terug  begin  verderprepost

Antonin Artaud

Je leest Artaud niet oppervlakkig, en zelfs niet eens met aandacht. Je verdwijnt in zijn geschriften zoals hij er zelf in verdween, of je werpt zijn teksten beter weg. Haast alles wat Antonin Artaud op literair gebied produceerde is het resultaat van een schrijfkramp, een konstellatie van woorden die uit het paroxysme zijn ontstaan; in het paroxysme verdwijnt namelijk het ego, zodat alleen een zuivere handeling - zij het konvulsie van een epileptikus, of zij het de onophoudelijke woordenstroom van een uitzinnige - overblijft. Antonin Artaud werd geboren te Marseille (4 september 1896) en hij overleed op 4 maart 1948 te Ivry.

Vanaf zijn jeugd was hij ernstig ziek, zowel lichamelijk als geestelijk. Vrij vroeg kwam hij in het ‘asiel’ terecht.

[p. 26]

Zijn uitzonderlijke gaven als acteur en auteur brachten hem nooit voldoende roem of geld op; regelmatig kwam hij terug in de folterkamers van de ‘asielen’ (Le Hâvre, Sotteville, Sainte-Anne, Ville-Evrard, Rodez) terecht. Lichtpunten zijn er in zijn leven niet geweest. Hij leefde vanuit de pijn: trachtte die pijn te stillen met behulp van opium en heroïne, werd verslaafd, verloor gedurende soms vrij lange periodes alle logisch verstand. Van Artaud zijn bij Gallimard zijn brieven aan Génica Athanasiou verschenen (378 pagina's). De actrice Génica was de enige mens met wie hij in de jaren tussen '20 en '30 enig reëel kontakt had.

In 1923 schrijft hij: ‘Moi, je souffre, je gémis, je sens que je ne peux plus me porter, je me remets à marcher, je me couche, je me lève, je suis excité, je ne suis plus excité, je veille, je dors, je crains le repos, je crains la fatigue, je crains le bruit, je crains le silence, mes membres s'en vont, mes membres reviennent, je demeure ainsi dans une instabilité effroyable, dépouillé de moi-même, dépouillé de la vie, désespérant d'en sortir, et je continue à me soigner.’ Om de pijn te stillen neemt hij in die periode laudanum en opium. In 1923 heeft opium op hem nog een kalmerende invloed: ‘[L'opium] m'a permis de dormir et de passer une journée un peu meilleure aujourd'hui. J'ai rêvé que Lugné-Poe me rendait je ne sais plus trop quel service et me demandait de jouer la comédie [een rol te spelen in een van zijn produkties. Lugné-Poe was een der eersten die het naar het schijnt geniale akteertalent van Artaud had opgemerkt]. Ce rêve était limpide et tendu, comme si les images étaient parvenues au point extrême de leur élucidation, c'était douloureux à force de pureté et de netteté. J'avais même dans mon rêve la mémoire de ma souffrance et du cauchemar vécu pendant le jour. Je sentais que tout

[p. 27]

cela n'était pas vrai.’

Dat is heel andere taal dan die welke hij in 1940 laat horen vanuit het gesticht van Ville-Evrard in een van zijn laatste brieven aan Génica: ‘Il faut trouver de l'héroïne à tout prix et il faut se faire tuer pour me l'apporter ici. Voilà où en sont les choses. [...] Mais le grave de l'affaire est que tous mes amis se sont révoltés, et vous aussi, ont pris les armes dans Paris, se sont fait livrer de l'héroïne par la force pour me l'apporter, et qu'on vous l'a soutirée à tous par magie, et qu'on vous a fait perdre ensuite conscience de votre révolte [...].’

Tussen deze citaten in liggen de honderden verwarde, tedere, luciede, hatelijke, verliefde brieven van Artaud. Herhaaldelijk merkt hij op dat zijn geest totaal wordt overwoekerd door de ziekte, dat het niet lang meer zal duren of... en vanuit die ‘of’ ontstaat zijn literatuur.

Hij noteert weinig anekdoten, behalve soms omtrent zijn desillusies met de surrealistische groep (1925: ‘dans leur ensemble, Breton et Aragon exceptés, la pire bande de cons que la terre ait portés’), of omtrent het milieu van toneel en film. Maar in essentie draait zijn briefwisseling, zodra hij tracht haar iets te verklaren van zichzelf, zijn gedrag, zijn lijden, rond de essentiële ervaring van de pijn: ‘Comprends enfin que la chose primordiale, la chose qui est la question est l'intensité de la souffrance. Tu me parles toujours de ma vie, de guérison future, mais comprends que l'idée de la souffrance est plus forte que l'idée de la guérison, l'idée de la vie. Et la question pour moi est de soulager cette souffrance, l'intensité même de cette souffrance m'empêche de penser à autre chose. [...] Tu me parles d'attendre, de patienter comme si l'horreur de ma vie pouvait me permettre d'attendre. [...] mon corps tordu, mon corps coupé, mon cerveau scié ne me donnent pas le

[p. 28]

temps d'attendre.’ Dit citaat is van 1923, Artaud is pas zevenentwintig, hij debuteert in de letterkunde en verheugt zich nog op gunstige artikels of milde brieven van Jacques Rivière. In die tijd schrijft hij echter al in L'ombilic des Limes: ‘Je parle de ce minimum de vie pensante et à l'état brut - non arrivée jusqu'à la parole, mais capable au besoin d'y arriver - et sans lequel l'âme ne peut plus vivre, et la vie est comme si elle n'était plus.’ Hij assimileert daar het lijden van lichaam en geest met het lijden van de taal, de zogenaamde ‘lichamelijke verschijning van de gedachte’. Die gedachte is bij Artaud altijd gericht tegen het leven, zoals dat courant wordt verheerlijkt - een leven dat Artaud nooit heeft gekend (‘Je suis un haillon vivant, un tas d'ordures martyrisé.’ - brief van 1923), ook niet in het schrijven (‘Toute l'écriture est de la cochonnerie’), dat één continue agressie is, tegen de maatschappij, de godsdienst, maar in wezen tegen de mens zelf, tegen een verschijnsel dat hijzelf inkarneert: de totale, inkonditionele nooit aflatende pijn.

Een goed, chaotisch, boek over Artaud verscheen in 1959 bij Pierre Seghers (Antonin Artaud, door Georges Charbonnier), en in twee nummers van het tijdschrift Tel Quel is een zeer lang, en zeer interessant artikel opgenomen van Paule Thévenin, die Artaud niet alleen via zijn boeken heeft gekend - zij was een van de weinigen die hem in de laatste jaren bleef helpen. Paule Thévenin publiceert trouwens in Tel Quel negenendertig enkele merkwaardige onuitgegeven teksten van Artaud, de man die aan zijn (enige) geliefde schreef: ‘Tu me juges trop muraille à muraille, et comme si au pied du mur étaient toutes mes racines, tu me juges minute à minute et il faut me voir de plus haut, et surtout de plus loin. Laisse-moi vivre.’

[p. 29]
Oeuvres, diverse delen verschenen en te verschijnen, Gallimard.

prepostterug  begin  verder