De Ajacieden


auteur: Maarten de Vos


bron: Maarten de Vos, De Ajacieden. De Boekerij, Baarn 1971.  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 150]

Sjakie is Ajax - Ajax is Sjakie

Op 20 november 1957 speelde een door precies vijftien supporters begeleid Ajax een Europa Cupwedstrijd in het Oostduitse Aue tegen kampioen Wismuth. In die tijd dácht Ajax er niet eens aan een speciaal vliegtuig te charteren - de treinreis duurde meer dan 16 uur. In die tijd begeleidde de sportpers het nog onbekende fenomeen van het Europees Cupvoetbal zeer summier - wedstrijden van dit kaliber waren eerder een curieus soort schoolreisjes. In die tijd was er geen Cruijff of Keizer - in het elftal van Ajax speelden doelman Eddy Pieters Graafland, de backs Ger van Maurik en Piet Ouderland; in de middenlinie opereerden Van Ham, Andriessen en Wim Feldmann en voorin zorgden Piet van der Kuil, Loek den Edel, Wim Bleijenburg en Willy Smidt voor het nodige vuurwerk.

Ajax schakelde Wismuth toen weliswaar uit, maar werd in de volgende ronde kansloos gewipt door het toentertijd sterke Vasas uit Boedapest. Die wedstrijd in Aue heeft dus schijnbaar alleen waarde voor de statistici, ware het niet, dat op die dag een talentvolle aanvaller zijn debuut in het Europees bekervoetbal maakte: amper negentien jaar was Jacques Swart toen hij het Europees bekertoernooi leerde kennen. Bijna veertien jaar later (!) stapte diezelfde Swart de heilige grasmat van Wembley op voor zijn twééde en ditmaal voor Ajax succesvolle Europese bekerfinale. Meer dan veertien jaar heeft Sjaak Swart zich als rechtsbuiten van Ajax in de absolute top kunnen handhaven. Was het wonder, dat Rinus Michels bij zijn afscheidsinterview in Het Parool ‘Swart de beste rechtsbuiten van Nederland’ noemde?

Swart is voor Ajax, wat Coen Moulijn voor Feijenoord is. Sjakie is in Amsterdam even populair als Coentje in Rotterdam.

[p. 151]

De buitenspeler Swart is tot 21 keer toe uit het Nederlands elftal verdreven, vóór hij herkozen werd door de diverse bondscoaches, die ons land in het tijdperk-Swart heeft gekend - de ups en downs van Moulijn zijn voer voor de knapste psychologen geworden. Maar nog altijd is veteraan ‘Paco’ Swart (de Ajacieden hebben hem dezelfde bijnaam gegeven als Real Madrids legendarische linksbuiten Francesco Gento) niet weg te denken van zijn eigen ‘stek’, aan de zijlijn; nog altijd brengt hij de fans in verrukking met zijn wervelende dribbels, zijn scherpe voorzetten en zijn spectaculaire doelpunten. Sjaak Swart is zonder twijfel een van de populairste spelers, die Ajax ooit gekend heeft. Zelfs Cruijff en Keizer krijgen na succesvolle wedstrijden niet zoveel blijken van waardering van de supporters als Swart, die zeer gevarieerde cadeaus pleegt te ontvangen: behalve de traditionele bloemstukken werd hem ooit zelfs een flesje slagroom in handen gestopt.

Swart en Ajax vormen een nooit meer te verwoesten tweeëenheid. Wie Ajax zegt, denkt aan Swart; wie Swart noemt denkt aan het prototype van de Ajacied. Swart stond met zijn vader op de staantribune Ajax te bewonderen, toen hij amper acht jaar oud was. En als pupilletje van OVVO blonk hij juist in de wedstrijdjes tegen Ajax uit. Met Ko Prins en Rob van Heeswijk in één elftal klopte OVVO Ajax 's met 7-0, Sjakie scoorde viermaal (‘Ik was toen al een moordenaar,’ zegt hij zelf, ‘ik schoot de keepertjes van mijn leeftijd met bal en al het doel in’). Toen ie elf was werd hij met nog iemand geselecteerd uit een groep van 80 ambitieuze voetballertjes, die Ajacied wilden worden. Sindsdien is hij niet meer uit de top van Ajax weg te denken geweest.

Meen niet, dat het Swart allemaal voor de wind gegaan is. Behalve de nervositeit, die hem na al die jaren nog hindert, heeft Swart ándere handicaps moeten overwinnen. Ruim veertien jaar topvoetbal vereist veel karakter, omdat talent alleen geen waarborg voor een langdurige carrière is. Het uitzonderlijke vleugeltalent Swart heeft behalve zijn eigen moeilijkheden ook de evolutie van het moderne voetbal moeten overwinnen. Toen Sjaak Swart furore maakte als explosieve aanvaller stond hij vijf kwartier stil aan de lijn en was hij hooguit één kwartier actief. En

[p. 152]

als hij dan vijf soli maakte en, pak weg, tien snijdende voorzetten gaf, dan speelde Swart een goeie wedstrijd. Voetbal in de vijftiger jaren vróeg niet meer. Bezie dan de taak van de moderne vleugelspeler, die zijn directe tegenstander moet afstoppen, wanneer die tien, vijftien keer per wedstrijd offensief wordt; die zwaarder dan ooit wordt getackeld en minder afspeelmogelijkheden dan vroeger heeft; van wie verwacht wordt dat hij een zeer duidelijk aandeel heeft in de doelpuntenproduktie; van wie, tenslotte, een actieradius wordt geëist, die alleen de allersterksten kunnen opbrengen.

Temidden van al die veranderingen is Sjaak Swart overeind gebleven dankzij een onverwoestbaar fanatisme en een voorbeeldige manier van leven. Wie aan het begin van het seizoen Ajax' geselecteerden aan het opvoeren van de conditionele vaardigheid bezig ziet, ontdekt temidden van dodelijk vermoeide voetballers één brokje absolute wanhoop. Méér dan wie ook loopt Swart ‘op zijn wenkbrauwen’. Langzamer dan bij wie ook tekent zich de vorm af aan het begin van het voetbalseizoen. En ieder jaar weer vragen zich de fans van slow-starter Swart af, of dít jaar niet zijn láátste jaar is. Maar de eerzucht van de donkere modelatleet Swart is onvoorstelbaar. Misschien is dat ook wel een van de meest opmerkelijke verschillen met Rotterdams nerveuze raspaardje Moulijn: als Coentje eenmaal uit vorm is of héét te zijn, dan duurt het enige tijd, vóór hij terug is; als Swart twee wedstrijden slecht speelt volgt er gegarandeerd een derde, waarin hij uitblinkt.

Sjaak Swart is maatschappelijk nú al een geslaagd zakenman. Behalve de inkomsten van een topvoetballer, toucheert hij ook de winsten van een zeer florerend bedrijf aan de Pontanusstraat 54, in het hartje van Amsterdam Oost, waar hij begon met sigaren en sigaretten te verkopen, maar waar hij nu zowat alles verkoopt, van sexblaadjes tot Ajax-stickers. Bovendien heeft hij samen met zijn vriend Bram Haverkamp (zelf een ex-profvoetballer) het restaurant aan de Jaap Edenbaan gepacht. Dáár viert de uitgebreide Ajax-aanhang 's zondagsavonds de successen nog eens dunnetjes over; dáár is stilaan een sportieve enclave aan het ontstaan en dáár verzamelt zich op de maandagavond, vreemd

[p. 153]

genoeg, een gedeelte van de hoofdstedelijke jet-set: Haverkamp memoreert niet zonder trots een gemêleerd gezelschap, onder wie prominente trendsetters als kapper Loek Limburg en tabaksmagnaat Orlov figureren. Bovendien ziet het ernaar uit, dat de voortvarende tandem Haverkamp-Swart binnenkort in het Italiaanse Cattolica een originele oer-Nederlandse ‘patat- en krokettenzaak’ kan beginnen.

Sjaak Swart, kortom, zal zich, financieel gezien, voor de rest van zijn leven weinig zorgen hoeven maken. Juist daarom is mij aan hem altijd een onvoorstelbare naïviteit opgevallen. In die keihard werkende zakenman, in die serieuze en zorgzame huisvader van twee dochtertjes schuilt soms nog Het Kind. Ik bedoel daar ten opzichte van Swart niets beledigends mee - integendeel, dat naïeve in Swart heeft me altijd op een of andere manier ontroerd. Zoals Sjaak Swart zich ook na vijftien jaar werkelijk topvoetbal en vele honderden doelpunten nog oprecht kan verheugen, wanneer hij in een of andere competitiewedstrijd scoort, dat is iets verrukkelijks. Zoals Swart nog altijd, voor elke wedstrijd, zowat kapot gaat aan die nervositeit; zoals hij nog altijd hypergevoelig is voor een goed woord van een collega, trainer, journalist of zomaar een fan; zoals hij na afloop van de wedstrijd kan genieten van elk detail, waarin hij, Sjakie, een rol heeft gespeeld: daar gaat iets van uit, dat iedereen die hem kent, vóelt. Op die momenten is Sjaak Sjakie, dan weegt die mislukte manoeuvre ‘buitenom’ zwaarder dan welke zakelijke problemen ook en dan is hem die feilloze een-twee combinatie méér waard dan de dubbele omzet in een van zijn bedrijven.

Weinig voetballers beleven zo intens hun vak als Swart. Van hem straalt pure vreugde af, wanneer hij, na een doelpunt of geslaagde actie, het applaus van de tribunes inhaleert. Hij kan als geen ander verontwaardigd reageren, wanneer hem door buitenstaanders niet díe eer wordt gegund, die hij denkt, dat hem toekomt. Als je hem confronteert met drie gemiste kansen, somt hij je onmiddellijk zeven andere acties op, waaruit moet blijken, dat hij ook nog ándere dingen heeft gedaan. Op die momenten is Swart nog even fel als vijftien jaar geleden. Dan blijkt ook, dat hij zijn eigen prestaties niet altijd even realistisch beoordeelt.

[p. 154]

Vandaar ook zijn voortdurende conflicten met de sportjournalisten, van wie het merendeel Swart overigens bijzonder waardeert. Swart vindt die sportpers ten opzichte van hem al te negatief. Hij acht de belangstelling voor spelers als Cruijff en Keizer niet in overeenstemming met die voor anderen, onder wie hijzelf. En dat verdriet hem zo nu en dan. Niet, dat hij Cruijff en Keizer niet bewondert, natuurlijk wel, maar hij stelt fel: ‘Als die spelers drie goeie dingen in een wedstrijd doen, dan spelen ze goed. Als ik van de tien acties er acht goed en twee slecht doe, staat er de volgende dag in de krant, dat ik te oud word. Dat is niet eerlijk. Als ik vijf wedstrijden goed speel, lees je niks, speel ik er één slecht, dan zijn de vetste koppen nog niet vet genoeg.’

In dat opzicht voelt zich de immer opgewekte Swart duidelijk miskend, al geeft hij toe, dat hij ‘niet tegen kritiek kan.’ Dat is ook zo: van alle Ajacieden is Swart het minst genegen toe te geven, dat hij wel 'ns minder goed heeft gespeeld: ‘Ik weet in mijn hart heus wel of ik goed of slecht was. Maar ik kan er niet tegen als mensen het me dan komen zeggen. En ik vind het helemáál verschrikkelijk als ik dan de volgende dag nog moet lézen óók, dat ik slecht was.’ Zó ver gaat Swart op in die materie, dat hij in allerlei interviews niet schroomt bijvoorbeeld de hem minder genegen sportverslaggevers van De Volkskrant te bedreigen - een keer heeft hij een van hen zelfs zonder pardon uit zijn restaurant op de Jaap Eden baan gezet, op het moment dat die verslaggever de schaatser Ard Schenk aan het ondervragen was. Bij die gelegenheid manifesteerde zich ook een ándere karaktertrek van de als ‘zachtmoedig’ te boek staande Swart: hij kan verschrikkelijk driftig (en dus onredelijk) zijn.

Die driftbuien zijn, zo gelooft hijzelf, het gevolg van een bijzonder druk bezet leven. De laatste vijf, zes jaar is Swart overbelast geweest. Aan de ene kant moest de ouder wordende voetballer zich volledig concentreren op de steeds méér eisende topsport, aan de andere kant kon hij niet verslappen in zijn zaak. De grote kracht van Swarts ‘sigarenwinkel’ is wel, dat hij er zélf regelmatig te vinden is om zijn supporters te woord te staan (dat gaat er soms zeer vermakelijk aan toe, Sjakie is vooral op sportgebied fel en reageert met name op alles wat Feijenoord is als een stier op

[p. 155]

een rode doek; ikzelf hoef bijvoorbeeld alleen maar het woord ‘Van Hanegem’ te laten vallen om Swart te doen ontploffen. Die discussies blijven overigens altijd schertsend). Maar dat impliceerde tevens, dat Swart zich op twee fronten volledig moest inzetten. Terwijl hij aan de ene kant zijn handen vol had aan het organiseren van busreizen naar de uitwedstrijden van Ajax of hij stilaan gek dreigde te worden van de verzoeken om kaartjes bij belangrijke wedstrijden, diende hij zich óók adequaat voor te bereiden op de wedstrijden. Zelf zegt hij: ‘Toen ik betaald voetballer was, had ik nog geen idee wat dat zou gaan worden. Toen ben ik die zaak begonnen, om me veilig te stellen voor later. Toen het voetballen zich zo ontwikkelde kon ik niet meer kiezen, ik was er te oud voor. Ik kon mijn zaak niet opgeven en het voetballen werd almaar zwaarder. Ook daardoor ben ik wat nerveus.’

Die nervositeit uit zich, behalve in de incidentele driftbuien, ook vaak in een zenuwontsteking aan de schouder, die Swart met name in de laatste weken voor de finale van Wembley dwars heeft gezeten. Die nervositeit was, volgens Michels, ook zijn grootste tegenstander in de wedstrijden. Als pas beginnend spelertje in het eerste elftal (‘Ik kwam de kleedkamer in en werd voorgesteld aan oudere spelers als Gé van Dijk en Klaas Bakker en dan was het van mijn kant nog mijnhéér Van Dijk en mijnhéér Bakker’) heeft Swart de voetballer Rinus Michels nog naast zich gehad. Michels, wiens loopbaan door een rugblessure werd bekort, speelde in die periode iets achter de voorhoede. Swart over de voetballer Michels: ‘Hij kon vreselijk goed koppen, had een aardige techniek, maar een hekel aan trainen. Dan liep ie geen meter te veel.’

Swart heeft ook als geen ander het verschil tussen de voetballer Michels en de coach Michels leren kennen: Michels was erg getapt onder de spelers. Het was in die tijd toch vaak lachen, gieren, brullen geblazen. Ik herinner me nog, dat we in Sittard moesten spelen en we in een restaurant zaten. Toen kwam Michels opeens dat restaurant in met een bontmuts op en een bontmantel aan. En een vrouw maar achter 'm aan lopen gillen: ‘Dat zijn míjn spullen, hij heeft míjn spullen van de kapstok gepikt...’

[p. 156]

Michels als coach was voor Swart onherkenbaar, hoewel hij toegeeft heel veel van Michels te hebben geleerd. Michels heeft ook altijd een zwak voor Swart gehad, later, hoewel dat hem nooit heeft verhinderd steeds maar weer op hem te mopperen. Michels vond, dat Swart nog te veel ‘liep te dromen’. En Swart geeft toe: ‘Als de bal aan de linkerkant was, dacht ik vaak, dat er toch geen voorzet zou komen. Dan bleef ik wat hangen en als dan die voorzet wél kwam, was ik niet voor het doel.’

Michels heeft Swart dat gebrek aan actie systematisch ingepeperd: tijdens de trainingen, tijdens de besprekingen en tijdens de wedstrijd, tot Swart wel eens dacht: ‘Man, hou je smoel.’ Als rechtsbuiten speelde Swart tenminste één helft vlak voor het reservebankje, waarop ook de trainer gewoonlijk plaatsneemt. Dan schalden Michels' bevelen als zweepslagen over het veld. De enorme produktie, die Swart vooral de jongste vijf, zes seizoenen op zijn naam schreef kan voor een niet onbelangrijk deel worden toegeschreven aan Michels' coaching. Vaak dook Swart op het juiste moment naar binnen als Keizer of de naar links uitgeweken Cruijff hun voorzetten naar het doel draaiden. En omdat Michels zijn eigen specialiteit, het koppen, gedeeltelijk ook op de hoogspringende Swart had overgebracht scoorde Swart regelmatig met kopballen na voorzetten van links. Bij die doelpunten, wanneer Michels het nut van zijn voortdurende mopperpartijen had aangetoond, keek Swart als een trotse pauw richting bank en hij herinnert zich: ‘Als ik dan op mijn wenk terugkwam stak ie altijd één duim omhoog. Dat was vaste prik.’

Pas in de laatste maanden van de periode-Michels verslechterde de relatie Michels-Swart enigszins. In Glasgow passeerde Michels Swart voor het eerst in zijn specialiteit, de Europa Cup. Na die wedstrijd tegen Celtic was Swart des duivels uit teleurstelling, maar Michels loste dat meesterlijk op door, tegen zijn gewoonte in, bij het banket na afloop losjesweg op Swart af te stappen met de woorden: ‘Sjakie, ook jíj gefeliciteerd, al hoor ik dat je boos op me bent.’ Maar wérkelijk woedend is Swart pas geworden op Wembley, tijdens de rust, toen hij de tong van zijn schoen wat goed deed, met de andere hand een kopje thee vasthield en Michels droogweg annonceerde, dat Arie Haan Swart

[p. 157]

zou vervangen. Die beslissing moet voor Michels verschrikkelijk zwaar zijn geweest, wetend, dat hij Sjaak Swart de grootste vernedering in zijn carrière aandeed. Misschien dáárom gaf hij achteraf ‘een blessure’ als reden op en verzweeg hij wat hij werkelijk vond: dat Swart te zeer door zenuwen overmand was om goed te spelen in zíjn ogen. Swart zélf had de wedstrijd als bewijs van Michels' ongelijk: waar Ajax voor rust bij vlagen schitterend voetbalde, zakte het erna volkomen weg. Swart, nóg altijd verbitterd: ‘Ik heb ergens gelezen, dat Michels voor rust het angstzweet in zijn handen had. Dan heeft ie na rust zeker met ijszakken gezeten...’

Wat Swart óók verdroot was Michels' uitspraak, dat hij alleen als rechtsbuiten een succes bleek. Swart wijst dan op de talloze toppers, waarin hij met name als verdedigende schakelspeler of zelfs als rechtsachter schitterende partijen vertolkte. Swart zegt: ‘Michels is niet het type, dat me voor de lol vijfeneenhalf jaar achter elkaar in uitwedstrijden verdedigend laat spelen, niet? Waarom me dan zo'n trap nageven? Als ik hem nog 'ns spreek krijgt ie dát op zijn boterham.’ Voor het overige was Swart als was in de handen van maëstro Michels. In besprekingen zei Michels vaak: ‘Er staat een verschrikkelijk goeie linksback bij de tegenstander, maar beter dan Sjakie is ie natuurlijk niet.’ Michels krikte daarmee het zelfvertrouwen van Swart aanzienlijk op, wat nodig was, omdat Swart niet altijd even overtuigd was van zijn eigen kwaliteiten. Michels ging zelfs, voor de thuiswedstrijd tegen Carl Zeiss Jena, zó ver, dat hij op het ‘tactiek-bord’ de initialen ‘J.S. 1’ en ‘J.S. 2’ neerzette. Het eerste stond voor de Jacques Swart, die vlak vóór de reservebank speelde: geconcentreerd, attent reagerend, voortdurend in beweging. Het tweede stond voor de Jacques Swart ‘aan de overkant’, die afweziger reageerde, doof als hij dáár was voor Michels' dwingende stem. Het hielp: na rust scoorde ‘J.S. 2’ op werkelijk magistrale wijze, wat zíjn tweede en Ajax' vierde treffer betekende. Swart: ‘Die wedstrijd tegen Jena, die tegen Liverpool en die kampioenswedstrijd tegen Feijenoord beschouw ik als de hoogtepunten van mijn loopbaan.’

Alle drie de wedstrijden eindigden in overwinningen voor Ajax

[p. 158]

met de cijfers 5-1. De wedstrijd tegen Feijenoord, zo weet Swart uit het hoofd, werd gespeeld op 26 mei 1960. Ajax stond met 1-0 achter bij de rust en won tenslotte met 5-1, waarmee het kampioen van Nederland werd. In die wedstrijd meent Swart ook zijn allermooiste (‘Ik heb er wat mooie gemaakt, soms van wel veertig meter in de bovenhoek’) doelpunt te hebben gemaakt: die beroemde dribbel vanaf het middenveld, langs drie Feijenoorders, met nét dat beslissende tikje langs Pieters Graafland, waardoor de bal nét langs de paal in het doel rolde. Of Swarts heldenrol in de ‘mistwedstrijd’ tegen Liverpool, toen hij door het wegvallen van Suurbier zowel rechtsback als rechtsbuiten tegelijk speelde, hem alles lukte en hij vier van de vijf doelpunten hielp voorbereiden: ‘Op een gegeven ogenblik dacht ik dat het rust was en liep ik het veld af. Toen kwam Jaap Hordijk op me afrennen om te zeggen, dat ik dóór moest spelen. Ik ging het veld weer op, kreeg meteen de bal, gaf voor en het was 4-1. Zo ging dat, in die wedstrijd.’

Dat Swart als rechtsbuiten de laatste seizoenen zo hoog op de topscorerslijst is geëindigd dankt hij aan de ene kant aan de concentratie van aanvallers op links (Cruijff, Mühren, Keizer), anderzijds heeft dat ook tot gevolg, dat hij een vaak geïsoleerde positie op rechts inneemt, wat de mogelijkheden tot combineren beperkt, hoewel zijn onderling begrip met de razendsnel opkomende Suurbier uitstekend is. Nog niet zolang geleden stond Swart er in dat opzicht beter vóór: behoudens een korte onderbreking van twee seizoenen, toen hij voor Feijenoord uitkwam, is Henk Groot de vaste partner van Swart op de rechtervleugel geweest. De combinaties tussen Swart en Groot zijn een begrip: ‘Als Henk en ik twee tegen twee speelden op de training waren we niet te kloppen. En toch deden we geen stap te veel,’ weet Swart, die al in het militair elftal naast Groot triomfen vierde.

Henk Groot wist precies wat Swart deed en andersom voelde Swart intuïtief aan of Groot de bal in de voeten of in de diepte ging spelen. Swart: ‘Toen we in 1960 kampioen werden maakte Henk er geloof ik 40 en ik 28. Het liefst had Henk van die strakke voorzetten, dan knikte het nekkie even en dan was het raak.’

Swart en Groot hebben 10 seizoenen achter elkaar samen opge-

[p. 159]

trokken - zij deelden steevast ook een kamer tijdens buitenlandse trips. En tóch, ook wanneer Henk Groot naast Swart speelde, was Sjakie een ándere voetballer, wanneer hij in het Nederlands elftal stond opgesteld. Dan miste hij de flair om te doen wat hij bij Ajax wèl deed; dan miste hij te vaak de steun van zíjn publiek. Terwijl hij met Ajax juist in de belangrijke wedstrijden schitterde vielen zijn prestaties over het geheel genomen tegen, wanneer hij het Oranje-shirt droeg. Swart was timide, minder betrokken dan anders. Zegt hij enigszins berustend: ‘Noem mij één speler op, die constant goed heeft gespeeld in het Nederlands elftal. Het was toch altijd een ongeorganiseerde toestand met een gebrekkige voorbereiding en steeds een ander elftal? Geloof míj nou: het wordt nooit wat op die manier.’

Swart heeft de meeste waardering voor Elek Schwartz, die hij vooral om zijn menselijke methode van coachen en zijn werklust prijst. Onder Dennis Neville, Schwartz' opvolger, raakte Swart ooit weer eens zijn plaats kwijt aan... linkermiddenvelder Ko Prins, Swarts clubgenoot. Het foefje van Neville moest gelden als een tactische meesterzet, zo weet Swart nog: ‘Kootje,’ zei Dennis tegen Prins, ‘na de wedstrijd zal de voetbalwereld je vergelijken met Stanley Matthews. Ze zullen je Stanley Prins noemen.’ Kootje raakte die wedstrijd geen bal... Ook onder Georg Kessler was het een zaak van vriezen of dooien, wat Swart betreft. In een van de slechtste wedstrijden, die Oranje onder Kessler speelde, in Rotterdam, tegen de Denen, redde Swart het hoofd van Kessler door vijf minuten voor tijd eerst zelf te scoren en een minuut later tegen de paal te schieten, waarna Willy van der Kuylen gemakkelijk 2-0 kon maken. Swart: ‘Ik weet nog goed, dat Kessler na Joegoslavië tegen me zei: Sjaak, dit was je beste wedstrijd in het Nederlands elftal. Je krijgt van mij bij uitzondering het cijfer 8½. Daar was ik lekker mee...’

Sjaak Swart is om zijn eenvoud geliefd, heeft veel gevoel voor humor en is altijd bereid iedereen te helpen. Bij de supporters staat de klassieke rechtsbuiten te boek als een speler, van wie je elk moment iets spectaculairs kan verwachten. Swart heeft een voor de topsport absoluut noodzakelijke instelling: hij kan niet tegen zijn verlies, hij wil koste wat kost winnen. Ik had ooit het

[p. 160]

genoegen een klein partijtje tégen hem te spelen op een stukje zand bij zijn caravan in Nieuw Loosdrecht. Op de momenten dat het niet naar wens ging foeterde hij een aanzienlijk minder getalenteerde, toevallig op bezoek zijnde vriend uit, die voor zijn lol een balletje meetrapte. Dat is Sjakie ten voeten uit. Dan moet ie winnen, koste wat kost. Behalve dat fanatieke in hem is hij uitgesproken sympathiek. Hoewel hij door reeksen tegenstanders allesbehalve zachtzinnig is behandeld heeft hij zich in het veld vrijwel altijd kunnen beheersen. Zijn naam komt één keer in het strafdossier van de KNVB voor. Swart herinnert zich dat nog precies: ‘Ik ga, als ik effe kan, altijd naar het voetballen kijken. Als ik om half twaalf moet verzamelen, ga ik om half tien de deur uit om naar de jeugd te kijken. Toen Johan Cruijff nog een aspirantje van een jaar of twaalf was moest Ajax op het NFC terrein 's een beslissingswedstrijd tegen Blauw Wit spelen. De stand was 1-1, toen vlak voor tijd een van de spelers van Ajax een bal wegkopte. Wat denk je? Geeft die scheidsrechter een strafschop, wint Blauw Wit met 2-1. Al die mensen na afloop het veld op, zodat het nogal lang duurde voor de scheidsrechter in de kleedkamer kwam. Intussen waren Ger van Maurik en ik het veld schuin over gestoken en liepen we vlak achter die scheidsrechter, toen iemand riep: “Pas op, klootzak, anders trappen we je in elkaar,” waarop die scheidsrechter omkijkt, míj ziet en aan de bond rapporteert, dat ík dat gezegd zou hebben. Bij de zitting heeft de man die dat gezegd heeft, nog aangeboden te getuigen, maar dat mocht niet. Ze dachten zeker, dat die man mij vrij wou pleiten. Ik kreeg acht weken voorwaardelijk met een proeftijd van een jaar. Vlak ervoor werd ik bij een oefenwedstrijd in Alkmaar uit het veld gestuurd, toen ik tegen de scheidsrechter zei, dat een doelpunt ongeveer vijftien meter buitenspel was. De week erop moest ik met het Nederlands elftal spelen. Lo Brunt heeft dat toen nog gesust.’

Swart heeft het zeker ook aan zijn vrouw Andrea te danken dat hij zich zo lang heeft kunnen handhaven aan de top. Zij heeft altijd hard gewerkt in de zaak, waardoor Sjakie op tijd kon trainen, op tijd kon vissen en op tijd naar bed kon gaan. Die voorbeeldige manier van leven (rookt niet, drinkt niet; ‘als ik op zaterdag met

[p. *25]



illustratie

Buitenbeentje Suurendonk met het rugnummer 12 van de eeuwige wisselspeler.


[p. *26]



illustratie

De volmaakte passeertechniek van Sjaak Swart is ook Jan van der Veen te machtig. Paco gaat binnendoor.


[p. *27]



illustratie

Niemand kan blijer kijken met een beker dan Sjaak Swart (rechts naast Cruijff): vreugde na het winnen van de Nederlandse beker in een prachtige finale tegen Sparta.


[p. *28]



illustratie

Een glorieus einde van een weergaloze loopbaan: Ajax' ex-aanvoerder Velibor Vasovic houdt de Europa Cup zo ver mogelijk van opdringerige fans.


[p. *29]



illustratie

De vrolijke supporter op het vroegere veld van Fortuna SC in Geleen, vlak voor de kampioenswedstrijd van Ajax (4-1, drie doelpunten van Inge Danielsson). Vasovic heeft de arm om hem heengeslaven en argumenteert de aangeschoten fan tot diens kennelijke tevredenheid weer ván het veld.


[p. *30]



illustratie

Eén van de twee strafschoppen, die Vasovic in zijn ‘zwakke’ seizoen ('69-'70) bij en tegen PSV raakschoot. Links staat Wimke van den Dungen er wat sceptisch bij - als Vasco zó geconcentreerd was, viel er weinig eer te behalen.


[p. *31]



illustratie

Een vertrouwd beeld: doelman Sies Wever (tweede van rechts) op de reservebank. Verder herkent men de sigaretten-etende trainer Stefan Kovacs, assistent-trainer Han Grijzenhout en Arnold Mühren.


[p. *32]



illustratie

Nog twee minuten: maestro Rinus Michels, de man, die het gezicht van Ajax zeseneenhalf jaar lang zo duidelijk heeft bepaald.


[p. 161]

een zalmslaatje aankom, kan ik beter meteen weggaan, want dan roept ie altijd, dat hij geen mayonaise mag,’ vertelt Andrea) heeft de lichamelijke sterke en nog altijd mét de bal razendsnelle Swart in staat gesteld tot zo'n schitterende loopbaan, waarvan ook Swart-zélf weet dat het einde langzaam nadert: ‘Ik zal de sfeer missen, natuurlijk, ik kán nog niet zonder dat publiek en die entourage, maar het afscheid zal minder moeilijk zijn dan ik vroeger dacht. Toen maakte ik me druk om mijn toekomst, dacht ik: zal ik ook na het voetballen nog wel goed kunnen leven? Nu is die onzekerheid van me afgevallen. Als ik stop met voetballen zal ik geen armoe hebben.’

Niettemin spéélt Swart wel met dat naderend afscheid, waarbij het huidige seizoen maatgevend is: ‘Als blijkt, dat ik meer op de bank zou zitten dan spelen, dan hou ik liever de eer aan mezelf en stop ik. Daar ben ik te eerzuchtig voor. Ik hoop op één ding, dat is op een grootse benefiet. Ik heb daar met het bestuur van Ajax lang over gepraat en dat heeft me dat zo'n beetje toegezegd.’ Opnieuw dringt zich de vergelijking met Moulijn op, die óók een benefiet als voornaamste afscheidswens op het programma heeft staan. Míjn suggestie: misschien kan dat eerbetoon aan twee van de beste vleugelspelers, die Nederland ooit heeft gehad, gecombineerd worden tot één feest, waarbij Ajax en Feijenoord de handen inéén slaan.

Als Swart stopt dan heeft hij een schitterende loopbaan achter de rug. Swart was als voetballer een knockouter (hij heeft trouwens veel belangstelling voor boksen; eigenlijk interesseert hem álles op sportgebied, wanneer je 'm 's maandags vraagt hoe BPC 9 tegen RKAVIC 10 heeft gespeeld is de kans niet denkbeeldig, dat Swart die uitslag wéét): weinig buitenspelers zullen zo veel internationaal tellende treffers hebben gemaakt en voorbereid. Zijn grote voorbeeld was de beroemde Braziliaan Garrincha, die zowat in zijn eentje zijn land het wereldkampioenschap in '58 en '62 bezorgde. Swart heeft niet alleen zeer intensief en langdurig de beweging- ‘buitenom’ van Garrincha uitgeprobeerd, hij voelt zich ook in ander opzicht verwant aan Garrincha: ‘Ik vond, dat Garrincha lang niet altijd de waardering kreeg die hij verdiende. Als Pele één bal goed raakte, had díe de wedstrijd al gemaakt.’

[p. 162]

Misschien heeft Sjaak Swart wél gelijk, als hij stelt, dat hij niet altijd op de juiste waarde is geschat. Er zullen weinig buitenspelers zijn, die zoveel techniek en tegelijk zóveel kracht hebben als Swart, die er in één wedstrijd (tegen MVV, 9-3) liefst vijf inschopte, toen Michels als trainer voor het eerst kwam kijken. Misschien is, eerder nog dan de rauwe Italiaanse krachtmens Gigi Riva, Garrincha's opvolger, Jairzinho, met Swart het best te vergelijken. Swarts grootste kracht ligt in die kleine vijftien jaar, die hij blééf. Hij herinnert zich nog een wedstrijd met Ajax in Wuppertal, toen de spelers na afloop een uurtje de stad in mochten en de jonge Swart als enige naar zijn hotel terug moest omdat nachtclubs voor hem nog taboe waren. Die vijftien jaar hebben hém en Ajax aaneengesmeed. Als Ajaxhaters iets hebben, dan schrijven of bellen ze Swart. Dan is Sjakie opeens weer een ‘pleuris jood’. Dááraan is hij gewend geraakt, de handige koopman Swart (‘al brengen ze toiletpapier met het Ajax-embleem op de markt, dan nog kopen de mensen het’), die na Garrincha nog vooral Sir Stanley Matthews en in mindere mate de Italiaan Bruno Mora en de Engelsman Terry Paine bewondert. Maar als hij achteromkijkt zegt hij, en ik vind dat zéér typerend voor die unieke Ajacied: ‘Garrincha was de beste rechtsbuiten aller tijden..., dan komt Matthews, en dan, ja, dan komt Sjakie Swart...’ En dat méént hij, Sjaak Swart. En wie durft dat te bestrijden?