Wie van collector's items houdt, moet zich prompt aan het verzamelen zetten van zowat alle boeken die verschijnen bij R. van Hevel en bij Walter Soethoudt, haar zoon.
Soethoudt publiceerde werk van Heere Heeresma, René Gysen, Gust Gils, uw dienaar, Claude Krijgelmans, Patrick Conrad, Louis Willems, Jef Geeraerts, een stal waarop vele ‘officiële’ uitgevers prat zouden gaan. Soethoudt echter publiceert pornografie. Hij begon, in de traditie van de familie, met ‘aangebrande’ boekjes, zette zich dan aan het uitgeven (jaren vóór Bert Bakker) van de Sade in het Nederlands, en bracht de erotische geschriften uit van
Heere Heeresma (die onder pseudoniemen laboreert als Johannes de Back, Ben Bulla en dergelijke).
Omdat Soethoudt Vlaams-nationalist en behoorlijk rechts is, gaf hij ook nog de romans uit van Robert Verbelen, iets waarvoor een paar weerstanders hem uit de Antwerpse Boekenbeurs dreigden te ranselen.
Maar last but not least, Soethoudt zelf schreef voor het fonds van zijn moeder en voor het zijne een veertigtal romans, hitsige pseudo-detectives die eigenlijk meer collages zijn van bestaande hoofdstukken uit de serieuze fiction; historische bedverhalen van het genre ‘Liefde tijdens de franse revolutie’, of geromanceerde case-histories, cfr. De volle maanmoordenaar (sic). Sinds enkele tijd typt hij vlijtig aan de reeks van Winnetou Stradevarus; niet alleen aan de trilogie Foediralaladitoe (waarvan het eerste deel een uitstekend derde hoofdstuk bevat, van een antiklerikalisme zoals maar zelden in onze populaire literatuur melding kan worden gemaakt). Tevens opmerkelijk is de vertaling, door dezelfde auteur, van Marcus van Heller's Nightmare - De belevenissen van een neger, waarin Soethoudt's haat voor de zwarten vrij spel krijgt in de passages tegen de ‘niggers’ (Nightmare zelf is trouwens een zogenaamd pro-zwart boek). Maar met Sodoms Appel van Stradevarus zijn, geloof ik, alle rekords geklopt. Het is niet alleen het eerste absurdsurrealistisch sprookje gemengd met pornografie en gebrodeerd rondom een western, het is bovendien, door de kurieuze stijl van de auteurs, een serieuze stijlstudie waard (ik bedoel dat men nergens zulk een mengeling van plat-Antwerps, slecht Nederlands en puur Noordnederlandse uitdrukkingen vindt).
De inzet van de roman is, binnen deze perken, haast geniaal. Heere Goddard, de held, stapt uit het Centraal Station en treft zijn lief Janine: citaat: ‘Buitengekomen
knipperde hij met de ogen tegen de in stralen neervallende regen. Er was geen kat te zien buiten. Alle mensen hadden hun kattebak opgezocht. En toch was zij er. Janine stond te wachten.’
Terwijl ze de De Keyserlei aflopen, vinden ze hier een arm, daar een been, ginds een afgesneden borst (‘laat liggen, onze diepvries zit al voor de hele winter vol’). Heere stapt een huis binnen, waar een gemeubelde kamer te huur is; een oude vrouw doet open; ze verandert in een opwindend negerinnetje, dan breekt het verhaal af; Heere verandert in Johnny Walker, een jonge cowboy die zoekt naar vier vrouwen die zijn ouders vermoord hebben; hij vindt er drie en, verandert in Heere, die met zijn oude vrouw-negerinnetje naar een stoet gaat kijken, want ‘er is in de stad een blijde intrede van een of andere vreemde princesseboon en daar moeten wij zwartjes toch heen, om “vive la princesse” te brullen. Wie zal het anders nog doen?’
Het einde van dit politiek-pornografisch-racistisch romannetje moet u dan zelf maar lezen. Als curiosum in onze saaie letteren is het beslist aan te bevelen. Voor 125 frank vindt u het werk in alle slechte boekhandels.