 21-47.
1)Vgl. Unger's Vondel, 1630-1636, blz. 1
2)T.a.p. blz. 2-6, 246-320.
3)T.a.p. blz. 1, Noot.
4)Zie blz. 81.
5)Zie bl. 100.
6)Zie blz. 104.
7)Zie blz. 112.
8)Zie blz. 117.
1)Zie blz. 121.
2)Vgl. Dagboek van Constantijn Huygens ... uitgegeven door J.H.W. Unger (Bijlage van Oud-Holland, 1885), Amsterdam, blz. 25.
3)Zie blz. 129.