Tessela invitanti rescripsit, facile se intelligere, jucundum iter Hagiense fore, at cum sub tutela sororis Annae2) (quam rigide averruncandam praeceperam) latere non possit, superesse solos Hoofdios, um et am, quibus comitibus decore utatur. Hosce vero aestivos, ait, aves hac anni tempestate vix nidum relicturos. Itaque ventura est, nam ipsam Hoofdiam propediem huc adactum iri instante partu filiae3), a te habemus. Et pollicitus est nobilissimus Wicofortius, haec se rerum atque temporum momenta concinnaturum, at Hagae fiat, quod Mudae destinatum erat. Redeo igitur ad antiquum Vicimus4), nec ausit Tessela videri ἀτΕσσΕλΕν. Quod quam nescis tu amoris vim, ego ambitiunculae scintillam interpretor. Fortior haberi vult, et qui-
dem sic meretur, quam qui fortissima vincit moenia. Fiet hoc palam novo, ecce, documento, grandi allocutione, cuius hic exemplum habes; Dies illi festos inscripsi1) et quando nos in arenam religionis traxit, semel illi omnem controversiam movendam duxi, semel oggerendas omnes ineptias Romanas. Confodienda fuit capulo tenus. Ut res ceciderit, tu arbitrare; ut casura sit, admodum securus expecto.
... Cum Tessela statariam iam pugnam aggrederis; ego vos commisi. Deus e machina commissos derimat; gloriosum adversarium nacta est, nec tu ignobilem Camillam.3) Totam Babylonem4) invades; omnes meretriculae istius abcessus pertundis acerrime. Redit ad te exemplar5) tuum; descripsit filius, ut amicis legendum per occasiones detur. Si Tesselam bene novi, non respondebit; amat discursus breves6); ego illam ob virtutes summas veneror. Hodie illi scripsi: Vivamus, mea Tessela atque amemus, Insultusque senum, sed aulicorum, omnes unius aestimemus, etc. Te disputantem aequo animo ferre potest, mi iniquissimo ferat, praesertim si capulo
tenus illam vellem confodere1). Vale amicorum princeps integerrime.
Amstelod., 8 Febr. 1645.
Commissus est cum Tessela Zulechemius, et in arenam descendit. Quis succumbet? Videtur Zulechemius amicorum conventum indicere velle Hagae-comitis; ego nolo abesse, et mecum adducam Hoofdium.
19 Febr. 1645.
Constanter.
23 Febr. 1645.
Constanter.
Amstelod. 24 Feb.
(C. Barlaeus).
27 Febr. 1645.
Constanter.
Mijn' Heere ende Neeve,
Ick hoope dat U Eed, Gestr. oover acht daaghen den baerenzak3), neevens mijne dankzegging voor de eere ende goede siere, genooten bij U Eed. Gestr., wel zal ontfangen hebben. Nu is deeze, om aan U Ed. Gestr. te richten het neevensgaande afschrift, getooghen ujt eenen brief, die, hoewel geschreeven ujt Rotterdam, den 23en deezer maant, mij eerst gister ter handt quam. U Ed. Gestr. gelieve 't zelve te vertoonen aan Joffr.e Tesselscha, op dat haare Ed., ziende dat de H. Barlaeus van die waaren is, die ter greepe wegh gaan, ende daar veele handen naa strekken, zich niet al te kostelijk houde4, maar toetaste, oft gaape, indien hij haar pap biedt. Maar het dient verhoolen gehouden voor zijne E., opdat hij zich niet bezondighe in ijdele gloorie, ende al te spijtigh worde, als zijnde begeert van Vidua Regis5). Want die naam wordt in het Duitsch van den brief uitgedrukt. Dat de gemelde Joffrouw6) in den Haaghe is, heb jk uit zijne E. verstaan, ende heeden ujt zijn gezin, dat hij haar op eergister gevolght is7); wel bujten mijn' gissing, alzoo hij mij gezeidt
had, zich tot de rejze niet te kunnen beleedighen1). Ik geev U Eed. Gestr. te denken, oft dit rondelijk gehandelt is teeghens eenen vrindt, dat zijn E. alzoo ter slujk vertrekt, zonder mij een woordt daaraf te zeggen; ende oft de min groot is, die zijn' E. zoo verblindt, dat hij waant te ontveinzen een' heele Haaghsche rejz. Wen zijn volk die verzweeghen hadde, zoo zoude de deur der Doorluchtighe Schoole immers daaraf klappen2). Deeze dubbelheit van mij zoo te bedrieghen, waare stofs genoegh voor eenen Franschman tot een Duël. Maar jk ben zoo heet niet gebaakert, ende naader aan den Duitschen kant, zoo dat jk, indien zijn E. 't krakkeel aldaar met U.E. Gestr. wil afdrinken, daar niet teeghen heb. Maar daar moest een zwaare beeker op staan, ten minste een roemer, gesneeden van Roemers dochter, op wiens gezondheit de wijn zoo wel smaaken zal, als op een stuk groene kaaz. Ik dar vertrouwen, dat haare E., de Heer van Zuilichem, U Eed. Gestr., ende al het gezelschap, waaraan jk mij weldienstelijk3) gebiede, geen' zwaarigheit zullen vinden in den pais, tussen zijn' E. ende mij, op die wijze te maaken. Beati pacifici4). Zoo U.E.E. niet den heemel juist, zij zullen 'er ten minste een' vroolijken dagh oft aavondt meê winnen, ende jk daaraan mijn deel hebben naar den geest, Dus verre jok; maar dit is ernst, dat jk ben en blijf,
Mijn' Heere ende Neeve,
U Eed. Gestr. Ootmoedighe, onderdaane dienaar, P.C. Hooft.
T' Amsterdam, 27 Feb. 1645.
1 Mart. 1645.
Constanter.
Nescio an fatis, an vobis irasci debeam, qui voluptatum dies indicitis mihi plane intempestivos. Cum docendum nobis est, advocatis viduas, et adsunt; cum docendum non est, adsum ego sine illis. Scilicet metuitis, ne, si ad illas accedam, incalescam nimis. Illud scito, me et amoris aliquid et humoris, ut Plautinis verbis2) utar, habere in meo corpore, et nondum exaruisse ex rebus amoenis et voluptarijs. Voluissem interesse vestris coetibus, homo minime morosus; sed visum vobis ea tempora eligere, quibus mihi reddendum temporis tributum. Sed devorabo hoc sive infortunium, sive iniuriam, qui maioribus fui par. Ob Bacchanalium biduum feriati sumus, quod itione et reditione absorptum fuisset. Scripsit Satrapa ex relatu an-
Nescio an legitimae censeri debeant excusatiunculae, quibus te subducere recriminator satagis nimium nobis perspectae veritati. Etenim te Bacchanalibus diebus Hagae condixeras; quo cur non adnataveris, Leander, ne ipsâ quidem Hero facem exhibente5), amplioris otij disceptatio erit. Interim fatemur, te non illepide circumvenisse nos, qui relictâ nobis exangui viduâ, cum succulentis novem puellis6) securissime rem habuisti.......... Tum vernaculi nonnihil (invenies), quo viduam, dum adfuit, oblectare conati sumus et, si ausim dicere, oblectavimus. Discedens enim candidissime professa est, plane se itineris non poenitere. Ut de reditu annuo, quem, ut videbis, stipulati sumus, non arbitrer desperandum.
13 Mart. 1645.
Constanter.
Jam cum Jesuitis nobis res est; forte quia de Tessela omnis sermo est. (Volgt een oordeel over Latijnsche verzen van twee Duitsche Jezuieten, n.l. Jacob Balde te München en Martin Siben, te Keulen. Bij dezen brief behoort het volgende gedicht.) Illud tuum (carmen) in Tesselae discessum3) plane divinum est et elegans, ubi ad sortem et usuram alludis.
C. Barlaeus.
Mejoffrouwe,
U E brief, laatst ontfangen, mag ik wel godlijk noemen; eerstlijk om dat hij naa eeuwige vriendtschap smaakt, daarna, om de heemelsche geestigheit der invallen, die hy behelst; en eindtlijk, om dat hy, gelijk de Gooden, altijdts eeven jong zal blijven, dewijl hy geenerley merk draagt van den dag zyner geboorte2). Ende, aangezien hy doch niet oudt worden kan, zoo heb ik te min geschreumt hem een' wijl onbeantwoordt te laaten, en ter tijdt toe dat ik den Heere Barlaeus zoude gesprooken hebben, om te hooren oft zijn Ed. eenige kennis hadde aan 't gedicht3) van Vastaardt, dat in U Ed. veirsen4)
schijnt het smalle weeuwenlof genoemt te worden. Want, zonder 't zelve gezien, oft den zin van dien verstaan te hebben, wist ik nochte dien tytel, nochte den naam byzit wel t' huis te brengen. Nu is zijn Ed. het eerst in ontrent acht daagen ('t welk zelden gebeurt) my op gister koomen bezoeken, maar weet van 't voorzeide gedicht van Vastaart meer niet dan ik. Dies moeten wy in den droom blijven, tot dat U E gelieve ons 't selve toe te zeinden. Ik verbly my in den opgang van de nieuwe zon der poezye, waaraf U E vermaan maakt1) ende dank dat geestig paar2), voor dat hun gelieft heeft my daar mêe te bedenken. Mijn' dochter Christina3) is noch tot Rotterdam, van waar zy haare zuster Zuzanna verlost heeft. Ik weet niet, hoe men haar van de nieuwe vrucht, die mijn' huisvrouw oudt maakt, zal kunnen afscheuren. Want haar' hoogste weelde schijnt schier te bestaan in weldoen aan jonge kinderen. Daarentusschen zal zy, zoo ik iet op haar vermag, niet laaten, onder andre vruntlijkheeden, Joffrouwe U E. dochter met schrijven te behaagen, indien haare Ed. daar meede vermaakt is, ende niet schuw van weederschrijven. Want, gelijk U E weet: de eene min brengt d' ander' in. Voor my, ik hoop U E nemmermeer oorzaak te geeven tot zwakking van 't vertrouwen dat U E stelt op de geduurigheit en vuurigheit der vrundschappe, U E toegedraagen,
Mejoffrouwe van UE Verplichten dienstwillig.sten P.C. Hooft.
T' Amsterdam, den zesden van Grasmaant 1645.
Myn Heer ....
Op U E laestleden brief, die vol Goddelycke Ernst is, soud ick koenen aentwoorden en zeggen:
dan onse vrindtschap en is geen Comedywerck; sy is soo schoon van achter als van vooren, van Jongs als van Oudts; dies sal ick de eer aen mij laeten leenen, omdat daer soo veel blyckx van waerheyts aen is, ende antwoorden op u E begeeren van het smal weuwen lof, daer ick niet anders aff en heb als het geen' daer u brieff af melt, van het slaepen van sekre wedu en weuwenaer, aen myn heer Barleus gesonden van de heer van Zuylech[em]: siet ick be sitse maer1).
Dat is immer[s] by sit noemen, ende u E yver over mij, die schynt dit wat vremt te luyden; dit heb ik willen verdadigen2) met het laeste gedichje, en anders niet. Syn hertelyck gegroet met u E beminde huys genooten, van my, u e vrindinne
TesselSchade Roemers.
Adres: Aen myn Heer || myn Heer Hooft || Drossaert van Muyden.
Oost Eeckeloo, 24 Aug. 1645.
Constanter.
Maar het bedroeft mij te verneemen, dat Mê Vrouw, U. Eed. Gestr. waarde helfte, te spaade gekoomen is, om ons op gister, neevens de HH. Barlaeus ende Poirier2) met de eere haarder jeeghen-woordigheit te begunstighen. Jndien haare Eed. ende U. Eed. Gestr. dit ongeluk zoo leedt is als ons, de schaade zal haast geboet worden, waarnaa ons zeer verlangt. Joffrouw Crombalgh vertrok deezen morghen naa Weesp, om daar te blijven bij haaren neef van Buil3), tot morghen aavondt. Als dan zullen wij in geenen gebreeke blijven van U. Eed. Gestr. groetenis te doen.
Mijn Heer,
Doen eens een kleet van oudts mocht veertich jaeren dueren, doe hielt men 't voor genae, daer wy het noch voor houwen, en Vastart sejdt, 't was nu de Huyd vol plagen, door de verdurven onraedt van
Hoofsche dertelhêen. Dies zouden wy gaeren, niet door kranckhejt van quistsucht, maer wel door vaste vrindtschap, een taeyer stoff als vliegers1) lichtichejt, gelockt zijn, om Ue t' Amsterdam in de winterhuyshoudinghe, ons vrindelyck aengeboeden, te koemen besoecken, daer wy we hertelyck aff bedancken. En noch hapert er des geen ongerijmde ......
G. Brandt.
20 Maart 1646.
Alida Bruno.
(C. Barlaeus).
2 Apr. 1646.
Constanter.
Tessela,
In eius natalem, qui in mensem Martium incidit, nuper lusi haec disticha1).... Mihi musculos Pettemenses misit, hiantes adhuc et a suctione recentes.
(C. Barlaeus.)
Fui ante biduum apud Tesselam Alcmariae; pingit et Parnassos portatiles condit sagax mulier; illic vertices, latebras et secessus fabricat, unum tibi, alterum mihi in monte fecit. Illam hic expectamus, ut Mudam abeat cum Zammero2) cognato, comite perpetuo, quem, quoties iocari libet, non Draconem, sed custodem aurei velleris vocare soleo, ne illud Iason aliquis aut Argonauta3) Amstelodamensis auferat. Vellem te prunis Mudensibus nobiscum vesci posse, seposita omni zelotypia. Sed vicinior es istorum prunorum et glandium messi, quibus urbes et castella subruuntur et oppugnantur. Faxit Deus, ne istius ilicis te fructus feriat. Est enim ex illarum nucum numero, quarum unica prodest, nocet altera, tertia mors est.
Amersfortiam2) hodie profectus, ut res Ill. Comitis Mauritij3) istic curem, non possum crastino die Dominam Tesselam seducere; alit istic pictores preciosissimae dexterae et pigerrimae ....... Vale, vir maxime, et reducem exspecta, ut D. Tesselam et pruna salutem.
Myn Heer en me vrouw Hoofts.
Wy hebben ue aengenaemen brieff ontfangen, die melden ue gesontheyt, en ons vermaeckelyck verlangen om te Muijden te hooven5).
Wy zullen koemen nae ue begeeren, zyn al op koemende wegh, zullen morgen te Wesep syn tot ons neeff van Buijl6), zullen een sondach weder t' Amsterdam komen op middach eeten, en dan een maendach op Muijden. Sijt godt bevoelen met ue beminde Helionoras7).
Juffrouw Cristi[n]a1) moet ock gegroet zyn van haer en ve vrindinne,
Tessel Schade Roemers.
Den 22 Augustus Ann. 1646.
Quod superest secuisti venam mihi acumine ipso versiculorum quos Tessalae opificio inscripsisti. Et ecce quid emicuerit sanguinis biliosi. Nihil clementius a perpetuo rivali poteras expectare. Ride, atque ut Incerti3), tecum habe quorum nec ipsi Phoebo copiam factam velim.
28 Aug.
In Castris S. Gillis.
(S. Ingels.)
Mijn Heere,
Gister, op den middag, aan den avondt, trokken wij hier op, onder 't beleidt van den ouden Sammer, naa de veerschuit, ende stonden daar ter praale, oft (om een krijgsmans phrasis te gebruiken) en parade, met goede meening van U Ed. treflijk t'ontfangen en in te haalen. Maar, die niet quam, was de Poeet, naa wiens gezelschap al het gezelschap hier hongert. Lust het nu U Ed. te gaste te koomen by luiden die honger lijden, wy zien 't aan; en U Ed. niet alleen, maar ook de Excellentie van Doctor Koster2), U E. zoon en schoondochter3), Joffrouw Mostart4), en alle die 't U E. gelieven zal ons toe te voeren, zullen ons vriendschap doen met koomen, mits dat zy zich vergenoegen met een banket van lauwer en klimopbladen, oft,
ten hoogste, van festoenen, die georbert dienen, en niet veel langer duuren moogen. Valt 'er dan iets anders toe, dat moogen ze voor een gelukjen reekenen, want de hal zal geslooten zijn, eer mijn huishoudster daar een briefjen krijgen kan. Waare U E. een Jan Hen, die zulke getijden wiste te kaavelen1), wel zoud' het ons te passe gekoomen zijn, alzoo U E. in dien gevalle wel wat eer zoude geschreeven hebben. Nu, met zijn Excellentie voorzeidt zijn wy niet bekommert2); die kan genoeg by 't loof leeven, jaa, enkelijk by het tellen van de blaaden der boomen. Voor graager volk is 'er noch een' rest pruimen, en misschien een deel fricadellen, vrijsters kost, naar Kosters gevoelen, oft een verkensbil ten beste. Tesseltjen quijnde gister (wie weet oft het om U E. was?), ende at 's middags niet, s'avondts een kommetje bierenbroodts. Een paar Doctooren, gelijk U E. en de Heer Koster, zouden misschien practijx genoeg hebben, om haar voort uit deeze bedroefde, bedorvene wereldt te helpen, die zy doch half gestorven is3). Deeze zijn de nieuwmaaren, die ik U E. van hier weet te schrijven. U E. zal zeggen: 't is altemaal jok. Zoo zijn ook dikwijls de looptijdingen4). Maar dit is ernst, dat U E., met een heel heir ook, ons zal welkoom weezen, en altijd blijven wil,
Mijn Heere,
UE. Ootmoedige, onderdaane dienaar P.C. Hooft.
Ter vlucht, van den Huize te Muide, den eersten van Herfstmaant 1646.
maturitatem arboribus decutere, ad discrimen illorum, quae sinus abscondit. Exposui illi quaedam tui carminis, sed non omnia, non illa de muscosi fontis via, etc.1)
Tessela praeter sacra nihil loquiter nec scribit.
Myn Heer Bareleus,
Wilt dees ingeleyde brieff aen myn vrouw Hoofts behandigen.
Het is nae myn vermogen vertroosting over het droevigh overlyden van haer dochtr. Ende sendt my eens het sonnet by my gemaeckt op S Stevensdagh4), dat ick noyt anders geschreven heb als in klad, en dat is verloeren.
Ick heb het belooft te geeven aen de nieuwe Musin Alida Bruno5), die soete dichjes dicht; ghy sult my vrindtschap doen, en ick sal blyven.
Tessela, Soo ghy myn acht, Al wout ghy my Negenen6).
Adres: Aen myn Heer || De Heer proffesser || Caspaer Bareleus || by het oudemannen Huys || op de oude zyts achter || burghwal || Tot || Amsterdam. || port.
Maria Crombalckia2), virgo ingeniosissima, Tesselae filia et proles unica, vere matrissans et Tesselizans, non Crombalkizans, in flore aetatis, in amplexibus maternis et materterae Annae, hodie ex febre ardenti exspiravit. Qua profecto morte, quae sorori meae lachrymas ubertim, mihique longa suspiria expressit, ita me animi fractum sentio, ut vix sim apud me.