Alle de gedichten. Deel 1


auteur: Jan Vos


bron: Jan Vos, Alle de gedichten van den Poëet Jan Vos. Jacob Lescailje, Amsterdam 1662.


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 655]origineel

Bruilofsdichten.

[p. 656]origineel

Bruilofskoets voor Karel de Wolf, en Juffrouw Adriane van Baarle.

 
Een ander mach 't gevry opzingen,
 
Mijn pen beschrijt de Bruilofskoets.
 
In 't vryen zijn veel bittre dingen.
 
't Omhelsen is een badt vol zoets.
 
O Venus rijk van staatjuffrouwen!
 
Verlaat uw hof om deeze zaal:
 
Op, help de Wolf zijn hoogtijdt houwen.
 
Een bruiloft past geen halve praal.
 
Hier hoest noch Hymens toors te blaaken;
 
Noch vloer bestrooit met roozeblaân:
 
De Bruidt heeft roozen op haar kaaken,
 
En toortslicht in haar voorhooft staan,
 
Getroude zijn om gunst verleege'.
 
Het huwen oogt op vreugdt en vrucht.
 
Waar Venus komt verwacht men zeege.
 
Op, Adriaan, zoo vol van tucht
 
Als schoonheidt, volg de minneschaaren.
 
Het trouwen is niet dan een bandt.
 
De lust van d'Echt bestaat in paaren.
 
Hoe! schrikt gy voor de leedekant?
 
De bedden zijn vol versche rooze';
 
De kussens klam van lekkerny:
 
Het teekwerk dauwt van zoet' ambrooze;
 
En 't dek van kuische snoepery.
[p. 657]origineel
 
De helsche Tweedracht, die haar toortsen
 
By andre zwaait, verschijnt hier niet:
 
Hier zweeven niet dan minnekoortsen.
 
De stylen zijn van suikerriet.
 
't Behangsel is van waare weelde,
 
Vol wellust, aan elkaâr geneit;
 
Deurwrocht met quiksche minnebeelde':
 
De lakens zijn vol dartelheidt.
 
Gy moet den disch om 't Bruidtsbedt laaten.
 
De liefde past een kort besluit.
 
Gy mint de Schaamt, die andre haaten.
 
De Schaamt ontsiert een schoone bruidt.
 
Het uchtentroodt begint te krieken.
 
Daar rijst het pronkstuk van Natuur:
 
Kupid' bedekt haar met zijn wieken.
 
O meer dan driemaal zaalig uur!
 
Zy wordt van Kusjes, Lachjes, Lonkjes,
 
Van Trekkebek, van Stookebrandt,
 
Van Minnetreekjes en van vonkjes,
 
Vol vreugdt, geleidt naar 't ledekant.
 
Hier hoopt de min zijn zaadt te zeien,
 
Om naar 't herscheppen van de Maan,
 
Een eeuwigh leevend' oest te meien.
 
De werreldt moet door min bestaan.
 
De nachtuil laat zich hier niet hooren,
 
Als eer, by Prognes bruilofsbedt.
 
De minnegodt heeft teeder' ooren.
 
De wellust zweeft hier onbelet.
 
Hier nestlen zwaanen, duiven, mussen,
 
De paarden van Vrou Venus koets;
 
Die vol van vuur elkander kussen.
 
Men zwemt hier in een zee vol zoets.
 
Men riekt hier niet dan geurge balssem.
 
Het allerlekkerste banket,
[p. 658]origineel
 
Is hier niet meer dan bitter alssem.
 
De Kuisheidt sluit van Baarles bedt,
 
Uit enkle schaamt, met haar gordynen
 
Nu zing de Minnegodt: o zon!
 
Vertrek van hier, ga elders schynen,
 
Als toen Jupijn Alcides won
 
By Alkemeen; verberg uw straalen:
 
Gy kunt de schaa van deezen dag
 
By andre weêr met winst in haalen.
 
Door zeege krijgt men groot gezag.
 
Men wacht uit deeze twee een Baarle,
 
Of jonge Wolf: maar tam van aart.
 
Geen schoonder, ja geen dierder paarle'
 
Dan 't leeven dat de liefde baart.
 
Hier komt de vreugdt de Min versteuren,
 
En stort een beek van poëzy,
 
De vroolijkheidt ontsluit haar deuren.
 
Mijn pen verdrenkt in lekkerny,
 
De koets is zoeter dan 't gevry