|
il n'y a pas d'histoire de la langue sans une dialectologie - il faut dire maintenant sans une géographie linguistique - complète et bien établie. A. Meillet in Bulletin de la société de linguistique de Paris 30, Comptes rendus 200. Hoofdstuk I
|
1 Een overzicht van de atlasondernemingen levert Pop passim. Uit 1957 dateert de Atlas govorov russkich narodnych (over de dialecten v.h. centraal gebied ten O. van Moskou).
Voor de Linguistic Atlas of England is men de mondelinge opnamen voor het net, dat 300 plaatsen omvat, in 1946 begonnen; cfr. H. Orton in Orbis IX, 331 vlg. Sinds 1962 verschijnt de Atlas Lingüístico de la península Ibérica. 2 Als een verre voorloper is D. Monnier te beschouwen, die al in 1823 de gedachte geopperd heeft om fonetische kaarten te tekenen: ‘On pourrait d'une manière assez précise, mentionner sur une carte géographique l'étendue de pays oü domine l'a’ (Pop XXXII). Coquebert de Montbret betoogde in 1831 dat een dialectgrens geen scherpe lijn betekent (Pop XXXIII).
|
|
Mitteldeutschland, in 1895 H. Fischer, Geographie der schwäbischen Mundarten. In 1885 heeft de Leuvense hoogleraar P. Willems het ondernomen op grote schaal materiaal te verzamelen voor onze ‘Frankische’ dialecten en hiervoor links en rechts vragenlijsten rondgezonden. Deze enquêtemethode werd in het noorden in 1879 en 1895 met de hulp van het Aardrijkskundig Genootschap door resp. Kern en J. te Winkel toegepast. 1 Een direct resultaat leverde dit laatste op in De Noordnederlandsche tongvallen van J. te Winkel. Al betreurt Kloeke in Handleiding 17 terecht dat het werk zo gauw is blijven steken, toch globaliseert dit werk te zeer voor een hedendaags taalgeograaf. De taalgeografie toch werkt met de ervaring dat iedere taaluiting haar eigen verbreidingsgebied heeft. Zij gaat dan ook voor de verschillende betekenissen de betekenaren (of van de verschillende betekenaren de betekenissen) in een bepaald gebied min of meer plaats voor plaats na en tekent dan na inzameling van dat materiaal voor elke betekenaar (resp. betekenis) een afzonderlijk landkaartje, waar bij elke plaats het opgegevene staat. Soms tekent zij dan ook om de gebieden met gelijke of gelijksoortige gegevens grenslijnen, de zgn. isoglossen (isolexen, isophonen, isomorphen, isotagmen 2 ). Een isoglosse is dus een lijn die de uiterste geografische punten van het verbreidingsgebied van een afzonderlijk taalverschijnsel verbindt. Publicaties met dit analytisch standpunt beginnen eveneens rond 1900 te verschijnen. In 1902 komt er een kleine taalgeografische publicatie van Schrijnen, de dissertatie van Van Schothorst over de Noord-West-Veluwe, die ook met isoglossen werkt, is van 1904 3 maar de volle stroom van dialectgeografische materiaalverzamelingen en studies breekt pas sinds de wereldoorlog los. De Leuvense dialectcentrale, die vooral in later tijd een groot Zuidnederlands dialectwoordenboek beoogde, heeft reeds enkele tientallen kaarten voor het Zuidnederlands gebied gepubliceerd, bijv. van het nagras, de boomwagen, de merel, de rode aalbes, de misdienaar, de emmer; cfr. Album Grootaers 48. Blancquaert, later geassisteerd door Pée, is in 1925 aan een reusachtige atlassenreeks begonnen volgens de directe methode, de RND. In 1928 werd de dialectencommissie van de Koninklijke Nederlandsche Akademie van Wetenschappen te Amsterdam opgericht, die jaarlijks vragenlijsten |
1 De Vries had al in 1857 een schriftelijke enquête willen houden; cf. Roukens 25.
2 Zie voor deze laatste term LB 35, 47 vlg.
3 In België begint men in 1907 de eigenlijke taalgeografie te beoefenen, maar komt voorlopig nog niet tot gedrukte publicaties; cf. Handleiding 37.
|
|
uitzendt en thans de door Kloeke en Grootaers begonnen Taalatlas van Noord- en Zuid-Nederland voortzet. Onder de dialectgeografische publicaties verdient vermelding het werk van Naarding, Sassen en Hijszeler voor Drente, Schuringa voor Groningen, Heeroma voor Holland, Van Veen voor Utrecht, Weijnen voor Noord-Brabant, Broekhuysen voor de Graafschap, Roukens, Goossens, Tans en Leenen voor Limburg, Welter voor het N.W. van de provincie Luik. Onlangs is K. Heeroma aan de Taalatlas van Oost-Nederland en aangrenzende gebieden begonnen. Het materiaal dat de taalgeografie opleverde, is door Gilliéron ogenblikkelijk gebruikt voor intern-linguistische, structurele verklaringen. Maar vlak te voren, in 1898, had in Duitsland K. Haag in Die Mundarten des oberen Neckar- und Donaulandes al de metalinguistische dialectologie ingeluid door de aandacht te vestigen op de taalvernieuwende, taaluitstralende werking van regionale centra (Pop XLIII) en het begrip Landschaft in te voeren. Het vervolg leverde Morf in 1911 met het aantonen van de invloed der feodale grenzen. Zijn hoogtepunt vond dat in de Rijnlandse school (Frings, Ramisch, Welter, Bach). In Frankrijk begon in 1914 Terracher de taalkaarten uit de sociale verhoudingen (linguistisch gemengde huwelijken) te verklaren (Pop XLVII) en in 1922 verstout Millardet zich, op de taalkaart de invloed van het substraat te willen aflezen. Vanaf die tijd ook dateert de dialectstratigrafie (met figuren als L. Wagner en ten onzent Heeroma). Vgl. W. Grootaers in Orbis VIII 382. Hoewel we met Van Haeringen in zijn Netherlandic Language Research 1954, 74 kunnen zeggen dat sinds circa 1920 de geografische methode kenmerkend is voor het dialectonderzoek, neemt het aantal dialectmonografieën nog steeds toe. Vnl. de woordenschat en de klankleer worden onderzocht, in mindere mate de vormleer. De syntaxis wordt door de meeste dialectologen zeer stiefmoederlijk behandeld, al schreef Fourquet: ‘L'écart entre la syntaxe d'un dialecte et celle d'une langue littéraire est plus grand qu'entre la phonologie de l'un et celle de l'autre’ (Jean Fourquet in: Fragen und Forschungen im Bereich und Umkreis der Germanischen Philologie, Festgabe Frings 1956, 196). Een principiële uitzondering daarop vormt de school van Overdiep. Deze beoefent de syntaxis niet bij wijze van aanvulling, maar omdat zij in een stilistische behandeling van de syntaxis de oorzakelijke verklaringen van ‘de’ klankverschijnselen zoekt. Van Es zegt in Album Grootaers 205 vlg., dat de dialectologie vóór alles tot taak heeft, de klanken in hun variaties te beschouwen
als wisselende onderdelen van de zin, en de veranderingen te begrijpen uit de functies der vormen in de syntactische structuren. Men geve dus niet alleen het stereotype, maar ook het persoonlijke. Voorbeelden van deze methode verschaft § 27. Van Es' leerling Sassen zag zich echter óók gedwongen tot de gebruikelijke inventarisatie van verbuigings- en vervoegingsvormen (zie Sassen 25) en verlaat daarmee dan toch weer het zuiver-syntactische terrein. Onlangs bleek ook Landheer blz. 99-118 het voetspoor van Overdiep te volgen. In het Zuiden is vooral Vanacker als syntacticus werkzaam. Van Haeringen wees er echter op dat tot heden de syntactische dialectstudie nog niet veel verschillen tussen de dialecten aan het licht heeft gebracht (BMDC 13, 16; NTg 46, 293; NTg 1949, 150). Vrijwel alleen met zijn biologische verklaring, een verklaring dus die met erfelijke raskenmerken (articulatiebases) werkt, stond Van Ginneken. In Donum Natalicium Schrijnen (1929) 10-22 en een Taaltuinartikel Waalsche en Picardische klank-parallellen OT 2, 289 vlg. werkte hij vooral met de tegenstelling labiaal-velaar. In zijn Ras-en-Taal-periode had hij echter vrijwel alleen oog voor de zgn. bivalente articulatiebasis, die hij aanvankelijk prae-Slavisch en later prae-Baltisch noemde en tenslotte toch misschien weer meer als oud-Europees beschouwde. In Streektalen neemt hij nogal veel terug van wat hij in Ras en Taal geponeerd had. Geheel in het voetspoor van zijn Ras en Taal verscheen de studie van Tans over de dialecten rond Maastricht. Bij de methode van Wörter und Sachen roept men vooral de kennis der realia te hulp om de woordgeschiedenis te verklaren. Zaak-kennis kan bv. een etymologie steunen. Zo wordt de oorworm in een groot Westfaals gebied en ook bij Wanink gaffeltange genoemd, klaarblijkelijk naar de uitsteeksels aan zijn achterlijf. Die naam wordt des te begrijpelijker als men bedenkt dat de tangen vroeger geen kruisscharniertangen maar pincet-achtige knijpwerktuigen waren, welker oervorm inderdaad een gevorkte tak schijnt te zijn; cfr. DBNS 1, 87. Vandaar dat bijv. de Ais en Roukens ook afbeeldingen van de zaken geven en dat A.H. van Vessem in Oogstgerei-benamingen (1956) veel aandacht aan de realia wijdt. Zaakkaarten kunnen eveneens hulp verlenen; cfr. Roukens 62. Ook kan de zaakgeschiedenis (verbeterde techniek, nieuwe mode) vaak de verandering van benaming verklaren, cfr. § 20. Bergmann 79 geeft vbb. hoe heteroniemen vaak zo te verklaren zijn dat aan verschillende namen verschillende zaken beantwoorden. Er zijn bv. Duitse dialecten waar woordverschil is met be- trekking tot de ‘mittleren Griff am stiel der Grassense... Hier ist die moderne Art so, dass dieser Griff in Richtung des Sensenblattes steht. Er heisst dann “Knebel” oder “Hörnel”. Bei den älteren Sensen ist er jedoch an der Rückseite des Sensenbaumes befestigt und wird dann “Schieber” genannt, weil man mit ihm gleichsam die Sense vor sich herschiebt.’ Hof p. 86 merkt op dat de kievit waar hij in Friesland zeldzaam is, niet de Friese naam, liep, ljip enz. maar de Hollandse, die van kivit draagt. Door enkelen, bijv. Roukens en mej. Daan wordt de combinatie van volks- en dialectkunde zeer sterk beklemtoond; zie o.a. Urk, Daan en Waterlands. W. Roukens Dialectologie en volkskunde in: Album Grootaers 227 vlg. heeft uitvoerig het belang van de combinatie vooral voor de etymologie beschreven en geeft een overzicht van de betrokken onderzoekingen. Alleen uit volkskundegebruiken zijn te verklaren Gronings winkop ‘bruiloft’ en rakkersraif ‘wrakgoed’, eigenlijk goed dat goed genoeg was voor de beul. Daarmee zijn wij dus weer op het terrein van Wörter und Sachen. Maar bovendien geeft het te denken dat beide disciplines met dezelfde methodes werken. De kaart is ook in de volkskunde een onontbeerlijk iets, zoals J. de Vries in Volkskunde, Nieuwe Reeks I (1940), 31 vlg. betoogde, en historisch materiaal is er ook van de hoogste waarde. Voorts is er treffende overeenkomst in de huidige probleemstelling. Aan de fonologie en trouwens in het algemeen aan de structurele taalwetenschap beantwoordt de functionele volkskunde; cfr. W.-E. Peuckert en O. Lauffer, Volkskunde 1951, 340. En zoals de dialectologen sceptisch zijn gaan staan tegenover de oude indeling in Friese, Frankische en Saksische dialecten, maant Hol 1 ook aan, voor de woningtypen de namen Fries, Frankisch en Saksisch met omzichtigheid te gebruiken: uit de huidige toestanden conclusies te trekken voor verschillen in huizenbouw van duizend en meer jaar geleden, is voorbarig. Iets dergelijks merkt D.J. van der Ven 2 op voor de vrouwenmutsen. Maar vooral kunnen beide wetenschappen meer dan eens van elkaars vondsten profiteren, in het bijzonder als de isoglossen met de isethnen, de begrenzingen van bepaalde volkskundige verschijnselen, samenvallen. Zoiets is immers niet zelden het geval; zie hiervoor §24. Ook de wiskunde heeft inmiddels in de dialectologie haar intrede gedaan. Zij wordt daar voor comparatieve doeleinden toegepast. In |
1 Cfr. ook Cl. Trefois, De plattegrondsvormen van zg. Frankische boerderijtypen en hun geographische verspreiding in ons land, I (1933).
2 Cfr. D.J. van der Ven, Van knipmutsen en oorijzers z.j.
|
|
een artikel van E. Bagby Atwood in Zs. f. Mf. XXX 1-30 vind ik vermeld: David DeCamp, The pronunciation of English in San Fransisco 1954 (hiervan verscheen onder dezelfde titel een resumé in Orbis VII 372-391 en VIII 54-77. Wij wijzen slechts in het voorbijgaan op de onderzoekingen die meer speciaal de dialectkenmerken uit vroegere eeuwen (zie hiervoor § 2) en die welke het aandeel van de dialecten aan cultuurtaal betreffen (zie § 10 en Afrikaans). De structurele taalgeografie heeft eigenlijk met Gilléron haar intrede gedaan. Ten onzent hebben vooral Kieft, Weijnen en Goossens zijn voetspoor gevolgd. Van Amerikaanse zijde is Moulton de belangrijkste. Zie hiervoor par. 26. Pas later is de taalstructuurgeografie ontstaan. Zij is grotendeels een verbreding van de dialectfonologie; deze had in Nederland aanstonds beoefenaren gevonden. Een opsomming van oudere studies op dit terrein vindt men in A. Weijnen, Dialectologie en fonologie van het Nederlands in Album Grootaers 117 vlg. Zie ook TT III 117 vlg.; Mitzka 111. Op het terrein van de structuurgeografie noem ik Weijnens Achthuizens, K. Heeroma, De Oostnederlandse langevocalensystemen, in BMDC XXIII, 1 vlg., K. Fokkema, Consonantgroepen in de Zuidwesthoek van Friesland BMDC XXIII, 16 vlg. K. Heeroma, Structuurgeografie en structuurhistorie in: Ts LXXIX 165 vlg. Zie voorts par. 25. Langzamerhand wint het idee terrein dat ook de lexicologie in onderlinge samenhang, structureel, behandeld moet worden. Geleidelijk aan begint men in te zien dat een dialectwoordenboek niet uitsluitend een verzameling van rariteiten dient te zijn. J.A. Schmeller was daar trouwens reeds in voorgegaan. Van zijn Bayrisches Wörterbuch I-IV (1827-1837) zegt Schirmunski 61: ‘Zum Unterschied von den Sammlungen der “Idiotismen” im üblichen Sinne folgte sein Wörterbuch als erstes dem Prinzip der lückenlosen Aufzeichnung des gesamten Reichtums der lokalen Volkssprache’. In ‘Glossaire des patois de la Suisse romande, 57e et 58e Rapports annuels de la rédaction, 1958, blz. 5 wordt terecht gezegd: ‘Plus les mots sont attachés aux choses, plus il est aisé d'en déterminer la valeur dans un article du glossaire; plus cette valeur est abstraite, plus elle exige, pour être dûment établie, le rapprochement de tous les termes en jeu, que l'ordre alphabétique oblige à disperser’. Zie thans voor de beginselen A. Weijnen Plan voor een ideologische ordening van de woordenschat vooral der dialecten in L.B. 1943, 61 vlg., Streektalen 86 vlg., A. Weijnen, De semantische en syn tactische problematiek van het dialectwoordenboek, Ts, LXXVIII, 81-95 en A. Weijnen, Het dialectwoordenboek in BMDC XXIV 34-52. Overdiep in Katwijk (bijv. blz. 123), Ribbert in Tilligte, Daan en Van den Hombergh-Bot trachten het beginsel althans voor een gedeelte van de woorden- en begrippenschat te verwezenlijken. Het Woordenboek van de Brabantse dialecten en het Woordenboek van de Limburgse dialecten worden geheel volgens dit beginsel vervaardigd. Van den Hombergh-Bot verdeelde de woordvelden in gebieden, die in terreinen en deze ten slotte weer in perken. Suggestief is haar resumé (blz. 205): ‘The influence, both of the total, semantic system and of logical, psychological and sociological factors on the word-field is demonstrated from examples’. Van Ginneken heeft in het laatste hoofdstuk van Streektalen gesuggereerd hoe zulk structuuronderzoek inzicht kan verschaffen in de denkvorm der Nederlandse streektalen. Vooral onder invloed van het marxisme ontwikkelt zich thans een probleemstelling die zich met de vervalsverschijnselen van het dialect, met de verschillende taallagen binnen een taalgemeenschap bezig houdt. G. Bergmann, Mundarten und Mundartforschung 1964, 11 merkt daarbij op ‘dasz die gesellschaftliche (soziologische) Stellung eines Sprechers durchaus nicht mit seiner “sprachsoziologischen” übereinzustimmen braucht. Natürlich spielt sie eine grosse Rolle, aber neben dem Beruf sind z.B. auch die Erziehung, die Ortsansässigkeit oder der häufige Umgang mit ortsfremden Personen für die sprachsoziologische Einordnung eines Sprechers wichtig. Mit dem marxistischen Begriff der Klassen haben also unsere sprachsoziologischen Schichten gar nichts zu tun.’ Wel geeft hij blz. 19 voorbeelden dat het dialect juist bij dragers van bepaalde beroepen voortleeft, bijv. bij de mijnwerkers uit het Ertsgebergte, de wevers uit de Oberlausitz, de vissers aan de Oostzeekust en de speelgoed- en instrumentmakers in het Ertsgebergte, het Vogtland en het Thüringerwald. Overigens vertoont ook Amerika belangstelling voor de sociodialectologie. Glenna R. Pickford, American Linguistic Geography: A sociological appraisal, in: Word XII (1956) 211-233 uitte al hevige critiek op de taalgeografie. Men onderzocht de Amerikaanse dialecten alsof Amerika een agrarische maatschappij was, terwijl bovendien in de Verenigde Staten niemand wil toegeven dat hij dialect spreekt. In Amerika zijn de sociologische verschillen interessanter en belangrijker dan de geografische. Hans Kurath nam dan ook voor zijn atlas zijn proefpersonen telkens uit drie verschillende sociale milieus om zo
vast te stellen ‘the extent to which “dialect” characteristics appear in the speech of better-educated members of the various communities’ (E. Bagby Atwod, The methods of American dialectology in: Zs.f.Maf XXX 1-30). Vooral op Romaans gebied is de taalgeografie interlinguaal werkzaam geweest. Jud, Jaberg en Von Wartburg hebben woordgeografische studies geschreven die de hele Romania of althans een groot deel ervan omvatten; zie b.v. J. Jud, Probleme der altromanischen Wortgeographie, ZR Ph 38, 1 vlg., W. von Wartburg Zur Bennenung des Schafes in den romanischen Sprachen 1918 en K. Jaberg, Zur Sachund Bezeichnungsgeschichte der Beinbekleidung in der Zentralromania, W.u.S. 9, 137-163. Een groot gebied wordt ook bestreken door Th. Frings-J. Nieszen, Zur Geographie und Geschichte von ‘Ostern, Samstag, Mittwoch’ im Westgermanischen, I.F. 45, 276 vlg. Pessler wenste pan-Europese kaarten; cfr. W. Pessler Atlas der Wortgeografie von Europa - eine Notwendigkeit in Donum Natalicium Schrijnen (1929); zie ook E. Blancquaert, Taalgeografie, Hand. 18e Vl. Filologencongres 1949, 15 vlg., Holl. Exp. 195. Eigenlijk zijn ook de Taalatlas, de RND, de Atlas Lingüístico de la península Ibérica (1962) en zelfs de Alf, die immers ook het Provençaals bestrijkt, interlinguaal. Een Panslavische taalatlas is in voorbereiding. Voorts zijn o.a. te vermelden Frings, Teuchert, Ras en taal, A. Weijnen, Geminatie in DBXV 93-110, A. Weijnen, Het verspreidingsgebied van de ontronding Ts 79, 81-102, A. Weijnen, Fonetische en grammatische parallellen aan weerszijden van de taalgrens Ts LXXX, 1 vlg., Deutsche Wortforschung in europäischen Bezügen, hrsg. von L.E. Schmitt I-II 1958-1963. Wat Nederland betreft is de wenselijkheid van kaarten met opgaven aan beide zijden van onze oostgrens bepleit (W. Foerste, Een woordatlas van Saxonia DBNS 1, 84 vlg. wenst een woordatlas voor het ganse ‘Saksische’ stamgebied; zie ook NTg 47, 15 en K. Heeroma, Westniederdeutsch und Ostniederländisch in: Zs. f. Maf. 23, 65 vlg.). Praktisch werk in dezen is verricht bijv. in Roukens 79 vlg. en vooral in de TON. Zie voor Kloekes werk LB 45, 20 vlg. Ook zijn er kaarten gepubliceerd voor Nederland plus aansluitend Romaans terrein; zie bijv. § 164; L. v.d. Kerckhove, ‘Liquiritia’ in de Znl. dialecten HCTD 19, 319 vlg. gaf een kaartje voor Z.-Nederland, Wallonië en Rijnland. Bij L. Grootaers A propos des noms wallons du fruit tapé in Mélanges de linguistique romane offerts à M. Jean Haust 1939, 14 vlg. vindt men zowel Limburgs als Waals alsook Duits gebied in kaart
gebracht. Een interessant voorbeeld verschaft ook L. Bruch, A cheval sur la frontière linguistique: un circuit francique en Europe occidental, Orbis tome III 34 vlg. en R. Bruch† ‘Pariser’ Impulse in der Frühgeschichte der deutschen mundarten, Rheinische Vierteljahrsblätter Jhrg XXV (1960), 300 vlg. Chr. Bruneau wijst er in Zs. f. rom. Phil. 57, 179 op, dat in Frans gebied en de streek van Montmédy tot Givet en in de aangrenzende Duitse tongvallen vanLuxemburg speciaal vóór r diftongering optreedt. Ook het Comité international permanent de linguistes heeft zich met internationale taalgeografie bezig gehouden. M. Cohen publiceerde daarvoor een Questionnaire linguistique (1931). Vermeldenswaard is de internationale aandacht van de fonologen; cfr. N.S. Trubetzkoy, Phonologie und Sprachgeographie TCLP 4, 228 vlg., R. Jakobson, Ueber die phonologischen Sprachbünde TCLP 4, 234 vlg. en Album Grootaers 118. Het artikel van K. Heeroma, Vers un atlas linguistique européen Orbis V 339 vlg. geeft nog geen plannen voor een dergelijke atlas maar spreekt wel over kaarten die zich over meer dan één taalgebied uitstrekken. Iets wezenlijk anders is de interlinguale dialectologie natuurlijk niet. Maar ze biedt het voordeel dat ze ruimer laat zien. Om in Duitsland een van west naar oost gerichte Frankisch-Merovingische expansie aan te nemen diende Bruch zowel de Duitse als de Franse dialecten te bestuderen. Dat sinksen een relictwoord is, blijkt duidelijker als men zijn verspreiding zowel in het romaans als het germaans nagaat: vgl. Grundlegung kaart 13. De bewijzen voor een substraat worden dringender als men dezelfde ontwikkelingen in aan elkaar grenzende maar voor elkaar onverstaanbare verscheidentalige dialecten bestudeert: vgl. A. Weijnen, Fonetische en grammatische parallellen aan weerszijden van de taalgrens Ts LXXX, 1 vlg. In 1960 is onder leiding van S. Pop het eerste internationale congres voor algemene dialectkunde gehouden, in 1965 het tweede te Marburg. Organisatorisch valt in ons land in de eerste plaats te vermelden de Dialecten-commissie met het Centraal Bureau voor Nederlandse en Friese dialecten van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen te Amsterdam. Daar wordt de door Kloeke en Grootaers begonnen Taalatlas voortgezet. De vragenlijsten van 1931-1958 zijn met een register afgedrukt als BMDC XXII (1960). In Groningen is enerzijds het Nederlands Instituut der Rijksuniversiteit onder leiding van G.A. van Es (zie TT 7, 81), anderzijds bekleedt Heeroma daar de
leerstoel voor de Nedersaksische taal- en letterkunde en beheert hij het Nedersaksisch Instituut; cfr. DBNS 6, 97 vlg. Dat laatste verschaft ons ook de Taalatlas van Oost-Nederland en aangrenzende gebieden door K. Heeroma. In Nijmegen bestaat de Nijmeegse Centrale voor dialecten naamkunde der Katholieke Universiteit te Nijmegen. België kent de Zuidnederlandse dialectcentrale te Leuven (zie hierover Album Grootaers 13 vlg.), de Reeks Nederlandse dialect-atlassen onder leiding van Blancquaert en Pée, het Seminarie voor Vlaamse dialectologie van de universiteit te Gent en het Séminaire de dialectologie flamande de l'université de Liège. De voor de Nederlandse dialectstudie belangrijkste periodieken zijn Taal en Tongval en Handelingen van de Koninklijke commissie voor toponymie en dialectologie. Voor het oosten van het land zijn de Driemaandelijkse Bladen. Het in Limburg verschijnende Veldeke bevat weinig meer dan teksten. In het Isidoor Teirlinck Album (1931) blz. 95 vlg. schreef N. van Wijk Een desideratum der taalgeografie, waarin hij een internationaal orgaan voor taalgeografie bepleitte, dat aan problemen en methodes gewijd zou zijn. In zekere zin wordt die wens bevredigd in het tijdschrift Orbis, dat uitgegeven wordt door het Centre International de dialectologie générale te Leuven. Voor de bibliografie van de Nederlandse dialecten zie: L.D. Petit, Proeve eener bibliographie der Nederlandsche dialecten OV I 48 vlg., 129 vlg., Handleiding en de jaarlijkse overzichten in HCTD I, vlg. en vooral P.J. Meertens-B. Wander, Bibliografie der dialecten van Nederland 1800-1950, 1958 (deelt op blz. VIII mede dat er een bibliografie op kaarten op het Dialectbureau aanwezig is). W. Pée La géographie linguistique Néerlandaise in Rev. Belge de philologie et d'histoire 14, 105 vlg. geeft een overzicht van de stand van de dialect-geografie tot 1935. K. Schulte-Kemminghausen Verzeichnis der Mund-artkarten des niederländischen Sprachraumes in Deutsches Archiv für Landes- und Volksforschung Jrg. VI Heft 3, 440-536 beschrijft minutieus alle tot 1942 gepubliceerde Nederlandse dialectkaarten. Het Verslag van de Dialecten-commissie over 1953 7 vlgg. bevat een volledige lijst van alle op het dialectenbureau getekende kaarten. In BMDC 3 vindt men een opsomming van het materiaal van de dialectencommissie in 1943. De dialectologie vindt uiteraard ook haar materiaal in wat met letterkundige bedoelingen in dialect geschreven is. De betrouwbaarheid daarvan loopt zeer uiteen. De Meppeler schetsen van Poortman, die zelf uit het aangrenzende De Wijk afkomstig is (Taallandschap
143), zijn zeer goed. Hetzelfde geldt van Mr. A.S. de Blécourt's Fivelgoër landleven (Volkstaal 39). A.M. de Jong is voor het dialect van Steenbergen-De Heen-Nieuw-Vosmeer betrouwbaar op het punt van klank- en vormleer. Daarentegen is bij Ant. Coolen de syntaxis en de innerlijke taalvorm karakteristieker dan de klankuitbeelding. Slecht aangeschreven staan Herman de Man en Campert (NTg 1951, 277 vlg.). Nienke Bakker geeft in Album Blancquaert 339 van een aantal literaire schrijvers de geboorteplaats, die soms hun woonplaats was. Ten behoeve van dialectschrijvers zijn in enkele streken orthografieën ontworpen. Zie voor Limburg Roukens 76, 107, Veldeke 1e jaarg. 4e afl. 16-20 en de door Veldeke op de vergadering van 29-12-1941 ontworpen spelling; voor de noordelijke dialecten DBNS 1, 3-5, voor het Gronings Ter Laan2 XXV vlgg.; zie ook E.M. Boland Spellingregels voor de Graafschap en aangrenzende gebieden DBNS 5, 91 vlg. en C.M. Driessen, Zoeë shrieve vieër heëlesch ‘dialekt’ 1956. § 2. De kennis van de dialectische differentiatie voorheenHet is voor de contemporaine dialectologie van belang, kennis te hebben van de dialectverschijnselen in het verleden. De dialectgeografie der Griekse oudheid werd bestudeerd door R. van der Velde, Boeotische dialectgeographie in: Donum Natalicium Schrijnen (1929) 660 vlg. en R. van der Velde, Thessalische dialect-geographie 1924. Zie hierover Pop 1059). Foerste 105 spreekt over ‘die wenigen bisher existierenden Karten zur mittelniederdeutschen Wortgeographie im Bereich der Handwerkerbezeichnungen’; zie hiervoor nog M. Åsdahl Holmberg, Studien zu den niederdeutschen Handwerkerbezeichnungen des Mittelalters Lund 1950, Karte S. 85. In W. Jungandreas, Geschichte der deutschen und der englischen Sprachen I-III 1946-1949 vindt men enkele dialectkaartjes voor de middeleeuwen. Ten aanzien van dialectverschillen in de oudgermaanse tijd moet men er wel van doordrongen zijn ‘dasz es sich in althochdeutscher Zeit um Schreibtraditionen bestimmter Klostergruppen handelt, die über die Volkssprache nur sehr bedingte Auskunft geben (K. Wagner, Die Gliederung der deutschen Mundarten, Begriffe und Grundsätze, in: Akademie der Wissenschaften und der Literatur [in Mainz], Abhandlungen der Geistes- und sozialwissenschaftlichen Klasse Jhg. 1954, 627 vlg.). Hoe men uit de Middeleeuwen gegevens voor de dialectgeografie verkrijgt (bv. door studie van een bepaalde auteur, door het gebruik van niet-literaire bronnen, door vergelijking van afschriften of bewerkingen) is voortreffelijk uiteengezet door A. van Loey, Middelnederlandse en moderne dialecten, in: Album Grootaers 63 vlg. (In hoeverre men speciaal oudere teksten uit één bepaalde plaats tot grondslag kan nemen, is besproken door S. van der Meer, Problematiek der Limburgse isoglossen in de Middeleeuwen, BMDC 1947, 31 vlg. De praktische toepassing van zijn beginselen heeft hij in zijn Venloër Stadttexte 1949 gegeven. Ik meen echter dat zijn methode onjuist is; cfr. TT II 65. Bij twee met elkaar afwisselende grafieën gaat hij ervan uit dat beide dezelfde klankwaarde vertegenwoordigen, zodat, als hun de klankwaarde van de ene grafie zeker lijkt, hij deze ook voor de andere aanneemt. Daarbij miskent hij de mogelijkheid dat er in een dialect klankdoubletten kunnen voorkomen, en die van het bestaan van vreemde schrijftaalinvloeden, zodat de grafieën vaak volkomen losstaan van de klankwaarde in de betrokken plaats en het leven slechts op papier leiden. De Middeleeuwen geven hun geheimen niet zo gemakkelijk prijs. E.E. Müller, Zur historischen Mundartforschung, in: Beiträge zur Gesch. d.d. S.u. Lit. 74, 454 vlg., die Bazelse gerechtsakten onderzocht van het eind der M.E. en het begin der nieuwe geschiedenis, wijst er uitdrukkelijk op dat zelfs niet alle regionale kenmerken op de gesproken taal teruggaan (zo bv. niet in zijn gebied de -n in bijwoorden op -lichen). ‘Die Wissenschaft tritt hier in einen Bereich wo sie mit systematischer, auf ein bestimmtes Ziel gerichteter Forschung oft nicht mehr viel ausrichtet, wo das Erkennen und Erhellen weitgehend von den Zufällen des Findens und Entdeckens abhängt. Es wird so sein, dasz sie den Gegebenheiten die sich in dem alten Text eröffnen, folgen musz’ (pag. 461). Het is beslist niet zo dat in een lokale tekst de ene vorm evenveel waarde heeft als de andere. Iedere tekst vertoont de spanning tussen de lokaal gesproken en de omgangstaal. ‘Das Verfahren, durch Unterscheidung unter mehreren Schreibformen eine der Mundart entsprechende oder mindestens nahstehende von einer rein schriftsprachlichen zu trennen, ist eines der wichtigsten Hilfsmittel der historischen Mundartforschung’ (Müller a.a. 481). Men volstaat overigens niet met alleen maar uit te maken wat algemene schrijftraditie en wat regionaal insluipsel is: men moet bij deze laatste soort ook een principieel onderscheid maken. Datgene wat afwijkt van de algemene traditie kan op lokaal dialect-substraat be- rusten, maar evenzeer aan regionale schrijfgewoonten te danken zijn. Müller a.a. 456 vlg. heeft hierop gewezen en R. Schützeichel, Mundart, Urkundensprache und Schriftsprache 1960 heeft uitvoerig aangetoond hoe er ook met een ‘urkundensprachliche Bewegung’ rekening gehouden moet worden om de regionale gewoonten in hun wezen te waarderen. Zie voor de literatuur over de principiële verhouding tussen tekst en dialect Schirmunski 99 noot 1 en 2. Voor studies omtrent de mnl. dialectgeografie zie men naast het reeds genoemde Van Loey's Middelnederlandse spraakkunst. J. Moors, De oorkondentaal in Belgisch-Limburg van circa 1350 tot 1400 (1952) en H. Vangassen, Bouwstoffen tot de historische taalgeografie van het Nederlands, Hertogdom Brabant (1954). Ook zijn er enkele Middelnederlandse dialectkaarten. Scherpe isoglossen zijn daarbij uiteraard niet te bereiken (Album Grootaers 66-67). Men zie de kaarten in Heeroma, Van dern Berg, een enkele kaart in de Taalatlas en het zojuist aangehaalde werk van Moors. Aan de dialectgeografie van latere perioden is weinig gedaan, al heeft men in monografieën over bepaalde taalverschijnselen wel getracht, ook een beeld van de verspreiding der vormen in die eeuwen te ontwerpen. Men is daarbij zo goed als uitsluitend aangewezen op de al dan niet gepubliceerde bronnen (waaronder woordenboeken en spraakkonstenaren). Voor de zestiende eeuw noem ik b.v. J. Naarding Over het Sallands in de 16e eeuw, DB XIV 84 vlg. K. Fokkema, De taal van een Bildtboer omstreeks 1600 TT XI 154 vlg. verschaft een chronologisch overgangsgeval. Voor de zeventiende eeuw (en later) vermelden wij voor het Antwerps Smout blz. 142 vlgg., voor het Amsterdams Verdenius inz. 19-20, G.G. Kloeke, De Amsterdamsche Volkstaal voorheen en thans, Med. der Kon. Ak. v. Wet. afd. Lett. deel 77 serie A. No. 1, 1934 en BMDC 14, voor het Zuidhollands Stoett en NTg 13, 97 vlg., J.H. Kern, Over de taal van de brieven van Huygens' zusters en Dorothea van Dorp Ts 48, 49 vlg., J. te Winkels De tongval van Delfland bij Huygens Ts 1899, 33 vlg. (ook in Nnl. Tongv. afl. 2), J.J. Borger, Haags uit de tweede helft vande 17de eeuw, Ts 69, 49 vlg., voor het Brabants A.A. Weijnen Opmerkingen over de taal van Pater Poiters in Vondelkroniek 1939, 324 vlg., voor het Oostnederlands: K. Heeroma, Oostnederlands uit de 17de eeuw DB 10, 50 vlg. De Boere-Vryagie bevat Zuidoverijsels uit de 17e eeuw, waarschijnlijk Deventers. De achttiende eeuw wordt speciaal vertegenwoordigd door G.G. Kloeke Haagse volkstaal uit de achttiende eeuw, Ts 57, 15 vlg. en 233, en K. Heeroma, Goois uit het midden der 18e eeuw NTg 31, 164 vlg. H.C.M. Ghijsen verzamelde Zeeuwse woorden en wendingen bij Elisabeth Wolff-Bekker TT XI 161 vlg. Tenslotte zijn er enkele belangrijke bloemlezingen die voor een bepaald dialect teksten uit verschillende perioden bijeenzetten, bijv. Jacobs en H.J.E. Endepols, Mestreechter spraok, doe zeute taol! (21943). § 3. DialectfasenDe belangstelling voor algemene dialectologie of structuur dan wel de taalhistorie bepaalt mede op welke fase van het dialect de onderzoeker zijn aandacht gespitst houdt. Bij overwegend historische belangstelling beschrijven de meeste dialectonderzoekers niet de jongste lagen in een dialectgemeenschap, maar bij voorkeur een ouder stadium (cfr. Ts. 68, 150 en Keyser 13). In zijn Hollandse dialektstudies was Heeroma zo zeer op relict-dialecten gebrand, dat hij de minder conservatieve dialecten zo goed als geheel verwaarloosde en daardoor eigenlijk reeds van de gesloten kaarten afzag. § 4. Waardering voor het dialectLit.: Wezen en waarde, passim; K. Heeroma, De waardering van de volkstaal, NTg 35, blz. 117 vlg., 145 vlg.; K. Fokkema, De waardering van het Fries 1948; P.J. Meertens, Dialectologie en literatuur in Album Grootaers, 137 vlg.; G. Kuiper, Trivium, Taal en Tongval, TT 6, 112; L. Bloomfield, Language 1957, 27.5. In de loop der tijden is de waardering van het dialect sterk aan veranderingen onderhevig geweest. In de M.E. stond het praktisch gelijk met gesproken taal. Alleen een figuur als Melis Stoke brengt het dialect welbewust particularistisch in de geschreven taal over. Erasmus noemt de ae-uitspraak van de aa echter reeds vulgair: ‘de vulgo nunc loquimur’, Vondel gebruikt termen als plat en W.A. Winschooten insgelijks in 1683; cfr. Twe-spraack ed. K. Kooiman 1913, 112-113. Als literair stijlmiddel komt het bij ons het eerst voor in 1526. Dan laat Cornelis Everaert in Tspel van ghewillich labuer ende volc van neerrynghe een zeeman optreden ‘sprekende Zeeusche tale’. Kort na 1600 verschijnt het Hollands dialect in kluchten en blijspelen en van dan af is het een trouw stijlmiddel voor realisme, komisch effect en lyrische
satire; cfr. Verdenius 3 vlg. Het eerste literaire stuk met onvervalst Amsterdams is: Bredero's Treurspel van Roddrick ende Alphonsus 1611 (nl. in de komische intermezzo's); cfr. A.A. Verdenius, Studies over zeventiende eeuws 1946, 19-20. In Duitsland spreken reeds in Amantes amentes van Georg Rollenhagen van 1609 de dienstboden plat (F. Maurer-F. Stroh, Deutsche Wortgeschichte2 II 1959, 20). Bij Breero en anderen wordt ook het Antwerps voor het komische ten tonele gebracht; cfr. Smout blz. 142 vlg. In 1693 treffen wij het Brabants en Zeeuws aan in Van Bergen's Gemengelde parnasloof; zie Ts. LXXX 230. Als de Oostnederlandse oorsprong van de zeventiende-eeuwse Over-Ysselsche Boere-vryagie en van Lukevent, waarvan de vijfde druk in 1649 te Zutfen verscheen, beide voordrachten in de volkstaal, zou vaststaan, zouden dit de oudste pogingen zijn om Overijsels of Achterhoeks dialect opzettelijk uit te beelden; cfr. K. Heeroma De Nedersaksische letterkunde (1953) 15-16. Dit alles is een neerslag van het feit dat men zich in het begin der zeventiende eeuw van het onbeschaafd karakter van het dialect bewust begint te worden (C.G.N. de Vooys, Gesch. v.d. Ned. Taal4 (1946) 41). Men herinnere zich de in § 1 genoemde kwalificaties van Huygens en in de Twe-spraack. In de tijd van de Spectatoriale geschriften wordt het zuivere dialect voor ernstige doeleinden gebezigd. Het dient dan ter versterking van de locale kleur en om sfeer te scheppen. In het algemeen kan men zeggen dat de dialectliteratuur doorgaans de vogende genres omvat: het komische, realisme, idyllische stemming, ‘Heimatdichtung’, volkslied en krantbrief (Mitzka 157). Voor het gebruik van het dialect in de buitenlandse literaturen zie men o.a.: A.S.G. Butler, Les parlers dialectaux et populaires dans l'oeuvre de Guy de Maupassant 1962; K. Grünewald, Die Verwendung der Mundart in den Romanen von Dickens, Thackeray, Eliot und Kingsley 1914; H. Lucker, Die Verwendung der Mundart im englischen Roman des 18. Jahrhunderts, 1915; O. Steiger, Die Verwendung des schottischen Dialekts in Walter Scotts Romanen 1913 en E. Panning, Dialektisches Englisch in Elisabethanischen Dramen 1884. Een afzonderlijk soort dialectliteratuur vormen de dialectgrollen of -grappen waar met de dialectklank in rijm en alliteratie een taalspelletje gespeeld wordt. Verschillende voorbeelden vindt men in: C. Robben, Tilburgs Prentebuukske I 1958. Zie mijn bespreking in TT X 204. Het gebruik van dialect in de literatuur ontsproot aanvankelijk aan het realisme (Everaert, Hollandse kluchten en blijspelen). Daarnaast bekleedt het echter ook zijn merkwaardige functie in de hekeldichten.
F. Maurer-F. Stroh, Deutsche Wortgeschichte2 II 1959, 20 zien in het gebruik van het dialect in de literatuur een vrucht van de barok, als gevolg ‘Vom sinnlichen Reiz her’. Aldus wordt het dialect gebruikt door hertog Heinrich Julius van Brunswijk, Grimmelshausen, Abraham a Santa Clara, Gryphius, Schottel, Rist; ‘das Dialektische klassifiziert zugleich sozial als zugehörig zur Unterschicht und wird dadurch auch zu komischer Wirkung benutzt’. Van de Haarlemse volksdichter J.W. de Boer heeft men een uitgebreide tekst in het Boeren-Haarlems uit 1732 (afgedrukt TT X 54-74). Een andere tekst van zijn hand vindt men in Neerlands Volksleven, in het nummer Najaarsbloei van Nederlandse volkskunst 1958-1959. K. ter Laan Et en fret 1957 bevat een toneelstukje van 1793 dat als oudste document van het Groninger stadsdialect kan gelden. De romantiek bracht een literatuur die juist getuigenis aflegt van liefde voor het dialect; het dialect blijft dan niet langer beperkt tot de stereotype genres. Trouwens reeds in de eerste helft van de 18e eeuw had een overigens onbekend Maastrichtenaar een Sermoen euver de weurd Inter omnes linguas nulla Mosa Trajestensi prastantior gedicht, overigens naar een Akens voorbeeld. Endepols dateert het waarschijnlijk ten onrechte op 1729. In het Sermoen komt lou de Cologne voor. Het kan dus op zijn vroegst van 1740 zijn; cfr Veldeke XII 2 vlg., Ts LXXV, 320. In TT XII 88 vlg. publiceerde P.J. Meertens Een Middelburgse dialectbrief uit 1795. L. Spronck deelt in Veldeke 35, 68 vlg. mede dat hij een Maastrichts Leetsche gedigt op Sinte-Cecilia daag ontdekt heeft van J.C. Meyers van vóór 1818, welk liedje ten dele op een ouder dialectgedicht van Delruelle teruggaat. De grenzen tussen dialect en cultuurtaal zijn zeker niet steeds dezelfde geweest. Er is in de loop der tijden een toenemende strakheid van deze laatste te bespeuren. Daarbij is er een geografisch verschil. Thans is het zo gesteld dat in Limburg met zijn zgn. cultuurdialecten 1 nog allerlei beschaafden met streekgenoten dialect spreken. In 1926 is V.E.L.D.E.K.E. opgericht, de vereniging tot instandhouding en bevordering der Limburgse dialekten. Toch neemt het gebruik van het Limburgs af. Zie Win. Roukens, Limburg en zijn dialekten, TT IX (1957) 162-177; zie o.a. ook wat over de clerus in Limburg opgemerkt wordt in De Bronk van nov. 1957 (geciteerd TT 9, 176). In noordoostelijke steden als in Groningen, Zwolle, Deventer en |
1 Zie over dit begrip Wezen en waarde 35-36.
|
|
Zutfen werd een eeuw geleden, ook in patriciërskringen, nog zuiver dialect gesproken; cfr. DBNS 3, 109. Maar voor Deventer wees er mej. Kronenburg NTg 1943, 47, en voor Groningen Schönfeld DBNS 1, 11-12 op dat het dialect daar de laatste tijd in stand is achteruitgegaan. ‘Het spreken van dialect raakt beperkt tot het platteland’, zegt Kloeke DBNS 3, 109. Dat kunnen kunstmatige pogingen als preken en redevoeringen van burgemeesters in dialect (zie hiervoor Ter Laan2 blz. x, TT 6, 198 en Neerlands Volksleven 5 nr 2 en 6 nr 1) niet verhinderen. 1 In Zeeland is het dialect er bij de aristocratie thans bijna helemaal uit; cfr. Meertens in Akademiedagen 4, 90. In Holland en Utrecht geldt het dialect meestal wel voor onbeschaafd. Men is er beschaamd voor. In Gouda bijv. is er nu waarschijnlijk niemand meer die in de gewone omgang nog volledig dialect spreekt. De Gouwenaar schaamt zich voor zijn dialect en tracht beschaafd te spreken (Oudheidkundige Kring ‘Die Goude’ vierde verzameling bijdragen 1943, 95-96). Een literair neerslag van die waarheid vindt men bijv. in Bordewijks roman Karakter7, 96, waar de hoofdpersoon, de volksjongen Katadreuffe, zich van het dialect distantieert. Hetzelfde gebeurt in de novelle Electrothérapie uit W.F. Hermans' Moedwil en misverstand, Amsterdam 1948. Het gaat daar (p. 17) over een gymnasiast van gewone afkomst: ‘Hij had niet het minste begrip van rangen en standen, onze Ronald. Maar op het gymnasium kwam daar weldra verbetering in. Een van de eerste dingen die hij zich bewust werd, was dat hij plat-Amsterdams sprak. Toen het eenmaal tot hem doordrong was hij verbaasd en verrukt dat men hem er zo weinig mee voor de gek gehouden had. - Hij leerde het in twee maanden af.’ Elders, bijv. in Brabant, is het dialect ten dele nog de taal der ondercultuur. Maar de toestand begint er steeds meer op die van Holland en Utrecht te lijken. De Bossche revuespeler Jan Ebben vertelde mij in december 1948, dat hij zijn kinderen A.B. liet spreken en het thuis zelf ook deed. Toen mijn vrouw op 2 maart 1950 in de bus van Asten naar Helmond reed, viel het haar op dat het kindje van een echte Astense volksvrouw daar tegen haar moeder zei: Mama paatje. In het dialect had het pertje moeten zijn. Hieruit blijkt dat ook echte dialectsprekers de eerste woorden aan hun kinderen in AB wensen te leren. Tekenend voor de |
1 In BMDC 13, 26 merkt Grootaers op, dat in Frankrijk de taalregionalismen weer toenemen. Ze worden in de regel afgekeurd, maar het oordeel is afhankelijk van de positie van wie ze bezigt. Ze worden bv. van Auriol en Colette aanvaard. Pop 6 vlg. en XXV wijst erop, hoe in Frankrijk niet alleen het koningschap, maar ook de Franse revolutie vijandig tegenover het dialect heeft gestaan.
|
|
waardering is ook dat Entjes in BMDC 13, 8 opmerkt dat op school dialect wil spreken de achterblijver, degene die zich eenzaam voelt. Zie voor de houding van de vrouw tegenover het dialect inz. Ausems 2 en Orbis 1 1952, 10-86 Le langage des femmes: Enquête linguistique à l'échelle mondiale. In België wordt het A.B. in het algemeen pas slechts door een betrekkelijk klein aantal intellectuelen gesproken. In de Belgisch-Limburgse mijnstreek maakt het A.B. echter zeer snelle vorderingen als gevolg van de bevolkingsvermenging. Nu reeds spreekt de meerderheid van de schoolgaande jeugd te Genk A.B. onder elkaar. Zie J. Goossens in LB XLIX, Bijblad, blz. 10. Het valt bij dit alles op, dat hoe sterker het dialect van het A.B. afwijkt, hoe gunstiger het er in de subjectieve waardering voorstaat. Dit is te begrijpen. Praktisch elk dialect vertoont nog sociale onderscheidingen in deze geest dat het in beschaafder en minder beschaafde vorm bestaat. In Den Bosch bijv. zeggen de beteren: moet en naaie, het gewone volk mot en naeje. Voor Groningen deelt Schönfeld DBNS 1, blz. 11-12 mee, dat de beschaafden nog wel een sonantische nasaal en een ge-loos participium aandurven, maar terugschrikken voor dou ‘jij’, wel ‘wie’ en doan. 1 Bij dergelijke toestanden weet de doorsnee-Nederlander in een hem vreemd dialect natuurlijk niet de beschavingslaag te onderscheiden. Maar bij een Hollander hoort men het direct, wanneer die tegen de normen van het A.B. zondigt en men vindt dan ook geen aanleiding om hem dat te vergeven. 2 Verdenius wees er terecht op, dat het een kwestie van associatie is. Hoor je méén en sei (zee) en sou (zo), dan denk je aan Hollandse achterbuurten. Bij verder afwijkende dialecten heeft men echter niet die positief-onaangename associaties (A.A. Verdenius, In de Ned, taaltuin3, 162). Er is dan ook tussen vulgarismen en provincialismen geen objectief onderscheid. Het verschil wordt bepaald door associatieve factoren; cfr. G.G. Kloeke, Gezag en norm bij het gebruik van verzorgd Nederlands 1951, 9. Zie voorts voor het verdwijnen van het dialect § 9. |
1 DBNS 1949, 11-12; verdere vbb. bij Hellinga 13, Leccutere- Grootaers6 nr 62, Wezen en waarde 35 vlg.
2 Cfr. Wezen en waarde 37 vlg. en Jrb. v.d. Mij der Ned. Lett. te Leiden 1936-1937, 8.
|